Dame uit Havanna.

Dame uit Havanna.

In den beginne scheen alles zeer goed te zullen gaan; de Kamers legden hare wetsvoorstellen voor aan den President, die zijn veto mocht uitbrengen, tenzij eene wet een meerderheid verkreeg van twee derde der stemmen van de volksvertegenwoordiging. Dank zij de gelukkige samenwerking van het hoofd van den Staat met hen, die hem ter zijde stonden, werd veel goeds tot stand gebracht; zoowel door maatregelen tot bevordering van de volksgezondheid, en door de instelling van een sanitaire- en veiligheidspolitie, als door de oprichting van nieuwe scholen, het aanleggen van wegen (in 14 jaren breidde zich het net van wegen over het eiland uit van 590 tot 4053 K.M.), en de verbetering van den post- en telegraafdienst. Ook werden met het buitenland voordelige tractaten gesloten. Zoo werd een overeenkomst aangegaan met de Vereenigde Staten, waarbij producten uit Cuba in de amerikaansche havens werden ingevoerd met 20 percent reductie, op voorwaarde, dat de amerikaansche waren in Cuba een reductie van 30 percent zouden genieten. Door deze overeenkomst, aangegaan voor den tijd van vijf jaren, nam de invoer van amerikaansche waren in Cuba verbazend toe, zonder dat daardoor de handel van Cuba met Europa schade leed.

Een leening van 175 millioen francs werd gesloten, om aan 30 000 strijders voor Cuba’s vrijheid schadeloosstelling te verschaffen voor het verlies van hun grond, die gedurende den vrijheidsoorlog verwoest was. Hierdoor geraakte de landbouw tot vernieuwden bloei; de levensmiddelen werden goedkooper en bij de algemeene welvaart nam de bevolking toe, toen helaas aan den politieken hemel zich wolken vertoonden.

Twee partijen waren allengs ontstaan; ter eener zijde de voorstanders van amerikaansche denkbeelden en al wat amerikaansch was, en daar tegenover de liberale partij, die onder de leus “Cuba aan de Cubanen”, Amerika openlijk vijandschap had gezworen. Een heftige pennestrijd werd van weerszijden gevoerd door bekwame journalisten, waaronder vooral de mulat Juan Alberto Gomez uitmuntte.

Eindelijk, den 23sten September 1905, moest de verkiezing van nieuwe kamerleden plaats hebben. Door list en bedrog gelukte het der gematigde partij een groote meerderheid te verkrijgen, waarop de liberalen handelend optraden, en onder hun drie leiders, generaal José Miguel Gomez, senator Alfredo Zayas en Juan Gualberto Gomez naar Havanna trokken. De regeering, die overrompeld werd en niet voldoende troepen tot hare beschikking had, wilde geen nieuwe verkiezingen doen plaats hebben, en moest tegen wil en dank aftreden.

Cubaansch jong meisje.

Cubaansch jong meisje.

Zonder hoofd kon de republiek echter niet blijven, en toen de pogingen van president Roosevelt om beide partijen te verzoenen vruchteloos bleken, maakten de Vereenigde Staten (krachtens het amendement Platt) gebruik van hun recht om vrede te stichten, en benoemden tot gouverneur van Cuba den heer Taft, die thans zijn taak aan den heer Magoon heeft overgedragen. Deze zal waarschijnlijk zijn ambt bekleeden totdat het opnieuw aan het volk vergund wordt, zijn eigen vertegenwoordigers te kiezen en zoo in waarheid een republiek te worden. Het is voor Cuba te hopen, dat de moeilijkheden op vreedzame wijze worden opgelost, en het land een betere toekomst te gemoet gaat.

Toen Christoffel Columbus Cuba voor het eerst aanschouwde, verklaarde hij het voor het schoonste eiland, dat hij ooit had gezien. Ik aarzel niet, die uitspraak van den ontdekker te beamen; ook op mij maakte het een onuitwischbaren indruk.

De gesteldheid van den bodem is vol afwisseling. In de omstreken van Havanna grenzen kleine vlakten aan lage heuvels, het vlakke westelijk deel sluit zich aan bij een hoogen bergketen, die in een hoogvlakte eindigt; het midden van het land is gedeeltelijk moeras, gedeeltelijk golvende laagvlakte, waartusschen verspreide heuvelen verrijzen, terwijl het Oosten gevormd wordt door vlakten, rivieren, een bergketen en een hoog heuvelland.

