“Luister ’s meneer, wat voor plan of ik overdacht heb,” zeide Elias peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. “Ik zal u nu bij een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de baliti-boom, in ’t geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land...”
“Om naar ’t buitenland te gaan?” viel Ibarra in.
“Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter vaderland dan ’t eigene.”
Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.
Ze kwamen op dat oogenblik aan de Pasig, en de bangka begon den stroom op te varen. Op de Españabrug reed haastig een ruiter, en men hoorde een gerekt, schel gefluit.
“Elias,” hervatte Ibarra, “u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U heeft me tweemaal ’t leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in ’t buitenland te gaan leven.
“Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.
“Hier bent u toch ook ongelukkig.”
Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:
“Onmogelijk! ’t Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben, niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt, aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden, laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en eenzelfde leed onze harten doen krimpen.”
“Waarom raadt u me dan om heen te gaan?”
“Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland verafschuwen is het grootste ongeluk.”
“U bent onbillijk voor me!” riep Ibarra met bitter verwijt. “U vergeet dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met ’t goede voor mijn land te beoogen..”
“Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: ’t ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten, als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde, fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig, vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten, dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen.”
“Uw woorden zijn kwetsend voor me,” zei Ibarra geraakt.
Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:
“Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst besparen. Herinner u maar ’s dien keer, toen ik met u sprak in deze zelfde bangka, bij ’t licht van deze zelfde maan, zoowat een maand geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden, of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!”
“U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van omstandigheden, toen was ik verblind, ik had ’t land, weet ik ’t? Nu heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen me om misdadiger te worden! En nu ze ’t eenmaal gewild hebben, zal ik filibustero wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen: die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde, we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop, geen menschlievendheid: er is alleen maar ’t recht van den sterkste!”
Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.
Ze gingen ’t paleis van den capitan general voorbij, en meenden bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.
“Zou de vlucht ontdekt zijn?” mompelde Elias.
“Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het zacate-gras bedekken; want we komen zoo meteen voorbij ’t kruitmagazijn, en ’t mocht den schildwacht ’s verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn.”
De bangka was een van die ranke smalle kano’s, die niet drijven, maar over ’t water heenglijden.
Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg hem waar hij vandaan kwam.
“Van Manila, ik heb zacate gebracht aan de rechters en aan de pastoors,” antwoordde hij, handig den tongval der lieden van Pandakan nabootsend.
Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van ’t geen er plaats had.
“Soeloeng! (Ga door!)” zeide deze tot hem, “ik waarschuw je dat je niemand in je bangka mag nemen, want er is zoo juist een gevangene ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede fooi geven.”
“Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?”
“Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!”
De bangka verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.
“We zullen eenige minuten oponthoud hebben,” zeide hij zacht, “we moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar.”
Het dorp sliep in ’t maanlicht. Crisóstomo stond op, om de kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met zacate-gras.
Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe en haalde onder uit het gras eenige lege wajons of zakken van palmblad. Ze voeren verder.
“U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt u zelf,” zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. “Maar als ik een opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na, wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen, zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die ’t meest te lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten, dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel, maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik hoop zie in de menschen.”
“Dan ga ik zonder u!” antwoordde Crisóstomo vastberaden.
“Is dat uw vast besluit?”
“Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen ’t goede verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe hebben ze ’t me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid, en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou een misdaad wezen, dat zou ’t zelfde wezen als ze aan te moedigen tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, ’t zou lafheid, kleinmoedigheid wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal ’t domme volk oproepen, ik zal ’t zijn ellende laten zien. Laat het niet denken aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking ’t eeuwige recht van den mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren.”
“’t Onschuldige volk zal lijden!”
“Des te beter. Kunt u me naar ’t gebergte brengen?”
“Totdat u in veiligheid is!” antwoordde Elias.
Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd over onverschillige dingen.
“Santa Anna!” mompelde Ibarra, “u kent dat huis zeker wel?”
Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.
“Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!” zuchtte Elias. “In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in ’t colegio in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij als een droom.”
