XXIX.

In de kerk.

Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al ’t bestaande als woning aangewezen hadden was propvol.

Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk “ai” opklonk. In de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te bevochtigen, maar dan kwam op ’t laatste oogenblik de menschengolving en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw, die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in ’t wijwater te verfrisschen—een vocht dat al een modderkleurtje had, waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen hadden—streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin, voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De jonge menschen—’t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel—maakten ternauwernood het uiterste puntje van een vinger nat—dan konden de vromen ten minste geen aanmerking maken—en deden alsof ze hun voorhoofd even aanraakten. Allicht dacht ’t een of andere jongmeisje: “’t Mag gewijd wezen en al wat je wil, maar ’t heeft een kleurtje!...”

Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid waard. Zijn preek kostte aan ’t dorp twee-honderd-vijftig peso’s. De oude Tasio had gezegd:

“Twee-honderd-vijftig peso’s voor een preek! Een man en een heer! ’t Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!”

“Wat heeft dat nu met de komedie te maken?” antwoordde gemelijk de zenuwachtige meester der Derdebroeders. Met zoo’n komedie ga je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend gevraagd had, zouden we ’t hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar voor wezen...”

“Alles wel beschouwd, heb je gelijk!” hervatte onze wijsgeer. Ik ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie.”

“Nou pleizier heb ik van de komedie ook niet!” riep de ander woedend.

“Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van ’t een als van ’t ander.

En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem aangaande zijn hiernamaals uitsprak.

Wachtende op de komst van den alcalde stonden de menschen te transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten Rozenkrans.

“Laat de kinderkens tot mij komen,” zeide onze Heer Jezus Christus, dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die niet schreien.

Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê, zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar neergeknield lag:

“Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als op Goeien Vrijdag!”

En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en fronste de wenkbrauwen.

Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was, om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon zij hem na te doen.

Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken, die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem voor een tweeden burgemeester, en waagden ’t niet hem te naderen.

Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die op een tapijt stonden. De alcalde was in groot costuum, met de sjerp van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst.

Het volk herkende hem niet.

“Wel kijk!” riep een landbouwer, “een burger als komediant gekleed!”

“Onnoozele hals!” antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, “’t is Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!”

De alcalde rees in de achting van ’t volk, want zoo was hij in hun oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen.

De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door het luiden van ’t belletje en de welluidende stem der zangers. Padre Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken optraden.

Ieder zong goed, toen ’t zijn beurt was; al was ’t meer of minder een neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf: zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch, tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het “Dominus Vobiscum” met zalving uit, terwijl hij ’t hoofd eenigszins op zij hield, en naar de zoldering opkeek. Bij ’t opsnuiven van den wierook hief hij zich op, wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar ’t midden van ’t altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen—die voor Keizer gespeeld had.

“Daar gaat toch niets af,” dacht hij, “een enkele pastoor van ons is statiger dan alle keizers bij elkaar.”

Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent ’t zou uitdrukken. De alcalde en overige waardigheidbekleeders volgden. De muziek zweeg.

Deze overgang van ’t gedruisch tot de stilte deed de oude zuster Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan ’t snurken gegaan. ’t Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. ’t Kind gilde, maar werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen.

Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat op den grond op hun eigen beenen.

Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij verdween bij ’t opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven, dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik van minachting naar Padre Manuel Martin, den prediker van den vorigen dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen: “opgepast, broeder!” Het schrijfboek werd opengelegd.

Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen.

XXX.

De Preek.

Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij:

Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti.

(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw manna hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst.)

Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20.

Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan ’t zijne...

’t Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen op de leuning van ’t gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw opgeschilderd, netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes.

“Hoogedelgestrenge Heer (tot den alcalde), eerwaardste priesters, christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus.”

Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf.

Het eerste gedeelte van de preek zou in ’t Spaansch wezen, en het andere in ’t Tagaalsch: “loquebantur omnes linguas (Ze spraken alle talen)”

Na de toespraken en ’t zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak op den alcalde gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij ’t bovenlijf achterover en wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De alférez maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap getoond met haar middeltjes.

“Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk, de lucht is het voertuig van ’t heilig goddelijk woord, dat van mijn lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de vogelen der Hel ze opeten, maar opdat gij groeit en gedijt gelijk een heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel, die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon, den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de hemelsche Guardia Civil, dapperder dan al de guardias Civiles bij elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De alférez fronste de wenkbrauwen) Ja, meneer de alférez, dapperder en machtiger, die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige toelisan der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer, en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk fenomeen is de zalige Diego Alcala, die....”

En zoo ging ’t door.

De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden guardia civil, toelisan (roover), San Diego en San Francisco, merkten op wat een leelijk gezicht de alférez getrokken had en het krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de toelisan’s niet achtervolgde. San Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee belasten; en deden ’t heel goed ook, zooals men dat zien kon op een schilderij, dat zich in ’t klooster te Manila bevond, en waar de Heilige Franciskus alleen maar met ’t koord van zijn kleed den inval der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp en twijfelden niet, of, als eenmaal de toelisans verdwenen waren, de heilige ook de Guardia Civil zou verdelgen. Ze volgden dus Padre Dámaso verder met verdubbelde aandacht.

De pater wond zich meer en meer op.

Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had.

Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen:

“Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in den tuin des Heeren!...

Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af, werpt het in ’t vuur...!”

Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en welsprekendheid vergeten.

Ibarra werd onrustig: hij keek om zich heen naar een leeg hoekje, doch de heele kerk was vol.

Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij van de gezegende zielen in ’t vagevuur: zielen in de gedaante van spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die in ’t vuur aan ’t braden waren en zich vastklampten aan het koord van den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak.

De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den preek en sprong bij vergissing drie lange alinea’s over. Padre Dámaso, die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna dus blindelings:

“Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige als Diego de Alcalá kan zoo iets doen.

Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder: ‘Zoo geneest men dezen kranke!’

O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O, deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte talisman!”...

En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij wilde opvliegen of de vogels verschrikken.

“Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult, ook al leert ge ’t en ranselt men er u voor, geen latijn spreken: Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken is een genade Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn!

Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit zijn tijd.”

En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had!

Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt ’t toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig, met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud des harten, kuisch met liefde...”

En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten heilige. Dan:

“God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door ’t avemaria te bidden.”

Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend groote horzels. De alcalde boog met veel moeite een knie, en schudde ontstemd het hoofd. De alférez zag bleek en scheen zeer onder den indruk.

Onderwijl was Padre Dámaso, insteê van ’t avemaria te bidden, bezig zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van zijn beste alinea’s overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee “spritsen” en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, ’t zij van hout in den vorm van een duif, ’t zij van vleesch in de gedaante van een afgetrokken monnik.

De preek in de landstaal zou beginnen.

Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze ontwaakte en vroeg gemelijk:

“Is ’t al tijd om te huilen?”

“Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!”

Van het tweede deel der preek—in ’t Tagaalsch—bezitten we geen enkele aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar dagen van te voren hield hij repetitie.

Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek begreep: de menschen waren zoo kort van bevatting en de prediker was “zoo diep”, zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien, en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer in slaap.

Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het eerste, ten minste op sommige toehoorders.

Hij begon met een Mana kapatir kon kristiano (Mijn broeders in Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de mahal na santo pintakasi (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche zondaren en de deugdzame Franciskaner paters.

“Bliksem!” zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn kameraad: “Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!”

En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met zijn preek.

Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de heilige sakramenten, van gevloekte families, van trotsche opgeblazen halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes, studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen, zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens niets beters weten aan de hand te doen.

Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden, maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de alcalde dommelde.

Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie nederknielde en hem de hand kuste. “Maar tegenwoordig,” voegde hij eraan toe, “tegenwoordig neemt ge alleen de salakot af—die ge schuin op het hoofd zet, om ’t gekamde haar niet in de war te maken! Gij vergenoegt er u mee ‘goeden dag, among!’1 te zeggen en er zijn zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die, omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde: veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden.

En hij vermaande het volk, deze “wilden” toch vooral niet na te volgen, maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, omdat ze in de ban waren.

