In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning van den ouden Tasio.
Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos groeide op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en om de vensters omhoogwerkte. ’t Huisje scheen een oord der stilte.
Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen.
Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf, gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten en oude boekenrekken vol boeken en handschriften.
De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op ’t punt was om weer heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken.
“Wel, was u daar?” vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing aankeek.
“Neem me niet kwalijk”, antwoordde deze, “ik zie dat u ’t erg druk heeft.”
“Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar ’t heeft geen haast en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?”
“Met heel veel!” gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. “Maar...”
En hij sloeg een blik op ’t boek dat op tafel lag.
“Hoe nu?” riep hij verwonderd uit, “wijdt u zich aan ’t ontcijferen van hieroglyfen?”
“Nee, nee!” antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. “Ik ken geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo’n beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen.”
“Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?” vroeg Ibarra twijfelend aan ’t geen hij zag en hoorde.
“Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!”
De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes, halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer.
“En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?”
“Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden, ’t werk van mijn heele leven. Maar ’t geslacht dat deze teekens zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: ’t zal me begrijpen en zeggen: ‘Niet iedereen sliep in den nacht van onze voorouders!’ De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei ‘hokus-pokus.’”
“En in welke taal schrijft u?” vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens.
“In onze eigen taal: in ’t Tagaalsch.”
“En gaat dat in hieroglyfen?”
“O, ja, beter nog dan in ’t latijnsche schrift: dat is minder geschikt voor onze taal. ’t Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen ’t hoognoodzakelijke.
“’t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China en Japan weg zijn.”
“Hoe zoo?”
“Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen.
“Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen zal er een gevangen hebben.”
“Hoe weet u dat ze uit die landen komen?”
“Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes, voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg geen antwoord, totdat ik op ’t idee kwam, om er Chineesch op te laten schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die bleken me in ’t Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van me verlangt.”
“Ik kwam u over een zaak van belang spreken,” antwoordde de jonge man. “Gisteren avond...”
“Hebben ze den stumper gepakt?” vroeg de oude vol belangstelling.
“Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo.”
“Ik heb de muze van de guardia civil gezien.”
“De muze van de guardia civil! En wie is dat?”
“Wel, de vrouw van den alférez, die u niet op uw feest genoodigd heeft. Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in ’t dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de ‘loods’ dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam uit Gods handen...Doña Consolación is ’n kwaje, naar men zegt, en je weet niet uit welke handen zij gekomen is! Om goed te kunnen zijn, moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder geweest zijn.”
Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit zijn zakportefeuille voor den dag haalde:
“Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag zou verzekerd zien.”
En Ibarra zette in ’t kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden.
“Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in ’t dorp op mijn hand zou moeten zien te krijgen, om ’t werk op de beste wijze te doen slagen. U kent de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een vreemdeling in mijn eigen land.”
De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen die daar voor hem lagen.
“Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een ouwen gek!” riep hij ontroerd uit. “En nu... ’t eerste wat ik u nu raad, is nooit mij te komen raadplegen.”
De jongeling keek Tasio verwonderd aan.
“Omdat anders de verstandige menschen,” ging hij met bittere ironie voort, “u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me ’s weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me ’t beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn anders dan de hunne. Zoo’n gobernadorcillo, die noemen ze verstandig, omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid en recht. ‘Daar heb je nu een knappe kerel!’ denkt het domme volk, ‘kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!’ Maar ik, ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb gestudeerd, en ik ben arm. Ze hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal:
“‘De vent is gek! Die kent ’t leven niet!’ De pastoor noemt me filosoof uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben, die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat juist is wat hem het minst te pas komt. ’t Kan wezen dat ik eigenlijk de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?”
En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af woû zetten en ging voort:
“Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt, en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken: raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u handelt naar hun raad.”
Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen:
“De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo’n schaduw op valt? Zou ’t goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is ’t wel noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?”
“Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!” hervatte de grijsaard. “Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft in de lucht geschermd. Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat u een vreemdeling in ’t land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst, en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting neerzien op de pij, ’t koord en ’t onhebbelijke schoeisel van de Franciskanen. Een groot geleerde—een dokter van de Heilige Tomas van Aquino—heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn ’t allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover zooals eens een ‘procurator’ het uitdrukte: ‘De minste lekebroeder kan meer doen dan ’t bestuur met al zijn soldaten.’
