Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord, daarna kwamen het geschrei en het gejammer.
De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis, en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De alférez had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende vrouwen met de kolf van ’t geweer. De gobernadorcillo, ’t onnutte wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van ’t eene uiteinde naar ’t andere de vrouwen die nog krachten hadden; de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner dierbaren uitspraken.
De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.
“Ga maar heen,” zeiden ze haar, “uw kind zal koorts oploopen.”
“Waartoe zou ’t leven als ’t geen vader heeft om ’t op te voeden?” antwoordde de diepbedroefde vrouw.
“Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!”
“Jawel, wanneer wij al dood zijn!”
Capitana Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere Capitana Maria keek naar ’t kleine traliewerk, waar achter haar beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.
Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet: ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen, en sprak het publiek toe:
“Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem schieten, hem in ’t blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen, alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om wraak! De guardias civiles maken misbruik van hun gezag! Ik zweer dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij ik erin, of anders mogen ze ’t mij doen!”
Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.
“Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld,” zuchtte een vrouw.
De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. “Ñor” Juan wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en zijn meter niet bij zich: de man was in ’t zwart want hij had de kwade tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.
Om twee uur ’s middags hield een kar, door twee ossen getrokken, stil voor het gemeentehuis.
De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en vernielen.
“Dat moet je niet doen,” zei Capitana Maria, “wou je dat ze te voet gingen?”
Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten, en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.
De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee guardias moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio, de zoon van Capitán Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag, hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van Capitana Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee guardias civiles in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.
“Die is de schuld van alles!” riepen er verscheidene stemmen. “Die is ’t meest schuldig, en die loopt ongebonden!”
“Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!”
Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:
“Bind me, maar doe ’t goed: elleboog tegen elleboog!” zeide hij.
“We hebben er geen order toe!”
“Bind me!”
De soldaten gehoorzaamden.
De alférez vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog tien of vijftien soldaten volgden hem.
Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten, van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra had er niemand; zelfs “Ñor” Juan en de schoolmeester waren verdwenen.
“Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?” zei Doray tot hem. “Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!”
“Je bent een lafaard!” schreeuwde Andong’s schoonmoeder hem toe. “Terwijl de anderen voor je aan ’t vechten waren, hield jij je verscholen, lafaard!”
“Wees vervloekt!” zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde, “vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust te verstoren!”
“Laten ze je ophangen, ketter!” riep een verwante van Albino hem toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide dien naar hem.
Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman regende het stof en steenen.
Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht, de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp, waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van ’t hoofd van haar zoon. Wellicht kwam Elias’ geschiedenis hem voor den geest.
De alférez vond het noodig de menigte te doen verwijderen, maar de steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte haar smart niet aan hem: ’t was Capitana Maria. Roerloos, met op elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter dan die der Niobe uit de fabel.
De stoet verwijderde zich.
Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van ’t huis zijner ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden, welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen vrienden, geen toekomst meer!
Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. ’t Was een oud man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend op een stok. ’t Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van ’t gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op.
Den volgenden dag vonden de herders hem dood liggen op den drempel van zijn eenzaam verblijf.
De telegraaf bracht onder ambtsgeheim het bericht van ’t gebeurde naar Manila over, en zes en dertig uur later spraken met veel geheimzinnigheid en niet weinig bedreigingen de bladen er over; echter, was er bijgevoegd, was ’t een en ander verbeterd en besnoeid door den fiskaal. Ondertusschen waren het partikuliere berichten, uitgaande van de “kloosters,” die het eerst van mond tot mond gingen, doch in stilte en tot groote ontzetting van hen die ze vernamen. Het feit, in duizend lezingen verminkt, werd met meer of minder gemak geloofd al naar mate het de hartstochten en de denkwijze van een ieder streelde of kwetste.
Zonder dat de openbare rust gestoord scheen, althans in schijn werd de vrede der haardsteden hersteld, als in een vijver: terwijl de oppervlakte zich glad en effen vertoont, krioelen, glijden en vervolgen elkaar de stomme visschen. Ridderkruisen, ordeteekens, galons, baantjes, prestige, macht, aanzien, waardigheden enz. begonnen rond te dwarrelen als vlinders in een atmosfeer van gouden muntstukken, voor de oogen van een deel der bevolking. Voor het andere, verhieven zich aan de kim, afstekend tegen den aschkleurigen ondergrond, als zwarte silhouetten, tralies, ketens en zelfs het noodlottige galgen-hout. ’t Was of men in de lucht de verhooren, de vonnissen, de kreten, ontwrongen door de foltertuigen, kon waarnemen. De Mariannen-eilanden en Bagoembajan vertoonden zich gehuld in een bloedig-lompige sluier: men verwarde visschers en visschen. Het lot liet de gebeurtenis aan de verbeelding der Manilenen zien als zekere Chineesche waaiers: een kant zwart, en de andere kant vol verguldsel, levendige kleuren, vogels en bloemen.
