XIV.

Tasio de gek of de wijsgeer.

De oude zonderling van ’t kerkhof doolde afgetrokken door de straten.

’t Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek aan middelen of bekwaamheid: ’t was juist omdat zijn moeder rijk was, en men algemeen zeide dat hij “aanleg” had. De goede vrouw vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten: daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen ’t jaar, zocht hij een troost in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo’n liefde voor boeken, dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was.

De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio, en onopgevoeden—de meerderheid—Tasio de gek, om zijn zonderlinge denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang.

Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht, de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend.

Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek.

Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met kwast, als teeken van zijn waardigheid.

“U schijnt vroolijk te wezen?” vroeg deze in de landstaal.

“Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop.”

“Zoo! En waarop hoopt u dan?”

“De storm!”

“De storm! U wilt zeker gaan baden?” vroeg de “gobernadorcillo” op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den ouden man.

“Baden... ’t zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils aanloopt,” antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek daarbij zijn toespreker in ’t gelaat, “maar ik hoop op iets beters.”

“Wat dan?”

“Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te verbranden!” gaf de wijsgeer ernstig terug.

“U moest maar ineens de zondvloed vragen!”

“We verdienen ’m allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo, heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe ‘Capitán’ voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij onweer. En zeg me nu ’s: hoe kwam het, dat in ’70, toen de bliksem in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en ’t altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?”

Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. “Jezus Maria en Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!” mompelde de “gobernadorcillo”, die bleek werd en een kruis sloeg.

Tasio schoot in een schaterlach.

“Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!” zeide hij in ’t Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk.

De kosters waren binnen bezig een “túmulus” op te richten met kaarsen en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar, bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden geschilderd.

“Is het voor de zielen of voor de kaarsen?” vroeg hij. En twee knapen ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen, zonder het antwoord der kosters af te wachten.

“Gaan jullie met me mee, jongens?” vroeg hij hun.

“Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt: een pastoor ’t lusten.”

XV.

De kosters.

Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij vroeg hen wanneer zij naar huis gingen.

“De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!” antwoordde ’t oudste ventje. “Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan moeder geven.”

“Zoo! En waar gaan jullie heen?”

“Naar den toren, om te luiden voor de zielen.”

“Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken zoolang ’t onweert.”

Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op te gaan naar het koor.

Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde:

“Nou zou ’t me spijten, als het insloeg.”

En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant van ’t dorp.

“Zeg, komt u eerst even binnen!” riep een stem uit een venster hem in ’t Spaansch toe.

De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte.

“Wat leest u daar?” vroeg Tasio en wees op het boek dat de man in zijn hand hield.

“’t Is iets nieuws—mooi boek: ‘De kwellingen der zaligen in ’t Vagevuur!’ was het vroolijk bescheid.

“Man! man! man!” riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij het huis binnenging. “De schrijver moet wel een knap man wezen.”

Bij ’t opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij Teodora Vina. Don Filipo was de “teniënte mayor” of onder-burgemeester en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn.

“Heeft u op ’t kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet, die pas uit Europa terug is?”

“Ja, ik heb ’m gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte.”

“Ze zeggen dat hij ’t graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag moet wel vreeselijk geweest zijn.”

De “wijsgeer” haalde de schouders op.

“Stelt u geen belang in zijn ongeluk?” vroeg de jonge huisvrouw.

“Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn gegaan. Ik was ’t die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden.”

“En?”

“U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van ’t erfelijk koningschap. Door ’t beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben.”

“Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik ’t u gisteren aangeraden heb?” vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen.

“Nee!” antwoordde de oude man lachend.

“Hoe jammer!” riep ze met oprechte spijt, “ze zeggen dat tot morgen tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere dagen van ’t jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei.”

“Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben, waar we van moeten profiteeren?”

“Maar Doray!” viel Don Filipo in, “je weet toch wel dat Don Anastasio niet aan ’t vagevuur gelooft.”

De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo kwam ’t gesprek op ’t vagevuur en de filosoof vertelde hoe ’t geloof daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de verdoemenis geloofde. ’t Einde van zijn redeneering was dat hij niet kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen van een oogenblik.

Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar, en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning.

De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; ’t was of God met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en ’t eeuwige gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en, voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als een klagelijk gekreun door de lucht.