“Cave ne cadas.1 Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de tijden van Mozes.”
“Ik ben niet zoo’n zwartkijker, en ’t leven in mijn land lijkt mij zoo gevaarlijk niet,” antwoordde Ibarra lachend. “Ik geloof dat u met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten.”
“Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van ’t pastoors-huis, als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De burgemeester zou u morgen onder ’t een of ander voorwendsel weigeren wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een negatieve uitwerking hebben: ’t zou iedereen die later iets moois wou ondernemen den moed benemen.”
“En toch,” hervatte de jonge man, “kan ik niet gelooven aan die macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En ’t bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat heeft een ruime blik en beoogt ’t oprechte welzijn van de Filippijnen.”
“’t Bestuur! ’t Bestuur!” mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen opsloeg naar de zoldering. “Al is ’t ook nóg zoo bezield met den wensch om ’t land groot te maken, voor ’t land zelf en voor Spanje, al is ’t ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt, ’t bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. ’t Is immers overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt, dat alleen is omdat zij ’t steunen, dat, als ’t leeft, dat is omdat zij ’t goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun ontbreekt, het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en ’t volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. ’t Zal blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. ’t Is een arm. Het hoofd dat is de pastorie, het ‘klooster’. En door de laksheid waarmee ’t zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde.”
“O!” viel Ibarra in, “we moeten niet te veeleischend zijn: laten we tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt, zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders.”
“Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. ’t Komt niet in beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen u de oogen opengaan, dan zult u ’t zien en hooren. En dan, wee degenen die nu genieten van ’t bedrog, die in ’t donker werken en wanen dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!”
“God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de godsdienst evenmin!” antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve onder den indruk kwam. “De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze zullen verbeteren. ’t Bereidt ze voor. ’t Is niet zelfzuchtig.”
“Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in korten tijd rijk te worden en de domheid van ’t volk, dat maar alles goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering waakt, zoolang men geen vrijheid van ’t woord geeft tegen de buitensporigheden van kleine tirannen: de plannen blijven plannen, de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort die al gauw zeggen—terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden, ‘Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier, Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of meneer Zoo en meer zoo.’ En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie het land werkelijk niet kende—hij had het immers ergens in Amerika gezocht—en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder ander mensch, dan is ’t duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt, en ’t geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen; dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen dat iemand die als vreemdeling in ’t land komt, om zijn fortuin te maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in ’t welzijn van ’t land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen dat hij niet kent, waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken, dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben, in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. ’t Land waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken dat we niet heelemaal in ’t niet opgaan, dat er iets van ons wezen overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die over ons wel en wee komt beschikken. En ’t ergste is dat zoo’n man weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp.”
“O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in ’t reine brengen voordat ik daarop terugkom,” viel de jongeman levendig in. “Ik wil toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het volk ’t bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren, als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan krijgen dan is ’t omdat ze optornen tegen een logge massa: ’t volk. Dat neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen om u raad te vragen...
“En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden...”
“Ja, en ik zeg ’t nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of ’t geheel laten zakken.”
“’t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?” herhaalde Ibarra in gedachten.
“Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land dan niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is ’t dan bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver ’t geloof van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen, wanneer ik ’t op kan heffen of ’t aan mijn vijanden zou overgeven, wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!”
“Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden is,” zeide de filosoof. “En daartegen is u niet opgewassen... u moet eerst de hand kussen die...”
Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit:
“Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt; dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben, vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den godsdienst ontzien wil.”
De oude filosoof boog het hoofd.
“Meneer Ibarra,” antwoordde hij langzaam, “als u die herinneringen bij u omdraagt—en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te streven—dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en ’t welzijn van uw landgenoten in iets anders trachten te bevorderen. Zoo’n onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening, hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat alleen vol onkruid.”
Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk, hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken.
“Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene harde?” vroeg hij zacht.
