Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en ademde op.
Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-“kalessen” kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het Binondo-plein—Binondo is een voorstad—en keek overal om zich heen, alsof hij iets herkennen wilde.
Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd, met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat; ’t waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had, net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.
Niemand had het ding weer recht gebogen!
“’t Gaat langzaam hier!” mompelde hij, en volgde de Calle de la Sacristia.1
De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: “Sórbetee”; de “huepes” of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.
“’t Is wonderlijk!” riep hij uit, “dat is dezelfde Chinees van zeven jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!
“Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!”
Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la Sacristia nog los.
Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.
“Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!” zeide hij.
“Neem me niet kwalijk, maar ’t komt me voor dat u veel van mijn vader gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe ’t toch met hem gegaan is?” vroeg Ibarra hem aanziende.
“Hoe zoo, weet u dat dan niet?” vroeg de ander.
“Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû ’t me eerst morgen zeggen. Weet u ’t misschien?”
“Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven.”
De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.
“In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?” vroeg hij.
“Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!” ging de krijgsman eenigszins verwonderd voort.
“Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet u wie mijn vader was? Bent u wel...?” vroeg de jonge man, den officier bij den arm vattend.
“Ik geloof, dat ik me niet vergis: ’t was don Rafael Ibarra.”
“Jawel, don Rafael Ibarra!” riep de jongeman zwakjes.
“Och, ik dacht dat u ’t wist!” mompelde de militair op medelijdenden toon, toen hij zag wat er in Ibarra’s ziel omging. “Ik veronderstelde, dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk man zijn zonder ’s in de gevangenis gezeten te hebben!”
“Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt”, hervatte Ibarra met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. “Kan u me ook zeggen waarom hij in de gevangenis was?”
De oude man scheen zich te bedenken.
“’t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw familie-aangelegenheden gesteld hebben.”
“In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou ’t erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij zond me zijn zegen!”
“Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven: ’t zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben.”
“Om welke reden was mijn vader gevangen?”
“Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar de kazerne; ik zal ’t u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm.”
Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij daarvan inspiratie.
“Zooals u zeer goed weet”, begon hij, “was uw vader de rijkste man in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was, waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden, die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen, het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens, het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier komt het uitvaagsel van ’t moederland en als er nog ’s een goede komt, dan bederft hij gauw hier in ’t land. Nu dan, uw vader had onder de pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden.”
Hier zweeg hij even.
“Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.
“Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd: ‘Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van God,’ zeide hij; ‘voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin als om aalmoezen aan de kerk.’ En hij gaf me dit voorbeeld: ‘Als ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog ’t minst noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten snotteren? En ’t leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen, dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van ’t gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog: Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?’
“Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte toespelingen op hem van den kansel en ’t was wel een wonder dat hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen.”
De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.
“Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid mocht wijden van wege ons ‘prestige’ als blanken, kreeg hij van ik weet niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden: hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter, dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels, die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had hij zelfs hoogloopende standjes gehad.
“’t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de jongens na te loopen, die onder ’t wegloopen hem toeriepen, ‘ba, be, bi, bo, bu.’ Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op ’t hoofd, zoodat hij neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen verhieven zich al zijn verborgen vijanden. ’t Regende van lasterlijke aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een ‘alcalde’, die zich op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd was op de Correo de Ultrámar en op de kranten van Madrid, dat hij u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het feit dat hij een inlandsche ‘Camisa’ [soort lange kabaai2] droeg, terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als ’t een ander man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in ’t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche bloed bruist, onmogelijk een ‘filibustero’ kon wezen. Tevergeefs stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van ‘Chiflado’ (niet recht wijs).”
De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:
“Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar deze weigerde zich met de zaak in te laten. ‘Ik zou ze verliezen’, zei hij mij. ‘Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.
“‘Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar, iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel wat kan uitwerken.’ Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.
“Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en onbekend. ’t Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes, die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.
“Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere, die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem, dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt; ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij betrekkingen onderhield met de struikroovers (toelisan’s), om te maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets van begreep. De ‘alcalde’ moest er zijn baantje bij laten. Er kwam een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede trekpaarden.
“Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van ’t gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien, pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg, waaraan alleen ’t graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen, toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds genoeg om hem te zien sterven.”
De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en hem de hand toestekende, zeide hij:
“M’n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is.”
Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.
Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf een teeken aan den koetsier.
“Hôtel de Lala!” zeide hij nauw hoorbaar.
“Die komt zeker uit het cachot,” dacht de koetsier, terwijl hij een zweepslag aan de paarden gaf.
Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in een leuningstoel neervallen, om door ’t open raam te turen naar de wijde ruimte daar voor hem.
In ’t huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen; als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden van ’t levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.
Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal, een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!
De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure.
De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds, wellicht vermoeid van de reis.
Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil naar de liefelijke verschijning had gekeken—het jonge meisje, dat het middelpunt had uitgemaakt van ’t feest aan den overkant—zonder aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan, naar de zee die nog lag te slapen.
Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte, licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars, van ’t bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond, klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn bolte. Zijn kleine oogen—die echter niet schuin stonden—veranderden nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en “boejo” (sirih)—waarvan de “sepah”, samengedrukt binnenin zijn wang, de regelmaat van zijn trekken verstoorde—dan zouden we zeggen, dat hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd had tegen twee “duro’s” ’t stuk.
Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van Binondo, en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in Pampanga en in de Laguna de Bay bezat, vooral in ’t dorp San Diego waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. San Diego was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde “Gallera”—strijdperk voor hanen—en de herinneringen die hij ervan bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.
Capitán Tiago had veel eigen huizen in Santo Cristo, in de Anloague- en in de Rosario-straat. De opiumpacht was in zijn handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten der gevangenen van Bilibid, en voor “zacate”—een paardenvoeder uit verschillende grassoorten bestaande—aan veel voorname huizen van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar ’t gold te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen en ’t publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.
Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden God te zijn, als men ’t goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood: hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken, arme luitjes die voor éen “peso” bereid zijn, om zestien “mysteriën” af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in ’t Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij ’t meeste beloofde en tegenover wie hij ’t meest zijn beloften nakwam, was de Heilige Maagd van Antipolo, onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen—’t is waar, dat hij ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve Vrouw van Antipolo grooter macht en baat toe dan aan al de andere Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden gordijn, leidt naar een kapelletje of “oratorio”, dat in geen enkel Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar, puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt te treffen—zoo zou men zeggen—veeleer dan de gestaarte en gehoornde duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet te dicht bij die kris van den heilige Michaël.
Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest deelnam aan de bedevaart naar Antipolo: dan bekostigde hij twee dankmissen van de vele, die de “novenario’s” vormden en de andere dagen vulden, waarop er geen novenario’s waren. Daarna nam hij een bad in de beroemde batis of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten, sinigang van dalag met bladeren van alibambang1 en andere min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets meer dan vierhonderd peso’s, maar dat was nog goedkoop als men naging, hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in den verderen loop van ’t jaar, dank zij die missen, zou maken.
Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in ’t dorp San Diego zond hij aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg, maakte hij zijn winkansen op. ’t Is algemeen bekend dat Capitán maar zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten, of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of ’t kwam omdat er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten, of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam, enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om hem vaster in ’t geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan ’t hemelsche Hof.
Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn “modus vivendi”, was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan ’t alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van ’t jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij, die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen- of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in ’t kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.
Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien “rokken”, evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de hoed in den gemeenteraad, in Malakanjang en in de kazerne; de hooge hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies, in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok zweette Capitán Tiago door ’t gezwaai met zijn stok met het kwastje, beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam, onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen, scheefgetrokken door zijn manier van loopen.—Op hem waren de beide zaligsprekingen—christelijk en profaan—van toepassing: “zalig zijn de armen van geest” en “zalig zijn de bezitters.” De onvromen hielden hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende, en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och, de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige nipah-huisjes en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden, vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen: ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust: ’t was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen had kunnen verwerven.
Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte, evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten goede kwam aan het publiek.
Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan ’t bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels, glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was, was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van ’t vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of, nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze ooit heilig verklaard werd—wat haar vereerders vast geloofden—dan was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden, mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.
Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld, maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van “de logica” zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz, dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker, koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van ’t dorp.
Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen, gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso hem aanraadde naar Obando te gaan; daar danste hij ’t feest van San Pascual Bailón en vroeg om een zoon. ’t Is bekend dat er te Obando een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze lieve Vrouw van Salambau, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach, ’t ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen, toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven ze haar de namen Maria Clara ter eere van de Maagd van Salambau en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel, de pater vereerende oude, die wij in ’t begin van ons verhaal hebben ontmoet. Ze woonde het grootste deel van ’t jaar te San Diego om het gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden, die de trek van Capitán Tiago’s vaderschap herkenden in Maria Clara’s kleine en welgevormde ooren.
Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat2 uit het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.
Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar, wanneer ze haar bij de processies in ’t wit kleedden, haar weelderige lokkentooi doorstrengeld met tjempaka’s en leliën, met twee zilveren en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk, ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan te schaffen.
In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar vrouw, gelijk de bloemknop, die ’s nachts nog gesloten den volgenden ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van Binondo naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra, die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de “waakzuster”, bracht ze zeven jaar van haar leven door.
Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende omstandigheden verkeerden.
Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan; deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende het Heilige Offer het “Anker der Redding” te lezen.
Nauw was de priester van ’t altaar verdwenen of het jonge meisje gaf haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig hield, niet minder dan een non. Morrend en onder ’t slaan van kruisjes stond de goede oude op.
“Och, de goede God zal ’t wel vergeven. Hij zal ’t hart van de jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante,” had de ander tot haar gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte moederlijk-bedoelde verwijten.
Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van ’t afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en door te lezen.
Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den boezem van ’t meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in ’t rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze “hem” ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....
“Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft,” zei Capitán Tiago. “Je moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht noodig. Wat dunkt je, Malabón....of San Diego?”
Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje en kon ze niet antwoorden.
“Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen,” ging Capitán Tiago voort, zonder ’t hoofd op te heffen, “je gaat er daarna niet meer heen.”
Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.
“En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar Malabón.... je peetvader is niet meer in San Diego. De pastoor, dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe pastoor dien we daar nu hebben. ’t Is een heilige.”
“San Diego staat haar beter aan, neef!” merkte tante Isabel op. “Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst.”
Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een rijtuig stilstaan, en werd bleek.
“O ja, dat is waar!” antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend, hervatte hij:
“Don Crisóstomo!”
Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging haar door ’t lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten, onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg, om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het gedruisch van een deur die gesloten werd.
Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die ’t dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door ’t sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed, haar armen om den hals van ’t oudje en overstelpte haar met kussen.
“Maar, dwaas kind, wat scheelt je?” kon de oude ten slotte uitbrengen, terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.
Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen arm.
“Kom, maak je klaar, gauw!” voegde de oude op hartelijken toon eraan toe, “terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet op je wachten.”
De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich op in haar kamer.
Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze overal heen keek, behalve naar de menschen.
Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering vond geen woorden.
En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van ’t “engelen haar”? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in ’t geheim van den duisteren nacht, in ’t mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde, eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij, want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!
Maar nu gij niet wilt, zal ik ’t zelf toch maar probeeren.
De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog de bladeren en bloemen der klimplanten—daarom huiverde het “engelen haar”—de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche lampen. Het geplas van een “sagoean” (roei-riem uit één stuk hout) in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren over de Binondo-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat de tante mompelde:
“Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in ’t oog gehouden”, zeide zij.
In ’t eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk als honig voor de lieden van ’t land, maar lach- of ergernis-wekkend voor vreemdelingen.
“Heb je altijd aan me gedacht?” vraagt zij jaloersch. “Heb je me op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel mooie vrouwen!”....
Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.
“Zou ik je kunnen vergeten?” antwoordt hij, terwijl hij verrukt in haar donkere pupillen staart. “Kon ik ooit een heilige belofte schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me zoo alleen zag schreien bij ’t lijk van mijn moeder en je naar mij toekwam, je hand op mijn schouder lei—je hand, die je me al een heelen tijd niet toeliet vast te houden—en dat je toen tegen me zei: ‘Gij hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad’... en dat je toen samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een dochter. Buiten regende en donderde het, maar ’t was me of ik muziek hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O, als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in ’t verre Europa mijn fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland, mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van ’t Filippijnsche land, ’t heerlijke land, dat de deugden van ’t Spaansche moederland vereenigt met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was ’t of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in ’t zonnig Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven, daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde...”
“Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila en Antipolo—jouw land,” antwoordde zij glimlachend; “maar van ’t oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar ’t klooster ging, heb ik altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik vond het toen vreeselijk, maar later in ’t klooster lachte ik erom en verlangde er naar, dat ik weer ’s zoo ruzie met je kon hebben... om dan daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de ‘gogo’—een soort ‘merang’—waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie begreep. ‘Och, domme jongen,’ antwoordde je moeder toen, ‘je zult merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.’ Ik begon te lachen, jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen naar ’t dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die, om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes.”
Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige blaadjes ingepakt waren.
“Jouw salie-blaadjes!” antwoordde hij op haar blik.
“Dat ’s alles wat je me ooit gegeven hebt.”
Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.
“Afblijven!” riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.
“Niet aankomen: dat ’s een afscheidsbrief.”
“Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?”
“Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?”
“En wat had ik je daarin te vertellen?”
“O, ’n boel fopperij!” antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. “Stil! ik zal je den brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan, om je te sparen.”
En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken, dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:
“Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje,” en ze doorliep eenige regels met de oogen. “Mijn vader staat erop, dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.—“Je bent nu een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van ’t leven leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter Baltasar spreekt: “Opgegroeid in ’t water, verwelken haar bladeren, zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van hitte doet haar verdorren.” Wel, kijk, je bent bijna een jonge man, en je schreit nog!”—Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder leggend, zeide hij me met bevende stem: “Denk je, dat jij alleen kunt liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en ’t niet naar vindt van je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid, al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je, voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, ’t mijne gaat verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de koude erin. En toch schrei je, en kun je ’t heden niet opofferen voor een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!”—Mijn vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën, omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid was te vertrekken.”
Ibarra’s ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman was bleek, en stapte van ’t eene uiteinde van het platte dak naar ’t andere.
“Wat scheel je? wat is er?” vroeg zij hem.
“Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu dadelijk naar ’t dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen.”
Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:
“Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg die bloemen op ’t graf van je vader!”
Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het bidkapelletje opsloot.
“Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!” zeide Capitán Tiago, terwijl Ibarra in ’t rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de richting van het San Gabriël-plein.
En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:
“Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede Reis, want er zijn een boel toelisan’s (roovers). ’t Is beter nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een bom duiten te moeten uitgeven als losgeld.”