Bij Capitán Tiago in huis waren ook groote toebereidselen gemaakt. Zooals van hem te verwachten was, moesten zijn praalzucht en zijn trots als groot-stadsmensch de provincialen schitterend overbluffen. Er was nog een andere reden die hem verplichtte er naar te streven om de anderen den loef af te steken: hij had Maria Clara tot dochter, en zijn aanstaande schoonzoon was op de plaats de man die zoo aller aandacht in beslag nam.
Inderdaad: een der ernstigste bladen van Manila had een hoofdartikel aan hem gewijd, getiteld: “Volgt hem na.” waarin hij overladen werd met loftuitingen en hem tevens eenige raadgevingen werden toegediend. Hij werd er genoemd: “de verlichte jonge en vermogende kapitalist.” Twee regels verder “de edele menschenvriend.” In het volgende gedeelde “de voedsterling van Minerva,” die naar ’t moederland was gegaan, om de echte bakermat der kunsten en wetenschappen te gaan begroeten, en wat verderop “de Filippijnsche Spanjaard” enz. Capitán Tiago brandde van grootmoedige wedijver, en begon erover te denken of het niet misschien ook zijn plicht was, op zijn kosten een klooster te stichten.
Eenige dagen te voren waren er in het huis dat Maria Clara en haar tante Isabel bewoonden een menigte kisten met Europeesche eetwaren en dranken, ontzaglijke spiegels en schilderijen aangekomen. Ook de piano van ’t jonge meisje was erbij gezonden.
Capitán Tiago kwam den dag voor het feest. Toen zijn dochter hem de hand kuste, had hij haar een fraai goud relikwie-kistje met briljanten en smaragden ten geschenke gegeven, dat een spaander bevatte van Petrus’ boot, waar onze Lieve Vrouw gedurende het visschen op gezeten had.
De ontmoeting met den aanstaanden schoonzoon kon niet hartelijker wezen. Men sprak natuurlijk van de school. Capitán Tiago wilde dat ze Sint Franciskusschool zou genoemd worden.
Er kwamen eenige vriendinnen van Maria Clara en deze noodigden haar uit, om mee te gaan wandelen.
“Maar kom gauw thuis,” zeide Capitán Tiago tot zijn dochter, die hem om permissie vroeg, ”je weet wel dat Pater Dámaso van avond komt eten: die is pas aangekomen.”
En zich tot Ibarra wendende, die stil geworden was, voegde hij eraan toe:
“Komt u ook bij ons eten: bij u thuis bent u alleen.”
”Met heel veel genoegen, maar ik moet in huis wezen, voor ’t geval er bezoek komt,” antwoordde de jongeman stamelend, terwijl hij Maria Clara’s blik ontweek.
“Breng uw vrienden hier,” gaf Capitán Tiago onverstoord terug, “bij mij in huis is altijd eten in overvloed. Ik zou bovendien graag zien dat u en Pater Dámaso ’t bijlegden...”
“O, daar is ’t nog wel tijd voor!” antwoordde Ibarra met een gedwongen lachje, en hij gaf te kennen dat hij met de meisjes mee wilde gaan.
Ze gingen de trap af.
Maria Clara liep tusschen Victoria en Iday in. Tante Isabel volgde daarachter.
De menschen gingen eerbiedig op zij, om hen door te laten.
Maria Clara was dien avond verrassend schoon: haar bleekheid was verdwenen, en zoo heur oogen al wat peinzend bleven, scheen haar mond van niets dan lachen te weten. Met de minzaamheid der gelukkige jonkvrouw groette ze de oude kennissen uit haar kindsheid, thans de bewonderaars van haar zoo gezegende meisjesjaren. In minder dan veertien dagen had ze haar vroegere vrijmoedigheid, haar kinderlijke praatlust herwonnen, die binnen de benauwde muren van ’t klooster ingesluimerd schenen te wezen. Ze was als de vlinder die bij ’t verlaten van den pop-toestand al de bloemen terugkent. Deze hoefde slechts een oogenblik rond te vliegen en zich te koesteren aan de gulden zonnestralen, om de stijfheid van zijn vorigen staat af te schudden. Het nieuwe leven vond weerklank in heel het wezen van ’t jonge meisje, alles vond ze mooi en goed; ze toonde haar liefde met die maagdelijke aanvalligheid, welke, niet anders dan reine gedachten ziende, het waarom van valsch schaamrood niet kent.
