Nawoord.

Daar er nog velen van onze personen in leven, en anderen uit het oog verloren zijn, is het onmogelijk een goed “besluit” voor dit verhaal te geven. Tot heil van de menschen zouden we met genoegen al onze helden en heldinnen naar de andere wereld willen helpen, te beginnen met Padre Salvi en te eindigen met Doña Victorina. Maar dat gaat niet... Laat ze leven! Per slot van rekening is het niet aan ons, maar aan ’t land ze in ’t leven te houden...

Sinds Maria Clara in ’t klooster is gegaan heeft Padre Dámaso het dorp verlaten, om in Manila te gaan wonen, evenals Padre Salvi, die, terwijl hij een vacante bisschopsmijter afwacht, verscheidene malen in de Santa Clara-kerk preekt, in welker klooster hij een belangrijke betrekking bekleedt. Niet veel maanden later kreeg Padre Dámaso bevel van de zeer eerwaarde Pater Provinciaal, om het pastoorschap te gaan vervullen in een zeer verwijderde provincie. Men vertelt dat hij daar zoo naar over was, dat men hem den volgenden dag dood in zijn slaapkamer vond. Sommigen zeiden dat hij aan een beroerte gestorven was, anderen aan een nachtmerrie; doch de geneesheer hief allen twijfel op door de verklaring dat hij plotseling gestorven was.

Niemand onzer lezers zou thans Capitán Tiago herkennen, als hij hem zag. Reeds weken voordat Maria Clara haar gelofte deed, verviel hij in zulk een staat van neerslachtigheid, dat hij begon te vermageren en bedroefd te worden, stilzwijgend en wantrouwig, evenals zijn vroegere vriend, de ongelukkige Capitán Tinang. Nauw waren de poorten van ’t klooster gesloten of hij gelastte zijn ontroostbare nicht “Tante Isabel!” al wat aan zijne dochter of zijn overleden echtgenoote toebehoord had bijeen te pakken, en naar Malabon of San Diego te gaan, omdat hij voortaan alleen wilde wonen. Hij wijdde zich toen met woede aan het li-am-po-spel en aan de hanegevechten, en begon opium te schuiven. Hij gaat niet meer naar Antipolo, en laat ook geen missen meer lezen. Doña Patrocinio, zijn oude mededingster, viert vromelijk haar zegepraal, en zit lekker te snurken onder de preek. Als ge soms tegen den avond door de Santo Cristo-straat wandelt zult ge in den winkel van een Chinees een geel, mager, krom mannetje zien zitten, met holle en slaperige oogen, en vuilkleurige lippen en nagels, die naar de menschen kijkt, alsof hij ze niet zag. Tegen den nacht zult ge hem met moeite zien opstaan. En, gesteund op een stok, zult ge hem zijn schreden zien richten naar een nauw hoekje, waar hij in een vuil krot binnen treedt, boven welks deur in groote roode letters te lezen staat Fumadero publico de anfion (openbare amfioenkit.) Dit is de eenmaal zoo beroemde Capitán Tiago, nu geheel vergeten, tot zelfs bij den hoofdkoster.

Doña Victorina heeft bij haar valsche krullen en haar “Andaloezisme”—als men ons het woord veroorlooft—nog de nieuwe gewoonte gevoegd, om zelf de paarden van haar rijtuig te mennen, terwijl ze Don Tiburcio dwingt om stil te zitten. Daar er ten gevolge van haar zwak gezicht verscheidene ongelukken voorvielen, draagt ze tegenwoordig een bril, die haar wonderfraai staat. De dokter is nooit meer bij een zieke geroepen; de bedienden zien hem verscheidene dagen van de week zonder tanden, hetwelk, zooals bekend, een veeg teeken voor hem is.

Linares, eenige verdediger voor dezen ongeluksvogel, rust sinds lang op ’t kerkhof te Paco, als slachtoffer van buikloop en de slechte behandeling van zijn schoonzuster.