Op de tweede verdieping van den toren bevonden zich de twee knapen, die we terloops pratende met den filosoof hebben gezien. De jongste, die groote zwarte oogen en een schuchter gelaat had trachtte zich tegen het lichaam van zijn broer aan te dringen. Deze leek veel op hem, alleen was zijn blik dieper en de uitdrukking van zijn gezicht vastberadener. Beiden waren armelijk gekleed, en hun plunje vertoonde overal lappen en stoppen. Gezeten op een stuk hout, hield elk van hen een touw in de hand, waarvan het andere uiteinde zich hoog boven hen in de duisternis der derde verdieping verloor. De wind dreef den regen in hun gezicht, en deed de vlam flikkeren van een eindje kaars, dat daar op een grooten steen stond, die op Goeden Vrijdag in ’t koor heen-en-weer gerold werd, om den donder na te bootsen.

“Trek toch aan ’t touw, Crispin!” zeide de oudste tot zijn broertje.

Deze ging er weer aan hangen, en boven hoorde men een zwakke klaagtoon, die onmiddellijk door een donderslag, door duizend echo’s herhaald, overstemd werd.

“Och! als we nu toch maar thuis waren bij moeder!” zuchtte de kleine, zijn broer aanziende. “Daar zou ik niet bang zijn.”

De oudste antwoordde niet: hij keek naar ’t afdruipen van de was aan de kaars, en scheen in gedachten.

“Thuis zegt niemand me dat ik steel!” hervatte Crispin; “moeder zou ’t niet toelaten! Als ze eens wist dat ze me hier ranselen...”

De oudste wendde de oogen van de vlam af, richtte het hoofd op, beet met kracht in het dikke touw en trok er geweldig aan, zoodat het welluidend gonsde.

“Moeten we altijd zoo blijven voortleven, broer?” ging Crispin voort. “Ik wou dat ik morgen thuis ziek werd, ik woû dat ik heel lang ziek lag, dan zou moeder me oppassen en hoefde ik niet meer naar ’t klooster terug! Dan zouden ze me geen dief meer noemen en me evenmin meer ranselen! En jij moest ook maar ziek worden, zeg.”

“Nee!” antwoordde de oudste, “we zouden allemaal doodgaan, moeder van verdriet, en wij van den honger.”

Crispin zeide niets terug.

“Hoeveel verdien jij deze maand?” vroeg hij na een oogenblik.

“Twee peso’s: ze hebben me twee boeten gegeven.”

“Betaal wat ze zeggen dat ik gestolen heb, dan zullen ze ons niet meer voor dieven uitschelden. Betaal het maar, broer!”

“Ben je gek, Crispin? Moeder zou niets te eten hebben. De eerste koster zegt dat je twee ‘onza’s’ gestolen hebt, en twee onza’s zijn twee-en-dertig peso’s.”

De kleine telde op zijn vingers, tot dat hij aan twee-en-dertig kwam.

“Zes handen en twee vingers! En iedere vinger een peso,” mompelde hij daarop peinzend. “En iedere peso... hoeveel ‘cuarto’s’ is dat?”

“Honderd zestig.”

“Honderd zestig cuarto’s? Honderd zestig maal een cuarto. Och hemeltje! En hoeveel is honderd zestig?”

“Twee en dertig handen,” antwoordde de oudste. Crispin zat een oogenblik naar zijn handjes te staren.

“Twee en dertig handen!” herhaalde hij, “zes handen en twee vingers, en iedere vinger twee-en-dertig handen... en dan iedere vinger een cuarto... Och lieve tijd, wat ’n cuarto’s! Je zou ze in drie dagen niet kunnen tellen... En daar kon je pantoffels voor koopen voor je voeten, en een hoed voor je hoofd, als de zon warm schijnt, en een groote parapluie voor als ’t regent en eten, en kleêren voor jou en voor moeder en...”

Crispin verzonk in gedachten.

“Nu spijt het me dat ik niet gestolen heb!

“Crispin!” vermaande hem zijn broer.

“Word maar niet boos! De pastoor heeft gezegd dat hij me dood zou ranselen met een stok, als ’t geld niet voor den dag komt. Als ik het gestolen had, zou ik ’t nu voor den dag kunnen brengen...en als ik dood ging zouden jij en moeder ten minste kleêren hebben! Had ik ’t maar gestolen!”

De oudste zweeg en trok aan het koord. Daarop antwoordde hij zuchtend:

“Waar ik bang voor ben, is dat moeder een hevig standje zal geven, als ze ’t hoort!”

“Geloof je dat?” vroeg de kleine verwonderd. Je moet haar zeggen dat ze mij al veel geslagen hebben, ik zal haar mijn striemen laten zien en mijn kapotte zak: ik heb maar een cuarto gehad, die ze me voor mijn paschen gegeven hadden en de pastoor heeft me die gisteren afgenomen. Ik had nog nooit zoo’n mooie cuarto gezien. Moeder zal ’t niet willen gelooven, ze zal ’t niet gelooven!”