Toch dekte ze zich het gelaat met den waaier, wanneer men haar eens vroolijk plaagde, maar dan lachten haar oogen en doorliep een tinteling haar leden.
Aan de huizen begon men de verlichting aan te steken, en in de straten, waar de muziek rondging, volgden de kroonlampen van bamboe en hout, nabootsingen van kerkkronen.
Binnen in de huizen der straat bespeurde men door de geopende vensters de menschen druk doende in een omgeving van licht en bloemengeur, bij de tonen van piano, harp of orkest. Over de straat liepen Chineezen, Spanjaarden, Filippijners, en deze in Europeesche of wel in inlandsche kleederdracht. Dooreen krioelend, elkaar duwend en dringend liepen daar bedienden met vrachtjes vleesch en kippen, in ’t wit gekleede studenten, mannen en vrouwen, op gevaar af van overreden te worden door de vele rijtuigen en karretjes, die in weerwil van ’t tabi-geroep der koetsiers zich te nauwernood een doortocht konden banen.
Voor ’t huis van Capitán Basilio groetten eenige jongelieden het gezelschap en noodigden het uit, om het huis te bezoeken. De vroolijke stem van Sinang, die de trap kwam afhollen maakte een einde aan alle verontschuldigingen.
“Komen jullie even boven, dan ga ik straks met jullie uit. Ik vind ’t zoo vervelend met zooveel onbekende menschen samen te zijn: ze hebben ’t over niets anders dan over hanen en kaarten.”
Men ging naar boven.
De voorzaal was vol menschen. Enkelen traden naar voren, om Ibarra te begroeten, wiens naam bij iedereen bekend was. Ze sloegen verrukt Maria Clara’s schoonheid gade. En eenige oudjes mummelden, onder het sirihkauwen door: “’t Is net de Heilige Maagd!”
Daar moesten de nieuwgekomenen chocola gebruiken. Capitán Basilio had zich sinds de buitenpartij als een boezemvriend en verdediger van Ibarra doen kennen. Door ’t telegram dat aan zijn dochter Sinang was gegeven vernam hij dat Ibarra op de hoogte was van de voor dezen ongunstige afloop van ’t proces. En omdat hij niet onder wilde doen in grootmoedigheid, stelde hij voor, zijn winst bij ’t schaakspel op te geven.
Doch Ibarra wilde daar niets van weten, en toen sloeg Capitán Basilio voor, dat Ibarra het geld voor de gerechtskosten zou gebruikten om er een onderwijzer aan de toekomstige school mee te betalen. Onze redenaar vond het daarna noodig zijn welsprekendheid aan te wenden bij de andere tegenpartijen die hij had, om ze maar te doen afzien van hun zonderlinge aanspraken. En hij zeide hun:
“Geloof me: bij zoo’n proces komt de winnende partij er als een geplukte kip af!”
Doch hij slaagde er niet in iemand te overtuigen, ook al haalde hij er de Romeinen bij.
Nadat ze chocolade gebruikt hadden, moesten de jongelui de piano hooren: de organist van ’t dorp zou spelen.
“Wanneer ik hem in de kerk hoor,” zeide Sinang en wees naar hem, “heb ik zin om te dansen. Nu hij piano speelt moet ik aan bidden denken. Daarom ga ik maar met jullie mee.”
“Wilt u vanavond bij ons komen?” vroeg Capitán Basilio fluisterend aan Ibarra, toen deze heenging. “Pater Dámaso zal de bank houden voor een klein partijtje.”
Ibarra lachte even en antwoordde met een hoofdbeweging, die net zoo goed ja als nee kon beteekenen.
“Wie is dat?” vroeg Maria Clara aan Victoria, en wees met een snellen blik naar een jongmensch dat hen volgde.
“Die...dat is een neef van me”, antwoordde ze eenigzins verlegen.