De roemzuchte alférez vertrok naar Spanje als luitenant met den rang van comandante. Hij liet zijn beminnelijke wederhelft in haar flanellen hemd achter, welks kleur onnaspeurbaar is. De arme Ariadne, wijdde zich, toen ze zich verlaten zag, evenals Minos’ dochter, aan den dienst van Bacchus, en aan de beoefening des tabaks; ze drinkt en rookt nu met zooveel hartstocht, dat niet alleen de jongemeisjes bang voor haar zijn, maar ook de oudjes en de kleine kinderen.

Onze bekenden van San Diego zullen waarschijnlijk nog wel leven, als ze ten minste niet omgekomen zijn bij de ontploffing van de stoomboot Lipa, die de reis naar de provincie deed. Aangezien niemand zich erom bekommerde, te weten te komen aan wie de armen en beenen toebehoorden, die op ’t eiland Convalecencia her en derwaarts verstrooid werden, is ’t ons volmaakt onbekend, of daaronder ook een onzer bekenden voorkwam. We zijn voldaan, evenals het bestuur en de pers van toen, met de wetenschap, dat de eenige fraile die aan boord was, er goed was afgekomen. Meer vragen we niet. Het voornaamste voor ons is het leven der deugdzame geestelijken, wier heerschappij op de Filippijnen door God moge behoed worden tot heil onzer zielen.

Van Maria Clara vernam men verder niets meer; ’t was of ’t graf haar in zijn schoot bewaarde. We hebben verscheidene personen van veel invloed in ’t Santa Clara-klooster naar haar gevraagd, maar niemand heeft ons een enkel woord willen zeggen, zelfs niet de vrome vrouwelijke kwakzalvers, die de beroemde gebakken kippenlever ontvangen, en de nog beroemder saus, genaamd “nonnetjes-saus,” die toebereid wordt door de vernuftige keukenmeid der Maagden des Heeren.

Doch op een Septembernacht huilde de stormwind en geeselde met zijn reuzenvleugels de gebouwen van Manila. De donder ratelde ieder oogenblik. Bliksemstralen verlichtten bij wijlen de verwoestingen der elementen en dompelden de bewoners in schrik en angst. De regen viel bij stroomen. Bij ’t weerlicht of een kronkelende bliksemstraal zag men een stuk dak, een vensterraam door de lucht vliegen en met vreeselijk gedruisch neerploffen: geen rijtuig, geen voetganger ging de straat over. Wanneer de heesche echo van den donder, honderdvoudig weerkaatst, in de verte wegstierf, dan hoorde men den wind kreunen, die den regen deed opdwarrelen, waardoor een herhaald gekletter tegen de schelpplaten der gesloten vensters weerklonk.

Twee guardias hadden een schuilplaats gezocht in een gebouw, dat bij ’t klooster in aanbouw was: ’t waren een soldaat en een distinguido, een als soldaat dienend jongmensch van goede familie.

“Wat doen we eigenlijk hier?” zeide de soldaat. “Niemand gaat hier over straat...we moesten liever naar een huis gaan. Mijn ‘meisje’ woont in de Arzabispo-straat.”

“Dat is een heel eind hiervandaan, ver genoeg om druip-nat te worden.”

“Dat ’s niks, als we maar niet door den bliksem getroffen worden!”

“Och wat! Wees toch niet bang; de nonnetjes zullen wel een bliksemafleider hebben, om er vrij van te blijven.”

“Jawel!” zegt de soldaat, maar waartoe dient die, als de nacht zoo donker is?”

En hij sloeg den blik naar boven, om in de duisternis te kijken; op dat oogenblik flitsten er een paar bliksemstralen vlak op elkaar, gevolgd door een verschrikkelijken donderslag.

Nakoe! Soes mari josep!1 riep de soldaat, en sloeg een kruis. En zijn kameraad meetrekkende, liet hij volgen: “Kom, laten we weggaan!”

“Wat scheelt je?”

“Laten we weggaan, laten we weggaan van hier!” herhaalde hij, terwijl zijn tanden van vrees in zijn mond klapperden.

“Wat heb je gezien?”

“Op het dak...dat moet de non wezen die ’s nachts gloeiende kolen ophaalt!”

De distinguido stak zijn hoofd naar buiten, en wilde zien.