Ze bleven zwijgen tot ze aan Malapad nabato (breede rots) kwamen. Zij, die wel eens ’s nachts de Pasig hebben bevaren, in een van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben, wanneer de maan van ’t kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen, en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide jonge mannen overdachten.
Te Malapad nabato was de carabinero slaperig, en ziende dat de bangka leeg was, en geen buit opleverde—hij zou die anders inhalen, naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en ’t aan zijn ambt verbonden gebruik—liet hij de reizigers gemakkelijk door.
De guardia civil van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet lastig gevallen.
’t Begon te dagen, toen ze aan ’t meer kwamen. ’t Lag daar glad en rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.
“De falua—het politie-vaartuig—komt,” fluisterde Elias. “Leg u neer, en ik zal u toedekken met die zakken.”
De gedaante van ’t vaartuig werd duidelijker waarneembaar.
“Ze gaan tusschen den wal en ons,” merkte Elias ongerust op. En hij wijzigde langzamerhand de koers van zijn bangka, roeiend in de richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de falua ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.
Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra zouden ze in ’t bereik van de geweren der falua zijn. Hij dacht erover de Pasig weer op te varen: zijn bangka ging sneller dan ’t andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere bangka van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der guardias civiles reeds zien blinken.
“We zijn in den val!” mompelde hij, verbleekend.
Hij keek naar zijn stevige armen, en ’t eenig besluit nemende dat hem mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van ’t eiland Taljim. Inmiddels kwam de zon op.
De bangka gleed snel voort. Elias zag op de falua, die bijdraaide, eenige mannen staan, die hem wenkten.
“Kunt u een bangka besturen?” vroeg hij aan Ibarra.
“Jawel; waarom?”
“Omdat we verloren zijn, als ik niet in ’t water spring, en ze van ’t spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt.”
“Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!”
“Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten ze ons als vogeltjes neer.”
Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in ’t water, alsof er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.
“Ziet u wel?” zeide Elias, zijn riem in de bangka leggend.
“We zien mekaar terug op kerstnacht op ’t graf van uw grootvader. Red u!”
“En u?”
“God heeft me wel voor grooter gevaren behoed.”
Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen, en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte hij Ibarra’s hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der bangka liggen. Hij zelf sprong in ’t water, met zijn voet het ranke vaartuigje wegduwend.
Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk daarop verdween ’t weer.
“Daar, daar is hij!” schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer floten de kogels.
De falua en de bangka begonnen hem beide na te zetten: een flauwe zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van Ibarra’s vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op adem te komen, schoten de guardias civiles en falua-mannen op hem.
De jacht duurde voort. De kleine bangka van Ibarra was al ver weg, de zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was ’t ook, want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets meer aan de oppervlakte van ’t meer, dat nu rustig en verlaten was.
Een half uur later beweerde een roeier in ’t water, bij den oever, sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd, met een uitdrukking op ’t gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.
Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de borduurwerken van pina, noch de stukken zijde trokken de blikken van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra, van zijn verdrinken in ’t meer.
Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden, die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso, zegt tot haar:
“Wie ben ik? wie ben ik?”
Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis aan.
“Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu, ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen.”
En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig aan haar lippen.
“Wat is er, Maria?” vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach verliezend, en met zekere ongerustheid, “je handje is koud, je wordt bleek...ben je ziek, mijn kindje?”
En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek haar vragend aan.
“Heb je geen vertrouwen meer in je peet?” vroeg hij op een verwijtenden toon. “Kom, ga nu hier zitten, en vertel me ’s al je narigheidjes, zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven...”
Padre Dámaso’s stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien.
“Schrei je, m’n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares gehad?”
Maria hield haar ooren dicht.
“Niets over hem...nu!” riep het jongemeisje.
Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan.
“Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht je kleine grillen te bevredigen?”
Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien.
“Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!”
Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht, nauw hoorbaar:
“Houdt u nog van me?”
“Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!”
En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch verborg hem het geheim harer geboorte.
Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven.
“Zoolang hij leefde,” hervatte het jongemeisje, “wilde ik nog strijden, hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor mij om nog te leven en te lijden.”
Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen.
“Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?...”
“Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu hij dood is...’t klooster of ’t graf.”
