VIII.

Herinneringen.

Ibarra’s rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht ondanks zichzelf glimlachen.

De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht, de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes met eetwaren, de hôtels, “de restaurants”, de winkels, tot zelfs de zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels, die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort te slepen, alles, ’t gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon, een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten in zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen.

De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte, de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; ’t regende een dag en er ontstond een moeras, dat ’s avonds de rijtuiglantaarns weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun geborduurde muiltjes laten steken!

Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht de koude van ’t ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis, aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider, voor wien ’t wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen kon mishandelen.

Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam, of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg het in zijn salákot,1 de overigen keken met een zonderlinge blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij nog het gedruisch dat ze maakten bij ’t stukslaan van steenen, om de kuilen op straat aan te vullen en ’t vroolijk tingelen der zware voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn, zonder smart, zonder ongeduld, zooals ’t eigenaardig karakter der inboorlingen meebrengt.—“Vandaag jij, morgen wij,” zeiden ze zeker bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen, de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van.

De goede eerwaardige Puente de Barcas, die echt-Filippijnsche brug, die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen der Pasig-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield.

De amandel-boomen der Plaza de San Gabriel waren niet grooter geworden, ze bleven achterlijk in hun groei.

De Escolta-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met steunbeelden de plaats in van haar oude camarines—de lage gebouwtjes met de Chineesche winkels erin. De Puente de España, een nieuwe brug, trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het eiland Isla del Romero begint, brachten hem de frissche ochtenden in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een banca—een klein nauw schuitje—om naar de baden van Ulf Ulf te gaan.

Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen—ernstig en met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en beide dochters aankwam.

Bij ’t afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in, koersnemende naar de wandelplaats de la Sabana. Links klonk uit de sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk maakte. Het levendige gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters, die er zoo vaak opstootjes maken!

De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek een anderen kant uit—’t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts, en daar zag hij ’t oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen van haar grootmoeder.

Hij zag in de verte de zee, en dacht aan ’t verre Europa met de geestelijk-ontwikkelde volkeren, die ’t stoffelijke niet veroordeelen en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten voorstaan, dat ze ’t geestelijke vereeren!...

De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats de la Luneta2, trok thans zijn aandacht.

Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had, die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar ’t waren geen ijdele napraterijen, ’t waren overtuigingen die niet verbleekten in ’t licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: “Vergeet niet, dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, alleen de moedigen die erven”, had hij vermaand. “Ik heb getracht je bij te brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je gaat naar zeer rijke landen.” En hij voegde er toen lachend aan toe: “Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt.” Die man was daar gestorven.

Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf:

“Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee, wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet, nee!”

Zijn aandacht werd niet getrokken door la Ermita—de kluizenarij—die fenix van “nipah”, welke zich uit zijn as verheft in den vorm van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar Malate, noch naar de cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de vogelnestjes door iedere huisvader voor zich.

Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken door een of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger in ’t mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen weg, waar de felle tropische zon blaakte. ’t Weemoedig, eentonig gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt het snerpend geknars van ’t droge wiel met de ontzaggelijke as aan ’t zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers van een “paragos”, de Filippijnsche slede, die met horten en stooten voortschuift over ’t stof of de modderpoelen van den weg. Op de velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers, die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen troepjes merries...

Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over ’t hobbelig terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde snel omlaag.


1 “Toedoeng” zeggen wij in N.-I.

2 Hier werd de schrijver gefusilleerd.

IX.

Locale aangelegenheden.

Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre Dámaso, die zich naar ’t huis begaf waar hij juist vandaan kwam.

“Waar gaan jullie heen?” vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante Isabel, die op ’t punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand op de wangen van het meisje.

“Naar ’t klooster om mijn goed te halen,” antwoordde ze.

“Aha, aha! We zullen ’s zien wie verder komt, we zullen ’s zien”... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte hij zich naar de trap en ging naar boven.

“Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?” zeide tante Isabel. “Kom, stap in, Maria, ’t wordt zoo laat.”

Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen, doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen, want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze bijna een knieval moest doen om die te kussen.

“Santiago!” was ’t eerste wat hij zeide, “we moeten over heel belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan.”

Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de deur achter zich dicht.

Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na de mis gelezen te hebben, naar ’t klooster van zijn orde gegaan dat gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings “de Isabel II” of “de Mojallones” heette, al naar de koninklijke familie die te Madrid zetelde.

Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur.