“En die ander?”
“Dat’s geen neef van me,” gaf Sinang snel terug, “dat is een zoon van mijn tante.”
Ze liepen voorbij de pastorie waar het zeker niet ’t minst druk en levendig toeging. Sinang kon een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen ze zag dat de heel ouderwetsche lampen, die Pater Salvi anders nooit liet aansteken om petroleum te sparen, nu brandden. Men hoorde kreten en welluidende schaterlachen. Men zag de “frailes” langzaam heen-en-weer-loopen, met in de maat wiegende hoofden, en de lippen getooid met een dikke sigaar. De wereldlijke heeren die zich onder hen bevonden trachtten al wat de goede paters deden na te doen. Te oordeelen naar de Europeesche kleederen die ze droegen, moesten het beambten of autoriteiten uit de provincie wezen.
Maria Clara bespeurde den lijvigen omtrek van Padre Dámaso naast het onberispelijk “silhouet” van Padre Sibyla. Roerloos op zijn plaats zat de geheimzinnige, zwijgende Padre Salvi.
“Hij is verdrietig!” merkte Sinang op; “hij bedenkt hoeveel hem al die bezoekers kosten zullen. Maar je zult zien dat hij ze niet betaalt, maar de kosters. Zijn logés eten altijd bij een ander.”
“Sinang!” vermaande Victoria.
“Ik kan hem niet uitstaan sedert dat hij ons Rad van Fortuin heeft kapot gemaakt. Ik ga niet meer bij hem biechten.”
Onder al de huizen onderscheidde er zich een, dat niet verlicht was, en zijn vensters ook niet open had staan: ’t was dat van den alférez. Maria Clara verwonderde er zich over.
“Die heks! De muze van de Guardia Civil, zooals de oude heer zegt!” riep de verschrikkelijke Sinang. “Wat gaat haar onze pret aan? Ze zal aan ’t razen wezen. Laat de cholera maar ’s komen, dan zal je zien dat zij inviteert.”
“Maar Sinang!” berispte haar nichtje weder.
“Ik heb haar nooit kunnen uitstaan, en allerminst sedert dat ze ons feest gestoord heeft met haar soldaten. Als ik aartsbisschop was, dan liet ik haar met Padre Salvi trouwen, je zou ’s zien wat ’n kindertjes dat geven zou! Dien armen ‘loods’ te laten oppakken, zie je, die in ’t water gesprongen is alleen om genoegen te doen aan...”
Ze kon haar woorden niet voleindigen: op den hoek van het plein, waar een blinde bij de gitaar de romance der visschen zong, deed zich een vreemd schouwspel voor.
’t Was een man wiens hoofd gedekt was met een groote salakot van palmbladeren, en die een armzalige plunje aan had. Dit bestond uit een in flarden hangende lange jas, en een wijde broek zooals van de Chineezen, die op verscheidene plaatsen gescheurd was. Zijn voeten staken in ellendige sandalen. Zijn gelaat bleef, dank zij de salakot geheel en al in ’t duister, doch uit die duisternis braken van tot tijd twee lichtglanzen die dadelijk weer uitdoofden. Hij was lang van gestalte en naar zijn beweging te oordeelen moest hij jong wezen. Hij zette een mand op den grond neer, en verwijderde zich daarna onder het uitspreken van vreemdsoortige onverstaanbare klanken. Hij bleef geheel afgezonderd staan, net alsof hij en de menigte elkaar meden. Toen kwamen er eenige vrouwen naar hem toe en legden wat vruchten, visch, rijst a. a. in de mand. Toen er niemand meer naar hem toe kwam, klonken er uit de hoedduisternis andere, nog droeviger, maar minder klagelijke geluiden: een dankzegging wellicht. Daarna nam hij zijn mand op en verwijderde zich om elders hetzelfde nog eens te doen.
Maria Clara had een voorgevoel van iets akeligs, en vroeg vol belangstelling naar dat vreemde wezen.