De toon waarop ’t meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre Dámaso’s vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende uitdrukking kreeg.
“Had je ’m zoo lief?” vroeg hij stamelend.
Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst zakken en bleef zwijgen.
“Mijn kind!” riep hij met smart bewogen stem, “vergeef me dat ik je ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst, ik wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde met iemand van ’t land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen, en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was, zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun een droevige toekomst; dan werden ’t vijanden van den godsdienst, en zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen, die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af ’t oogenblik dat ik zag dat hij je in ’t ongeluk zou storten. Want ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik droom van je. Je bent mijn eenige vreugde.”
En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind.
“Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij leeft niet meer, ik wil non worden.”
“Non worden, non worden!” herhaalde hij. “Jij weet niet mijn lieveling, hoe ’t leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld dan in ’t klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben, je zult je man liefhebben...Linares.”
“Of ’t klooster of...dood,” herhaalde Maria Clara.
“’t Klooster, het klooster of dood!” riep Padre Dámaso uit. “Maria, ik ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie ’t ook zij, alles liever dan ’t klooster.”
“Naar ’t klooster of dood!”
“Mijn God, mijn God!” riep de priester, zich het gelaat met de handen bedekkend. “Gij straft me, ’t zij zoo. Maar behoed mijn kind..”
En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij:
“Je wilt dus non worden? Goed, je zult ’t zijn, ik wil je dood niet.”
Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend.
“Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!” stamelde ze.
“Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref niet dat onschuldige, red mijn dochter.”
Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op het dak van kogon1 slingert en rankt, beladen met vruchten en bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.
In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken herkennen we Sisa’s zoon Basilio, den broer van Crispin.
“Wanneer je been beter is”, zeide het meisje tot hem, “gaan we verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn.”
“Je klimt dan met ons mee op den top van den berg,” voegde het knaapje erbij, “dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de andere, boven de stortbeek.”
Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.
“Verkoop die bezems,” zeide de grootvader tot het jonge meisje, “en koop iets voor je broertje en je zusje, want ’t is vandaag feest.”
“Voetzoekers, ik wil voetzoekers!” riep de jongen.
“Ik een kop voor mijn pop!” riep het meisje, haar zuster bij haar kleedje grijpend.
“En jij, wat wil jij?” vroeg de grootvader aan Basilio.
Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.
“Meneer,” zeide hij tot hem, “ik ben dus nu meer dan een maand ziek geweest?”
“Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee maanden om. We dachten dat je sterven...”
“God moge ’t u vergelden. Wij zijn heel arm!” antwoordde Basilio, “maar nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn.”
“Maar, m’n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: je komt er niet vóór middernacht.”
“Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker geschreid hebben, toen ze me zocht.”
“Je komt niet levend in ’t dorp, jongen! Vanavond hebben we kip en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van ’t veld terugkomen...”
“U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: een zoon.”
De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:
“Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar ’t kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was.”
“Ga je heen?” vroeg het jongetje. “Daar beneden zijn soldaten, er zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!”
“Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?” vroeg op haar beurt het meisje. “Heb je je wel ’s verstopt? Niet-waar, er is niets zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!”
Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen zeide hij:
“Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en met hem spelen. Hij is even groot als jij.”
“Loopt hij ook mank?” vroeg het meisje, “dan zullen we hem ‘moedertje’ laten wezen bij ’t “pico-pico”-spel.”
“Vergeet ons niet,” zei de oude man; “neem dezen plak wildzwijnsvleesch mee, en geef dien aan je moeder.”
De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek met zijn klaterenden loop.
Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht der kinderen.
Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.
De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.
’t Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt op verheugenis als in andere jaren.
In de “opkamer” van Capitán Basilio’s huis zaten deze en Don Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een tralievenster te praten; terwijl aan ’t andere Sinang, haar nichtje Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.
De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.
“Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden, in deze tijden!” zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. “Je boeken hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren.”
Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien.
“Sisa!” riep Don Filipo verbaasd, en zich tot Capitán Basilio wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde:
“Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?”
Capitán Basilio lachte bitter.
“De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden.
“Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand kwaad, en woont in ’t bosch...”