“Hoort wat de heilige conciliën zeggen!” bulderde hij. “Wanneer een inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij ’t hoofd buigen en zijn hals aan den ‘among’ bieden om er op te steunen. Als de pastoor en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden, zijn salakot of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen en niet weer opstijgen, voordat de pastoor soeloeng! (ga heen!) tot hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën, en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden.”

“En als iemand ’s op een karbouw zit?” vroeg een angstvallige landbouwer aan zijn buurman.

“Dan...moet hij verder gaan!” antwoordde de laatste, die een casuïst was.

Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want ’t ging met deze preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster Poetê dacht aan heel wat anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl riep ze hem toe:

“Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!”

Zooals te begrijpen was ontstond er een tumult. De prediker zweeg stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande, ging ze vroom op haar knieën liggen.

“O zoo! O zoo!” kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen, kruiste de armen en schudde het hoofd.

“Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken, wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb ’t wel gezegd, ha!”

En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De alcalde snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud: hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara in een tuin. Dat beneden in ’t dal de menschen met elkaar harrewarden, wat kon ’t hem schelen!

Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was olie op ’t vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog langer. Fray Sibyla beet zich op de lippen en verschikte herhaalde malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte.

Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd vermoeid en ging den preekstoel af.

Allen knielden, om God te danken. De alcalde streek zich de oogen uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig ah! uit, en geeuwde.

De mis werd voortgezet.

Toen Balbino en Chananay het “Incarnatus est” zongen en iedereen nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra’s oor: “Bij de zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid.”

Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in de menigte verdween.


1 Among = heer.

XXXI.

’t Hijsch-toestel.

Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht, om ’t ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; ’t was niet de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol aan op te hangen. ’t Was iets meer, ’t was behalve een massief, ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.

Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van ’t getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels, aan alle kanten neerhangend, gaven aan ’t geheel een aanzien van stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige afmetingen vormden de bekroning.

Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in ’t midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de geschiedenis van de stichting voor ’t nageslacht moesten bewaren. De drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde deze draaispil de kracht van een man.

“Kijk”, zeide ’t gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien, “kijk, Ñor Juan, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op- en neerhaal... ’t Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur, duim voor duim, ’t op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen, terwijl ik hier boven sta te draaien.

Ñor Juan kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo’n bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en aanmerkingen, en prezen den gelen man.

“Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?” vroeg Ñor Juan hem.

“Van mijn vader, mijn overleden vader!” antwoordde hij met zijn eigenaardig lachje.

“En uw vader?...”

“Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo.

“Ik wist niet dat Don Saturnino...”

“O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel ’s zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult ’t wel ’s zien!”

En ’t gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.

Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.

In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en overvloedige feestmaal aangericht.

Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In ’t priëel stonden de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed, konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor ’t dorstige publiek.

De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht, en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.

Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de alcalde. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben, en zoo’n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering gehouden worden.

Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. ’t Was Elias die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn salakot en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich ’t beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil, aan de rand van de uitgraving.

Tegelijk met de muziek kwamen de alcalde, de leden van ’t gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal ’t zwakke punt bij Zijne Exellentie.

Capitán Tiago, de alférez en nog eenige andere notabelen liepen omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.

“U kan altijd op mij staat maken wanneer ’t een goed werk betreft,” zei de alcalde tot Ibarra. “U heeft mijn steun, en ik zal u alles verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat anderen het u verschaffen.”

Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar ’t vreemdsoortig getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.

De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap de kwast en ’t wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van Padre Salvi beefde.

Onderwijl had men in ’t kristallen kistje alles neergelegd wat erin moest—handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.—en ’t geheel binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd toegesoldeerd.

“Meneer Ibarra, wilt u ’t kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor wacht op u!” zeide de alcalde ’t jongemensch zacht in ’t oor.

“Ik zou ’t gaarne doen”, gaf hij even zacht terug, “maar ik vrees dat ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden: meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!”

De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.

’t Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld op zou komen te liggen.