“Dat is de melaatsche,” antwoordde Iday. “Vier jaar geleden heeft hij die ziekte opgedaan: sommigen zeggen doordat hij zijn moeder verpleegd heeft, anderen weer doordat hij in de vochtige gevangenis geweest is. Hij woont daar ginds buiten, niet ver van ’t Chineesche kerkhof. Hij gaat met niemand om, iedereen loopt van hem weg uit vrees voor besmetting. Och, als je toch ’s zijn huisje zag. ’t Is een krot, waar wind, regen en zon vrijen toegang hebben. ’t Is hem verboden iets aan te raken dat aan de menschen toebehoort. Eens op een dag viel er een kleine jongen in ’t kanaal. Het kanaal was niet diep, en hij liep juist daar voorbij—hij hielp er hem dus uit. De vader hoorde ervan, en beklaagde zich bij den burgemeester. En deze liet hem midden op straat zes geeselslagen geven. De rotan moest daarna verbrand worden. Dat was verschrikkelijk om aan te zien: de melaatsche man liep hard weg. Zijn geeselaar hem achterna en de burgemeester schreeuwde hem na: ‘Pas op ’n andere keer. ’t Is beter dat iemand verdrinkt dan dat hij jouw ziekte krijgt.’”
“Dat is waar!” mompelde Maria Clara.
En zonder zich rekenschap te geven van wat ze deed, stapte ze snel op de mand toe, en legde daarin het relikwie-kistje dat haar vader haar kort te voren cadeau had gegeven.
“Wat heb je gedaan?” vroegen haar vriendinnen.
“Ik had niets anders!” antwoordde ze, terwijl ze de tranen van haar oogen met een lach trachtte te verbergen.
“En wat kan hij nu beginnen met jouw relikwie-kistje,” zei Victoria. “Eens op een dag gaven ze hem geld, maar hij schoof het met een bamboe van zich weg; waartoe zou hij ’t verlangen, als toch niemand iets aanneemt dat van hem komt? Als hij ’t relikwie-kistje opeten kon, ja!”
Maria Clara keek met jaloezie naar de vrouwen die eetwaren verkochten, en haalde de schouders op.
Doch de leproos trad op de mand toe, greep het kistje, dat in zijn handen blonk, knielde neder, kuste het en, na zich ’t hoofd ontbloot te hebben, drukte hij zijn voorhoofd in ’t stof dat het jongemeisje betreden had.
Maria Clara bedekte zich ’t gelaat met haar waaier en bracht haar zakdoek aan de oogen.
Ondertusschen was er een vrouw naar den ongelukkige toegegaan, terwijl deze scheen te bidden. Ze had het haar loshangend en verward om haar hoofd. In ’t licht der lantarens ontwaarde men de gelaatstrekken der krankzinnige Sisa.
Toen de melaatsche voelde dat zij hem aanraakte, slaakte hij een kreet en sprong op. Doch de krankzinnige klampte zich tot ontzetting der omstanders aan zijn arm vast, en zeide:
“Laten we bidden, laten we bidden! ’t Is vandaag dooden-dag! Die lichten zijn de levens van de menschen. Laten we bidden voor mijn kinderen!”
“Doe ze van elkaar, doe ze uiteen! De krankzinnige zal besmet worden!” schreeuwde men uit de menigte, doch niemand waagde het, hen te naderen.
“Zie je dat licht daar in den toren? Dat is mijn zoon Basilio, die komt aan een touw naar beneden! Zie je dat daar verderop in ’t ‘klooster’? Dat is mijn zoon Crispin, maar ik zal ze niet zien, omdat de pastoor ziek is en veel goud heeft, en het goud raakte weg. Laten we bidden, bidden voor de ziel van den pastoor! Ik bracht hem altijd groenten. Mijn tuin was vol bloemen, en ik had twee kinderen. Ik had een tuin, ik kweekte mijn bloemen en ik had twee kinderen!”
En de leproos loslatend, verwijderde ze zich al zingend:
“Ik had een tuin met bloemen, ik had kinderen, en een tuin met bloemen.”
“Wat heb je voor die arme vrouw kunnen doen?” vroeg Maria Clara aan Ibarra.