Ook de geologische formatie van den bodem is zeer afwisselend. In het Westen is kalk- en kleigrond; de tabaksplantages liggen op een bodem, waar kalk, klei, kwarts, kiezel en ijzer wordt gevonden. In het midden des lands, waar suikerriet wordt verbouwd, is de bodem kalk, vermengd met klei of ijzer; òf kalk boven een laag zand, twee samenstellingen, die de roode en de zwarte aarde vormen. In het bergachtige Oosten, waar zich de uitgestrekte grasvlakten bevinden, op welke het vee graast, is de bodem een mengsel van kalk, klei en kiezel. In de hoogere streken is de grond hier en daar vulkanisch, en men ziet er granietvormingen, waarin marmer, bruinsteen, koper, ijzer, goud, steenkool, lood, zink, graphiet, en asbest worden aangetroffen. Ook ontspringen hier bronnen, die ijzer en magnesium bevatten.

De grond is uiterst vruchtbaar. Bijzonder veelvuldig wordt hier een boom aangetroffen met een lichtgekleurde schors en zware takken; de oreodoxa regia, of roem der bergen, ook bekend onder den naam Koningspalm. Naast dezen boom, die alleenstaand of in groepen voorkomt, zag ik ook andere palmsoorten, de kleine criolla, die een fleschvorm heeft; de coroio, met een zeer dikken stam, de hata, een gedrongen boom met een breedgespreide kruin, de cana, die fier haar waaiervormige bladertrossen omhoog heft, en een zeer slanke palmsoort, de juraguana, die rank en puntig als een ijzerdraad omhoogschiet.

Het overtrekken van een rivier in een zoogenaamde “volanta”.

Het overtrekken van een rivier in een zoogenaamde “volanta”.

In de tabaksplantages staan de frischgroene planten in geregelde rijen geschaard, en daarnaast prijkt het teere lichtgroen van het suikerriet. Ook maïs en andere graangewassen worden verbouwd, zoowel als groenten en tomaten. Ik zag ook een groote verscheidenheid van grassoorten; de paral in de lagere, de guinea in de hoogere streken; de millo, een soort riet en de pitilla, een zeer fijn gras, dat in de savanna groeit.

In de bosschen der laagvlakte tieren ceders, mahonie-, ebbenhout en campêcheboomen; in de bergen veel varens en bamboesoorten. In het dichte kreupelbosch vond ik de cupey, een soort klimop, terwijl zich op open plekken hier en daar een zeer merkwaardige boom vertoonde, de ceiba, met een hoogen, effen, gladden stam en een breedvertakte kruin, die bedekt is met woekerplanten. Zelfs in de dorste streken groeit struikgewas, zooals de paratejos en vacabueys, met stekelige bladeren. Kokos, mango- en oranjeboom groeien in vruchtbaarder bodem, terwijl kweekerijen worden aangelegd van ananas, bananen, koffie- en cacaoboomen, en van geneeskrachtige kruiden.

Die overvloedige plantengroei is niet alleen aan de gesteldheid van den grond, maar ook aan een uiterst gunstig klimaat toe te schrijven. Ten eerste valt in October en April rijkelijk regen, en is de lucht in de andere maanden van het jaar verzadigd van vocht; ten tweede wisselt de temperatuur in de bergen tusschen 11° en 28°, en in de vlakten tusschen 13° en 40°. De winter, die van October tot Mei, en de zomer, die van Mei tot October duurt, verschillen niet veel in warmte. In het laatste jaargetijde stijgt de thermometer tot ongeveer 33°; doch des avonds valt dan ook meestal regen, die de lucht afkoelt. Gedurende den winter waait de wind uit het Noorden, en in den zomer wisselt een zachte Zuidenwind (virason), die van 10 tot 3 uur overdag waait, af met een lichte bries uit het Noorden (di tierra) die des avonds om acht uur opsteekt en des morgens om drie uur gaat liggen. In December en Januari daalt de thermometer, bij droog weder, niet onder 9°. Deze ligging tusschen zeewinden, uit het Noorden en het Zuiden, draagt ertoe bij, de lucht hier bijzonder gezond te doen zijn. Ook wordt de zuiverheid der atmospheer bevorderd door de aanwezigheid van een menigte gieren, zwarte vogels met rooden hals, welke zich voeden met allen afval, die anders de lucht verontreinigen zou.