“Binnen!” zuchtte een stem.

“God geve uwe reverentie weer gezondheid!” was de groet van den jongen dominikaan bij ’t binnenkomen.

In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel en uitgemergeld als een heilige van Ribera’s penseel. Zijn oogen lagen diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden.

Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder ’t eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij ’t hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten.

“Ach!” zuchtte de oude man, “de doktoren raden me een operatie aan, Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando!

Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in ’t gelaat.

“En wat heeft uwe reverentie besloten?” vroeg hij.

“Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel, maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij, hoe is ’t met jou, wat heb je voor nieuws?”

“Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had.”

“O, en hoe is ’t daarmee?”

“Poeh!” antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat minachtend af, “ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad.”

“Denk je dat?”

“Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen.”

“Nu al? En hoe was dat?”

Fray Sibyla verhaalde in ’t kort wat er tusschen Padre Dámaso en Crisóstomo Ibarra voorgevallen was.

“Bovendien”, voegde hij er ten slotte aan toe “’t jonge mensch gaat trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin misschien te verspelen.”

De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd.

“Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo’n vrouw en zulk een schoonvader zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet, des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!”

Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan.

“Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk,” voegde hij er met moeite ademend aan toe. “Ik heb liever aanvallen dan dat zotte aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...’t Is waar, dat ze betaald worden.”

“Denkt uwe reverentie dat?”...

De grijsaard keek hem droevig aan.

“Hoû dat maar voor zeker!” bracht hij met moeite uit. “Onze macht duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen.”

“En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms...”

“Dat zal ’t niet doen!”

“En toch, als ’t eens, belust op wat wij binnenhalen mocht toegeven aan zijn begeerte... als er ’s een durf-al was, een vermeteling...”

Oh, dan staat het ellendig met hem!”

Beiden zwegen een poos.

“Bovendien,” ging de zieke voort, “wij hebben noodig, dat ze ons aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. ’t Geld komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens niet meer in onze macht.

“Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen...”

“Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En ’t ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld: dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: Quos vult perdere Jupiter, dementat prius.1 Laten we daarom ons gewicht niet te zwaar maken: ’t volk mort al. Ik denk er zoo over als jij: laten de anderen daar ginds hun eigen zaken regelen, laten wij het prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!”

“Dus uwe reverentie gelooft, dat de ‘canon’ of grondlasten?...”

“Laten we toch niet meer over geld spreken!” viel de zieke met een zekeren afkeer in, “je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan Padre Dámaso...”

“Jawel, vader” antwoordde Fray Sibyla lachend, “maar van morgen zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar ’t hoofd gestegen was en dat Padre Dámaso in ’t zelfde geval verkeerde als hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij, ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel: ik ben geen overbrenger en ben ’t ook nooit geweest; daarom draag ik ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag.”

Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray Sibyla heen.

Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar Malacanan—het paleis van den gouverneur—geweest was, had deze toch van de zaak gehoord.

“Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen,” had hij lachend tot een zijner adjudanten gezegd, die hem ’t geval had medegedeeld. “Ik wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben er ook achter, dat de ‘provincial’ zich niet om mijn orders bekommerd heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien ‘fraile’: ze hebben hem een veel beter dorp gegeven. Och, ‘monnikerijen’ (frailadas) zeggen we in Spanje!”

Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer.

“O! als dit volk niet zoo aarts-dom was,” zuchtte hij, “zou ik die eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot, en laten we doen wat iedereen doet.”

Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso, of beter gezegd die van dezen met hem.

“Dus je bent nu gewaarschuwd!” zeide de Franciskaner bij ’t afscheid. “Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw op haar peet!”

Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis te beveiligen.

“We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!” mompelde hij.


1 Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig.

X.

Het dorp.

Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp San Diego te midden van bouwlanden en sawah’s. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten.

Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden van die opeenhooping van daken van nipah, pannen, zink en “cabonegro” (idjoek),1 gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een boom—de fijnbebladerde asem—, de met vruchten beladen klapperboom, een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in ’t zandig bed verspreid haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend onvast, verbinden de beide oevers. En zijn ’t ook slechte bruggen, ’t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om ’t evenwicht op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, die bevend voortstapt en zijn stok in ’t water laat vallen.

Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt, dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas, gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen, en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het loof van de gastvrije boomen.

Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde over, maar ’t waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde en bekende, schijnt het volgende te wezen:

Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er ’s nachts herten en wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem reeds voor “betooverd,” toen een walgelijke lucht, die zich uit het naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok; ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding aan den tak van een baliti-boom hangen. In levenden lijve boezemde hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had, verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de baliti was er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder, die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen, beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.

Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar ’t scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila, bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.

Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden: de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe’s, papaja’s, djamblang’s enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze “de ouwe! de ouwe!”, smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch waren—sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel enkelen lachend.


1 Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (Arenga pinnata Mer.).—J.H.

XI.

De grootmachtigen.

Wie waren de overheids-personen van ’t dorp?

Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in ’t dorp nooit zijn partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen men hem zag wankelen.—Zou ’t dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij ’t een half uur later in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden hem achter zijn rug “Koster” Tiago.

Dan misschien het dorps-hoofd?

Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had, alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere, hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had hem vijf duizend peso’s gekost en heel wat vernederingen. En naar ze hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop.

Wie dan?

Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de Paus en het Vatikaan; de onderluitenant—alférez—van de guardia civil de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in ’t andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort, want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.

Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger, den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid, bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco), tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men aan ieders hals vier of vijf “scapalieren” en om ieders middel een koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het verkoopen—door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen—van al de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den duivel te keeren.

Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling van zijn plichten: volgens den alférez al te nauwgezet. Wanneer hij aan ’t preeken was—daar hield hij veel van—werden de deuren der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden, in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.

De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke tevens, was, zooals we gezegd hebben, de alférez. De eenige, want de vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch, toen die ’t gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer na negen dagen in vrijheid gesteld.

Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme onvoorzichtige duivels, en de alférez verdiende zijn lot. Zijn vrouw, een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De alférez wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn vrouw af te rammelen.

Hij en zij sloegen—alsof ’t maar een grapje was—elkaar bont en blauw, en schonken de buren gratis-voorstellingen.

Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi, lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte dan weer witjes en bad nog meer.

Om hem te “pesten” verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw, het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en een slakot—toedoeng—van nipah op het hoofd, rondkuierend in de late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij zag, dat de alférez de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd, het beeld van den Heilige Geest “Och, toe, schei uit!” mompelde. De alférez was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen, die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij ’t geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in den tuin van den alférez, terwijl hij een onderwerp overpeinsde voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze elkaar daarna tegenkwamen.

Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak aan ’t venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan, de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.

Dit zijn de grootmachtigen van ’t dorp San Diego.

XII.

Allerheiligen.

Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half van riet en staken, schijnt het af te scheiden van ’t verblijf der menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken.

In ’t midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken Inri ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van ’t kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt.

Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold, ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet, ontstaan door aardbevingen, aan ’t oog onttrekkend.

De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende vrouw te zeggen:

“Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?”

Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig—hij gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre takken—de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer.

“Zeg ’s!” zegt de rooker in Tagaalsch, “zou ’t niet beter zijn, dat we op een andere plek gingen graven?

Hier is ’t nog zoo nieuw.”

“’t Eene graf is al even versch als ’t ander.”

“Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog bloederig... brr! En die haren?”

“Och, wat ben jij jufferachtig!” verweet hem de ander, “’t lijkt wel of je griffier van ’t gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk dat twintig dagen oud was, had opgegraven—’s nachts, in ’t donker, bij regen, mijn lantaren ging uit....”

De ander huiverde.

“De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en als jij hem dan dragen moest.. nou, en ’t regende en we waren beiden druipnat, en..,”

“Brrr! En waarom heb je ’m opgegraven?”

De doodgraver keek hem met verwondering aan.

“Waarom? Weet ik het? Ze hadden ’t me gezegd!”

“Wie had het je gezegd?”

De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot voeten aan.

“Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed: de groote pastoor had het me bevolen.”

“Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?” vroeg de “jufferachtige” wederom.

“Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een ‘mensch’ was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd, dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt....”

“Nee, nee! Ik graaf niet meer!” viel de ander in, vol ontzetting zijn schop loslatend en uit de groeve wegspringend. “Ik heb daar een doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet van slapen kan.”

De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg.

Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder elkaar en alsof ze ’t niet eens konden worden, gingen ze vaneen en een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen, die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der gebeden ruischten door de lucht.

Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe.

“Zeg ’s!” zeide hij. Deze hief het hoofd op.

“Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het vleesch van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar had, onder die blaren, aan den voet van ’t kruis?”

De doodgraver haalde de schouders op.

“Hier!” vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, “ik heb niets meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt.”