“Wat is er meer in ’t dorp gebeurd sinds wij ’t verlaten hebben? Ik weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen alférez hebben.”
“Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!” mompelde Capitán Basilio, terwijl hij aan ’t verleden dacht. “Je zult ’s zien: den dag volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood, en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook al gestorven, en dien hebben ze op ’t Chineesche kerkhof begraven.”
“Arme Don Anastasio!” zuchtte Don Filipo. “En zijn boeken?”
“Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero’s werken... en de gobernadorcillo deed niets om het te beletten.”
Beiden zwegen.
Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der krankzinnige.
“Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?” vroeg Iday aan Sinang.
“Ik weet het niet,” antwoordde deze. “Ik heb een brief van haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van ’t te vernemen. Arme Crisóstomo!”
“Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat Capitán Tiago niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?” merkte Victoria op.
Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het plein, waar de zang van Sisa te hooren was. ’t Was Basilio. Het kind had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen, kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in ’t dorp ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord.
Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in ’t dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen, en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen.
De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den nieuwen alférez. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch ’t was niet de Medusa, ’t was een jonge vrouw: alférez en ongelukkig getrouwd is niet hetzelfde.
Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de kazerne te komen.
De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen.
Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten.
“Kijk ’s hoe die jongen de krankzinnige naloopt!” riep een dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit.
En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen op, en wierp dien naar hem toe.
“Daar, pak aan!” riep ze. “Hoe jammer dat de hond vastligt.”
Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer.
Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een groote afstand scheidde haar van haar vervolger.
“Moeder,” riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep.
De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard te loopen.
“Moeder, ik ben ’t!” riep de knaap wanhopig.
De krankzinnige hoorde ’t niet. De zoon volgde hijgend.
De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de nabijheid van ’t bosch.
Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was het geheimzinnige bosch van Ibarra’s familie.
De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen, die de geliefde gestalte volgden.
Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen, drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze te verwijderen.
Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den ouden Spanjaard aan den voet van den baliti-boom afsloot.
Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend.
“Moeder, ik ben ’t, ik ben ’t, ik ben Basilio, uw zoon!” kreet de uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte.
Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende, bood ze een krachtigen tegenstand.
Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren, maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen, en zag een tak van de noodlottige baliti, die over dien van een anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de baliti, en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur dichthield.
Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa’s aandacht. Ze keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch daarna verloor hij ’t bewustzijn.
Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in ’t gelaat, en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden knaap, hem kussend en omhelzend.
Moeder en zoon bleven roerloos liggen.
Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in ’t minst, haar oogen bleven gesloten.
Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart, maar de magere, dorre boezem was koud, en ’t hart klopte niet meer. Hij deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter.
De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels.
De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve schoot van ’t gezin het feest der zoetste herinneringen vieren, het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht, die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt, verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden: hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er:
La Nochebuena se viene,
La Nochebuena se va...2
De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief, zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De onbekende vroeg hem zacht:
“Ben je haar zoon?”
De jongen knikte.
“Wat denk je te doen?”
“Haar begraven!”
“Op ’t kerkhof?”
“Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan.”
“Wat dan?...”
“Als u me zou willen helpen...”
“Ik ben erg zwak,” antwoordde de onbekende, die zich allengs op den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den grond. “Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?”
De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat van den knaap gade.
“Luister!” hervatte hij met zwakker stem. “Ik zal ook dood zijn voordat het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan...”
Basilio luisterde.
“Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!...”
De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan.
“Ga ’t brandhout zoeken...ik wil je helpen.”
Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar ’t oosten, en prevelde, als bad hij:
“Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!”
Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed, daarna boog hij ’t hoofd, en zakte langzaam ineen...
Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de batalan—het erf—van haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis te gaan. De vrome vrouw keek naar ’t naburig bosch en zag daar een dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige verontwaardiging, riep ze uit:
“Wie zou wel die ketter wezen, die daar op een heiligen dag kaïngin3 doet? Daar komen al de ongelukken van! Probeer ’t ’s naar het vagevuur te gaan, en je zult ’s zien, hoe gauw ik je eruit haal, barbaar!”