LIII.

De slag.

Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men ’t leven van borden, lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had, en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar haar geheimzinnige woorden in ’t oor zegt, en Padre Salvi rusteloos op en neer wandelt van ’t eene eind van ’t vertrek naar ’t ander.

Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; ’t is omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van ’t oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: ’t uur van ’t avondeten voor Linares.

“Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft,” fluistert Sinang, en wijst naar den pastoor. “Om acht uur moet hij komen. Die daar is even verliefd als Linares.”

Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder ’t te merken, voort met haar schrikbarend gepraat:

“O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte wenken: hij wil geen licht branden in ’t klooster! Zeg, weet je dat sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken, weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch ’s wat ’n oogen hij opzet, en wat ’n gezicht hij zet!

Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor huiverde, en zette zich in een hoek.

“Hij komt al!” zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. “Hoor je ’t?”

De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.

Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op ’t zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil, zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo’s klonken aan den kant van ’t klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen: “Toelisan, toelisan!” Andeng volgde zwaaiend met het braadspit, en liep op haar zoogzuster toe.

Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het “kyrie eleison.” Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.

De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch gesloten. Men hoorde ’t geluid van fluiten, een schot van tijd tot tijd.

“Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de vensters!” kreet tante Isabel.

“Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!” antwoordde Capitán Tiago. “Ora pro nobis!”

Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem van den alférez, die hard loopende schreeuwde:

“Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?”

“Miserere! De alférez wil bediend worden!” riep tante Isabel.

“Is de alférez gewond?” vroeg eindelijk Linares.

“O!”

En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn mond was.

“Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!” bleef de alférez schreeuwen.

Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn schuilhoek, en ging de trap af.

“De toelisan’s hebben den alférez vermoord! Maria, Sinang, naar je kamer. Goed de deur versperren!”

“Kyrie eleison!”

Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel, die zeide:

“Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!”

De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.

Maar Ibarra verliet het huis: ’t was hem of alles om hem heen dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden, zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en duister volgden elkaar op in zijn netvlies.

Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.

Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op ’t geweer, levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.

In ’t gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai’s en verwenschingen. De stem van den alférez overstemde alles.

“In ’t blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op straat, al was ’t God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!”

Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten hem in ongerustheid.

“Zadel ’t beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!” zeide hij hun.

Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën, nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast, waar hij ijzeren gereedschap had.

Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.

“Wie is daar?” vroeg Ibarra op somberen toon.

“Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de deur in!” antwoordde een bevelende stem in ’t Spaansch.

Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de wapens liggen, en ging zelf opendoen, op ’t oogenblik dat de bedienden kwamen toeloopen.

Drie guardia’s grepen hem dadelijk aan.

“In naam des konings, geef u gevangen!” zeide de onderofficier.

“Waarom?”

“Dat zult u daar wel gezegd worden. ’t Is ons verboden het u te zeggen.”

De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed en zeide:

“Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren zal wezen.”

“Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten: de alférez staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt...”

Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.

Wat was er intusschen van Elias geworden?

Toen hij Crisóstomo’s huis verliet, liep hij als een bezetene zonder te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan ’t bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp, hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande, dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de eeuwenoude stammen, dringende in ’t kreupelhout, keek hij naar het dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap, vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd riepen hem na: “Lafaard, lafaard!”

Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar hij aan ’t strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden in ’t water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken, waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht.

Elias viel op zijn knieën op het zand.

“Jij ook!” mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.

Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij vooruit en ging in ’t water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur, het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht na, bespeurde dat hij zich in ’t water bevond. Het meer was kalm, en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.

Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar ’t dorp: Waartoe? Hij zelf wist het niet.

Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de dieren, de honden die ’s nachts plachten te blaffen, hadden zich angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en eenzaamheid van ’t oord.

Vreezende de guardia civiles te zullen ontmoeten, nam hij zijn weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg, en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan ’t andere einde van ’t dorp, waar hij zich naar Crisóstomo’s huis begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van hun heer te bespreken en te bejammeren.