In de “kloosters” heerschte de grootste opwinding. Men spande rijtuigen in; de “provincialen” bezochten elkaar, hielden geheime samenkomsten. Ze vervoegden zich in de paleizen om hun steun aan te bieden aan het “bestuur dat in zeer ernstig gevaar verkeerde.”
Men sprak weer over komeeten, maakte toespelingen, gaf speldeprikken enz.
“Een Te Deum, een Te Deum!” zeide een monnik in een klooster. “Dezen keer moet er niets in ’t koor ontbreken! ’t Is geen geringe goedheid van God, dat Hij nu doet zien, juist in zulke verdorven tijden, hoeveel wij waard zijn!”
“Na dit lesje zal generaaltje Mal Agüero1 zich op zijn lippen bijten,” antwoordde een ander.
“Wat zou er van hem geworden zijn zonder de corporaties?”
“En om het feest beter te vieren, moet aan den broederkok en den rentmeester gezegd worden... gaudeamus drie dagen lang!”
“Amen! Amen! Leve Salvi! Leve!”
In een ander klooster was het weer anders.
“Zie je wel. Dat is nu een leerling van de Jezuïeten: van ’t Ateneo gaan de opstandelingen uit!” zeide daar een fraile.
“En godloochenaars.”
“Ik heb ’t wel gezegd: de Jezuïeten storten ’t land in ’t ongeluk, bederven de jeugd; maar men duldt ze, omdat ze wat krabbels op een papier zetten, wanneer er aardbeving is...”
“En God weet hoe ze wezen zullen!”
“Jawel, spreek ze maar ’s tegen! Als alles beeft en zich beweegt, wie schrijft er dan hanepoten? Onzin, Padre Secchi...”
En ze lachen met souvereine minachting.
“Maar de stormen dan, en de tyfon’s?” vroeg een ander met bijtende ironie. “Is dat niet goddelijk?”
“De eerste de beste visscher kan ze voorspellen!”
“Als de man aan ’t bewind een stommeling is... zeg me hoe ’t met je hoofd staat, en ik zal je zeggen wie je vader is! Maar u zult ’s zien, als de vrienden elkaar vooruithelpen: de bladen vragen bijna om een bisschopsmijter voor Padre Salvi.”
“En hij krijgt ’m! En lekker ook!”
“Denk je dat?”
“Dacht je van niet? Ze geven die tegenwoordig voor allerlei dingen. Ik weet van een die hem wel voor minder gekregen heeft: hij schreef een prullig boekje, waarin hij aantoonde dat de inlanders alleen maar geschikt waren voor handwerkslieden...bah, ouwe zeurpraatjes!”
“Dat is zo! Al die onrechtvaardigheden doen kwaad aan den godsdienst!” riep een ander uit. “Als de mijters oogen hadden, en ’s konden zien op wat voor schedels of ze...”
“Als de mijters natuurvoorwerpen waren,” voegde een ander er met neusgeluid bij. “Natura abhorret vacuum.”2
“Daarom juist krijgen zij ze te pakken: het leege trekt ze aan!” antwoordde nog een ander.
Dit een en ander en meer zoo werd in de “convento’s” gezegd.
In zijn weelderig ruim salon zit Capitán Tinong—dezelfde gastvrije man die indertijd met zooveel aandrang Ibarra tot een bezoek aan zijn huis uitnoodigde—in een grooten leuningstoel. Hij streek mismoedig de handen over het voorhoofd en den nek, terwijl zijn eega, Capitana Tintjang, zat te schreien en een boetpredicatie tegen hem hield in ’t bijzijn van zijn twee dochters, die in een hoek stom, verbijsterd en ontroerd toeluisterden.
“Ach, Heilige Maagd van Antipolo!” riep de vrouw.
“Ach, Heilige Maagd van den Rozenkrans en van de Riem!
“Och och! Onze lieve Vrouw van Novaliches!”
“Nanay!” antwoordde ’t jongste der meisjes.
“Ik heb ’t je wel gezegd!” ging de vrouw verwijtend voort. “Ik heb ’t je wel gezegd. Och, Heilige Maagd del Carmen, och, och!”
“Maar je hebt me immers niets gezegd!” waagde Capitán Tinong op huilerigen toon te antwoorden. “Integendeel, je hebt me juist gezegd dat ik er goed aan deed bij Capitán Tiago aan huis te komen, en zijn vriendschap aan te houden, omdat...omdat hij rijk was...en je zei me...”
“Wat? Wat heb ik je gezegd? Dat heb ik je niet gezegd, ik heb je niets daarvan gezegd! Och, als je toch naar me geluisterd had!”