De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei een frissche wind, voorbode van de “norte,” voor zijn oogen strekte zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park dienst deed.
“Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met al die rozen en knoppen?” zeide de filosoof, terwijl hij naar een schoonen rozenstruik wees. “De wind waait en grijpt hem aan: hij buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien, en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal ’t hem kwalijk nemen dat hij voor nooddwang ’t hoofd gebogen heeft? Kijkt u daar verderop eens naar dien reusachtige koepang, die daar zoo statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. Daar nestelen welig arenden in zoo’n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal ’t ook met u afloopen, u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein, als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent onvast, de hemel spelt onweer, en ’t is al gebleken dat de kruin van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. ’t Is geen moed meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele omgeving. Niemand zal ’t een loods verwijten, wanneer hij schuilt in een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is ’t verkeerd dien te trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan.”
“En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om ’t onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van ’t land aan de geestelijkheid betwist? Zou ’t niet mogelijk wezen dat ze vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden, en dat ze me achter den rug, in ’t donker, bestreden en ondermijnden, dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten.”
De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht eenige oogenblikken na en hervatte:
“Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing, en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou ’t eerste zaad er gezaaid hebben. Na ’t bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje ontkiemen, ’t zou de ramp overleven, ’t soort redden van algeheelen ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken.”
Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had.
“Ik geloof u!” riep hij uit en drukte hem de hand. “Ik heb niet voor niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in ’t geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke vrouw en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen.”
Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij.
“Opgepast!” mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met de oogen volgde: “we moeten ’s nagaan, hoe ’t lot verder de komedie zal afspelen die op het kerkhof begonnen is.”
Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder begonnen.
1 Men zegt in de Filippijnen “Convento,” lett. klooster, voor het huis van den pastoor. Zie b.v. Manuel Scheidnagel: Islas Filippinas.
’t Is de tiende November, de dag voor het feest.
Het dorp is uit zijn gewone eentonigheid getreden, en geeft zich over aan een groote bedrijvigheid; thuis, op straat, in de kerk, in de hanenvechtplaats en buiten. De vensters worden behangen met vlaggen en sierdoeken van allerlei kleur. De lucht weerklinkt van vuurwerkgeknal en van muziek. ’t Is overal opgewektheid en pretlust.
Allerlei ingemaakte vruchten van ’t land worden door de dalaga in glazen schaaltjes op een tafeltje gerangschikt, waarop ze een geborduurd wit laken gespreid heeft. In ’t patio—de binnenhof—piepen kuikens, kakelen kippen, knorren varkens, die alle opgeschrikt zijn door ’t vreugdebetoon der menschen. De bedienden gaan trap op trap af, dragende verguld vaatwerk en zilveren lepels en vorken. Hier maakt men zich boos, omdat er een bord gebroken wordt, daar lacht men een buitenmeisje uit om haar onhandigheid: overal worden bevelen gegeven, wordt gefluisterd, of gelachen, maakt men toespelingen en opmerkingen, voorspelt men, windt de een den ander op, en alles is verwarring, gedruisch en gewoel. En al deze moeiten en zorgen, al dit wenschen en hopen is voor de bekende of de onbekende gasten die verwacht worden; om dezen of genen feestelijk te onthalen, dien men wellicht nooit te voren gezien heeft en ook misschien nooit meer terug zal zien; zoo dat buitenlander en vreemdeling, vriend en vijand, Filippijner en Spanjaard, arme en rijke er voldaan mogen wezen. Men vraagt zelfs niet van hen dat ze dankbaar zullen zijn, noch verwacht men van hen dat ze de gastvrije familie gedurende of na de verorbering van al ’t goede ongedeerd zullen laten.
De rijken, zij die wel eens een keer in Manila geweest zijn en iets meer gezien hebben dan de andere menschen, hebben bier, champagne, wijn en Europeesche eetwaren gekocht, waarvan ze zelf nauw een hapje of slokje zullen gebruiken. Hun tafel is schitterend aangericht.