Eenmaal op de hoogte van ’t geen er voorgevallen was, verwijderde Elias zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars nog brandde die Ibarra er gelaten had.

Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes, die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen, ze ’t venster uit te werpen en te begraven.

Hij wierp een blik op den tuin, en bij ’t licht der maan zag hij twee guardia civiles, die met een helper kwamen: de bajonetten en de helmen glinsterden in de duisternis.

Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in ’t vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van Maria Clara, weifelde even...dan stak hij ’t in een van de zakjes, en ’t een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.

’t Was hoog tijd: de guardia civiles waren al bezig de deur in te slaan...

“Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je meneer!” zeide de politieman die erbij was.

“Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven,” zeide een oude man.

De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.

“Brand! Brand!” riepen allen.

Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar ’t vuur had het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen ontploften. De guardias civiles moesten terug: de vuurgloed versperde hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen, konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang van ’t oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.

LIV.

Wat men zegt en wat men gelooft.

God liet het eindelijk morgen worden voor ’t zwaarbezochte dorp.

De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje, dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen uitkijkt. “Klets!” klinkt het en de frissche menschelijke huid komt in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van ’t kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.

Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord, want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos: ’t is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte terwijl padre Dámaso aan ’t preeken was. Kinderen en oude vrouwen zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde: de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te herinneren.

Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.

“Heerejee! ’t Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk vuurwerk!” zegt zuster Roefa.

“Sinds de plundering van ’t dorp door Balat heb ik nooit zoo’n nacht gezien!” antwoordt zuster Poetê.

“Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden Pablo is.”

Toelisan’s? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is tegen de civiles. Daarom is Don Filipo gevangen genomen.”

Sanctus Deus! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen zijn.”

Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden zich, wisselden groeten en maakten commentaren op ’t gebeurde.

Bij ’t licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige schimmen.

“Daar gaat weer een doode!” zeide een aan een venster.

“Een? Ik zie er twee.”

“En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?” vroeg een man met een snaaksch gezicht.

“Zeker wel! De burgerwacht.”

“Nee, meneer: een oproer in de kazerne!”

“Wat oproer? De pastoor tegen den alférez?”

“Niets daarvan, hoor,” zei degeen die de vraag gedaan had. “De Chineezen zijn opgestaan.”

En hij sloot zijn venster weer.

“De Chineezen!” herhaalden allen met de grootste verbazing.

“Daarom zie je er geen een!”

“Ze zullen allen dood zijn.”

“Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in ’t schild voerden. Gisteren...”

“Ik heb ’t wel gezien. Gisterenavond...”

“Jammer!” zei zuster Roefa, “zoo allemaal dood te gaan voor Paschen, wanneer ze met hun geschenken komen.”

Hadden ze nog maar ’t nieuwe jaar afgewacht...”

De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen, de varkens en de duiven die ’t verkeer beproefden. Op deze dieren volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt, met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor ’t huis, waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden, terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor het gemeentehuis.

Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had haar verdedigd, geholpen door de guardia civil.

Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.

De komst van twee cuadrillero’s of burgerwachten, die een menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een guardia civil, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat ze van ’t “klooster” kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen, ried een vrouw wie ’t wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij ’t was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde ’t mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds acht en dertig.

Om half acht, toen er nog meer guardia civiles aankwamen, afkomstig uit de naburige dorpen, was de lezing van ’t gebeurde reeds duidelijk en in bizonderheden uitgewerkt.

“Ik kom daar net van ’t gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don Crisóstomo gevangen heb gezien,” zeide een man tot zuster Poetê. “Ik heb met een van de cuadrillero’s gesproken, die daar de wacht hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en ’t klooster aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht zijn. De guardias civiles hebben Don Crisóstomo’s huis in brand gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen, zouden ze hem mee verbrand hebben.”

“Hebben ze zijn huis in brand gestoken?”

“Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk ’s hoe je van hier de rook nog kunt zien!” zeide de verteller, op een venster toetredend. “De lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen.”

Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of min beschuldigende commentaren.

