XIX.

Avonturen van een schoolmeester.

Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij ’t eerste glimpje van den dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen, die hun zeilen spannen.

Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.

“Hier is ’t!” zeide de laatste. “Hier werd het lijk van uw vader in ’t water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!”

Ibarra drukte hartelijk de hand van ’t jongmensch.

“U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!” hervatte deze. “Ik was uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees, was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!”

Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:

“U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp.

En nu?”

“Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is.”

“Hoe zoo?”

“Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten.”

Ibarra zweeg even.

“Hoeveel leerlingen heeft u nu?” vroeg hij ten slotte met een zekere belangstelling.

“Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas.”

“Hoe komt dat zoo?”

De schoolmeester lachte weemoedig en riep:

“Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange, vervelende geschiedenis moeten vertellen.”

“U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven,” ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. “Ik heb er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik wil me bezielen met den geest van den man, die mij ’t leven gaf, en daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt.”

“Het land” zeide de onderwijzer, “zal uw vaders nagedachtenis zegenen, als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel, geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en leeren stukken van buiten in ’t Spaansch en soms heele boeken, zonder er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze dorpelingen van de school?”

“En u die weet waar ’t kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het te verhelpen?”

“Och!” antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, “een arme schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten hebben, een lokaal, en niet zooals ’t nu is een ruimte naast het rijtuig van den pastoor, onder ’t klooster, waar ik onderwijs mag geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen, natuurlijk den ‘padre’; die komt dan soms zenuwachtig beneden, vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam, zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen, want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de eenvoudigste methode toe—zinnetjes en naamwoorden—zonder veel aan groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren, wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.

Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en maakten die al eenige zinnetjes.”

De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij zich daar overheen zette, ging hij voort:

“Ik hoef me niet te schamen voor ’t verhaal van mijn grieven: iedereen zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in ’t Spaansch. Hij stak me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In ’t eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen oversloeg, en sarkastisch zeî: ‘Zoo, zoo “buenos dias”!1 Buenos dias! Wel dat ’s leuk! Je kent dus al Spaansch?!’ En toen lachte hij weer.

Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.

“U lacht erom,” hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. “Ik verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond daar en ik voelde dat het bloed me naar ’t hoofd steeg, en een onweer mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei me, dezen keer in ernst, in ’t Tagaalsch: ‘Pronk nu maar bij mij niet met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch niet, want dat is geen kost voor jullie. Ken je meester Ciruela? Nu, Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school.

Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn traktement, die om ’t te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke, politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt door zijn corporatie, gevreesd door ’t gouvernement, rijk, machtig, die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd, aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En ’t onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel, trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen, of anders anti-Spaansch gezind en filibustero—opstandeling. Van een schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven, als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept.”

“En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En ’t is u daarna beter gegaan?”

“Gave God dat ik door schande wijs was geworden!” antwoordde hij, “dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! ’t Is waar dat ik sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover, een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is ’t een marteling, en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is, het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in ’t dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een ander ongelukkig maken, zonder dat ik ’t zelf minder werd. Behalve nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen met mijn lot.”

De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:

“Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche ranselsysteem op school uit den booze was: ’t schaamtegevoel verdwijnt erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging ’t niet best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in ’t bijzijn van alle anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel gauw verbreidde zich in ’t dorp het nieuwtje, dat ik op school niet sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo’n tooneel als vroeger vreesde, groette ik hem stijf in ’t Tagaalsch. Dezen keer was hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf, dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest, dat ‘de letter met het bloed ingaat’ enz., enz. Hij haalde me een hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te wezen... Nu, ’t kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen onder ’t klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd, toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten ’t daar niet bij, maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden nemen. ’t Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och, wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad, hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen, verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling.”

“Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! ’t Waren mijn eenige vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De oude Tasio zeî me: ‘Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun niet geranseld?’ Als gevolg daarvan werd ik ziek.”

Ibarra luisterde aandachtig.

“Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen tot op een vijfde verminderd.

De besten waren heengegaan bij de hervatting van ’t oude systeem. En van degenen die overgebleven waren—die naar school gingen om ’t werken thuis te ontloopen—toonde geen enkele vreugde, niet een wenschte me geluk met mijn beterschap: ’t was hun onverschillig of ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen, die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had, ik werd overladen met verwijtingen.

“En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?” vroeg Ibarra.

“Wat kon ik anders?” antwoordde hij. “Maar er was ’t een en ander gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben, dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren geen boeken in ’t Tagaalsch, behalve de katechismus: al ’t overige was in ’t Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging aan ’t vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden, eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes en de katechismus goed van buiten kenden.

“Ik ben dus nu weer aan ’t werk, om van de kinderen papegaaien te maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van te snappen, ’t Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in Europa van vooruitgang!”

“Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!” zeide Ibarra, terwijl hij opstond. “De ‘teniënte mayor’ heeft me een uitnoodiging gezonden, om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?”

De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd, en antwoordde:

“U zult zien dat van ’t voorstel waarover ze me gesproken hebben al even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! ’t Zal wat wezen!”


1 goeden dag.

XX.

De vergadering van den gemeenteraad.

De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of minder leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk, met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang’s: dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. cuadrillero’s.

Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele stoelen maakten de verdere meubileering uit.

Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij van ’t behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in ’t dorp een feller karakter aan.

“Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!” zeide Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der liberale partij tot zijn vrienden. “Hij moet bepaald een geheim plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we hebben daar nog maar elf dagen voor.”

“En hij is in ’t klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren, die ziek is!” merkte een der jongeren op.

“Dat doet er niet toe!” beweerde een ander. “We hebben alles al klaar. Als nu maar ’t voorstel van de ouden niet de meerderheid krijgt....”

“Dat geloof ik niet!” zei Don Filipo. “Ik zal het voorstel van de ouden indienen....”

“Hoe zoo? Wat zegt u?” vroegen de bijzittenden verbaasd.

“Ik zeg dat, als ik ’t eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden zal indienen.”

“En het onze?”

“Daar moeten de heeren zich mee belasten,” antwoordde de “teniënte” lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: “De heeren moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb.”

“We begrijpen u niet meneer!” zeiden de anderen en keken hem vol bange twijfeling aan.

“Luistert,” zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem stonden. “Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet.”

“En toen?”

“De oude man zeide me: ‘Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten jullie dat voorstellen. Al was ’t iets nuttigers dan de lucht, ’t wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.’ Maar je moet het geheim bewaren.”

“Maar...”

“Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in ’t belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den schoolmeester!”

De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen aan het gesprek.

Eenige oogenblikken later trad de burgemeester—gobernadorcillo of “gouverneurtje” noemt men hem hier—met een gemelijk gelaat binnen. Het was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op, iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden.

De “Capitán”—zoo betitelt men den burgemeester—zette zich in den leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af, hoestte nog eens en zoo vervolgens.

“Heeren!” begon hij eindelijk met kwijnende stem, “ik heb me verstout u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de tweede... ehem! ehem!”

Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het zwijgen oplegde.

Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar, van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke “Capitán” Basilio, tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan.

“Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk een belangwekkende aangelegenheid,” zeide hij. “Ik spreek het eerst, ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken het eerst spreken niet beteekent dat men de eerste is, evenmin het laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil ik ’t eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester, mijn hooggeachte vriend Don Valentin, dan de ex burgemeester, mijn jeugd-vriend Don Melchor, en zooveel andere voornaamheden meer welke ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?”

En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig.

“Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen zal!” zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven zich in de handen.

“Capitán” Basilio veegde zich met een zijden zakdoek ’t zweet van ’t voorhoofd en ging voort:

“Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn, zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome: Senatus populusque romanus, zooals we in die gelukkige tijden zeiden, welke helaas nimmermeer voor ’t menschdom zullen terugkeeren. En ik zal dan vragen aan de patres conscripti, zooals Cicero zou zeggen, als hij hier op mijn plaats stond, dat—in deze belangrijke zaak met het oog op den korten tijd—en tijd is goud, zooals Salomo zeide—ieder van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik heb gezegd.”

En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis tot de anderen, die zeggen wilde: “Nou, ik heb goed gesproken, hè?”

Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij tot de jongeren, als om ze ’t van nijd te doen besterven.

“Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?” hervatte de “gobernadorcillo.” Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten stoorde hem.

Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der “patres conscripti” laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord.

De mannen van ’t behoud knipten met de oogen en gaven elkaar beteekenisvolle wenken.

“Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de feestelijkheden,” zeide Don Filipo.

“We kunnen die niet aannemen!” antwoordde een teringachtig oudje, onverzoenbaar konservatief.

“We moeten tegenstemmen!” zeiden de andere oppositie-mannen.

“Heeren!” zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, “ik heb het voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van dat het door ‘een ieder’ zal verkozen worden boven dat hetwelk onze tegenstanders kunnen uitdenken.”

Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen: ze zwoeren “in corde” een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don Filipo ging voort:

“We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien, in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige.”

“Hm!” klonk het ongeloovig. “Het dorp A. had 5000, B. 4000 peso’s. Hm! Nonsens!”

“Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!” ging Don Filipo onverstoorbaar voort. “Ik stel voor een groot theater op te richten midden op het plein, dat 150 peso’s moet kosten!”

“Dat ’s niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!” wierp een hardnekkig behoudsman tegen.

“Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso’s, voor het theater!” zeide Filipo. “Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven voorstellingen tegen 200 peso’s per avond, dat maakt 1400 peso.”

Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in ’t geheim waren, verroerden zich niet.

“Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch licht of zonnetjes: dat’s goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso’s ’t stuk, en 200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de vuurwerkmakers van Malabón.”

“Hm!” viel een der ouden in, “een donderpot van 2 peso’s doet me niet schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso’s zijn.”

“In de notulen: 1000 peso’s voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!”

De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op en gingen overleggen.

“Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en overvloed van geld hebben,” ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, “stel ik voor: 1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200 gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft.”

“Juist, zooals Sulla!” herhaalde Capitán Basilio gevleid.

De verbazing nam trapsgewijze toe.

“Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en nog eens duizenden peso’s bij zich heeft, behalve hun beste hanen, en het ‘liampo’1 en speelkaarten, stel ik voor ‘veertien dagen hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...’

Maar de “jongen” stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten dat de “teniënte mayor” gek geworden was. De “ouden” vormden een warme diskussie.

“En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen...”

Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven, overstemden den spreker geheel-en-al. ’t Was een geweldig rumoer geworden.

“Nee!” kreet een onverzoenlijke behoudsman, “ik wil niet dat hij al de eer krijgt van ’t feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!”

“Don Filipo heeft ons misleid!” zeiden de vrijzinnigen.

“Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen tegen!”

De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen.

De kapitein der “cuadrillero’s” vroeg het woord. Hij kreeg ’t, maar deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten.

Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen, en sprak:

“We kunnen wat de ‘teniënte mayor’ heeft voorgesteld niet aannemen, want ’t komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de ‘teniënte mayor’; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo eenstemmig af. Is ’t niet zoo heeren?”

“Ja, ja!” riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt een “oude” zoo te hooren spreken.

“Wat moeten we beginnen met vier predikers?” ging de oude man voort. Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in ’t meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij te maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!”

“De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!” mompelde Capitán Basilio.

“Nu begrijp ik het!” riep de oude zonder van streek te raken. “Ze vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen gevalle, uw voorstel voor ’t feest is onaannemelijk, onmogelijk. ’t Is een dwaasheid, een dolheid!”

Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken.

De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan, die het woord vroeg.

“Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong, het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van mijn persoontje.”

De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd.

“Dat jongmensch spreekt goed!—Hij is bescheiden!—Hij redeneert bewonderenswaardig!” zeiden ze onder elkaar.

“’t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!” merkte Capitán Basilio op. Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd, en hij is nog zoo jong.”

“Zoo ik u een programma voorstel, heeren,” ging de jonge man voort, “doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken.”

“Goed gezegd, goed gezegd!” zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven, hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige die onverstoorbaar bleef, was de “gobernadorcillo”—deze burgervader scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort:

“Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor iedereen.”

“Juist! juist!” stemden de jongeren in, “dat moeten we hebben.”

“Heel goed!” voegden de ouden eraan toe.

“Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de ‘teniënte mayor’ die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, of ze op een kanon laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden, zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen, die zich in ’t krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen, met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen, alsof ze door de tikbalang waren verleid? In onze zeden stellen we de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw, zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou ’t niet duizendmaal beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren, en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?”

“Juist! Juist!” herhaalden zijn aanhangers.

“Hij heeft gelijk!” mompelden eenige oudjes peinzend.

“Daar had ik nooit aan gedacht!” merkte Capitán Basilio op.

“Maar hoe wilt u dat dan doen?” opperde de onverzettelijke konservatief.

“O, heel gemakkelijk!” antwoordde de jonge man. “Ik heb hier twee komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd, met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet ‘De verkiezing van den Burgemeester.’ ’t Is een blijspel in proza, in vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere, in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters onzer provincie. Het heet ‘Maria van de Makilingberg.’ Toen we zagen dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd, waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van ’t dagelijksche leven kunnen dienen.”

“Ik kom voor de kosten van ’t theater op!” riep Capitán Basilio geestdriftig uit.

“Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!” zeide de kapitein der “cuadrillero’s”.

“En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is...” stamelde een ander, en richtte zich met majesteit op.

“Aangenomen! Aangenomen!” klonk het van verscheidene kanten.

De “teniënte mayor” was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich met tranen.

“Hij huilt van spijtigheid!” dacht de onwrikbare behoudsman, en hij schreeuwde:

“Aangenomen, aangenomen zonder diskussie!”

En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te hemelen. Doch de spreker ging voort:

“Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op ’t meer en ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig hebben, die de ‘teniënte mayor’ heeft voorgesteld. Om het feest op te vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken, die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is, kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er ons een bouwt. ’t Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo ruw-weg: aan u allen, om het verder te volmaken.”

Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde:

“Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren...”

“Laten we ’t voorloopig aannemen,” zeiden de anderen. “Laten we dien daar ’s vernederen.”

En ze wezen naar den “teniënte mayor.”

Toen de orde weer hersteld was, was iedereen ’t reeds eens. Alleen ontbrak nog de beslissing van ’t “gouverneurtje”.

Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen:

“Ik stem er ook mee in... maar ehem!”

De vergaderden luisterden zwijgend.

“Maar?” vroeg tenslotte Capitán Basilio.

“Volkomen...stem volkomen in!” herhaalde de burgervader!

“Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar...”

En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen.

“Maar de pastoor,” ging de ongelukkige voort, “meneer de pastoor wil wat anders.”

“Betaalt de pastoor het feest of doen wij ’t? Heeft hij een enkele ‘cuarto’ bijgedragen!” riep een heldere stem.

Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar stond de “wijsgeer” Tasio.

De “teniënte mayor” zat roerloos met strakke oogen naar den burgemeester te staren.

“En wat wil de pastoor?” vroeg Capitán Basilio.

“Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang tusschen de bedrijven.”

“Nu, dat willen wij niet!” zeiden de jongen en enkele ouden.

“De ‘padre cura’ wenscht het!” herhaalde de burgemeester.

“Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden.”

“En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?”

“Juist...om ’t u te zeggen.”

“En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?”

“Ik woû ’t zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!”

“We moeten hem gehoorzamen!” herhaalden eenige oudjes.

“We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op,” voegden andere oude heeren er droevig aan toe.

“Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!” riepen de jongen en stonden op. “Wij nemen onze bijdragen terug.”

“Alles is al binnen!” zeide de “gobernadorcillo”.

Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter:

“Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak; u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en stuurt alles in de war.”

Ibarra zeide tot den schoolmeester:

Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk heen.”

“Heeft u er een zaak af te doen?”

“We hebben een zaak!” antwoordde Ibarra geheimzinnig.

Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte vermaledijde:

“’t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was ’t vergeten!”


1 Een Chinees hazardspel.