De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het knekelhuis, en zei:

“Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik ’t niet.”

“Zal ik je ’s wat zeggen?” ging de oude voort, “zoodra ze me betalen wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. ’t Was de schedel van mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt...”

“Is hij daar niet? dan weet ik ’t niet! Maar, als je wilt, kan ik je wel een ander geven.”

“Je bent al net als het graf dat je graaft!” voegde de oude man hem zenuwachtig toe, “je kent de waarde niet van wat je verloren laat gaan. Voor wie is dat graf?”

“Weet ik ’t? voor een dooie!” antwoordde de ander humeurig.

“Als het graf, net als het graf!” herhaalde de oude en lachte droogjes, “je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar, graven maar!”

En hij wendde zich om en ging naar den uitgang.

De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn salákot, en begon die te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem heen gebeurde.

XIII.

Voorteekenen van storm.

Op ’t oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in ’t zweet.

Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar het kerkhof.

“Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen terugkomen!” zeide de oude man schuchter. “Capitán Tiago zei dat hij wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis neergezet, dat ik zelf gesneden heb.”

Ibarra antwoordde niet.

“Daar achter dat groote kruis, heer!” ging de knecht voort, wijzende naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan.

Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na.

De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel stond bedremmeld en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag nergens een kruis.

“Is ’t hier?” mompelde hij bij zich zelf. “Nee, ’t is daar ginds, maar de aarde is er omgewoeld!”

Ibarra keek hem angstig aan.

“Jawel!” ging hij voort, “ik herinner me, dat er een steen naast was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf ’s vragen, wat er met het kruis gedaan is.”

Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg, en daarna groette door zijn “salákot” aftenemen.

“Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?” vroeg de bediende.

De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na.

“Een groot kruis?”

“Jawel, groot,” bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde.

“Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?” vroeg de doodgraver verder.

“Ja zeker, juist, juist!” en de knecht teekende op den grond een bizantijnsch kruis.

“En waren er bloemen op ’t graf gestrooid?”

“Oleanders, tjempaka’s en viooltjes!”

“Ja zeker!” hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar.

“Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is.”

De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend:

“Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!”

“Verbrand! En waarom heb je ’t verbrand?”

“Omdat de groote pastoor het me gezegd had.”

“Wie is dat, de groote pastoor?” vroeg Ibarra.

“Wie? Die erop-in ranselt, pater ‘Stok’.

Ibarra streek de hand langs ’t voorhoofd.

“Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat moet u zich toch herinneren.”

De doodgraver glimlachte.

“De dooie is er niet meer in!” antwoordde hij bedaard.

“Wat zegt u?”

“’t Is nog al duidelijk!” voegde de man er op gekscheerenden toon aan toe, “ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven.”

“Ben je gek?” vroeg de knecht hem. “’t Is toch nog geen jaar dat we ’m begraven hebben.”

“Nou ja: ’t is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven heb. De ‘groote pastoor’ woû ’t hebben, om hem naar ’t Chineesche kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en ’t dien nacht regende...”

De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra’s houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde hem door elkaar.

“En dat heb je gedaan?” vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon.

“Word maar niet boos, heer,” gaf de ander verbleekend en bevend terug, “ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf: ’t is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb ’m toen maar in ’t water gegooid!”

Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was.

“Je bent een ellendeling, niets meer!” zeide hij, en, als een gek over beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten.

De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde:

“Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje nog bij inschieten.”

Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde hem schreiend.

De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den hemel naar ’t oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa’s der boomen, en deed de rietvelden kreunen.

Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich naar den buitenkant, naar ’t oude huis dat hij nu sinds jaren niet betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open, de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken; de duiven fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning, die midden in den tuin stond.

Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in ’t oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de vijand van de alférez. De wind boog de breede randen van zijn hoed om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken bamboe-stok met ivoren handvat. ’t Was de eerste maal dat Ibarra en hij elkaar zagen.

Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken.

De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe, hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en vroeg bijna onverstaanbaar:

“Wat heb je met mijn vader gedaan?”

Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich op ’t gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden: hij voelde zich als verlamd.

“Wat heb je met mijn vader gedaan?” herhaalde de ander met gesmoorde stem.

De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte, bracht er met moeite uit:

“U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!”

Niets?” hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat hij hem op zijn knieën deed vallen.

“Nee, ik verzeker ’t u! Dat was mijn voorganger, “t was Padre Dámaso...”

“O!” riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor ’t voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig naar zijn huis.

De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke opstaan.