“Arme jongen!” riep een oude man, Poetê’s echtgenoot.

“Jawel!” antwoordde zij, “maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal ’t zeker meer noodig hebben dan anderen.”

“Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?...”

“Medelijden met iemand die in den ban is? ’t Is een zonde medelijden te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog wel? Op ’t kerkhof liep hij als in een veekraal!”

“Maar ’t kerkhof lijkt immers op een veekraal,” antwoordde de oude man, “alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan...”

“Komaan!” riep zuster Poetê hem toe, “nu ga je ook nog een verdedigen die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen nemen. Steun jij maar iets dat aan ’t vallen is!”

De echtgenoot zweeg op dit argument.

“Best te begrijpen!” hervatte het oudje, nadat hij Padre Dámaso afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden.”

“Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was, toen hij klein was.”

“Jawel, ’t was een goeie jongen,” gaf het besje terug, “maar hij is naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter terug, hebben de pastoors gezegd.”

“Och och!” riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om haar schaakmat te zetten. En de pastoor dan, en al de pastoors, en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet van Spanje? Awa! Zouden dat soms ook ketters zijn? Awa!

Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje, dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.

“Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!” zei ze hijgend.

“Hangt er iemand?” riepen ze allen vol ontzetting.

De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats verroeren.

“Ja, meneer...” ging de dienstmaagd bevend voort. “Ik ging juist erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij ’t niet is, maar een ander... een doode; ik loop, ik loop en...”

“Laten we ’s naar hem gaan kijken,” zeide de oude man, en stond op. “Breng jij ons.”

“Ga niet!” schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. “Je zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger voor hem!”

“Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar ’t raadhuis, Juan, om kennis te geven. Misschien is hij nog niet dood.”

En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.

“Daar is hij, meneer,” zei ’t dienstmeisje en stond stil, terwijl ze met den vinger naar iets wees.

De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man alleen verder gaan.

Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom, slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren bevlekt, het hoofd gebogen.

“We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is,” zeide hij luide. “Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood.”

De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.

“’t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken geleden gekomen is. Kijk maar ’s naar dat litteeken op zijn gezicht.”

“Ave Maria!” riepen eenige vrouwen.

“Zullen we voor zijn ziel bidden?” vroeg een jongmeisje, zoodra ze ’t lijk voldoende had bekeken en opgenomen.

“Dwaas kind, kettersche meid!” berispte haar zuster Poetê. “Weet je niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? ’t Is God verzoeken voor een verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven.”

En ze voegde eraan toe:

“Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen: ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde.”

“Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken,” merkte een jongmeisje op.

“Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis te bestellen!”

De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een politie-agent, de commissaris en twee cuadrillero’s. Dezen maakten het los en legden het op een draagbaar.

“De lui hebben haast om dood te gaan,” zei de commissaris lachend, terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.

Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode, die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend, dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.

Ondertusschen bekeek een landman met een groote salakot op en een groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.

Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van ’t lichaam; boven de plek waar ’t touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe striempjes; de schrijning van ’t koord was wit en vertoonde geen bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed, merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van amores secos,1 die overal, tot aan de boord van het hemd aan hem vastgekleefd zaten.

“Wat zie je aan hem?” vroeg de commissaris.

“Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer,” stamelde hij, zich half ’t hoofd ontblootend, dat wil zeggen de salakot meer naar beneden halend.

“Heb je niet gehoord dat het een zekeren Lucas is? Slaap je?”

Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit, en ging met gebogen hoofd langzaam heen.

“Hei, waar ga je naar toe?” riep de oude man hem toe. Daar kun je er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!

“De man slaapt nog!” zeide de commissaris spottend. “We zullen wat water over hem moeten gooien.”

De omstanders lachten weer.

De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar den hoofdkoster.

“Die slaapt nog!” antwoordde men hem barsch. “Weet u niet dat ze vannacht het klooster geplunderd hebben?”

“Ik zal wachten tot hij wakker wordt.”

De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn slecht behandeld te worden.