“Niets. Niets. Een dezer dagen was ze uit het dorp verdwenen, en hebben ze haar niet terug kunnen vinden!” antwoordde de jongeman half verlegen. “Ik heb ’t bovendien erg druk gehad. Maar maak je maar geen verdriet: de pastoor stelt veel belang in haar!”
“Zei de alférez niet dat hij de kinderen zou laten zoeken?”
“Jawel, maar toen was hij een beetje ...aangeschoten!”
Nauw had hij dit gezegd, of ze zagen de krankzinnige vrouw door een soldaat voortslepen. Ze bood weerstand.
“Waarom neemt u haar gevangen? Wat heeft ze gedaan?” vroeg Ibarra.
“Hoe nu? Heeft u dan niet gezien hoe ze rumoer gemaakt heeft?” antwoordde de bewaarder der openbare rust.
De leproos nam ijlings zijn mand op en verwijderde zich. Maria Clara wilde maar heengaan, want ze had haar vroolijkheid en opgewektheid verloren.
“Er zijn ook menschen die niet gelukkig zijn!” mompelde ze.
Aan de deur van haar huis gekomen, voelde ze haar verdrietigheid nog grooter worden, toen ze zag dat haar aanstaande weigerde boven te komen, en afscheid van haar nam.
“’t Moet!” zeide de jongeman.
Maria Clara ging de trap op, denkende aan ’t vervelende van de feestdagen, wanneer zooveel vreemde menschen zouden komen logeeren.
Om een denkbeeld te geven van ’t feest, volgen hier een paar correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om zijn toon en strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden zal men kunnen verbeteren.
De waardige correspondent van ’t edele blad schreef dan aldus:
Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen.
De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,—een van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla—wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen, waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het plein is opgericht.
Om negen uur in den avond van den tienden, voorafgaande aan den feestdag, na de weelderige maaltijd, ons door de Hermano mayor1 aangeboden, werd de aandacht van ons allen, wereldlijken en geestelijken, in het klooster, getrokken door de tonen van twee muziekkorpsen die vergezeld door drommen volks en bij ’t knallen van vuurpijlen en donderpotten, en voorafgegaan door de notabelen uit het dorp, naar het klooster kwamen, om ons af te halen en te geleiden naar de voor ons bereide en bestemde zitplaatsen, teneinde de tooneelvoorstelling bij te wonen.
Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging, ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde leden, dank zij het geschok en gerammel van ’t voertuig dat de burgemeester van ’t dorp B. ons voor onze overkomst verschaft had.
Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los Santos. De pastoor van ’t dorp, de zeer eerwaarde pater Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad niet alleen de weelderige inrichting en den goeden smaak van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk klavier-spel bij ’t vertolken der beste Duitsche en Italiaansche compositiën herinnerde mij aan “la Galvez”. Hoe jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft.
Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken, en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den bekenden kapitalist gewoon zijn.
We woonden de tooneelvoorstelling bij. U kent reeds onze artisten Ratia, Carvajal en Fernandez. Hun geestig spel werd slechts door ons begrepen, want de menschen van minder ontwikkeling konden er in ’t geheel niet bij. Chananay en Balbino waren goed, ofschoon een weinig schor. De inlanders, vooral de burgemeester, vonden het Tagaalsche komedie-stukje zeer naar hun zin: deze laatste wreef zich in de handen en zeide ons, dat het wel jammer was dat men de prinses niet met den reus had laten vechten, die haar geschaakt had, hetwelk naar zijn idee wonderbaarlijker zou geweest zijn, te meer als de reus onkwetsbaar bleek te wezen, behalve aan zijn navel, gelijk een zekere Ferragus waarvan de geschiedenis der Twaalf Pairs2 verhaalt. De weleerwaarde pater Fray Dámaso, deelde met de goedhartigheid die hem zoo bijzonder eigen is, deze meening van den “gobernadorcillo”, en voegde er bij, dat in zoo’n geval de prinses er wel voor zou weten te zorgen ’s reuzen navel te ontbloten en hem den genadeslag te geven.
Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend—en te recht—was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze laat oprichten.
Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want, zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies, wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi) heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in ’t vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen, hoe gemengd het ook zij.