Er flikkerde weer een bliksemstraal, en een vuurader doorkliefde de lucht. Een afgrijselijke knal volgde.

“Jezus!” riep hij, eveneens een kruis slaande.

Inderdaad, bij het schitterende licht van ’t hemelvuur had hij een witte gedaante gezien, die bijna boven op den nok van ’t dak stond, gelaat en armen naar den hemel opgeheven, als in smeekende houding. De hemel antwoordde met donder en bliksem!

Na den donder hoorde men een droef gekreun.

“Dat is de wind niet, dat is het spook!” mompelde de soldaat, als ten antwoord op den handdruk van zijn metgezel.

Aij! aij!” klonk het door de lucht, boven het gedruisch van den regen uit. De wind kon met zijn gegier die zoete klaagtoon vol droefenis niet overstemmen.

Er schitterde weer een bliksemstraal van een verblindende helderheid.

“Nee, ’t is het spook niet!” riep de distinguido. “Ik heb haar nog eens gezien: ze is beeldschoon als de Moedermaagd...Laten we weggaan, en het rapporteeren!”

De soldaat liet het zich geen tweemaal zeggen, en beiden trokken af.

Wie kermde en kreunde daar in ’t holle van den nacht, ten spijt van wind, regen en storm? Wie was de schuchtere maagd, de bruid van Jezus, die daar de ontketende elementen trotseerde, en den verschrikkelijken nacht en den vrijen hemel uitzocht, om van een gevaarlijke hoogte haar klachten ten hemel uit te zuchten? Zou de Heer zijn tempel in het klooster verlaten hebben, dat Hij niet meer luistert naar gebeden? Zouden zijn gewelven de smachting der ziel niet meer laten opstijgen voor den troon des Barmhartigen?

De storm raasde bijna den ganschen nacht door. De heele nacht blonk er geen enkele ster. De wanhopige weeklachten, gepaard met de suizingen des winds, hielden aan, maar ze vonden natuur en mensch doof: God had zich gesluierd en hoorde haar niet.

Den volgenden dag, toen de hemel vrij van donkere wolken was, en de zon weder te midden van ’t gezuiverd azuur schitterde, hield er een rijtuig stil aan de poort van ’t Santa Clara-klooster. Er stapte een man uit, die verklaarde een vertegenwoordiger van ’t gezag te wezen, onmiddellijk de abdis te spreken vroeg, en al de nonnen wenschte te zien.

Men verhaalt dat er een verscheen met een geheel nat kleed aan, dat in flarden neerhing, en dat deze weenend de bescherming van den man inriep, vreeselijke beschuldigingen uitsprekend, tegen de gewelddaden der huichelarij. Men vertelt ook dat ze beeldschoon was, dat ze de heerlijkste, sprekendste oogen ter wereld had.

De vertegenwoordiger van ’t gezag nam haar niet tot zich: hij had een onderhoud met de abdis, en liet haar aan haar lot over, in weerwil van haar smeken en schreien. De jonge non zag de deur sluiten achter den man, gelijk de veroordeelde de poorten des hemels voor zich ziet dichtgaan, als ooit de hemel zo wreed en ongevoelig kon wezen als de menschen. De abdis zeide dat ze krankzinnig was.

De man wist misschien niet dat er in Manila een krankzinnigengesticht is, of wellicht oordeelde hij dat het nonnenklooster alleen maar zulk een gesticht was; ofschoon men beweert dat die man vrij dom was, vooral om uit te maken wanneer iemand bij zijn verstand was of niet.

Men verhaalt ook dat de gouverneur, de heer J.2 er anders over dacht en dat, toen de zaak hem ter oore kwam, hij de krankzinnige wilde beschermen, en haar opeischte.

Doch ditmaal verscheen er geen schoon, om hulp smeekend jongmeisje, en de abdis stond niet toe dat men in het klooster nasporing deed: ze beriep zich daarbij op den godsdienst en de heilige statuten.

Men sprak verder niet over het geval, evenmin als over de rampzalige Maria Clara.


1 Moeder! Jezus, Maria en Jozef!

2 Jovellar?