“Nu gooi je de schuld op mij!” hervatte hij op bitteren toon, terwijl hij met de hand op de armleuning van zijn stoel sloeg. “Heb je dan niet gezegd dat ik goed gedaan had met hem uit te noodigen, om bij ons te komen eten, omdat hij rijk was...? Jij zei zelf dat we alleen maar kennissen en vrienden onder de rijken moesten hebben. Awa!”
“’t Is waar, dat heb ik je gezegd... omdat er niets anders op zat: jij prees hem maar altijd: Don Crisóstomo voor, Don Crisóstomo na, awa! Maar ik heb je niet aangeraden dat je hem zou ontmoeten en met hem praten op die bijeenkomst. Dat kun je me niet tegenspreken.”
“Wist ik soms dat hij daarheen zou gaan?”
“Je hadt het moeten weten!”
“Hoe kon dat, als ik hem niet eens kende?”
“Nou, dan had je hem moeten kennen!”
“Maar, Tintjang, ’t was immers den eersten keer dat ik hem zag, dat ik van hem hoorde spreken!”
“Dan had je ’m maar eerder moeten gezien hebben, of van hem gehoord hebben! Daarvoor ben je een man, daarvoor draag je een broek en lees je het Diario de Manila!” antwoordde de gade onverschrokken, en wierp hem een vreeselijken blik toe.
Capitán Tinong wist niet wat hij zou antwoorden.
Capitana Tintjang, niet tevreden met deze overwinning, wilde hem geheel vernietigen, en met gebalde vuisten op hem toetredend, voer ze tegen hem uit:
“Heb ik daarvoor jaar in jaar uit gezwoegd en gesloofd en gespaard, dat jij met stommiteiten de vrucht van mijn inspanning zult wegsmijten? Nu zullen ze komen, om je te verbannen, ze zullen ons goed afnemen, zooals ook overkomen is aan de vrouw van...O, als ik een man was!”
En ziende dat haar man ’t hoofd boog, begon ze weer te snikken, maar herhaalde onderwijl steeds:
“O, als ik toch een man was, als ik een man was!”
“En als jij nu ’s man was,” vroeg tenslotte de echtgenoot gepikeerd, “wat zou je dan doen?”
“Wat? Wel...wel...ik ging nog vandaag me bij den gouverneur aanmelden, om mijn diensten aan te bieden, om te vechten tegen de opstandelingen. Nu onmiddellijk!”
“Maar heb je dan niet gelezen wat ’t Dagblad zegt? Lees! “Het snoode verraad is met voortvarendheid, kracht en vastberadenheid onderdrukt, en weldra zullen de rebellen, de vijanden van ’t vaderland, en hun medeplichtigen al het gewicht en de gestrengheid der wetten voelen”... Zie je? Er is geen oproer meer.”
“Dat doet er niet toe, je moet je toch aanmelden, net zooals ze ’t in ’72 gedaan hebben, en die zijn toen vrijgekomen.”
“Jawel! Iemand die ’t ook gedaan heeft, padre Burg...” Doch hij kon den naam niet geheel uitspreken, want zijn vrouw liep op hem toe, en hield hem den mond dicht.
“Komaan, nou nog mooier! Spreek dien naam uit, dan hangen ze je morgen in Bagoembajan op! Weet je dan niet, dat het genoeg is hem uit te spreken om zonder vorm van proces te worden veroordeeld? Wel zeker, ga je gang maar!”
De Capitán had, al had hij haar nog zoo gaarne willen gehoorzamen, ’t niet gekund: met beide handen hield zijn vrouw zijn mond dicht, terwijl ze zijn klein hoofd tegen de leuning van den stoel drukte. En wellicht zou de arme man gestikt zijn, als niet een nieuw personage tusschenbeide gekomen was.
Dit was neef Don Primitivo, die den theoloog Amat uit zijn hoofd kende, een man van zoowat veertig jaar, keurig net gekleed, met een buikje en eenigszins gezet.
“Quid video?” riep hij bij ’t binnenkomen uit. “Wat is er? Quare?”3
“Och neef!” zei de vrouw en liep schreiend op hem toe, “ik heb je laten roepen, omdat ik niet weet wat er van ons vrouwen worden zal...wat raad je ons? Spreek, jij die Latijn geleerd hebt, en kunt redeneeren...”
“Maar eerst quid quaeritis? Nihil est in intellectu quod prius non fuerit in sensu; nihil volitum quin praecognitum.4”
En hij ging heel bedaard zitten. Als hadden de latijnsche zinnen een stillende kracht bezeten, hielden beide echtelieden op met schreien en gingen naar hem toe, wachtende van zijn lippen den raad, gelijk indertijd de Grieken het reddend orakel verbeidden, dat hen zou verlossen van de invallende Perzen.
“Waarom schreien jullie? Ubinam gentium sumus?”5
“Je weet ’t bericht van ’t oproer...”