In ’t midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes gestoken zijn, ’t keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes, alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde, het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den mandoer. Aan weerszijden van deze ananas—die palillera, dat is tandestoker-houder heet—verheffen zich op glazen vruchten-schalen heele pyramiden van sinaas-appelen, langsoen’s1, srikaja’s, sawomanila’s2 en zelfs mangga’s, ofschoon ’t reeds November was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote pastei in den vorm van ’t “Lam Gods” of van een duif—de Heilige Geest wellicht—gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de dik-lijvige atjar-flesschen grillig versierd met uitknipsels van pinang-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den buitenwand der flesschen geplakt zijn.
De glazen bollen—die men aan de zoldering hangt—erfstukken van vader op zoon,—worden schoongemaakt, de koperen hoepels glimmend gepoetst, de petroleum-lampen ontdaan van hun roode hulsels, die ze ’t heele jaar voor vliegen en muskieten behoedt en nutteloos gemaakt hebben. De kristallen hangertjes en prisma’s tingelen harmonieus tegen elkaar aan, ze zingen, en ’t is of ze in de feestvreugde deelen. Ze ontleden de lichtstralen en doen de kleuren van den regenboog op de muren vallen. De kinderen spelen en dartelen, loopen de kleuren na, stooten hier en daar tegen-aan en breken lampenglazen, doch dit belet niet dat de feestvreugde blijft aanhouden: ’t is ook niet alle dagen feest.
Evenals deze eerwaardige lampen treden ook de “werkjes” van ’t jongemeisje uit hun schuilhoeken te voorschijn: gehaakte sluiers, kleedjes, kunstbloemen; er verschijnen antieke kristallen presenteer-blaadjes, waar op de bodem een miniatuur-meertje is voorgesteld met vischjes, krokodillen, schelpdieren, zeewier, koraal- en andere rotsen, gemaakt van hel-kleurig glas. Deze blaadjes worden belegd met sigaren, sigaretten en kleine sirih-pruimpjes, die door fijne jongmeisjesvingers zijn vervaardigd.
De vloer van ’t huis glimt als een spiegel. Gordijnen van zijde of van pina (ananas-vezel) tooien de deuren. Aan de vensters hangen lantarens van glas of van rooskleurig, blauw, groen of rood papier. Het huis komt vol bloemen en bloempotten op voetstukken van Chineesch porselein. Tot zelfs de heiligen maken zich mooi; beelden, platen en relikwieën krijgen hun Zondagsch uiterlijk, men stoft ze af, de glazen worden schoon gemaakt, en bloemtuiltjes aan de lijsten opgehangen.
Op straat worden op geregelde afstanden grillige eerebogen opgericht uit op allerlei manieren bewerkte bamboe. Men noemt die singkaban. Er om heen wordt bamboe-loof aangebracht, waarvan de aanblik alleen de harten der kinderen reeds verheugt. Rondom de binnenhof—’t patio—van de kerk staat het groote en kostbare verhemelte, ondersteund door dikke bamboestaken, waar de processie onder door moet trekken. Nu spelen de kinderen eronder: ze loopen, klauteren, springen, en scheuren de nieuwe baadjes, waar ze op den feestdag mee moesten pronken.
Ginds, op het plein, is van bamboe, nipah-blad en hout een estrade opgericht: het tooneel. Daar zal de komedie van Tondo wondere dingen vertoonen, en met de goden wedijveren in onwaarschijnlijkheden. Daar zullen zingen en dansen Marianito, Chananay, Balbino, Ratia, Carvajal en hoe ze verder heeten mogen. De Filippijner houdt van tooneelspel en woont de dramatische voorstellingen met hartstocht bij, luistert stil naar het zingen, bewondert het dansen en de mimiek, fluit niet uit, maar juicht evenmin toe. Als hem de voorstelling niet bevalt, wel dan verschuift hij zijn woejoe of sirih-pruimpje, en gaat heen zonder de andere menschen te hinderen, die er misschien wel pleizier in hebben. Alleen joelt zoo nu en dan het lage volk wanneer de akteurs de aktrices kussen, maar verder gaat dat niet. Vroeger tijd stelde men alleen drama’s voor. De dorps-poëet maakte een stuk, waarin iedere twee minuten bepaald een gevecht moest voorkomen, verder een “jocoso” of komiek en ijzingwekkende tooneelveranderingen. Doch sinds de Tondosche artiesten iedere vijftien seconden gingen kloppen, kregen ze twee komieken, en begonnen ze nòg onaannemelijker zaakjes te vertoonen, doodden ze hun kollega’s uit de provincie.