In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen stoel. Zijn bril zat hem tegen ’t voorhoofd tusschen de lange haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees en daalde regelmatig.

De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken, onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook zaden van amores secos aan de broek en de mouwen van ’t hemd des slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde oog uit, en ontving den man met een snauw.

“Ik wou een mis bestellen, meneer!” antwoordde hij op een toon van verontschuldiging.

“Al de missen zijn al afgeloopen,” zeide daarop de eenoogige zijn toon wat verzachtend. “Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de zielen in ’t vagevuur?”

“Nee, meneer,” antwoordde de boer en gaf hem een peso.

En hem scherp aankijkend in ’t eene oog, liet hij volgen:

“’t Is voor iemand die spoedig zal sterven.” En hij verliet de sakristie.

“Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!” zeide hij zuchtend, terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en de gestalte van Elias weer aan te nemen.


1 Desmodium canescens, een peulvrucht.

LV.

“Vae Victis!”

Eenige guardia civiles wandelen met onheilspellende gelaatsuitdrukking voor de poort van ’t gemeentehuis, dreigend met de kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan, of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.

De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en weinig geruststellend. De guardia civiles en de soldaten van de burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten bezig papieren vol te krabbelen. De alférez loopt heen en weer, en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil, en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.

De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een ander bestemd.

Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.

“Nou, u heeft ook op u laten wachten!” zegt de alférez tot hem.

“Ik had er liever niet bij willen wezen,” antwoordt Padre Salvi zacht, zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. “Ik ben erg zenuwachtig.”

“Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan.”

“De jonge Ibarra en de teniënte mayor...?”

De alférez wees naar de gevangenis.

“Er zijn er acht in,” zeide hij. “Bruno is vannacht om twaalf uur gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd.”

De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een “aah” antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder ’t portret van den koning neerzette.

“We kunnen beginnen!” zei ze.

“Haal de twee die in ’t blok zitten!” beval de alférez met een stem, die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:

“Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!”

Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld dat het “blok” een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste ledematen van meer dan een el wijd: ’t is niet dadelijk doodelijk, zooals men zich zeer goed kan voorstellen.

De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg, en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er luchtverversching intrad.

Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek: ’t blok werd losgemaakt.

Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen, met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.

Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn, Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den alférez.

“Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden heeft gezegd te vluchten,” zeide de alférez tot padre Salvi.

Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.

“Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats komen!” schreeuwde hij.

“’t Is een rakker,” merkte de alférez op, met den pastoor sprekende. “Hij wou vluchten, maar ze hebben ’m in zijn dij geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben gekregen.”

“Hoe heet je?” vroeg de alférez aan Tarsilo.

“Tarsilo Alasigan.”

“Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne aanvielen?”

“Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad.”

“Ontken ’t niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?

“U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken, anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar.”

De alférez keek verbaasd naar den onderofficier.

“Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten, daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van me te hooren krijgen.”

Er was een oogenblik stilte.

“Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn,” riep de alférez, en zwaaide met een rotan.

Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.

De alférez overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:

“Breng den man waar de lijken zijn!”

In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik spuwend.

“Ken je ze?” vroeg de alférez, terwijl hij de mat oplichtte.

Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken, en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.

“Ken je ze?” werd hem weer gevraagd.

Tarsilo bleef stom.

Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.

“Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!” kreet de alférez buiten zich zelve.

“Spreek dan toch!” zeide de commissaris, “in elk geval maken ze je dood.”

Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën knikten.

“Ken je dien man?” vroeg Padre Salvi.

“Ik zie hem voor ’t eerst!” antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden naar den ander kijkend.

De alférez gaf hem een stomp en een trap.

“Maak hem aan de bank vast!”

Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij aan een houten bank vastgebonden.

De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op haar lippen beet.

“Ik heb nooit zoo’n leelijke vrouw gezien!” riep Tarsilo te midden van de algemeene stilte. “Ik ga liever op een bank als deze slapen, dan naast haar, zooals de alférez.”

De muze verbleekte.