“Alzamentum Ibarrae ab alferesio Guardia civilis destructum?6 Et nunc? Wat zou dat nog? Is Don Crisóstomo je wat schuldig?”
“Nee, maar, weet je, Tinong heeft hem ten eten gevraagd, hij heeft hem gegroet op de Puente de España op klaarlichten dag! Ze zullen zeggen dat hij een vriend van hem is!”
“Een vriend?” riep de latinist verwonderd uit. “Amice, amicus Plato, sed magis amica veritas!7 Zeg mij met wie je omgaat, en ik zal je zeggen wie je bent! Malum est negotium et est timendum rerum istarum horrendissimum resultatum!”8
Capitán Tinong werd schrikkelijk bleek, toen hij zooveel woorden op um hoorde: deze klank was hem onheilspellend. Zijn vrouw sloeg de handen smeekend ineen en zeide:
“Neef, spreek nu geen latijn tegen ons; je weet wel dat we geen filosofen zijn zooals jij. Spreek Tagaalsch of Spaansch tegen ons, maar geef ons een raad.”
“Jammer dat jullie geen latijn verstaan, nicht: de latijnsche waarheden zijn leugens in ’t Tagaalsch. Bijvoorbeeld Contra principia negantem fustibus est arguendum.9 In ’t latijn is het een waarheid als een koe. Ik heb ’t eens in ’t Tagaalsch toegepast, en toen kreeg ik op mijn kop. Daarom is ’t erg jammer dat jullie geen latijn kennen, in ’t latijn zou alles geschikt kunnen worden.”
“Wij kennen ook veel oremus, parce nobis en Agnus Dei catolis (voor qui tollis...). Maar nu zouden we elkaar niet verstaan. Geef Tinong nu ’s een argument aan de hand, dat ze hem niet ophangen!”
“Je hebt er verkeerd aan gedaan, heel verkeerd, neef, met vriendschap aan te gaan met dat jongemensch!” antwoordde onze latinist. “De rechtvaardigen betalen voor de zondaren. Ik zou je bijna aanraden je testament te maken... Vae illis! Ubi est fumus est ignis! Simili gaudet atqui Ibarra ahorcatur, ergo ahorcaberis.”10
En misnoegd schudde hij het hoofd.
“Saturnino, wat scheelt je?!” kreet Capitana Tintjang vol ontzetting. “Och lieve God! Hij is dood!
“Een dokter! Tinong, Tinongoy!”
De beide dochters kwamen toegeschoten en alle drie begonnen te jammeren.
“Is maar een flauwte, nicht, een flauwte! Ik zou me meer verheugd hebben, als...als het...maar ongelukkigerwijze is het niets dan een flauwte. Non timeo mortem in catre sed super espaldonem Bagumbayanis.11 Breng water!”
“Ga nu niet dood!” riep de vrouw schreiend. “Ga nu niet dood, want ze komen je gevangennemen! Och, och, als je doodgaat, en de soldaten komen! Och, och!”
De neef besprenkelde zijn gezicht met water, en de ongelukkige kwam bij.
“Kom, niet huilen! Inveni remedium, ik heb ’t middel gevonden. Laten we hem naar zijn bed brengen. Kom moed gevat! Want ik ben hier bij jullie met al de wijsheid der Ouden...Laat een dokter halen. En nu dadelijk, nicht, ga je naar den gouverneur, en je brengt hem een cadeau, een gouden ketting, een ring..Dadivae quebrantant penas.12 Je zegt dat het een paaschgeschenkje is. Sluit de vensters en deuren, en laat aan iedereen die naar mijn neef vraagt zeggen dat hij ernstig ziek is. Onderwijl verbrand ik alle brieven, papieren en boeken, dan kunnen ze niets vinden. Zoo heeft Don Crisóstomo ook gedaan. Script testes sunt! Quod medicamenta non sanat, ignis sanat.13
“Ja, heel goed neef. Verbrand alles maar!” zeide Capitana Tintjang. “Hier heb je de sleutels, hier de brieven van Capitán Tiago: verbrand ze! Laat er geen enkele Europeesche krant overblijven: die zijn erg gevaarlijk. Hier heb je de Times, die ik bewaard had om zeep en kleeren in te pakken. Hier zijn de boeken.”
“Ga naar den capitan general, nicht”, zeide Don Primitivo, “laat me alleen. In extremis extrema.14 Geef me de macht van een romeinschen dictator, en je zult ’s zien, hoe ik de heele sante..., ik bedoel den neef red.”
En hij begon orders en nog ’s orders te geven, muurplanken door te rommelen, papieren, boeken, brieven enz. te verscheuren. Weldra brandde er een heele stapel in de keuken. Oude donderbussen werden met een bijl slukgeslagen; roestige revolvers in de plee gesmeten. De meid, die den loop van een voorblazer wilde bewaren, kreeg een uitbrander.