De burgemeester was er verzot op, en koos na overleg met den pastoor, het blijspel: “Prins Villardo of de verlossing der slaven uit de snoode spelonk”, een stuk met toover-effekten en vuurwerk.
Van tijd tot tijd luidden de klokken met vroolijk geluid, dezelfde klokken die tien dagen te voren zoo’n droevigen toon hadden laten hooren. Vuur-raadjes en donderpotten doen de lacht daveren: de Filippijnsche vuurwerker die zijn kunst geleerd heeft zonder eenige bekende meester, gaat zijn bekwaamheden aan den dag leggen, werkt druk aan zijn “stieren,” zijn vuur-kasteelen met bengaalsch licht, papier-ballons gevuld met warme lucht, “briljant-wielen”, bommen, vuurpijlen en wat niet al.
Hoor, daar klinkt muziek in de verte. De jongens loopen ijlings het dorp uit, om de muziekkorpsen te begroeten. Er zijn er vijf gehuurd, ongerekend de drie orkesten. De muziek van Parsanghan, ’t eigen korps van de notaris, mag niet ontbreken evenmin als dat van ’t dorp S. P. de T., dat toentertijd beroemd was, omdat het gedirigeerd werd door de “maestro” Austria, bijgenaamd “Cabo Mariano”, Mariannen-opperhoofd, de zwerveling, die, naar men zegt, roem en harmonie brengt bij den eersten zwaai van zijn dirigeer-stok. De muziek-kenners roepen over zijn doodenmarsch “De Wilg”, en betreuren het dat hij geen muzikale opleiding gehad heeft, want met zijn genie zou hij anders de glorie van zijn land geworden zijn.
De muziek komt het dorp binnen onder het spelen van vroolijke marschwijzen, gevolgd door schunnig gekleede en half naakte kinderen. De eene draagt ’t baadje van zijn broer, een ander de broek van zijn vader. Zoodra de muziek opgehouden is, kennen ze de melodie van buiten, neuriën of fluiten die na met zonderlinge zuiverheid en geven hun oordeel erover ten beste.
In den tusschentijd komen zoetjes-aan in boeren-karren, “kalessen” en gewone rijtuigen de verwanten, de vrienden, de onbekenden, de spelers en wedders van beroep met hun beste hanen, met zakken goud, bereid om hun fortuintjes te wagen, ’t zij op ’t groene laken, ’t zij binnen de “rueda” van de hane-vechtplaats.
“De alférez heeft voor iederen avond vijftig pesos!” mompelt een klein dik kereltje in ’t oor der pas aangekomenen. “Capitán Tiago komt straks en zal bank houden. Capitán Joaquin brengt achttien duizend pesos. Er zal ook ‘liam-po’ gespeeld worden: de Chinees Carlos houdt het spel met een kapitaal van tien duizend. Van Tanaun, van Lipa en van Batangas, als ook van Santa Cruz komen groote inzetten. ’t Wordt grootscheeps! ’t Wordt grootscheeps! Maar gebruikt een kop chocola. Dit jaar zal Capitán Tiago ons niet meer villen, zooals verleden jaar: hij heeft dezen keer maar drie dankmissen bekostigd, en ik heb een heele moetia kakao.3 En hoe gaat het met de familie thuis?”
“O goed, dank u!” antwoordden de vreemdelingen. “En hoe is ’t met Pater Dámaso?”
“Pater Dámaso preekt ’s morgens, en ’s avonds gaat hij met ons een kaartje leggen.”
“Mooi zoo, mooi zoo! Dan is er heelemaal geen gevaar!”
“Volkomen veilig, we zijn absoluut zeker! De Chinees Carlos laat bovendien los!”