“Als de pastoor het zegt...”

Crispin begon te schreien, en stamelde onder het snikken door:

“Ga jij dan alleen weg, ik wil niet weggaan. Zeg aan moeder dat ik ziek ben. Ik wil niet weggaan.”

“Crispin huil nu maar niet. De oude Tasio heeft gezegd dat we van avond lekker zullen eten.”

Crispin hief het hoofd op en keek zijn broer aan.

“Lekker eten! Ik heb nog heelemaal niet gegeten: ze willen me geen eten geven zoolang dat geld nog niet terecht is... Maar als moeder ’t gelooft? Jij moet haar zeggen, dat de eerste koster liegt, en de pastoor die hem gelooft ook, dat ze allemaal liegen; dat ze zeggen dat we dieven zijn, omdat onze vader zich slecht gedraagt en...”

Doch er kwam een hoofd voor den dag uit de holte van het trapje dat naar de eerste verdieping voerde, en dit hoofd deed als dat van Meduza de woorden op de lippen van den knaap bevriezen. Het was een langgerekte magere kop met lange zwarte haren. Een blauwe bril verborg het eene blinde oog.

Het was de hoofd-koster die zoo zonder gedruisch, onverwachts placht te verschijnen.

De twee broertjes werden ijskoud.

“Jij, Basilio, krijgt een boete van twee realen, omdat je niet in de maat luidt!” zeide hij met een spelonkstem, alsof hij zijn stembanden kwijt was. “En jij, Crispin, jij moet van nacht hier blijven, totdat wat je gestolen hebt, terecht is.”

Crispin keek naar zijn broer, alsof hij om bescherming vroeg.

“We hebben vrij-af gekregen...moeder wacht ons om acht uur thuis”, stamelde Basilio schuchter.

“Nou mag jij ook niet om acht uur weg! Tot tien uur!”

“Maar, meneer, om negen uur mag je niet meer op straat, en ons huis is zoo ver.”

“Zoo, woû jij me de wet stellen?” vroeg de man toornig. En Crispin bij een arm vattende trachtte hij hem weg te slepen.

“Meneer! ’t Is al een week dat we moeder niet gezien hebben!” smeekte Basilio, zijn broertje vastgrijpende, als wilde hij hem verdedigen.

De hoofdkoster gaf hem een tik zoodat hij losliet en trok Crispin mee. Deze begon te schreien en liet zich op den grond vallen, terwijl hij tot zijn broêr zeide:

“Ga niet van me weg. Ze zullen me doodmaken!” Maar de koster lette er niet op, sleepte hem de trap af en verdween in de duisternis.

Basilio bleef achter zonder een woord te kunnen uitbrengen. Hij hoorde de stooten die het lichaam van zijn broertje tegen de treden der trap deed, dan een kreet, verscheidene klappen met de vlakke hand en daarna verstomden die hartverscheurende geluiden allengs.

De knaap stond ademloos met gebalde vuisten en wijd opengesperde oogen te luisteren.

“Wanneer zal ik een veld kunnen beploegen?” mompelde hij binnensmonds, en ging haastig naar beneden.

Toen hij aan ’t koor gekomen was, luisterde hij nog eens aandachtig: de stem van zijn broertje verwijderde zich snel, en de kreet: “moeder! broer!” stierf geheel weg, toen er een deur dicht ging. Bevend, bedekt met zweet, bleef hij een oogenblik stilstaan. Hij beet op zijn vuist, om een kreet te versmoren, die uit zijn hart opdrong, en liet zijn blikken dwalen door de halve duisternis der kerk. Daar ginds brandde zwakjes de olielamp. In ’t midden stond de katafalk. De deuren waren alle gesloten, en aan de vensters zaten tralies.

Opeens liep hij het trapje op, ging de tweede verdieping over, waar het kaarsje brandde, en klom naar de derde. Hij maakte de touwen los, die aan de klepels vastzaten, en ging daarna weer naar beneden. Hij was bleek, maar zijn oogen glansden en niet van de tranen.

De regen begon intusschen op te houden en de hemel werd allengs helderder.

Basilio knoopte de touwen aaneen, bond een uiteinde aan een kant van de balustrade, en zonder eraan te denken het licht uit te doen, liet hij zich midden in de duisternis neerglijden.

Eenige oogenblikken later hoorde men op een der straten van het dorp geluid van stemmen, en klonken er twee schoten. Doch niemand maakte zich ongerust, en alles keerde weer tot de vorige rust terug.

XVI.

Sisa.