“U gaat me doodranselen, meneer de alférez,” ging hij voort, “vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen.”

“Doe een prop in zijn mond!” schreeuwde de alférez, bevend van woede.

’t Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.

Op een teeken van den alférez begon een guardia gewapend met een rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.

Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten volle. Ze telde, ademloos naar ’t scheen, de doffe slagen en ’t hartverscheurend gekreun en gebrul. ’t Was Tarsilo’s zuster.

In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige, op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de alférez, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij losgemaakt moest worden.

Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in ’t oor. Deze knikte ten teeken van instemming.

“Naar de put met hem!” zeide hij.

De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze ’t met timbaïn, van ’t werkwoord timba, water putten. We weten niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden ’t voor vrij oud.

In ’t midden van ’t patio—de binnenplaats—van ’t gemeentehuis verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut te trekken, maar om de moeilijkheden.

Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek, en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.

Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een zucht ontweek aan zijn borst.

“Spreek nou!” zeide de commissaris weer tot hem, “je wordt in elk geval opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben.”

“Als je daar uit komt, moet je dood,” zeide een cuadrillero.

Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet, alleen dat ze den man er langer in laten.

De alférez verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten af te tellen.

Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij hield de oogen half dicht.

“Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben,” stamelde hij smekend, “laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in ’t zelfde geval als ik!”

De alférez kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het toezicht op de nederlating.

“Langzaam, langzaam!” schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige met den blik volgend. “Voorzichtig!”

De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield de zwengel op te zakken. De alférez telde de sekonden.

“Op!” kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.

Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de terugkeer van ’t slachtoffer naar ’t licht aan. Ditmaal ging het sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch neer.

Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.

“Wil je nu spreken?” vroeg men hem.

“Zorg voor mijn zuster!” stamelde de ongelukkige en keek smekend naar een cuadrillero.

De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De alférez telde een minuut.

Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met bloed beloopen oogen open.

“Zul je nu spreken?” vroeg de alférez op ontmoedigden toon.

Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water, en viel weer ’t schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld aan zijn oogen onttrok.

Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag groote luchtbellen aan de oppervlakte van ’t water komen.

“Hij heeft dorst!” zei ze lachend.

En ’t werd weer rustig.

Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de alférez zijn teeken gaf.

Tarsilo’s trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden lieten het wit van ’t oog zien. Uit den mond kwam modderig water met bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde niet meer.

Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De alférez gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet en de sigaret ging uit.

“Hij heeft zichzelf laten stikken!” mompelde een cuadrillero. “Kijk ’s hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken.”

De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij keek als een gek naar alle kanten.

De alférez zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.

“Meneer, meneer!” kermde hij, “ik zal alles zeggen wat u maar wilt!”

“Goed! Laten we ’s hooren: hoe heet je?”

“Andong,1 meneer!”

“Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?”

“Andong, meneer!” herhaalde de onnoozele hals.

Zet u maar Bernardo of wat dan ook,” besliste de alférez.

“Familie-naam?”

De man keek hem ontzet aan.

“Wat voor ‘van’ heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?”

“O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!”

De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de alférez stond stil op zijn wandeling.

“Beroep?”

“Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder.”

“Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?”

“Niemand, meneer!”

“Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie heeft je gelast? Zeg de waarheid!”

“De waarheid, meneer!”

“Wie?”

“Wie, meneer?”

“Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?”

“Welk oproer, meneer?”

“Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne was.”

“O meneer!” riep Andong blozend.

“Nu, wie heeft daar de schuld van?”

“Mijn schoonmoeder, meneer!”

Een luid gelach begroette deze woorden.

De alférez stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden, en ging aangemoedigd voort:

“Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was, en ik zei zoo bij mezelf: ’t Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist bezig mijn broek op te halen...”

Een rotan slag sneed hem het woord af.

“Naar de gevangenis!” beval de alférez. “Vanmiddag naar de hoofdplaats!”


1 Gemeenzaam verkleinwoord van ettelijke namen op do zooals de Tagalen dat vormen.