“Conservare etiam sperasti perfida?15 In ’t vuur!” En hij zette zijn “auto de fe” voort.
Hij zag een oud boekdeel in perkament, en las den titel:
“Omwentelingen der hemellichamen door Copernicus.” “Foei! Ite, maledicti, in ignem kalanis,”16 riep hij, en wierp het in ’t vuur. “Omwentelingen en Copernicus! Misdaad op misdaad! Als ik niet op tijd gekomen was. ‘De vrijheid der Filippijnen.’ Kijk er ’s aan! Wat ’n boeken! In ’t vuur ermee!”
En er werden onschuldige boeken verbrand, geschreven door onnoozele schrijvers. Zelfs ’t lieve “Capitein Jan” kon niet ontkomen. Neef Primitivo had gelijk: de goeden moeten voor de kwaden lijden.
Vier of vijf uur later vertelde men op een voornaam avondpartijtje in Intramuros de gebeurtenissen van den dag. ’t Waren veel oude vrouwen en trouwlustige oude vrijsters, vrouwen of dochters van ambtenaren, gekleed in ochtendjaponnen, zich bewaaierend en geeuwend. Onder de mannen, die evenzeer als de vrouwen in hun trekken hun opvoeding en hun afkomst verrieden, bevond zich een heer op leeftijd, klein en met één arm, die door allen met veel onderscheiding behandeld werd, en die tegenover de anderen een minachtend zwijgen bewaarde.
“’t Is waar, dat ik vroeger de frailes en guardias civiles niet uit kon staan, omdat ze zoo onopgevoed zijn,” zeide een dikke dame. “Maar nu ik hun nut en hun diensten gezien heb, zou ik bijna met genoegen met een hunner trouwen. Ik ben vaderlandslievend.”
“Ik zeg ’t zelfde!” liet een magere volgen. “Hoe jammer dat we den vorigen gouverneur niet hebben: die zou ’t land schoongeveegd hebben als een miskelk-schoteltje!”
“En dan zou ’t uit wezen met dat filibustero-gespuis!”
“Zeggen ze niet dat er nog veel eilanden onbevolkt zijn? Waarom zenden ze daar niet al die halve gare inlanders heen? Als ik capitan general was...”
“Dames,” zeide de éénarmige: “de capitan general kent zijn plicht. Naar ik gehoord heb, is hij zeer ontstemd; want bij had dien Ibarra met gunsten overladen.”
“Met gunsten overladen!” herhaalde de magere, zich woest waaierend. “Kijk nu toch ereis aan hoe ondankbaar die inlanders zijn! Kan je ze dan nog wel als menschen behandelen? Jezus!”
“En weet u wat ik gehoord heb?” vroeg de éénarmige.
“Komaan! Wat is ’t? Wat zegt men?”
“Vertrouwenswaardige personen,” zeide de éénarmige te midden van de grootste stilte, “verzekeren dat al dat lawaai om een school op te richten een puur verzinsel was.”
“Jezus! Hebt u ’t gehoord?” riepen de vrouwen, reeds geloovend dat het een verzinsel was.
“De school was een voorwendsel: wat hij wou oprichten, was een fort, waaruit hij zich goed zou kunnen verdedigen, als wij hem aanvielen...”
“Jezus! Wat ’n schandaal! Alleen een inlander is in staat zulke laffe gedachten te hebben,” riep de vette uit. “Als ik de capitan general was, dan zouden ze ’s wat zien...dan zouden ze wat zien...”
“Dat zeg ik ook!” riep de magere uit, zich tot den éénarmige wendend. “Ik zou ieder advocaatje, geleerdetje of koopman gevangen laten nemen, en zonder vorm van proces, zou ik ze verbannen of achter slot en grendel stoppen.
“’t Kwaad met de wortel uitroeien!”
“Ze zeggen nog wel dat die filibustero van Spaansche afkomst is!” merkte de éénarmige op, zonder iemand aan te kijken.
“O, jawel!” riep de dikke onverschrokken uit, “’t moeten toch altijd die sinjo’s wezen! Geen enkele inlander heeft begrip van een omwenteling! Voed maar raven op, voed raven op!...”
“Weet u wat ik heb hooren zeggen?” vroeg een nonna, die op die wijze het gesprek afbrak. “De vrouw van Capitán Tinong...weet u wel? Dezelfde bij wie in huis we gedanst en gesoupeerd hebben op ’t feest in Tondo...”
“Die met haar twee dochters? Nu, wat dan?”
“Wel, die heeft juist van middag den capitan general een ring van duizend peso’s waarde cadeau gegeven!”
De éénarmige keerde zich om.
“Werkelijk? En waarom dat?” vroeg hij met schitterende oogen.
“Het mensch zei: als Paaschgeschenk...”
“’t Is pas over een maand Paschen!”
“Ze zal bang wezen dat ze de bui op haar kop krijgt...” merkte de vette op.