En de kleine dikkerd maakte met zijn vingers een gebaar alsof hij geld telde.
Buiten trokken de bergmenschen, de kasama, hun beste plunje aan, om naar het dorp te komen en daar aan hun compagnons-geldschieters gemeste kippen, wilde varkens, herten en gevogelte te brengen. Dezen laadden op de zware karren brandhout, genen fruit, slingerplanten, de zeldzaamste die in ’t bosch groeien, anderen brachten breedgebladerde sagà biga4 en struiken met hun vuurroode bloemen, om er de deuren der huizen mee te versieren.
Doch waar de meeste drukte heerschte—zoodat het zelfs wel een oploop leek—was daar ginds op een soort ruime ophooging, op eenige schreden van Ibarra’s huis. Er knarsen katrollen, men hoort er kreten, het metaal-achtig geluid van steen-houwen, het geklop van hamers op spijkers, het gekap van bijlen op balken.
Een menigte menschen zijn bezig een breed en diep gat te graven. Anderen leggen steenen op rijen, die zoo juist uit de steengroeven zijn gehaald, ontladen karren, hoopen zand op, stellen draaibanken en wind-assen op...
“Hier! Dat daar! Vlug wat!” riep een oud kereltje met een opgewekt en verstandig gezicht, die een meter met koperen kantjes in de hand had, en een schietlood aan een touwtje daarom heen geslingerd. Het was Señor Juan, de baas van ’t werk, de bouwmeester, metselaar, timmerman, witter, slotenmaker, steenhouwer en—soms ook—beeldhouwer.
“We moeten nu nog klaar komen! Morgen kan er niet gewerkt worden, en overmorgen is het feestdag. Vlug wat!”
“Maak het gat zóó, dat deze cylinder er precies in past!” zeide hij tot een paar steenhouwers die bezig waren een grooten vierkanten steen te polijsten. “Hier binnen-in worden onze namen bewaard.”
En hij herhaalde aan iedere vreemdeling die kwam kijken wat hij al honderden malen gezegd had.
“Weet u wat we hier gaan bouwen? Een school, een model dingetje, net als die in Duitschland, beter nog! Het plan is door den architekt R. gemaakt en ik, ik ben de baas van ’t werk! Ja, meneer, kijkt u ’s, dit wordt een paleis met twee vleugels: een voor de jongens, en een voor de meisjes. Hier in ’t midden komt een groote tuin met drie fonteinen; daar, op zij, worden boomen gezet, en daartusschen-in komen moestuintjes, waar de kinderen in hun vrijen tijd kunnen zaaien en planten: zoo maken ze er een nuttig gebruik van en vermorsen hun tijd niet. Kijkt u ’s hoe diep de fondamenten gaan! Drie meter vijf en zestig, alsjeblief! Het gebouw krijgt kelders, onderaardsche kamers, waar de ondeugende kinderen kunnen opgesloten worden. Die komen dicht, heel dicht bij de speelplaats en ’t gymnastieklokaal, dan kunnen de gestraften hooren hoe de goed oppassende kinderen pret hebben. Ziet u die groote, open ruimte? Dat wordt het speelveld voor de jongens, daar kunnen ze in de open lucht vrij loopen en springen. De meisjes krijgen een tuin met banken, schommels, rijen boomen voor het komba-spel5, fonteinen, groote vogelkooien enz.
En Ñor6 Juan wreef zich in de handen bij de gedachte aan de eer die hij met zijn werk zou inoogsten. Er zouden vreemdelingen komen om het te zien, en die zouden vragen: “Wie is de groote bouwmeester die dàt werk uitgevoerd heeft?”
“Weet u dat niet? Wel, ’t is haast niet te gelooven dat u Ñor Juan niet zoudt kennen! U komt stellig van heel ver,” zou iedereen antwoorden.
Vervuld van deze gedachten liep hij van ’t eene uiteinde naar ’t andere, keek en pluisde alles na.
“Dat ’s veel te veel hout voor een hijschtoestel, zeg!” zeide hij tot een geelkleurigen man, die eenige werklieden aan ’t werk had; “dat zou ik doen van drie lange stukken bij wijze van drievoet, met nog drie andere als dwarshouten.”