De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met “requiem’s” en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te lezen en daarna de “aflaat” van de afgestorvenen koopen, die zooveel zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk niet zoo veel-eischend als de menschlijke.

Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht heeft hij wel weinig gebeden opgezegd, maar toch veel in stilte gebeden met smart in ’t hart en tranen in de oogen. Hij weet niet van de “novenen”, kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de “oremus”, die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn lippen kunnen “groetenissen” uitspreken, maar zijn geest schreeuwt klachten uit en beschuldigingen...

De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen: ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar ouders en van haar overleden echtgenoot. “Een peso,” denkt ze, “een peso is een week verzorging voor mijn kinderen, een week van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden...” “Maar ’t hellevuur moet gebluscht worden” zegt de stem die ze heeft hooren preeken; “ge moet u opofferen, ’t moet! De kerk redt voor u de geliefde zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die koopen en in plaats van ’s nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw dochter—wel wat zou ’t, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!

Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de “sahig,”1 waarop de schamele mat gespreid is, en de “palapoe”,2 waaraan de hangmat is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben.

De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de “tokèq”—tjakón zegt men in de Filippijnen—, niet meer bevreesd voor ’t water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch bestaan ze!

Ginds, ver van ’t dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin, vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven, terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen, en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en gevreesd werd, gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder, onmenschelijker en bedillender.

Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen, doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan door te zetten. Haar man zeide weer niets.

Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar haard van ruwe hoekige steenen. Op een “toengko” of drievoet stond een potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde sardijnen, van die welke men drie voor twee “cuarto’s” kan koopen.

Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht aan ’t aardige raadsel van den pot en ’t vuur, dat Crispin haar eens opgegeven had. De knaap had gezegd:

Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá,

Nang mahaó i koemará-karà3.

Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de Tagalen noemen kajoemanging kaligatan, dit wil zeggen bruin, maar van een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes.

Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen haar werk af was, had ze ’t naar den klant gebracht, doch deze had haar alleen beloofd te betalen.

Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze wist dat die ’t lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de arme knapen.

Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa zeide niets, al was ’t haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten.

Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan.

“Wil je ze niet zien?” vroeg ze angstig. “De oude Tasio heeft me gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en.., misschien brengt Basilio zijn loon thuis.

Bij ’t hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik, maar zijn goede genius zegevierde.

“In dat geval moet je een ‘peso’ voor me bewaren?” zeide hij, en stapte op.

Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen.

“Ze zullen wel goeden eetlust hebben!” dacht ze, “de weg is lang en een hongerige maag heeft geen oogen.”

Aandachtig luisterde ze naar ’t geringste geluid van voetstappen: krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, licht en ongelijk, dan van Crispin, dacht ze.

De kalao (toekang) had in ’t bosch al twee- of drie maal zijn kreet doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen nog maar niet.

Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en wanneer haar kinderen haar “koendiman” (antwoord me) hoorden zingen, schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem, en kwamen de tonen traag voor den dag.

Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen van de breede bladeren der pisang-boomen.

Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte akelig.

Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding bevolkt de lucht met spoken.

Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen Crispin. En haar gedachten dwaalden af van ’t gebed, om alleen aan hen te denken: aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten, in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote, peinzende oogen, en glimlachte.

“Moeder, doe open! Doe open, moeder!” zeide de stem van Basilio van buiten.

Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween.


1 bamboe-vloer.

2 dak-rib.

3 De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik later weerklonk het “kikiriki.”

XVII.

Basilio.

’t Leven is een droom.

Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen zijner moeder vallen.

Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde schreien, ’t was haar onmogelijk.

Doch op ’t gezicht van ’t bloed, dat het voorhoofd van haar jongen bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar hart gebroken ware:

“Mijn kinderen!”

“Wees niet bang, moeder!” antwoordde Basilio, “Crispin is in ’t klooster gebleven.”

“In ’t klooster? Is hij in ’t klooster gebleven? Leeft hij?”

De knaap sloeg zijn oogen naar haar op.

“O!” riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd met kussen overdekkend. “Crispin leeft! je hebt hem in ’t klooster achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je gevallen?”

En ze sloeg hem nauwkeurig gade.

“De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In ’t dorp riepen de soldaten me ‘werda’ toe. Ik zette het op een loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo gedaan hebben, die nog ziek is.”

“Mijn God, mijn God!” mompelde de moeder huiverend, “ge hebt hem gered!”

En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze:

“Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m’n jongen doodgemaakt hebben! Die lui van de guardia civil denken ook niet aan de moeders!”

“Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben.”

“Waarom is Crispin achtergebleven?” vroeg Sisa, nadat ze haar zoon verbonden had.

Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet van de kwellingen die men zijn broertje aandeed.

Moeder en kind mengden hun tranen.

“Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!” mompelde Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de tienhoy—het lampje—waarvan de olie opraakte.

Zoo bleven ze een poos zwijgen.

“Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen.”

“Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water.”

“Jawel,” hervatte de moeder, “ik wist wel dat je niet hield van gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je vader is er geweest, arme jongen!”

“Is vader er geweest?” vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen:

“Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen.”

“O!” viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen.

“Jongen!” vermaande zij.

“Wees niet boos, moeder!” antwoordde hij ernstig, “is het niet beter zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets gezegd.”

Sisa zuchtte.

“Eet je heelemaal niets? Laten we dan naar bed gaan, want het is al laat.”

Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze niet uit zouden gaan.

Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder, die geknield bad.

Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van ’t klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen.

Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht of naar een schuilplaats uitkeek.

De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt, schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig staat zijn broertje op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer, schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en laat een vochtig spoor achter...

De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug.

“Wat scheelt je? waarom huil je?”

“Ik heb gedroomd!... Och God!” riep Basilio uit en richtte zich op, gutsend van ’t zweet, “’t was een droom, zeg, moeder, het was maar een droom. Niets meer dan een droom!”

“Wat heb je gedroomd?”

De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.

“Een droom, een droom!” herhaalde Basilio zacht.

“Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!” zeide zijn moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.

“Nu dan,” zeide deze zacht, “ik droomde dat we aren gingen lezen... op een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van ’t andere herinner ik me niets meer!”

Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.

“Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt,” zeide Basilio, na eenige oogenblikken van stilte.

“Wat voor plan?” vroeg zij.

Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen: ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.

“Ik wil geen koster meer worden!”

“Hoe zoo?”

“Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis; die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor ’t ook niet; wat zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder, de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt weg aan boeten. Iedereen klaagt over ’t zelfde. Ik word herder, en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er goed op passen en ’t vetmesten, net als onze hen. In ’t bosch zal ik vruchten plukken, en ze dan in ’t dorp verkoopen tegelijk met groenten uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen, en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft, zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?”

“Och wat zou ik ervan denken? Stellig!” antwoordde Sisa, haar zoon omhelzend.

Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in ’t geheel geen rekening hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.

Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.

Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten djamboe’s, klèngkèng’s en andere vruchten in het bosch. Ze liepen van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en ’t zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe, de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te luiden. Aan ’t touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.

Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen had, sliep niet.

XVIII.

Zieltjes in nood.

’t Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan.

“De pater is ziek,” zeiden de vrome vrouwtjes. “Hij beweegt zich niet zoo statig en sierlijk als gewoonlijk.”

Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking.

“Opgepast!” fluisterden de kosters onder elkaar. “De storm komt opzetten! ’t Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee beroerde jongens!”

Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man, die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen, stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand te kussen. Doch de geestelijke maakte zulk een gebaar van ongeduld, dat ze midden op haar weg stil bleef staan.

Ze begreep daar niets van. Zoo’n bejegening aan haar, Zuster Rufa, de vrome “celadora”—soort kommissaris van orde—van de Broederschap!

De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl anderen zeiden dat ze een andermans varken voor ’t hare had aangezien en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de “coadjutor”.

Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette de vrouwen en ging de trap op.

“Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!” zeiden de anderen.

Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien morgen was ze bij ’t eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan om er “pakoe” te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken.

Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende frissche kinderstem zou hooren.

Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken.

Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet.

“Waar kan ik deze groenten laten?” vroeg ze, zonder zich beleedigd te toonen.

“Daar... waar je wilt!” antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken.

Sisa legde de térong’s, petola’s, de balsem-appels, de “zarzalida” en malsche “pakoe”-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende die haar handelbaarder voorkwam dan de kok:

“Zou ik den pater niet kunnen spreken?”

“Die is ziek,” antwoordde de man zacht.

“En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?”

De bediende keek haar verbaasd aan.

“Crispin?” vroeg hij de wenkbrauwen fronsend.

“Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?”

“Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven,” antwoordde Sisa. Ik wil hem zien...”

“Jawel!” zei de bediende. “Hij is gebleven, dat is zoo, maar daarna... daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen.”

Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit.

“Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!” voegde de kok erbij. “Je kunt wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!

Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer.

“Je moet hier niet huilen!” riep de kok haar toe. “Weet je dan niet, dat de ‘padre’ ziek is, ga op straat janken!” De arme vrouw werd bijna de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de “zusters” heengingen, die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid van den pastoor.

De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en onderdrukte haar schreien.

Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel.