Sisa liep hard naar haar huis in die eigenaardige zinsverwarring welke zich bij ons voordoet, wanneer te midden van ’t ongeluk we ons door iedereen verlaten zien en alle hoop ons verlaat. Dan is ’t of alles om ons verduistert, en als we dan in de verte een nietig lichtje zien schijnen, dan ijlen we erheen, het tegemoet: ’t mocht wat of er midden op ons pad een afgrond gaapte!
De moeder wilde haar kinderen redden. Hoe? Och, moeders vragen niet naar de middelen wanneer het om haar kinderen gaat.
Ze liep wanhopig voort, vervolgd door vrees en akelige voorgevoelens. Zou men haar Basilio al gevangen genomen hebben? Dicht bij haar huis ontwaarde zij de helmen van twee soldaten boven de schutting om haar tuintje. Onmogelijk zou ’t zijn te beschrijven wat er in haar hart omging: ze vergat alles. Ze was zeer goed bekend met de vermetelheid dier mannen, die niemand ontzagen, zelfs de rijksten niet. Wat zou er nu van haar worden en van haar zoontjes, nu ze van diefstal beschuldigd waren? De guardias civiles zijn geen menschen, ’t zijn alleen maar guardias civiles. Ze luisteren niet naar smeekbeden en zijn gewend aan het gezicht van tranen.
Sisa sloeg instinktmatig de oogen ten hemel, en de hemel lachte haar toe met heerlijk licht: enkele blanke wolkjes zweefden in ’t doorschijnend azuur. Ze bleef even staan, om het beven te doen ophouden, dat al haar leden overviel.
De soldaten verlieten haar huis en kwamen zonder iemand terug: ze hadden geen andere gevangene dan de kip die Sisa vetmestte. Ze herademde en vatte weer moed.
“Wat zijn ze goed en wat hebben ze een medelijdend hart!” mompelde ze bijna schreiend van vreugde.
Al hadden de soldaten haar huis verbrand, als ze maar haar kinderen in vrijheid gelaten hadden, dan zou zij ze met zegenbeden overstelpt hebben.
Ze zag weer erkentelijk naar den hemel op, waar een zwerm reigers doorheen vloog, die lichte wolkjes der Filippijnsche hemelen. En met hernieuwd vertrouwen in haar hart vervolgde zij haar weg.
Toen ze die verschrikkelijke mannen naderde, deed Sisa alsof ze overal afgetrokken heen keek, en hield ze zich, alsof ze haar kip niet zag, die luid piepend om hulp vroeg. Toen ze nauw voorbij was, wilde ze hard doorloopen, doch de voorzichtigheid weerhield haar schreden.
Ze had zich nog niet ver verwijderd, toen ze hoorde dat men haar gebiedend iets toeriep. Ze huiverde, maar ze deed alsof ze ’t niet begreep en stapte verder. Er werd nogmaals geroepen, doch ditmaal met een schreeuw en een scheldwoord. Ze wendde zich om, ondanks haar zelve, bleek en bevend. Een guardia civil wenkte haar toe.
Sisa kwam werktuigelijk naderbij, voelende dat haar tong verlamde van ontzetting en haar keel droog werd.
“Zeg ons de waarheid, of anders binden we je aan dien boom daar, of we schieten allebei op je!” zeide er een op dreigende toon.
De vrouw keek naar den boom.
“Ben je de moeder van de dieven, zeg jij?” vroeg de ander.
“Moeder van de dieven!” herhaalde Sisa werktuigelijk.
“Waar is ’t geld dat je zoons je gisterenavond gebracht hebben?”
“O, ’t geld...”
“Ontken ’t maar niet: dat zou je leelijk bekomen!” voegde de ander erbij. ”We zijn gekomen, om je zoons gevangen te nemen en de oudste is ons ontloopen. Waar heb je de jongste verstopt?”
Toen Sisa dit hoorde, herademde ze.
“Meneer!” antwoordde ze, “ik heb mijn zoon Crispin al verscheidene dagen niet gezien: ik hoopte hem van morgen in ’t klooster te zien en daar zeiden ze me alleen...”
De twee soldaten wisselden een veelbeteekenende blik.
“Goed!” riep een van hen uit: “geef ons het geld dan en we zullen je met vrêe laten.”
“Meneer!” smeekte de ongelukkige vrouw, “mijn kinderen stelen niet, al hebben ze honger. We zijn gewend honger te lijden. Basilio heeft me geen enkele ‘cuarto’ thuis gebracht, kijkt u maar mijn heele huis na, en als u een ‘reaal’ zelfs vindt, mag u met ons doen wat u wilt. Wij arme menschen zijn niet allemaal dieven!”
“Dan,” hervatte de soldaat langzaam en keek daarbij Sisa scherp in de oogen, “ga je met ons mee. Je zoons zullen er wel voor zorgen het geld dat ze gestolen hebben voor den dag te brengen en af te geven. Volg ons!”
“Ik?... u volgen?” stamelde de vrouw terugdeinzend en met schrik kijkend naar de uniformen der soldaten.
“En waarom niet?”
“Ach, hebt medelijden met me!” smeekte ze bijna op haar knieën. “Ik ben heel arm, ik heb geen goud en geen juweelen om u aan te bieden: ’t eenige wat ik had, hebt u al weggenomen, de kip die ik dacht te verkoopen...Neemt alles mee wat u in mijn hut kunt vinden; maar laat me hier met vrede. Laat me hier sterven!”
“Vooruit! Je moet komen, en als je niet goedschiks meegaat, zullen we je binden.”
Sisa barstte in bitter schreien uit. De mannen waren onvermurwbaar.
“Laat me dan ten minste op een afstand voor u uit loopen!” smeekte ze, toen ze voelde dat ze haar ruw beetpakten en voortduwden.
De twee soldaten kregen medelijden, en overlegden fluisterend met elkaar.
“Goed!” zeide de een, “omdat je van hier totdat we aan ’t dorp komen zou kunnen wegloopen, moet je tusschen ons in loopen. Als we eenmaal daar zijn, mag je op twintig pas voor ons uit loopen. Maar pas op, hoor! nergens een winkel binnengaan, geen oponthoud. Vooruit en maak voort!”
Tevergeefs waren de smeekbeden, tevergeefs alle redeneeren, ijdel haar beloften. De soldaten zeiden dat ze zich al voldoende blootgaven en al te veel toestonden.
Toen ze dus tusschen hen beiden in liep, voelde ze zich sterven van schaamte ... wel was er niemand op den weg, maar ... de lucht en het daglicht dan? De ware kuischheid ziet overal blikken op zich gericht. Ze bedekte zich ’t gelaat met haar zakdoek, en blindelings voortgaande, weende ze in stilte over haar vernedering. Ze besefte haar ellende, ze wist dat ze van iedereen verlaten was, zelfs door haar eigen man; doch tot nu toe had ze zichzelve voor eerbaar en achtenswaardig gehouden: tot nu toe had ze met deernis gekeken naar de schandelijk gekleede vrouwen, die men in ’t dorp de soldaten-bijwijven noemde. Nu scheen het haar alsof ze nog een sportje lager dan die wezens op den levensladder was gedaald.
Er klonken voetstappen van paarden: ’t waren de lieden die visch vervoerden naar de binnenlandsche dorpen. Ze deden hun reizen in kleine karavanen—mannen en vrouwen—gezeten op minderwaardige paarden tusschen twee manden, die aan weerskanten van het dier hingen. Verscheidenen van hen hadden haar om een dronk water gevraagd, wanneer ze voorbij haar stulp gingen, en haar dan wat visch ten geschenke gegeven. Thans leek het haar dat ze in ’t voorbijgaan tegen haar aanliepen en haar vertrapten, en dat hun blikken, medelijdend of verachtelijk, door haar zakdoek heen haar gelaat bestookten.
Eindelijk verwijderden de reizigers zich, en Sisa zuchtte. Ze trok even haar doek ter zijde, om te zien of ze nog ver van ’t dorp was. Ze moest nog eenige telegraafpalen voorbijgaan, voordat ze aan de bantajan of het wachthuisje kwam. De afstand had haar nog nooit zoo lang geschenen.
Aan den kant van den weg groeide een lommerrijk bamboe-boschje, in welks schaduw ze eertijds placht te rusten. Daar hield haar minnaar teedere gesprekken met haar. Hij hielp haar om de mand met vruchten en groenten te dragen. Ach! Dat was als een droom vervlogen: de minnaar werd haar echtgenoot, en deze werd aangesteld tot wijkhoofd. En toen begon het ongeluk aan haar deur te kloppen...
Daar de zon begon te branden, vroegen de soldaten haar of ze wilde uitrusten.
“Dank u!” antwoordde ze vol afschuw.
Doch waar haar eerst recht ontzetting overviel, was toen ze ’t dorp naderde. Angstig sloeg ze een blik om zich heen: uitgestrekte rijstvelden, een bevloeiingskanaaltje, armzalige boomen, nergens een afgrond of rots waar ze zich te pletter kon gooien. Ze kreeg er berouw van dat ze de soldaten tot zoover gevolgd was. Ze betreurde de diepe rivier, die dicht bij haar hut liep en welker steile oevers, bezaaid met puntige rotsblokken, haar zulk een zoeten dood boden. Doch de gedachte aan haar kinderen, aan haar zoon Crispin, wiens lot haar onbekend was, was haar een licht in dien nacht. En ze kon gelaten stamelen:
“Later....later gaan we diep in ’t bosch wonen!”
Ze wiste haar oogen af, trachtte zich te kalmeeren, en zich tot de guardia’s wendend, zeide ze zacht:
“We zijn al in ’t dorp!”
De toon van haar stem had een vreemde mengeling van klacht, verwijt en weedom in zich: ’t was een bede, ’t was de in klank saamgevatte smart.
De soldaten werden er ontroerd van en antwoordden met een gebaar. Sisa stapte ijlings vooruit, en trachtte een rustig aanzien in acht te nemen.
Op dat oogenblik begonnen de klokken te luiden ten teeken dat de hoogmis afgeloopen was. Sisa versnelde haar schreden om, zoo mogelijk, de menschen die uit de kerk kwamen te ontgaan. Doch tevergeefs: er was geen kans om de ontmoeting te ontwijken.
Ze groette met bitteren lach twee vrouwen die ze kende. Dezen wierpen een vragenden blik op haar, en verderop boog ze maar ’t hoofd, om die krenkingen te vermijden, en begon ze alleen naar den grond te kijken. En, hoe vreemd! ze struikelde over de steenen op den weg.
De menschen stonden even stil, om haar aan te zien, praatten onder elkaar, terwijl ze haar met de oogen volgden; dat alles zag ze, ze voelde het, al hield ze ook onderwijl den blik neergeslagen.
Ze hoorde de onhebbelijke stem van een vrouwspersoon, die achter haar bijna schreeuwend riep:
“Waar hebben jullie die gepakt? En ’t geld?”
’t Was een vrouw zonder tapis of kain, met een geel-en-blauwe rok en een kabaai van blauw gaas: aan haar dracht kon men zien dat het een soldatenhoer was.
’t Was Sisa als kreeg ze een slag in ’t gezicht: die vrouw had haar in ’t bijzijn van de menigte uitgekleed. Ze sloeg even de oogen op, en drenkte ze in spot en minachting. Ze zag de menschen ver, heel ver van haar af, en toch voelde ze de koude van hun blikken en hoorde ze hun gefluister. De arme vrouw liep voort zonder den grond onder haar voeten te voelen.
“Hei, hierheen!” riep een der guardia’s haar toe. Als een automaat welks mechanisme breekt draaide ze snel op haar hielen rond. En zonder iets te zien, zonder te denken, liep ze ijlings weg, om zich te verschuilen. Ze zag een deur met een schildwacht ervoor, trachtte daar binnen te gaan, doch een andere stem, nog gebiedender dan te voren, verdreef haar van daar weg. Met wankelende schreden zocht ze de richting van die stem, ze voelde dat men haar van achteren voortduwde, ze sloot de oogen, deed twee schreden vooruit, en haar krachten begaven haar. Ze liet zich op den grond vallen, eerst op de knieën, dan zittend. Een schreien zonder tranen, zonder kreten, zonder weeklagen, deed haar lichaam stuiptrekken.
’t Was de kazerne. Daar waren soldaten, vrouwen, varkens en kippen. Enkele mannen waren bezig hun kleeren te verstellen, terwijl hun liefje op de bank lag, met de dij van den man tot hoofdkussen, rokend en landerig naar de zoldering kijkend. Andere vrouwen hielpen de mannen, om hun kleedingstukken, hun wapens enz. te reinigen, terwijl ze halfluid ontuchtige liedjes zongen.
“’t Schijnt dat de kuikens er van door zijn! jullie brengen alleen maar de hen”, zeide een vrouw tot de binnentredenden; ’t was niet uit te maken of ze Sisa bedoelde of wel de kip, die voortging met piepen.
“Och ja, de kip is toch altijd meer waard dan de kuikens!” gaf ze zich zelf antwoord, toen ze merkte dat de soldaten zwegen.
“Waar is de sergeant?” vroeg een der gendarmes op wreveligen toon. “Heeft de onderluitenant er al kennis van gekregen?”
Schoudergeschok was ’t eenig bescheid; niemand gaf zich de minste moeite, om iets na te gaan omtrent het lot der arme vrouw.
Daar bracht ze twee uur door in een staat van halve zinsverbijstering, hurkend in een hoek, het hoofd verborgen tusschen de handen, de haren loshangend, en verward. Om twaalf uur wist de “alférez” of onderluitenant eindelijk van ’t geval, en ’t eerste wat hij deed, was zijn ongeloof te kennen geven terzake van ’s pastoors beschuldiging.
“Jasses, al weer wat van dien beroerden steek!” zeide hij, gelastte dat men de vrouw zou loslaten en dat niemand zich verder met haar zou bemoeien.
“Als hij terug wil hebben wat hij verloren heeft, dan moet hij ’t maar aan zijn Heiligen Antonius vragen, of laat hem klagen bij den nuntius! Schei uit!”
’t Gevolg was dat Sisa bijna met duwen de kazerne uit werd gezet, want zij zelf wilde zich niet verroeren.
Toen ze zich midden op straat zag, begon ze werktuigelijk naar haar huis te loopen, haastig, het hoofd ontbloot, de haren verward om haar heen hangend, en den blik strak op den verre gezichtseinder gericht. De zon brandde in haar zenith, en er was geen wolkje dat haar schitterende schijf befloersde. De wind bewoog zwakjes de bladeren der boomen. De weg was reeds bijna droog. Geen vogel waagde het de schaduw der twijgen te verlaten.
Sisa bereikte ten slotte haar huisje. Ze ging naar binnen, stom, stil; ze liep er door heen, ging weer naar buiten, begon in alle richtingen te dwalen. Toen liep ze met een vaart naar het huis van den ouden Tasio, klopte aan de deur, maar de man was niet thuis. De ongelukkige keerde naar haar huis terug en begon op eens luidkeels Basilio! Crispin! te roepen. Ieder oogenblik hield ze stil en luisterde aandachtig. De echo herhaalde haar stem. Het zachte gemurmel van ’t water in de naburige rivier, de muziek van ’t bamboeloof waren de eenige stemmen dier eenzaamheid. Ze riep nog eens, besteeg een hoogte, daalde af in een ravijn, ging naar beneden naar de rivier. Haar oogen waarden rond met een akelige uitdrukking erin, van tijd tot tijd flitsten er helle glanzen in, dan werden ze weer dof, als een uitspansel in een stormnacht: men zou zeggen dat het licht der rede nog flikkerde, op ’t punt om te dooven.
Wederom ging ze den weg op naar haar huisje, ging zitten op de mat waarop ze den vorigen nacht met haar zoontje geslapen had; ze hief de oogen op en zag een lap van Basilio’s hemd vastzitten aan het uiteinde van een bamboe van de dinding of heining, die dicht bij den afgrond stond. Ze stond op, greep de lap en keek die bij ’t zonlicht na: er waren bloedvlekken op. Maar wellicht zag Sisa ze niet, want ze ging naar beneden en bleef de lap onderzoeken, midden in den blakerenden zonnegloed, terwijl zij hem ophield. En, als voelde ze alles om zich heen duister worden, alsof ze behoefte had aan licht, staarde ze met wijd-geopende oogen recht in de zon.
Nog dwaalde ze van den eenen kant naar den andere, vreemde geluiden roepend of uitschreeuwend. Men zou er bang van worden haar te hooren: haar stem had een zonderlinge klank, zooals de menschelijke keel die niet pleegt voort te brengen. ’t Was iets nog akeligers dan het huilen en klagen van den wind in een stormnacht binnen de muren en torens van een bouwval.
Zoo overviel haar de avond. Sliep ze eindelijk rustig en vergat ze in den nacht al haar leed? Hoe ’t ook zij, den volgenden ochtend liep Sisa lachend rond, zingend en pratend met al de schepselen der natuur.
Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn “teniënte”, over de partij der “jongen”; ja, er waren er die Jan en Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.
Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid, verbaasden ze zich over de verandering die ze in ’t wezen van Padre Salvi opmerkten.
“Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder en stiller.” Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte, was het feit dat men ’s nachts in ’t klooster meer dan twee lichten kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in ’t huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.
Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande, en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens daarheen begaf.
Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...
Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen oranjeboomen en ilang-ilang.
De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra’s aankomst, aan een venster, dat uitzag op het meer. ’t Was overschaduwd door bloemen en klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren en er een zachte geur verspreidden.
Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben, dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.
Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat, als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van aeolus-harpen.
De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken, toen Ibarra tot Maria Clara zeide: “Morgen vóór dag en dauw zal er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken, zoodat er niets aan ontbreekt.”
“Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg vooral dat de pastoor niet meegaat!”
“Waarom dat?”
“Wel omdat ’t net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen doen me onaangenaam aan.
“Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt, klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in ’t donker. Maak toch dat hij niet meegaat!”
“We kunnen hem onmogelijk overslaan,” antwoordde Ibarra in gedachten. “’t Gebruik in ’t land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met ons mee in de ‘bangka.’”1
Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam met een gedwongen glimlach op de lippen.
“De wind is koud!” zeide hij, “als men nu een kou vat, raakt men die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om verkouden te worden?”
Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.
“Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind heerlijk!” antwoordde Ibarra. “In deze maanden hebben we onzen herfst en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook altijd bloemen.”
De geestelijke zuchtte.
“Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een koude winter volgt, heerlijk”, ging Ibarra voort.
“In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we ergens anders heen.”
Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te praten, over ’t weer, over ’t dorp, over ’t feest. Maria Clara zocht een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.
“Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig voor een feest dat we morgen vieren, ’t Is een buitenpartijtje, dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden.”
“En waar zal dat plaats hebben?”
“De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in ’t bosch hier in de buurt, dicht bij de baliti. We zullen daarom vroeg moeten opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben.”
De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:
“De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn, zoo heelemaal vrij!”
Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje van den volgenden dag te gaan zorgen.
’t Was reeds geheel donker.
Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.
“Wie bent u?” vroeg Ibarra hem.
“U kent mijn naam niet, heer,” antwoordde de onbekende. “Ik heb twee dagen op u gewacht.”
“Hoe zoo?”
“Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!”
Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:
“Wat wilt u nu?”
“Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!”
“Ik kan hier niet blijven stilstaan,” antwoordde Ibarra.
“Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is.”
De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der slecht-verlichte straten.
1 “Bangka” een groote roeiboot.
Nog flonkerden de sterren aan ’t saffieren gewelf en de vogels sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje menschen reeds de straten van ’t dorp doorliep, op weg naar ’t meer, onder het levendige schijnsel der toortsen of hulpes, die ze droegen.
’t Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij de hand of om ’t middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude vrouwen en verscheidene dienstboden, welke op bevallige wijze manden vol mondvoorraad, borden en anderszins op ’t hoofd droegen. In de oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. ’t Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden golfden in den morgenwind.
’t Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke Sinang, haar nichtje; de streng-bezadigde Victoria; de mooie Idai en de ernstige Neneng met haar bescheiden schuchtere schoonheid.
Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was.
“Je zult de menschen wakker maken!” berispte Tante Isabel, “toen wij jong waren maakten we zoo’n lawaai niet.”
“U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!” antwoordde de kleine Sinang.
Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen.
“Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!” zeide Sinang tot Maria Clara. “Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke gewoonten aannemen.”
“Wees toch niet zoo veel-eischend,” zei Idai.
“Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij alles waar hij zin in heeft!” zoo raadde de kleine Sinang.
“Wat weet jij daar nou van, kind?” zei haar nichtje Victoria heel wijs.
“St, stil! Daar komen ze aan!”
Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder ’t tokkelen van een gitaar.
“’t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!” zei Sinang lachend.
Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze ’t lachen nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten, groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half antwoord te krijgen.
“Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?” vroegen de moeders.
“Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen,” antwoordde een lang en tenger gebouwd jongmensch.
“We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!” zuchtte tante Isabel, de handen ineenslaande.
“’t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op ’t seminarie geweest, die kan straks in de ‘bangka’ wel een mis lezen,” antwoordde een ander en wees daarbij op den lange en magere.
Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi trachtte na te apen.
Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de vroolijkheid zijner makkers.
Toen ze aan ’t strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten van verrassing en vreugde. Ze zagen daar twee groote bangka’s aan elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe’s enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste bangka waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In de andere brandde vuur in de kalan’s van aardewerk; daar werden thee, koffie en salabat1 (sorbet) voor ’t ontbijt bereid.
“Hier de vrouwen, daar de mannen!” zeiden de moeders, toen men instapte: “Bedaard, jullie meisjes.
“Niet zoo’n beweging maken, anders vergaan we, hoor.”
“Eerst ’t teeken des kruises!” zei tante Isabel en sloeg een kruis.
“En blijven we hier zoo afgescheiden?” vroeg Sinang en trok een lip. “Wij alleen maar?... och jee!”
Dit “och jee!” bezorgde haar een kneep, die haar moeder op ’t geschikte oogenblik wist toe te dienen.
De bangka’s verwijderden zich allang van den oever, terwijl het licht der lantaarntjes vroolijk blikkerde in ’t spiegel-vlakke meer. In ’t oosten verschenen de eerste dageraads-tinten.
Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven.
“Wees voorzichtig!” zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander jongmensch, “druk vooral goed op het ‘werk’, dat er onder je voet is.”
“Wat is er dan?”
“’t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we water binnen. Er zijn veel gaten in deze bangka.”
“O jee, we verdrinken zoo meteen!” riepen de vrouwen verschrikt.
“Maakt u maar niet ongerust, dames!” verzekerde onze ex-seminarist, “deze bangka is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf gaten in, en niet eens erg groot.”
“Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?” kreten de vrouwen ontsteld.
“Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot,” zei hetzelfde jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een kringetje maakte. “Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er niet uitvliegen.”
“Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!” riep een oudje, dat voelde dat ze nat werd.
Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten erover in ’t water te springen.
“Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!” hervatte Albino en wees naar de plaats waar de jonge meisjes zaten.
“Waar? Waar dan toch? God, we weten ’t niet! Komen jullie toch in ’s hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar ze zitten!” smeekten de vreesachtige vrouwen.
De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes in de andere “bangka” waren gaan zitten. En vreemd genoeg! ’t leek wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten, Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust, al veranderde die van aard.
Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte reeds het uitspansel.
De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit ’t hemellicht en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen.
Bijna iedereen was vroolijk. ’t Lichte briesje dat er opstak was ook heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken.
Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, ’t Was een jongmensch met stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn gespierden nek. Een lange kiel—kamisa—van grove donkerkleurige stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale afmeting diende hem daarbij als roerstang.
Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte, naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan, doch daarna nam hij ’t gebodene aan en dankte met een enkel nauw verstaanbaar woord.
Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht vertrekken.
Toen ’t ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken voort.
Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding zien zitten, terwijl enkele witte vogels—kalanij of kalau, zooals de Tagalen ze noemen—in verschillende richtingen rakelings langs het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch.
Maria Clara keek naar de reigers, die bij ’t naderen der bangka’s in de richting van ’t naburige gebergte wegvlogen.
“Hebben die vogels hun nesten op de bergen?” vroeg het jonge meisje aan den “loods”, wellicht meer om hem aan ’t praten te krijgen dan om ingelicht te worden.
“Waarschijnlijk wel, juffrouw,” antwoordde hij, “maar tot nog toe heeft niemand ooit hun nesten gezien.”
“Hebben ze dan geen nesten?”
“Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel ongelukkig wezen.”
Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de “loods” deze woorden uitsprak.
“Hoe is dat dan...?”
“Ze zeggen,” antwoordde de jonge man, “dat de nesten van die vogels onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. ’t Is ermee als met de ziel: evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo laten die nesten zich alleen waarnemen in ’t spiegelvlak van ’t water.”
Maria Clara verzonk in gepeins.
Ondertusschen was men bij de baklad, het vischperk, aangekomen: de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast.
“Wacht,” zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich gereedmaakte om met zijn panalok, een bamboe-stok met een netje eraan, naar boven te klimmen. “We moeten eerst de sinigang in orde maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep.”
“Die goeie tante Isabel!” riep de ex-seminarist, “die wil de visschen geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren.”
Andeng, Maria Clara’s zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water, tomaten en kamia’s klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes maakten de laboe’s schoon, wieschen de erwten en sneden de paäjap2-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten.
Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had bovendien heel mooie vingertjes.
Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het meest bespeeld wordt en ’t was voor het oogenblik het meest geschikte.
“Zingen, Victoria, zing’s het ‘huwelijks-lied!’” verzochten de moeders.
De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had, klaagde over schorheid. Het “huwelijkslied” is een mooie Tagaalsche treurzang waarin al de ellende en droefheid van ’t huwelijk, zonder de vreugden ervan geschilderd worden.
Toen moest en zou Maria Clara zingen.
“Al wat ik zing is weemoedig.”
“Dat ’s niets, dat ’s niets!” zeiden allen.
Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem:
Zoet zijn de uren in ’t land van geboorte,
Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.
Heerlijk is ’t briesje dat waait in zijn velden,
En zachter de dood en veel zaal’ger de min.
Innige kussen de lippen omspelen
Begint men in d’armen van moeder zijn dag.
Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten,
En d’oogen weerkaatsen den glimlach van haar.
Zoet is de dood voor het land van geboorte,
Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.
Doodsch is het briesje dat waait in de velden,
Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief.
De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge “loods” keek strak vóór zich uit.
Plotseling hoorde men iets als een oorverdoovend geloei; de vrouwen en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de karbouwen-hoorn—de Tamboeli—blies. Het lachen en de opgewektheid herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met vroolijken glans.
“Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?” schreeuwde tante Isabel.
“Mevrouw”, antwoordde de ex-seminarist plechtig, “ik heb ’s hooren vertellen van een armen trompetter, daar ver in ’t noorden aan de oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is met een rijke adellijke jonge dame.”
“Jawel, de trompetter van Säkkingen”, viel Ibarra in, die niet nalaten kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid.
En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog meer animo, terwijl hij de mond van ’t blaas-instrument vooral dicht bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich ’t meest verteederd hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen, zijn helsche muziek staken.
“Au! au!” riep hij, terwijl hij zijn armen betastte.
“Och, och, wat ’n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen, en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!”
En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, ’t jonge meisje met de vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara: “Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!”
Andeng kondigde eindelijk aan dat de “kaldoe” klaar was, om zijn gasten—de visch—te ontvangen.
Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het gesloten gedeelte van de “séro”—’t uiterste smalle stuk ervan—waar men het Italiaansche opschrift van de hel: “Laat alle hoop varen gij die hier binnentreedt” zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen te kunnen ophalen.
“Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht visschen!” zeide Sinang popelend van pret.
Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in ’t netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in ’t water stak, sprong er niet een vischje op.
“’t Moet hier vol wezen,” zeide Albino zacht, “’t is al meer dan vijf dagen dat er niemand bij geweest is.”
De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje tooide het net: ’t leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen.
De jonge man herhaalde de bewerking en ’t was met even weinig resultaat.
“Je kan er niets van!” zei Albino en klauterde op de encerradero, en hij rukte ’t net uit de handen van den onhandigen jongen man.
“Nu moeten jullie ’s zien! Andeng, doe de pot open!” Maar Albino kon er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte.
“Maak toch geen leven: de visschen hooren ’t en dan laten ze zich niet vangen!” zeide hij. “Dit net is zeker kapot.”
Doch het net bleek volkomen gaaf.
“Laat mij maar ’s,” zeide Leon, de aanstaande van Iday.
Hij keek aandachtig naar de encerradero, onderzocht daarna het net, en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij:
“Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest is?”
“O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen.”
“Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit.”
Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar ’t naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen, mompelde hij:
“Een kaaiman.”
“Een kaaiman!” herhaalde men van alle kanten.
Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik en ontsteltenis.
“Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit,” verzekerde Leon, en de steel van de bamboe dieper in ’t water stekende, hervatte hij:
“Horen jullie dat geluid? Dat ’s geen zand, dat is de harde rug van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm of meer breed.”
“Wat moeten we doen?” werd er gevraagd.
“Vangen!” zei er een.
“Jezus! En wie moet hem dan vangen?”
Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep.
“Als we hem eens aan onze bangka vastbonden, en hem zoo in triomf wegsleepten,” zei Sinang. “Dat eet me daar de visch op die voor ons bestemd was!”
“Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!” merkte Maria Clara zacht op.
De “loods” stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem.
Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte.
Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van angst die allen lieten hooren, sprong de “loods” in de encerradero.
“Neem dit mes mee!” schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed toledaansch mes voor den dag.
Doch in het water bruischte en borrelde het reeds, en de kolk sloot zich geheimzinnig voor ’t oog.
“Jezus, Maria en Jozef!” riepen de vrouwen. “Er gebeurt een ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!”
“Maakt u zich maar niets ongerust, dames,” zeide de oude schuitevoerder, “als er in de heele provincie een is die zoo iets doen kan, dan is hij ’t.”
“Wie is die man toch?” vroegen ze.
“Wij noemen hem ‘de loods.’ ’t Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij houdt alleen niet van zijn baantje.”
Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: ’t was alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele staketsel raakte aan ’t waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes.
De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen.
De “loods” klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij ’t naar zich toe.
Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange slagtanden zichtbaar werden.
De “loods” heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem te helpen.
Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het platte deel van de encerradero lag, zette hij er zijn voet op, greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de bek met het touw dicht te snoeren.
Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond.
Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche vrouwen kennen dat nog niet.
Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher sprong gewapend met zijn bolo—een kort breed mes—de diepte in. Zijn vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het ongedierte. De witte buik was vol wonden en ’t mes zat hem in de keel.
’t Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest: al de “kaldoe” liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen woord kon uitbrengen was Maria Clara.
Ibarra was ongedeerd, terwijl de “loods” een kleine schram in een van zijn armen had.
“Ik ben u mijn leven verschuldigd!” zeide hij tot Ibarra, die zich in wollen dekens en doeken wikkelde.
De stem van den “loods” scheen een zekere smart te verraden.
“U bent roekeloos”, antwoordde Ibarra. “Een anderen keer moet u niet weer zoo God verzoeken.”
“Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren,” gaf de ander terug, “daar onder in het meer, dan was ik bij mijn menschen thuis geweest!”
Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van zijn vader daar verzonken was.
De ouderen onder de vrouwen van ’t gezelschap wilden niet meer naar een andere baklad gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren.
“Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!” zuchtte een oudje.
“Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?” vroeg Ibarra. “De kaaiman alleen, zou ik zeggen!”
“Wat ten duidelijkste bewijst”, concludeerde de oud-seminarist, “dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende kooplieden opgemerkt.”
De bangka’s gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng moest nog eens haar sinigang klaarmaken.
De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil, meevoerend bergen van schuim “waar flonkerde in kleurenpracht licht van de zon,” zooals de dichter Paterno het uitdrukt.
De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder zuiver. Maar die zich ’t dapperst weerde was Albino: die tokkelde maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder ’t te merken, in een verkeerde sonate oversloeg!
Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen verwachtte daar ’t wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te voorschijn.
Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken.
De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in ’t verhitte vaatwerk zong.
Daarna verloor de waardige pastoor, door ’t lezen van een paar brieven, die wel-verzegeld en gelakt aangekomen waren, zijn eetlust en liet hij zijn chocolade heelemaal koud worden.
“De pater wordt stellig ziek”, zei de kok, terwijl hij een tweede kop klaarmaakte, “hij heeft al dagen geen trek in ’t eten: van de zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan.”
“Dat is omdat hij slecht slaapt,” antwoordde de andere bediende, “hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag magerder en geler.”
Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu’s smakelijke beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men hem zou brengen naar ’t bosch met den geheimzinnigen boom, in welks nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd.
Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen het bosch in.
Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen, als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, dragend robijnen en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt, het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre takken, die onder ’t vallen overal blijven haken, waren de eenige geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis.
Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten, zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij.
“Ik wil ’s zien of ik een nest kan vinden”, zeide een mooie, lieve stem die den pastoor welbekend was.
“Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal willen volgen.”
Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon te luisteren.
“Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet: die beloert je immers overal?” antwoordde een vroolijke stem. “Pas maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!”
“Nee, nee, ’t is geen jaloezie, ’t is louter nieuwsgierigheid!” gaf het zilver-stemmetje terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde: “ja zeker, jaloezie, jaloezie!” en daarna weer schaterlachte.
“Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen maken, zoodat niemand hem zien kon”.
“Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat ’s goed. Het beste is dat—als we ’t nest vinden—we ’t aan den pastoor cadeau geven: dan zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou je dat niet lijken?”
“Ik geloof niets van de reiger-nesten”, hervatte de ander. “Maar, als ik ’s op ’n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!”
“Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?”3
Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd.
“Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!”
Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de oppervlakte van het water, om naar ’t geheimzinnig reiger-nest te zoeken. Ze liepen tot de knieën in ’t water. De ruime plooien van hun badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder ’t zoeken naar ’t fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen en moeskruiden aan den oever.
De Akteon-geestelijke4 sloeg bleek en roerloos de kuische Diana’s daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen, werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen.
Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest van het gezelschap op te zoeken.
Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren, bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen zien baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in ’t bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden zich de alférez, de coadjutor, de burgemeester, zijn teniënte mayor of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen capitan’s, teniëntes of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio, de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: “we zijn ’t oneens over een rechtskwestie, en ’t oneens zijn wil nog niet zeggen vijanden zijn.” En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan.
De pastoor werd door allen, zelfs door den alférez met eerbied en onderscheiding ontvangen.
“Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?” vroeg de laatstgenoemde, toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. “Bent u gevallen?”
“Nee, ik ben verdwaald!” antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken.
Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge “klappers” opengeslagen, opdat zij die uit het bad kwamen het frissche water en het malsche vruchtvleesch—nog blanker dan melk—zouden kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans van tjempaka (of sampaga, zooals men daar zegt), waartusschen rozen en ilang-ilang gevlochten waren, die het loshangende haar parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten, die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes.
Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de geheimzinnige en vermaarde “loods” nergens te zien: hij was reeds verdwenen vòor de alférez aangekomen was.
Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold Crisóstomo, en ’t eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze bespeurde het en zuchtte diep.
’t Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de alférez, de burgemeester en nog eenige capitan’s met de vice-burgemeester of teniënte mayor gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man aan de tafel der jonge meisjes aanzat.
“Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals in de bootjes, hoor,” zeide Leon tot den oud-seminarist.
“Wat? Wat is dat?” vroegen de oudere vrouwen.
“De bangka’s, dames, waren net zoo gaaf als dit bord,” verklaarde Leon en wees op zijn bord.
“Mijnheer de alférez, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso heeft mishandeld?” vroeg Padre Salvi.
“Van welken kerel, mijnheer de pastoor?” riep de alférez uit, terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken, den geestelijke aankeek.
“Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre Dámaso onderweg heeft afgeranseld!”
“Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!” vroegen er verscheidenen.
De coadjutor scheen in zijn schik.
“Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed!
“Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft gesmeten, mijnheer de alférez.”
De alférez kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn.
“Och, ik dacht zoo,” hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig, “dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van de guardia civil...”
De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte verontschuldiging uit.
Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo geruischloos dat men haar ’s nachts voor een schim zou gehouden hebben.
“Geef wat te eten aan die arme vrouw!” zeiden de oudjes. “Hei, kom ’s hier!”
Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en ’t mes waarmee hij at, viel hem uit de hand.
“Geef die vrouw wat te eten!” beval Ibarra.
“De nacht is donker en de kinderen verdwijnen,” mompelde de bedelares.
Maar bij ’t zien van den alférez die haar toesprak, ontstelde de vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen ’t geboomte verdwenen.
“Wie is dat?” vroeg hij.
“Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de schrikken die ze doorstaan heeft,” antwoordde don Filipo. “Ze is al vier dagen zoo.”
“Is ’t misschien een zekere Sisa?” vroeg Ibarra belangstellend.
“Ze is door uw soldaten opgepakt”, ging de teniënte mayor met zekere bitterheid voort, steeds tot den alférez sprekende, “ze zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is.”
“Hoe nu?” vroeg de alférez zich tot den pastoor wendend, “is ’t misschien de moeder van uw twee kostertjes?”
De pastoor knikte.
“Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten kunnen komen!” voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de oogen neer.
“Ga die vrouw zoeken!” gelastte Crisóstomo aan de bedienden. “Ik heb beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven zijn...”
“Wat is er verdwenen, zegt u?” vroeg de alférez.
“Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?”
De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte.
“Caramba, mijnheer de pastoor!” riep onze krijgsman spottend, en vol pret dat hij zich ’s wreken kon, “er verdwijnen een paar zilverstukken van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en ‘uwe weleerwaardigheid’ zegt niets... En u, mijnheer de Capitán... ’t Is ook waar dat u...”
En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl hij zijn lepel diep in ’t roode vruchtvleesch van een wilde papaja stak.
“De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor ’t geld...”
“Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!” viel de alférez met vollen mond in. “Een pracht van een antwoord, heilige man!”
Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar zelfbedwang en een verknepen lachje terug:
“En weet u, mijnheer de alférez, wat er verteld wordt van ’t verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag ’t dan maar ’s aan uw soldaten!”
“Hoe dat zoo?” vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend.
“Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten gehoord zijn!”
“Verscheidene schoten?” herhaalde de alférez en keek de omstanders verbaasd aan.
Men knikte bevestigend.
Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon:
“Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het spreekwoord van de beste stuurlui?”...
“Heeren!” viel Crisóstomo in, ziende dat de alférez bleek werd, “naar aanleiding hiervan zou ik ’s willen weten, wat de heeren denken over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp en raad naar haar kinderen te zoeken.”
De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging.
Toen ’t eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd, verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen doen aan het “Rad van Fortuin.”
“Kom, mijnheer Ibarra!” riep Capitán Basilio, die wat heel vroolijk begon te worden, “we zijn nu al vijftien jaar aan ’t procedeeren, en er is geen rechter van de audiencia die de zaak uitmaakt: laten we ’s zien, of we ’t schaakbord kunnen laten beslissen.”
“Onmiddellijk en met heel veel genoegen!” antwoordde de jongeman. “Een oogenblik, want de alférez wil afscheid nemen.”
Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen, behalve naar zijn toespreeksters.
Het spel begon met grooten ernst.
“Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor,” zeide Ibarra.
Midden onder ’t spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen met de toekomst te ondervragen.
“Schaak aan den koning!” zeide de jonge man.
Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin te verbergen.
“Schaak aan de koningin!” zeide de ander weder en dreigde haar met zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd.
Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán Basilio bedenktijd.
“O gaarne!” antwoordde Ibarra. “Ik had net wat te vragen aan enkelen uit dat groepje daar.”
Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd.
Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek.
“Dat ’s gelogen! Dat is niet waar! Dat is ’n puur verzinsel!” riep Sinang op huilerigen toon.
“Wat overkomt je?” vroeg Maria Clara.
“Stel je voor; ik vraag: ‘Wanneer zal ik verstandig worden?’ Ik gooi de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in ’t boek: ‘Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!’ Hoe vind je dat?”
En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze bleef lachen.
“Wie zegt je ook om zoo’n vraag te doen?” zeide haar nichtje Victoria. “Je verdient dat je zoo’n antwoord krijgt!”
“Doe eens een vraag!” zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf voor. “We hebben afgesproken dat wie ’t beste antwoord kreeg, een geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een vraag gedaan.”
“En wie heeft het beste antwoord gekregen?”
“Maria Clara, Maria Clara!” riep Sinang. “We hebben haar of ze woû of niet, laten vragen: ‘Is zijn liefde trouw en standvastig?’ en ’t boek heeft geantwoord...”
Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den mond en belette haar zoo verder te spreken.
“Nu, geef me dan maar ’t rad!” zeide Crisóstomo lachend.
“Ik vraag: ‘Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?’”
“He, wat ’n leelijke vraag!” riep Sinang uit.
Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen, werd bladzijde en regel opgezocht.
“Droomen zijn droomen,” las Albino op.
Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend:
“Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!” riep hij vol vreugde uit... “Lees maar!”
“Plan school goedgekeurd; uitspraak over ’t andere gunstig.”
“Wat beteekent dat?” vroeg men om hem heen.
“Was er niet zooeven gezegd dat degeen die ’t beste antwoord ontving een cadeau zou krijgen?” vroeg hij met een van aandoening bevende stem, terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde.
“Ja, ja!”
“Nu goed, dit is mijn geschenk,” zeide Ibarra, terwijl hij de eene helft aan Maria Clara overreikte. “Ik wil in het dorp een school voor jongens en meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen.
“En wat wil dat andere stuk zeggen?”
“Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft.”
“Dan krijg ik ’t! Dan is ’t voor mij?” riep Sinang.
Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel.
“En wat wil ’t nu zeggen?”
Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij hervatten.
Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van vreugde weg.
Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen, maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen.
“Wat is dit?” kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek opnam en er in bladerde.
“Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje,” antwoordde León.
“Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te gelooven?” zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen.
Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen.
“’t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom, zonder de toestemming van den eigenaar!” gaf Albino terug, terwijl hij opstond.
“Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen verboden.”
Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar het overschot van ’t boek dat kort te voren haar zooveel vreugde verschaft had.
Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino’s woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren, die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in ’t bosch, andere raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan, om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen, die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen.
“’t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!” mompelde Sinang. “Hij heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: ‘Lach maar niet, ik ken je zonden.’”
Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken of acht te slaan op de zetten die hij deed.
Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging.
“’t Proces wordt opgeschort!” zei Capitán Basilio vroolijk.
“Stellig, we schorten ’t op!” herhaalde Ibarra, “wat ook de beslissing van de rechters mag zijn.”
Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze.
Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling de komst van vier guardia civiles en een sergeant, allen gewapend en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder de vrouwen.
“Stil iedereen!” riep de sergeant. “Die zich verroert wordt neergeschoten!”
In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad op den man toe.
“Wat wenscht u?” vroeg hij.
“De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias, die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft,” was het dreigende antwoord.
“Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!” hervatte Ibarra.
“Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een geestelijke vergrepen heeft...”
“O, is dat de loods?”
“Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten naam op uw feesten toe, meneer Ibarra.”
Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine minachting:
“Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats aan onze tafel gekregen hebben.
“Evenals uw alférez: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap.”
En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe.
De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen:
“Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!”
Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was.
De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en allerlei kommentaren werden er gemaakt.
“Dus dat is diezelfde Elias, die den alférez in de modder heeft gesmeten,” zeide Leon in gedachten.
“En hoe was dat? Hoe ging dat?” vroegen eenige nieuwsgierigen.
“Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg regenachtig was, de alférez iemand tegenkwam met een vracht hout op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat de alférez, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de alférez, die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout en gaf daarmee het paard zoo’n slag op den kop dat het neerviel en zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die de alférez hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was gewoon blind van woede en van de modder. Toch wist hij niet wie hem de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen, zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden bekend gemaakt bij de guardias civiles van enkele dorpen.”
“Is het dan een toelisan (roover)?” vroeg Victoria vol angst.
“Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen toelisan’s gevochten heeft, die een huis wilden plunderen.”
“Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!” voegde Sinang eraan toe.
“Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen,” antwoordde Maria Clara peinzend.
Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar ’t dorp.
Bij ’t laatste zonnelicht ging het gezelschap het bosch uit, stil voortstappend langs het geheimzinnige graf van Ibarra’s voorvader. Daarna hernieuwden zich de vroolijke gesprekken.
Bij ’t schijnsel van bamboe-fakkels en bij gitaar-getokkel trok men ten slotte het dorp in.
1 In kalan en salabat zal de Nederlandsch-Indiër gemakkelijk het Jav. woord keren (aarde komfoor) en de bekende serbat der Maleiers herkennen, die uit water, honing en gember vervaardigd wordt.
2 Paäjap is Tagaalsch voor blimbing
3 Sor Escucha, letterlijk: “Luister-zuster”, omdat het de non was belast met het toezicht in de spreekkamer van ’t klooster.
4 Akteon, uit de grieksche fabel-leer beloerde Diana toen ze in ’t bad was. Als straf werd hij in een hert veranderd, dat dadelijk door de honden der goddelijke jagers werd verslonden.