Ibarra bood den alcalde een troffel aan, op welk breed zilveren blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield nog eerst een toespraak in ’t Spaansch.

“Burgers van San Diego!” zeide hij op deftigen toon, wij hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij ’t u zeggen. Er wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is.”

En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning en ’t doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.

Met een leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en leve de katholieke godsdienst!” werd de toespraak besloten.

“Leve! Leve!” antwoordden veel stemmen. “Leve onze Alcalde!”

Daarna daalde deze statig in den kuil, bij ’t inzetten der muziek. Hij legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde statigheid naar den beganen grond.

De beambten klapten in de handen.

Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken, die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde, onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de alcalde, doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.

’t Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend, bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en de alférez gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago werd niet vergeten.

Bleef nog Ibarra, en reeds zou ’t bevel aan den gelen man gegeven worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid, zeide:

Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?”

“Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook eten?” antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.

“Kom, kom!” zei de alcalde en gaf hem een zacht duwtje. “Als u ’t niet doet, geef ik order dat de steen in ’t geheel niet neergelaten wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!”

Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende opening aan zijn voeten.

Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem tot Ñor Juan:

“Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!”

De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil gebogen, Ibarra’s bewegingen angstvallig volgde.

Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en kalk werd omgeroerd, door ’t zachte geruisch der gelukwenschen heen, die de beambten voor zijn rede tot den alcalde richtten.

Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan ’t toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als een stormram tegen ’t getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.

Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan, te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil en ’t steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met een ontzettenden blik naar ’t lijk van een man, dat aan zijn voeten lag, half begraven onder de balken.

Bent u niet dood?—Leeft u nog?—Om Gods wil, spreek toch!” zeiden eenige beambten vol ontzetting en deelname.

“Een wonder! Een wonder!” riepen er eenigen.

“Laten er menschen hier komen om ’t lijk van den stakkerd weg te halen!” zei Ibarra als uit een droom ontwakend.

Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven, en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.

Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde, liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.

“Wie is er dood? Of leeft hij nog? vroeg de alférez.

Men herkende in ’t lijk den gelen man, die naast de draaispil gestaan had.

“Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van ’t werk!” was ’t eerste dat de alcalde kon uitbrengen.

Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar ’t hart klopte niet meer. De slag had hem aan ’t hoofd getroffen, en ’t bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende, zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.

De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen:

“God is rechtvaardig, God is goed!”

“Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar gestaan heb!” zeide een der beambten tot Ibarra,verbeeldt u dat ik de laatste geweest was! Jezus!”

“De haren rijzen me te berge!” zeide er een, die half kaal was.

“’t Is maar goed dat u zoo iets overkomen is, en niet mij”, mompelde een oud kereltje, dat nog beefde.

“Don Pascual!” riepen eenige Spanjaarden.

“Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als ik niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan zijn, alleen door er aan te denken.”

Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria Clara’s toestand.

“Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten, meneer Ibarra!” zeide de alcalde.

“God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch ’s die steen op u gekregen had!”

“Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!” riep de notaris uit. “Ik heb ’t wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar beneden. Ik heb ’t wel gezien!”

“De doode is maar een inlander!”

“Laat ’t feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer levend met treuren. Capitán, hier moeten de noodige maatregelen genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van ’t werk moet in hechtenis genomen worden!”

“Ja, in ’t blok!”

“In ’t blok! Hei, muziek, muziek! De baas in ’t blok zetten!”

“Meneer de alcalde,” zeide Ibarra op ernstigen toon:

“Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen, van wien we in ’t geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste dagen ten minste.”

“Goed! Goed! Maar laat ’t hem niet weer gebeuren!”

Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was, stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van zijn parochie toeschreef.

Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk, op ’t oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had, en de gele man niet: ’t was dus klaar als de dag.

“Zie je? Jij woû niet naar de mis,” zeide een moeder tot haar zoon, “als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu ook naar ’t raadhuis, in een kar, net als die daar!”

Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld, naar ’t raadhuis vervoerd.

Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden.

“Een leelijk begin, hm!” zei de oude Tasio en verwijderde zich.