De kleine rieten hutjes, die overal in Cuba in het veld verspreid staan, geven het land een schilderachtig voorkomen. Het boerenhuis, bohio genaamd, bestaat uit twee vertrekken, die door gevlochten palmwanden gescheiden zijn; het dak is met bladeren gedekt. Van buiten ziet zulk een gebouwtje er niet zeer stevig uit; maar van binnen is het zeer behagelijk ingericht. Al is de keukenhaard wel wat primitief, in de slaapkamers zijn de muskieten-gordijnen om de bedden met bevallige zwier geplooid, en in het woonvertrek prijkt dikwijls een moderne naaimachine. Daar het bouwen van zulk een huisje niet meer dan 25 pesos, of honderd francs behoeft te kosten, verhuizen de bewoners zonder veel bezwaar, om zich op een andere plantage opnieuw in te richten.

De bewoners van het platteland zijn huiselijk van aard; waarschijnlijk een gevolg van reactie na de lange jaren van onrust en oproer, toen overal de indringers moesten worden geweerd. Thans genieten deze lieden dubbel van het rustige besef hunner veiligheid.

Omtrent het begrip arbeid huldigt men hier geheel andere opvattingen dan in Europa. De bewoner van Cuba werkt niet harder dan volstrekt noodzakelijk is; en de vruchtbaarheid van den bodem is zoo groot, dat de landbouwer eigenlijk gedurende acht maanden van het jaar niets behoeft uit te voeren. Wat hij verbouwt verkoopt hij zelden, doch indien dit eens gebeurt, weet hij er een aardig voordeeltje aan te behalen. De verkregen winst is echter spoedig weer gevlogen; want geld uitgeven en inkoopen doen is de geliefkoosde bezigheid van mannen en vrouwen beide. Uren brengen de boeren ook door in café’s, waar zij domino, kaart, schaak en biljart spelen, en praatjes maken in ’t oneindige. Want de Cubanen zijn eerste babbelaars, en alsof ze voor tijdverdrijf nog niet genoeg hebben aan het zingen van smachtende en dartele liedjes, aan guitaar en mandoline, aan wals en danzon, vullen ze een groot aantal ledige uren met hun aanhoudend gebabbel. De eindelooze woordenstroom wordt slechts nu en dan afgebroken door de gebruikelijke uitroepen: que tal que va, hombre, regular, en Ave Maria purissima. Tijdens mijn verblijf te Cuba hield de politiek en de schadevergoeding, uitgekeerd aan de voormalige strijders voor ’s lands vrijheid, voornamelijk de gemoederen bezig.

Over geldelijke aangelegenheden maken zij zich uiterlijk nog al warm; maar in den grond nemen zij die zaken toch niet zwaar op.

Werken is dan ook eigenlijk overbodig voor lieden, die niets noodig hebben dan een Panamahoed, dien ze jaren achtereen dragen, eenvoudige linnen kleeding en het voedsel dat hun stukje grond in overvloed oplevert, terwijl de dagelijksche uitgaven van een geheel gezin niet meer bedragen dan vier francs. Ik spreek natuurlijk slechts van de bevolking op het platteland, die een gemakkelijk leventje leidt, nooit haast heeft, en alles liefst maar uitstelt tot morgen. “Manana!” zeggen zij.

Van paardrijden houden zij bijzonder veel. Telkens ontmoet men in ’t wit gekleede ruiters, met hun Panamahoed en de guayavera, een soort van fijn geplooid hemd, met zakken, dat in geheel westelijk Cuba gedragen wordt. Zij zitten zeer goed te paard, op hun zadel met ronden knop, en met de voeten in stijgbeugels, die van voren met leer zijn bekleed. De paarden hebben een eigenaardigen gang, die geen draf en geen galop is, maar een geregeld sukkeldrafje, waarbij ze zich zoo zacht en gelijkmatig voortbewegen, dat de ruiter, naar men zegt, een vol glas water in de hand kan dragen, zonder een druppel te storten. Die cubaansche paardjes zien er soms bemodderd en ontoonbaar uit; maar kunnen verbazend lange afstanden afleggen; altijd wanneer men ze behoorlijk rust gunt in de stations of herbergen, die op geregelde afstanden langs de wegen zijn geplaatst.