“Aba!” antwoordde de gele man en lachte eigenaardig, “hoe meer omslag we maken, hoe meer effekt ons werk zal hebben. Het geheel heeft dan meer aanzien, wordt voornamer. En de menschen zullen zeggen: ‘wat is er gewerkt!’ U zult ’s zien hoe ’n hijschtoestel ik in elkaar zet! Ik zal ’t daarna opsieren met bladerrollen, met slingers van blâren en bloemen. Dan zal ’t u genoegen doen, dat u mij onder uw werklui heeft aangenomen. En meneer Ibarra zal niet meer kunnen verlangen.”
En de man lachte weer, en glimlachte; Ñor Juan lachte ook flauwtjes, en schudde ’t hoofd.
Op eenigen afstand van daar zag men eenige kiosken, onder elkaar verbonden door een soort overdekte gang met een dak van pisangblaren.
De schoolmeester was met een dertigtal jongens bezig kransen te vlechten en vlaggen vast te maken aan de met geplooid wit doek overtrokken bamboe-stijltjes.
“Jullie moeten de letters mooi schrijven, hoor!” zeide hij tot de knapen, die voor de opschriften moesten zorgen.
”De burgemeester komt, er zullen ook veel pastoors bij ’t feest komen, misschien komt de Capitán Generaal7 want die is in de provincie. Als die heeren zien dat jullie mooi teekenen, dan prijzen ze jullie misschien?”
“En geven ze ons dan een schoolbord?”
“Wie weet. Maar meneer Ibarra heeft er al een uit Manila besteld. Morgen zullen er eenige dingen aankomen, die onder jullie als prijzen verdeeld zullen worden... Och, laat die bloemen maar in ’t water: morgen zullen we wel de bouquetten maken. Jullie moeten nog meer bloemen halen, want de tafel moet er mee bedekt zijn. Bloemen zijn zoo vroolijk voor ’t gezicht.”
“Mijn vader zal morgen baïno-bloemen en een mand tjempaka’s meebrengen.”
“De mijne heeft drie groote karren vol zand gebracht, en ze hebben hem niet betaald.”
“Mijn oom heeft beloofd een onderwijzer te bekostigen,” voegde een neef van Capitán Basilo eraan toe.
Inderdaad had het plan bijna bij iedereen sympathie ontmoet. De pastoor had verzocht zelf beschermheer te mogen wezen en den eersten steen te leggen: een plechtigheid die op den laatsten dag van ’t feest plaats zou hebben en een der voornaamste punten van ’t program zou uitmaken. Zelfs was de coadjutor schuchter bij Ibarra gekomen, om hem al de missen aan te bieden die de vromen voor hem betalen zouden tot de voltooiing van ’t gebouw toe. Meer nog: zuster Rufa, de rijke zuinige dame, had gezegd dat als er soms geld te kort kwam, zij wel in eenige dorpen zou rondgaan, om aalmoezen te vragen. Ze stelde alleen maar als voorwaarde dat ze de reis- en verblijfkosten betaald kreeg en zoo meer. Ibarra dankte haar en antwoordde:
“We zouden niet veel ophalen, want ik ben niet rijk, en dit gebouw wordt ook geen kerk. Bovendien heb ik niet beloofd het te zullen oprichten op een andermans kosten.”
De jongelieden, de studenten, die uit Manila kwamen om ’t feest te vieren, bewonderden hem, en namen hem tot voorbeeld. Helaas keken enkelen alleen naar de manier waarop hij zijn das toeknoopte, anderen naar zijn halsboord, en verscheidenen van hen naar het aantal knoopen van zijn jas en zijn vest.
De noodlottige voorgevoelens van den ouden Tasio schenen voor altijd gelogenstraft. Ibarra gaf dit eens op een dag te kennen, doch de oude zwartkijker antwoordde:
“Denk maar ’s aan wat Baltasar zegt:
Die Baltasar was even goed dichter als denker.”
Deze en andere voorvallen meer hadden plaats op den dag voor het feest, voor ’t ondergaan der zon.