“En ze schuilt voor den tijd,” voegde de dunne erbij.
“Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zich!”
“Dat dacht ik ook juist: u heeft de vinger op de wond gelegd.”
“Je moet zoo iets goed nagaan,” bracht peinzend de eenarmige in ’t midden. “Ik voor mij vrees, dat er iets achter zit.”
“Er zit iets achter, ja ja! Dat wou ik juist ook zeggen,” herhaalde de magere.
“En ik,” zeide een ander, haar ’t woord afgrissend, “de vrouw van Capitán Tinong is erg gierig... ze heeft ons nog geen enkel cadeau gezonden, en dat terwijl we bij haar gelogeerd hebben.
“Dus als zoo’n schriel inhalig mensch een cadeautje van duizend peso’s afschuift...”
“Maar is dat heusch waar?” vroeg de éénarmige.
“En of! Zoo waar als iets, hoor! De aanstaande van mijn nichtje, die adjudant is bij Zijne Excellentie, heeft het haar zelf gezegd. Ik maak me sterk dat het dezelfde ring is die de oudste van de meisjes aan had op het feest. Ze zit altijd vol briljanten!”
“Een loopende uitstalkast!”
“Och, een manier om reklame te maken als ieder andere! In plaats van een modeplaat te koopen of een winkel te betalen hoef je nou maar...”
De éénarmige verliet onder een voorwendsel het gezelschap.
En twee uur later, toen allen sliepen, kregen verscheidene burgers van Tondo een uitnoodiging door tusschenkomst van soldaten...Het Gezag mocht niet toestaan dat zekere personen van positie en fortuin in huizen sliepen die zoo slecht bewaakt en zoo weinig frisch waren: in ’t Fort Santiago en andere gouvernementsgebouwen zou de slaap rustiger en versterkender wezen. Onder deze begunstigde personen bevond zich de ongelukkige Capitán Tinong.
1 “Slecht voorteeken” bijnaam van generaal Jovellar, toenmalig gouverneur-generaal.
2 “De natuur heeft een afschuw van ’t ledige.”
3 Wat zie ik? Waarom?
4 Wat vragen jullie? Niets bestaat in ’t verstand dat niet eerst door de zintuigen is gegaan. Men verlangt niet wat men niet kent.
5 Onder wat voor menschen zijn we?
6 Snert-latijn. Het oproer van Ibarra onderdrukt door den alférez.
7 Vriend, Plato is mijn vriend, maar meer nog is de waarheid mijn vriendin.
8 De zaak is slecht, en een vreeselijk einde is te vreezen.
9 Tegen iemand die de beginselen ontkent, moet men met stokslagen redeneeren.
10 Wee hen! Waar rook is, is vuur. Soort zoekt soort, en nu dus Ibarra wordt opgehangen, zult gij dus ook opgehangen worden. N. B. ahorcar is Spaansch voor ophangen.
11 Ik ben niet bang voor den dood op ’n bed, maar wel in de vesting van Bagoembajan. Catre is Spaansch voor veldbed, ijzeren bed; espaldon idem voor vestingwerk.
12 Geheel Spaansch op dadivae na: geschenken breken rotsen.
13 Geschriften zijn getuigen. Wat geneesmiddelen niet genezen, dat geneest het staal, wat het staal niet geneest, dat geneest het vuur.
14 Bij uiterste dingen uiterste middelen.
15 Trouwelooze, hooptet gij het ook te bewaren?
16 Gaat, gevloekten, in ’t vuur van de kalan. Kalan is Tagaalsch, = maleisch keran, Jav. kêrên.
Capitán Tiago is zeer in zijn schik. Gedurende de heele nare periode heeft niemand zich met hem bemoeid: men heeft hem niet gevangen genomen, men heeft hem niet onderworpen aan afzondering, verhoor, elektrische machines, voortdurende voetbaden in onderaardsche vertrekken en andere guitenstreken meer, die wel bekend zijn bij zekere persoonlijkheden welke zichzelf beschaafd noemen. Zijn vrienden, dat wil zeggen zij die ’t eenmaal waren [want de man verloochende zijn Filippijnsche vrienden, van af het oogenblik waarin ze verdacht voor ’t gouvernement werden,] zijn ook naar hun huizen teruggekeerd, na eenige dagen vacantie in de rijksgebouwen. De gouverneur had zelf order gegeven dat men ze uit hun bezittingen zou zetten, daar hij ze niet voldoende waardig achtte om daarin te blijven, tot groot verdriet van den éénarmige, die zijn aanstaande Paschen in hun talrijk en welgesteld gezelschap had willen vieren.
Capitán Tinong kwam ziek, bleek, gezwollen in zijn huis terug—het uitstapje was hem niet best bekomen—, en zoo veranderd dat hij geen woord zeide, zelfs geen groet overhad voor zijn gezin, dat schreide, lachte en gek werd van plezier. De arme man kwam zijn huis niet uit, om geen gevaar te loopen dat hij een opstandeling, een filibustero, zou moeten groeten. Zelfs neef Primitivo met al zijn wijsheid der ouden kon hem niet aan zijn in-zich zelf-gekeerdheid ontrukken.
“Crede prime,”1 zeide hij tot hem “doordat ik niet tijdig alle papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd gekrenkt. Doch quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non in Marians Insulis es, camotes seminando.”2 Geschiedenissen gelijkende op die van Capitán Tinong waren Capitán Tiago niet onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo, aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de Virgen del Carmen, en op zijn allerminst, ’t minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen zijn. Capitán Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij:
“Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben, mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien.”
En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat de beschuldiging bevestigde; de deskundigen zouden verklaard hebben dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig, zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen.
Op dergelijke wijze als Capitán Tiago en zijn nicht van meening verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo, de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche kerkkaarsen-leverancier—die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo gaat—zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog, in zijn verhaspeld Spaansch:
“Wees niet dwaas: ’t is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!”
Capitán Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap, had hij voorspeld:
“Als ’t geen jongen is en niet dood gaat, dan zal ’t een heel goede vrouw worden!”
En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te vervullen.
Capitán Tiago echter was een voorzichtig en angstvallig man, en kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen zou kunnen na zich slepen. “Voorzichtig!” zei hij bij zichzelf, “laten we nu niet de boel bederven!”
In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam: Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares.
Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde de bezoeken van Linares aan den capitan general, en gaf herhaalde malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid te kennen.
Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen.
“Ja!” zeide ze van Ibarra sprekend, “die had het wel verdiend. Ik heb ’t dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een filibustero. Wat heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd, wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?”
En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot Capitán Tiago wendend, voort:
“Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen is, dan zal ’t aan mijn neef te danken zijn.”
“Nicht! nicht!” protesteerde Linares.
Doch ze liet hem geen tijd:
“Och wat ’n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita, wat ’n genoegen je te zien!”
Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, ofschoon reeds vrijwel hersteld van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus.
Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort:
“We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw relaties!” En ze keek veelbeteekenend naar Linares.
“God heeft mijn vader behoed!” antwoordde het jongemeisje zacht.
“Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen.”3
“Juist om...om...omgekeerd!” zei haar echtvriend.
Capitán Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op ’t antwoord:
“Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?...”
“Wij komen juist met u over de ‘maagd’ spreken,” antwoordde ze geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. “We moeten over zaken spreken.”
Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen.
Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen in zijn schik.
Daarna zeide Capitán Tiago tot tante Isabel:
“Laat aan ’t logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen.”
Tante Isabel keek hem ontsteld aan.
“Je zult ’s zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen, ze zullen ’t allemaal besterven van nijd!”
En zoo kwam het dat den volgenden dag ’s avonds om acht uur Capitán Tiago’s huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als uit de Filippijnen.
Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude luitenant van de guardia civil, de heer Guevara, somberder dan ooit; de alférez, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde, onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van “Comandante”; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die “’t land” had. Linares was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven.
In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes.
“Phu!” zei een jongmeisje, “aardig trotsch...”
“Ziet er wel lief uit,” antwoordde een ander, “maar hij kon er wel een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek.”
“Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich.”
Ergens anders zeide men:
“Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op ’t punt staat om opgehangen te worden!”
“Dat is nog ’s overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben.”
“Als ze nu weduwe wordt...”
Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen in orde te maken—want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde malen op de lippen bijten.
In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan ’t woord, zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend zwijgen bewaarde.
“Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat verlaten, Padre Sibyla,” vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn nieuwe sterretje beminnelijker geworden was.
“Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?”
“Ik ga ook heen,” antwoordde hij zich langer makende, “het gouvernement heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis te zuiveren.”
Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem verder geheel den rug toe.
“Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den aanvoerder, ‘ons oproermakertje?’” vroeg een beambte.
“Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?” vroeg een ander. “’t Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt, evenals die lui van ’72.”
“Hij wordt verbannen!” zei de oude luitenant droogjes.
“Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een levenslange wezen!” riepen er verscheidenen tegelijk.
“Als dat jongemensch,” hervatte luitenant Guevara op luiden en strengen toon, “meer op zijn hoede was geweest; als hij minder vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als onze ambtenaren van ’t openbaar ministerie niet al te spitsvondig het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig vrijgesproken zijn.”
Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem brachten een groote verrassing te weeg in ’t gehoor dat hij had; men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond, scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen.
“Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?”
“Ik spreek van ’t geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels, die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben, was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen.”
“En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?”
“De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad, maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem, zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt, misschien wel uit berouw. ’t Is bewezen dat de papieren op het lijk gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en bevestigde alles wat hij daarin geschreven had.”