De meest voorkomende van deze inrichtingen is de bodega, een soort van open tent, met een toonbank, waar wijn, bier, vruchten etc. te krijgen zijn, en waar men rusten en iets gebruiken kan. Op de vaste pleisterplaatsen zijn uitgebreider inrichtingen van dien aard, die tienda mixta heeten, en waar bijv. ook kleedingstoffen worden verkocht, of zelfs wel meubelen en toilet-artikelen. In het laatste geval draagt zulk een magazijn den naam van almacen; de klanten zitten er op tabouretten en worden geholpen door bedienden in hemdsmouwen. Dergelijke winkels vindt men echter alleen in vrij belangrijke plaatsen.

De steden en dorpen zien er aantrekkelijk uit; de wit en blauw geschilderde huisjes geven een frisch en levendig aanzien. De hoofdstraat is meestal een met gras begroeide rechte laan, zonder plaveisel, en dus, als het regent, onbegaanbaar voor de voetgangers, die dan maar een heenkomen moeten zoeken onder enkele planken afdakjes, die ter beschutting zijn aangebracht en behooren tot de deftigste huizen, welke toch altijd met riet gedekt zijn. Is zulk een gebouwtje een hôtel, dan staan onder dat afdak gedekte tafeltjes, dikwijls door wijnvlekken ontsierd, en in de slaapkamers, door lage beschotten gescheiden, gewone veldbedden met een zeildoek bespannen.

In de kleine steden dragen de rechthoekig elkaar kruisende straten fraai klinkende namen van vrijheidshelden, Marti, Maceo, Gomez ... Daar is dan ook de hoofdstraat geplaveid en het marktplein versierd met palmen en bloemperken. Druk is het in die kleine plaatsjes altijd; over dag verdringen zich ruiters en rijtuigen, soms met ossen bespannen, want de bewoners zijn verbazend lui, en zullen geen voet verzetten als het eenigszins te vermijden is. Des avonds is de straatverlichting (door gas of electrisch licht) zeer voldoende.

Het opstandelingen-leger.

Het opstandelingen-leger.

Nog eer de kerkklokken het Angelus hebben geluid, beschouwt men hier het dagwerk als afgedaan; de heeren liggen languit te rusten in hun fauteuil; de dames spelen nog een uurtje piano, eer het tijd wordt naar de komedie te gaan. Want in den schouwburg is altijd iets te zien of te hooren, dank zij de vele reizende muziek- en tooneelgezelschappen. Ook trekken wel tien of vijftien circustroepen het land door, die vooral onder de zwarte bevolking grooten opgang maken. En dan, niet te vergeten, de steeds zich herhalende bals en danspartijen, waarvan de jeugd gretig gebruik maakt, en waarbij een menigte billets-doux worden gewisseld, die na de thuiskomst worden gelezen en genoten.

Op het land echter is men niet zoo afkeerig van zich eens te verplaatsen, als in de stad. Ondanks het gebrek aan paarden en muilezels, waarvan het aantal in de jaren van oorlog zeer verminderd is, doen de Cubanen toch zeer dikwijls lange tochten te paard. Een vreemdeling kan hier voor een centen, d.i. 26.40 francs, plus omstreeks zes francs per dag voor voedsel en verzorging, een paard huren.

De weinige wegen, die het eiland doorsnijden, bieden heerlijke, afwisselende uitzichten aan en zijn beplant met schaduwrijke boomen. De weg van Cotorro naar San José de las Lajas is bijv. over een lengte van veertien kilometer door prachtige laurierboomen begrensd. Doch deze weg is, behalve die van San Cristobal, eigenlijk de eenige in de provincie Havanna die voor voertuigen berijdbaar is.

Behalve deze schaarsche verkeersmiddelen vindt men in Cuba niet anders dan de meest primitieve voetpaden, die door velden en akkers, of door bosch en struikgewas slingeren. Rivieren moet men doortrekken op de plaatsen waar zij ’t gemakkelijkst doorwaadbaar zijn. En de bodem is natuurlijk, al naar het jaargetij, niet anders dan dik stof, of taai slijk, om niet te spreken van de plekken, waar scherpe rotspunten het gaan nog bezwaarlijker maken.