Heden, den elfden, in den morgen, woonden we een zeer roerend schouwspel bij. Deze dag is, zooals men algemeen weet, die van het feest der Heilige Maagd des Vredes en dit wordt gevierd door de broeders der Allerheiligste Rozenkrans. Morgen zal ’t de feestdag zijn van den Beschermheilige San Diego3, en daaraan nemen voornamelijk deel de broeders der Ferceros-orde. Tusschen deze beide korporaties bestaat een vrome wedijver om God te dienen, en deze vroomheid gaat zoo ver, dat er heilige oneenigheden zijn ontstaan, zooals wat onlangs voorviel, toen men elkaar den grooten redenaar van erkenden faam betwistte, den reeds zooveel maal genoemden weleerwaarde pater Fray Dámaso, welke morgen van het gestoelte in de kerk van den Heiligen Geest een preek zal houden, die, naar ’t algemeene oordeel, een gebeurtenis op godsdienstig en letterkundig gebied zal uitmaken.
Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken, drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat dezen zich voor ’t altaar ter aarde hadden gebogen, hief de misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla, het “Surge Domine” aan, na hetwelk de processie rondom de kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen het “Surge Domine” geëindigd was, maakte de burgemeester, in zwarten rok, met het vaandel in de hand en gevolgd door vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers, het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel, belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos.
Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen.
Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken, de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel, gedragen door de baranggay-hoofden, terwijl de processie afgesloten werd door het waardige politie-korps der guardia civil. ’t Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en vuurraderen herhaalde salvo’s gaven. Bewonderenswaardig is ’t te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje.
Na afloop van de processie begon de mis-muziek, ten gehoore gebracht door het orkest en de artiesten van den schouwburg. Na het Evangelie, betrad de wel-eerwaarde pater Augustijn Fray Manuel Martin den preekstoel. Deze, expresselijk uit de provincie Batangas overgekomen, heeft het gansche gehoor, en vooral de Spanjaarden in den aanhef die hij in ’t Spaansch gaf, volkomen geboeid en aan zijn lippen doen hangen. Hij sprak die uit in kloeke taal en in zulke gemakkelijk verstaanbare en toepasselijke bewoordingen, dat ze onze harten met gloed en geestdrift vervulden. Zoo toch moet genoemd worden wat men voelt, wat wij voelen, wanneer er gesproken wordt over de Heilige Maagd of van ons geliefd Spanje, en vooral wanneer in den tekst—aangezien deze er zich toe leent—denkbeelden ingelascht kunnen worden van een onzer kerkvorsten, van “Señor Monescillo”4 welke denkbeelden ook stellig die van alle Spanjaarden zijn.
Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van het dorp en andere voorname personen naar het “klooster”, waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid, voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons sigaren en een stevige “bowl,” die de Hermano mayor beneden ’t klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen.
Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben, dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn, om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen, dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van Kana of van Camacho.
Terwijl wij genoten van ’t heerlijk banket, welks overvloed was toebereid door een kok van het restaurant “la Campana,” speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer diamanten (“cascade”). Als altijd was zij de koningin van ’t feest. Wij betreuren het allen in ’t diepst van onze ziel, dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar ’t geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw de los Santos dansen gelijk een sylfide.
Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen, teneinde de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand.
Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten ga zoeken in Morfeus’ armen—alias ’t ijzeren ledikantje in ’t klooster—wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht.
Tot morgen, den grooten dag!
Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust:
De briefschrijver.
San Diego, 11 November.
Dit schreef de goede correspondent van ’t Manilasche blad; wat nu volgt, schreef “Kapitein” Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito:
“Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met zijn hanen en ’t bankspel alles verloren wat hij op ’t feest te Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had.
We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want hij heeft zich zelfs in ’t geheel niet vertoond. Jammer! ’t Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien.
De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met het ‘liam po’. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over pijn in ’t hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het draaibord van de ‘liam po’ langzamerhand stilstaat, dan buigt hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet, want ik ken meer zulke gevalletjes.
’t Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn vrouw is vroolijk en amuseert zich best.
je vriend
Martin Aristorenas.”
Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria Clara’s zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den eersten feestdag. ’t Luidde aldus:
“Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt, dat je niet ernstig ziek bent.
Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als Padre Dámaso er niet geweest was—die heeft getracht mij af te leiden door me allerlei dingen te vertellen—had ik me in mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken, voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten; zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.
Maria Clara.”
“P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de eerste-steen-legging. ’t Ga je goed.”
1 Lett. “oudste broeder”, nl. onder de Franciskanen.
2 Twaalf Pairs refereert aan de Paladijnse wacht van Karel de Grote. Ferragus is de naam van een reus in de vroeg middeleeuwse Franse literatuur.—J.H.
3 Dat is de Heilige Jacob van Compostela, beschermheilige van Spanje.
4 Eertijds aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje.
De muziek blies de reveille bij ’t eerste morgenkrieken, en deed door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het gepaf en geknal begon.
Het was de laatste dag van ’t feest, de eigenlijke groote feestdag. Men vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren talrijker dan die van de Allerheiligste Rozenkrans en de leden dezer broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.
Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:
“Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen ze wel bekeeren.”
De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker gestreept hemd van sinamai1, tot aan den hals toegeknoopt, gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.
“U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!” zeide de teniënte mayor tot hem. “Vindt u ’t niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier hebben? Er is immers zooveel om over te schreien.”
“Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!” antwoordde de oude man. “’t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en nood om ons heen is! Och, ik begrijp ’t wel: ’t is een zwelg- en bras-partij, om ’t zwijgen op te leggen aan al ’t geklaag!”
“U weet wel dat ik ’t met u eens ben,” hervatte Don Filipo, half ernstig, half lachend. “Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?”
“Je ontslag nemen!” antwoordde de filosoof en verwijderde zich.
“Mijn ontslag nemen,” mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk opwandelde. “Mijn ontslag nemen!
”Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning, ja dan nam ik mijn ontslag!”
De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. ’t Rook er naar buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten, vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen, en maakten de jongens aan ’t lachen. Een muziek-korps speelde voor het klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden, of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer van ’t feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend schouwspel aan.
De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee, gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging het karakter van een ruzietje aan.
Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de “dalmatiek”—’t witte priesterkleed—, een als die van den vorigen dag, waarover de waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn, behoorde de alcalde der provincie en tal van andere Spanjaarden en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken, want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de alférez, hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke, om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging, dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.
Toch scheelde ’t weinig, of onze correspondent had al wat hij geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan; nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die zich van ’t leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de hoogte gesteld had—behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis lezen—vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso’s orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle pidjet-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn gebraden kip en zijn half “Laguna”-kaasje, die hij anders alle morgens verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.
“Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!” zeiden de zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.
“De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen,” mompelden de zusters van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden, dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.
Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van ’t zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon er iets nieuws bij was: de broederschap der Hermanos Ferceros. Oude mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen, van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van ’t “klooster” te Manila, vanwaar ’t volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet verlaagd worden. In ’t zelfde klooster en in ’t gesticht van tante Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden, veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder, versletener en onbruikbaarder geworden zijn.
De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil van ’t weelderig kringetje negrito-achtig kroeshaar om de kruinschering.2 Zijn kleed was van goud-omboord satijn.
Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen, dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste al een statig uiterlijk miste, ’t zalvende had hij in hooge mate; hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren dezelfde baranggay-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu, behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid, dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der medemenschen.
De “coadjutor” met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan ’t reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog ernstiger en deftiger gezicht zette.
Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door ’t geluid van “bommen”, geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen, die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer, en baden ze vurig “credo’s” en “groetenissen.”
Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago, Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de “pluviale”, die hij over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier kwam te vallen.
Op straat, onder ’t venster, was een jonge vrouw met innemende gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de armen. ’t Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.
Toen ze den pastoor zag, strekte ’t wichtje de handjes naar hem uit, lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik dat het stil was, stamelend: “Pa... pa!” “Papa!”
De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van ’t kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.
Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden die getuige waren geweest van ’t tooneeltje glimlachten. De gewone bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.
En met dat al hadden de menschen ’t mis: de pastoor kende die vrouw zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.