“U zeide”, vroeg een Franciskaan, “dat de brief aan een vrouw gericht was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?”
De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt van zijn grijzen baard, terwijl de anderen commentaren maakten.
“Dat is de vinger Gods!” zei er een, “zelfs de vrouwen haten hem.”
“Hij heeft zijn huis in brand gestoken in ’t idee dat hij daardoor zich redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten zijn liefje, zijn babai,” voegde een ander er lachend bij. “Zoo wordt het vaderland gered!”
Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen, en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren naar ’t gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen.
“U bent een heel verstandige jonge dame,” zeide de oude luitenant zacht tot haar, “u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!”
Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij het kleed te grijpen.
“Tante!” stamelde ze.
“Wat is er, kind?” vroeg deze ontsteld, toen ze ’t gelaat van ’t jongemeisje zag.
“Breng me in mijn kamer!” smeekte ze, zich vastklampend aan den arm der oude vrouw, om op te staan.
“Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?”
“Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen.”
“Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?”
Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van een heiligen-beeld.
“Moeder, o moeder, moeder!” snikte ze.
Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het licht der maan.
De muziek ging voort met haar vroolijke walsen.
Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst.
Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de stralen der maan, liggend aan de voeten van ’t beeld van Jezus’ Moeder.
Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante Isabel klopte nog eens aan.
“Nou, ze is in slaap gevallen!” zeide ze luid. “Och, ze is jong, en heeft in ’t geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!”
Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding, waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid.
“Een rustige toekomst! Slapen als een rots!” mompelde ze, en richtte zich naar het plat.
De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan weerspiegelden.
Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers, haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte dak. Toen keek ze naar de rivier.
Een bangka, geladen met zacate-gras, legde aan onder aan den steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over, en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de azotea, ’t platte dak, opgaan.
Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch ’t was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij, en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug.
“Crisóstomo!” stamelde ze vol ontzetting.
“Jawel, Crisóstomo!” antwoordde de jonge man op ernstigen toon, “een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden.”
Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen.
Ibarra ging voort:
“Bij ’t lijk van mijn moeder zwoer ik dat ik je gelukkig zou maken, hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je moeder niet—maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed gestand te doen. En ’t toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken, Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!”
Ibarra wilde heengaan, doch ’t jongemeisje hield hem tegen.
“Crisóstomo!” zeide ze, “God heeft je gezonden, om me van wanhoop te redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!...”
Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken.
“Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik ben gekomen om je rust te geven.”
“Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter stemmen tot mijn dood toe!”
Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar wat ze dan verlangde.
“Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!”
Crisóstomo lachte bitter.
“O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden heeft!” riep het jongemeisje met smart. “Ik begrijp je! Wanneer je mijn geschiedenis kent, de droeve geschiedenis die me tijdens mijn ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal je niet meer zoo’n lachje voor mijn smart overhebben.
“Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!”
Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan:
“Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn moeder ’t me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader, en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat dien je hem aangedaan hadt!”
Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt aan.
“Ja,” ging ze voort, “de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een groot schandaal, want mij vader is...”
En ze fluisterde den jongeman een naam in ’t oor, zoodat hij alleen die hooren kon.
“Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder, de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren, opofferen aan mijn liefde?”
“Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!” riep Crisóstomo ten hoogste ontroerd.
Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem.
“Twee brieven van mijn moeder, twee brieven geschreven te midden van haar berouw, toen ze mij onder ’t hart droeg! Daar, lees ze, en je zult zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood, die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader.
“Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief zouden maken!?” Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort:
“Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was, aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?”
“Maria, jij bent een heilige!”
“Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft...”
“En toch...” hervatte de jonge man van toon veranderend, “ik heb hooren vertellen dat je gaat trouwen...”
“Ja, dat is zoo!” snikte ze, “mijn vader eischt dat offer van me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en ’t was zijn plicht niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren.”
“Maar...”
“Maar?”
“Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten.”
“Wat ben je van plan te doen?” vroeg Ibarra trachtende in haar oogen te lezen.
“De toekomst is duister, en ’t lot ligt verborgen!
“Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij, wat zal er van jou worden?”
“Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn ontsnapping ontdekken, Maria.”
Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen, kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem bruusk van zich verwijderend, zeide ze:
“Vlucht, vlucht! Adios!”
Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van ’t jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend...
Weer sprong hij over den muur en stapte in de bangka. Maria Clara, leunend op de borstwering, keek hem na.
Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging.
1 Spaansch latijn: primo = neef (cousin) in ’t Spaansch.
2 Weer lastig te verstaan voor iemand die geen Spaansch kent: Want geloof me, neef, wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we God danken dat je niet op de Marianneneilanden bent, bezig camotes te zaaien (bataten).
3 Ze bedoelt: Vertrouw op de Heilige Maagd, en leg je te slapen.