Het is jammer, dat het land in dit opzicht zoo achterlijk is gebleven. Voor vijf jaren besloeg het net van wegen slechts 256 kilometer, en dat der spoorwegen 1505 kilometer, terwijl verschillende lijnen, halverwege voltooid, aan hun lot waren overgelaten. Door tusschenkomst van Amerikanen werden in vier jaren 150 kilometers wegen hieraan toegevoegd, en bovendien een spoorweglijn van 542 kilometer aangelegd van Santa Clara naar San Luis.

Maar er blijft nog veel te doen over. Plannen bestaan, om 4053 kilometer wegen te laten aanleggen, die in veertien jaar gereed zullen zijn. Het werk wordt echter vertraagd door gebrek aan middelen. Het blijft bij plannen beramen, en misschien zal het nog lang duren, eer Cuba in het bezit is van behoorlijke verkeerswegen, waarop trouwens de landelijke bevolking, aan den tegenwoordigen toestand gewend, niet eens zeer nadrukkelijk aandringt.

Een ouderwetsch vervoermiddel, dat nog in het geheele eiland wordt gebruikt, is de volanta, een houten bak, met laag uitgesneden zijden, een vertikale voorplank en een lage, breede achterbank, beschermd door een zware leeren kap. Dat gevaarte is met riemen op een los onderstel met zeer hooge wielen bevestigd, om zoodoende den reiziger eenigszins te vrijwaren voor de geweldige schokken, waaraan het voertuig is blootgesteld door de oneffenheid van den bodem.

De societeitszalen zijn ruim en gemakkelijk ingericht.

De societeitszalen zijn ruim en gemakkelijk ingericht.

De guagua is een lang soort tentwagen, die aan alle zijden goed overdekt is, en waarin men voor slecht weder dus wel is beschut; maar men komt er slechts heel langzaam mee voort, ondanks het vijftal paarden of muilezels, die het toestel trekken.

Men zou de cubaansche spoorwegen te veel eer bewijzen, als men ze met den naam van spoorwegnet betitelde, want zij beslaan met elkander niet meer dan 2371 kilometer. Toch behooren zij aan veertien maatschappijen van verschillende nationaliteit, cubaansche, spaansche, engelsche en amerikaansche. Tusschen de steden en de omliggende plaatsjes komen en gaan de treinen omstreeks driemaal per dag, op het land éénmaal daags, en in het binnenland slechts twee of driemaal in de week. De locomotieven en spoorwegrijtuigen zijn al zeer primitief, en alleen op de westelijke lijn, van Pinar del Rio en op de oostelijke, van Santiago, is voor eenig comfort gezorgd; wat echter nog niet heel veel wil zeggen. Want op de laatste lijn, die 869 kilometer lang is, staan in de groote sombere waggons niet anders dan houten of matten stoelen, en een paar draaibare rieten leunstoelen, waarin men het landschap op zijn gemak kan waarnemen. Door Havanna, Matanzas, en Santa Clara rijden bespottelijke ouderwetsche locomotieven, met eertijds roode en groene, vervelooze kasten van waggons, waarin de reizigers onbarmhartig worden heen en weergeschud. Komt men in minder dichtbevolkte streken, dan wordt het nog veel erger; als station doet daar dikwijls een planken loodsje dienst, of zelfs een oude spoorwegwaggon. Het is ieder geraden, zijn biljet met amerikaansch geld te betalen; geeft men spaansche munt, dan krijgt men zijn kaartje eerst na langdurige berekeningen van den beambte aan het loket.

In de coupés zitten blanken, creolen, mulatten en negers broederlijk bijeen. Onder de reis worden u door kooplieden fransche romans ter lezing aangeboden, en aan de stations, waar de trein stilhoudt, wordt men overvallen door troepen kleine negerjongens met couranten, bananen, chinaasappelen, suikerriet, mango’s, meloenen, kokosnoten, geconfijte vruchten, guava-gelei, koekjes, verfrisschende dranken van allerlei kleur, die gaseoza worden genoemd, en cigaren; dikwijls ook bontgekleurde vogeltjes, en bouquetjes gardenias. Intusschen vallen bedelaars u lastig met hun gejammer, en als er dan nog muziek bijkomt, is het aan de stations een leven als een oordeel. Daar het reizen per spoor zeer duur is (14 centimes per kilometer) doet men het verstandigst, zich, als het maar eenigszins kan, van een ander vervoermiddel te bedienen.

Gelukkig doen de stoombooten te Cuba de meeste belangrijke plaatsen aan. Op de lijst der stoomvaartmaatschappijen staan aangegeven:

1. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke en zuidelijke havens der westelijke provincie.

2. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke havens der oostelijke provinciën.

3. Een wekelijksche dienst, en een andere, tweemaal per week, naar de zuidelijke havens der oostelijke provinciën.

Er zijn vijf stoomvaartmaatschappijen, twee cubaansche, een spaansche, en twee amerikaansche. Zeer druk is het verkeer met de Vereenigde Staten; dagelijks varen stoombooten naar Keywest; om den anderen dag naar Tampa en Mobile; tweemaal ’s weeks naar New-York; viermaal ’s weeks naar Jamaica; tweemaal in de maand naar Haïti en Porto-Rico; en eens per maand naar Frankrijk, Spanje en Duitschland; terwijl Liverpool wordt aangedaan door de koopvaardijstoomschepen.

Het bevochtigen der bladen tabak.

Het bevochtigen der bladen tabak.

Nog slechts voor kort zijn nauwkeurige kaarten vervaardigd van het uitgestrekte eiland. De verbindingen met het binnenland waren gebrekkig, en de bewoners kenden zelf de grenzen niet van hun eigendom. Onder het spaansche bewind vergenoegden zich de beambten met een bepaald punt op het papier vast te stellen, en daaromheen een willekeurige oppervlakte te teekenen van eigen vinding. Zoodoende ontstond een denkbeeldige verdeeling van den grond, die in de verte niet met de werkelijkheid overeenkwam, waardoor natuurlijk herhaaldelijk processen ontstonden, die thans nog voortduren. In 1898 werd voor het eerst, door toedoen van Amerikanen, een kaart van het geheele land gepubliceerd, op een schaal van 1/500 000; nadat reeds een uitvoerig ontwerp was verschenen op 1/132 500, vervaardigd door den Cubaan Pichardo, die het werk van een honderdtal landmeters had verzameld en geschift. Thans zal binnenkort een volledige kaart verschijnen, opgemaakt door de cubaansche regeering naar gegevens, haar verstrekt door ambtenaren van de afdeeling publieke werken, aan wie de kadastrale opmeting van den bodem is opgedragen. Langzamerhand worden, met behulp van ingenieurs van alle nationaliteiten, de vroeger begane fouten verbeterd. Indertijd vond men het voldoende, alleen de kustlijn getrouw weer te geven, en de opmeting van het binnenland aan onbevoegden over te laten; hoewel toch de oudste eigendomsconcessie reeds van 1514 dateerde.

Het eiland Cuba heeft een oppervlakte van 118 832 vierkante kilometer, een lengte van bijna 1230 en een breedte van 40 tot 200 kilometer. De bevolking bedroeg in 1775, 171 620 zielen; in 1841, 1 007 624, in 1887 1 631 687, in 1899 1 572 797, in 1903 1 653 486, en dit getal is thans nog aangroeiend.

Deze bevolking bestaat uit 1 052 497 blanken, 505 443 negers of mulatten, en 14 857 chineezen. De verhouding tusschen beide seksen is ongeveer gelijk. Slechts 40 percent der bewoners leven van handenarbeid. Zij zijn verdeeld over 83 gemeenten, gelegen in zes provinciën, waarvan de kleinste, maar dichtstbevolkte Havanna is.

De provincie Havanna is ongeveer 57 kilometer breed en 107 kilometer lang. De helft van deze oppervlakte, ’t zij heuvelachtig of vlak, is met bosch bedekt.

Op mijn eerste uitstapje buiten de stad in oostelijke richting, vertrok ik van het station Villanueva. De trein stoomde langzaam door een drukbevolkte wijk, en daarna sneller langs den botanischen tuin en de Quinta de los Molinos. Weldra bespeurden wij aan de verspreide palmen en het dichte struikgewas, dat wij de stad achter ons hadden gelaten, en kort daarna hielden wij stil, eerst bij het vroolijke dorp Campo Florido, en toen te San Miguel, een plaatsje waar zeer veel suikerriet wordt verbouwd. Jaruco, dat van het begin der vorige eeuw dagteekende, is sedert den 18den Februari 1896, toen de opstandelingen er 136 huizen verwoestten, eigenlijk een bouwval gebleven. Doch de heerlijke omstreken, waar cactus, palmen en kokosboom welig tieren, zullen wel weder nieuwe bewoners lokken naar het plaatsje, dat nu slechts 1700 inwoners telde. Verder spoorden wij langs het dorp Bainoa, met zijn houten kerkje, gelegen te midden van bananenplantages en suikerrietvelden, en daarna volgde Aguacate, een aardig plaatsje van 6000 inwoners. Aan den horizon zagen wij thans lage heuvels verrijzen, en door fraaie bosschen en langs begroeide hellingen zetten wij onzen tocht voort naar Madruga, liet einddoel van dit uitstapje, op 87 kilometer afstand van Havanna gelegen, een allerbekoorlijkst plaatsje met zijn hellende straten, zijn square, en het hoog gelegen hotel, waar men van de veranda een uitzicht heeft als op een belvedère. De 2000 inwoners beklagen zich zeer over het nadeel, dat de oorlog hun heeft toegebracht. Zij zouden echter een aanzienlijk voordeel kunnen trekken uit een minerale bron van een temperatuur van 27°, die hier in de nabijheid ontspringt en in 1866 het eigendom van de gemeente is geworden; terwijl een heuvel, vlak daarbij gelegen, de Jiquima, zeer geschikt zou zijn voor de oprichting van een Sanatorium. Men heeft van daar een prachtig uitzicht op de heuvels van Grillo en Industria. Op de Jiquima was ook een monument opgericht voor 46 Cubanen, die hier waren gesneuveld.

Bij het volgende uitstapje, dat ik maakte, ditmaal in een zuidelijke richting, van Havanna uit, maakte ik gebruik van de guagua, en had door dit vervoermiddel gelegenheid, beter al de bijzonderheden van een der schoonste wegen op Cuba te kunnen waarnemen. Eerst kwamen wij door het dorp Luyano, omringd door weiden met grazend vee; daarna bereikten wij door een boschrijke vallei het dichtbelommerde San Francisco de Paula, en vervolgens een tweede dorp, Cotorro. Na het verrukkelijk gelegen gehuchtje Cuatros Caminos liep de weg twee uren lang tusschen de prachtigste laurierboomen, terwijl aan beide zijden een heerlijk landschap zich uitstrekte van lachende velden en weelderig groen. Wij kwamen hier veel karretjes met melk en bananen tegen. Wel honderdvijftig van die voertuigjes, elk beladen met tweeduizend liter melk, of groote hoeveelheden bananen, komen elken morgen aan in Havanna, na van het dorp José de las Lajas een nachtelijken tocht te hebben volbracht van 26 kilometer. Ik rustte uit van den langen rit in een zeer goede herberg te Campamento Cubano, een plaatsje van twee duizend inwoners, dat een zeer welvarenden indruk maakte. Om zes uur begaven wij ons weer op weg, en trokken door velden van bananen, suikerriet, maïs en tabak naar Loma Candela, een plateau, waar men een uitzicht heeft over een twintig kilometer breede vruchtbare vallei, die zich uitstrekt tot aan de zee, welke men van hier flauw kan onderscheiden. Guines, het volgende plaatsje waar wij stilhielden, scheen mij een modelstadje toe. Ik vernam, dat een der bewoners, Francisco Arango y Parreno, er twee en dertig scholen had opgericht. Dat getal scheen wel wat groot voor een kleine stad, doch de toedracht der zaak werd mij duidelijk, toen ik hoorde, dat gebrek aan de noodige ruimte de oorzaak was geweest, dat de leerlingen in een zoo groot aantal verschillende lokalen werden geborgen. De vruchtbaarheid van den bodem is hier verbazingwekkend. Geregeld tweemaal in het jaar wordt er geoogst. Vooral tomaten worden hier in groote hoeveelheid verbouwd, en jaarlijks worden 200 000 kisten van deze vruchten verzonden. Zestig van Cuba’s grootste grondeigenaren zijn Amerikanen, die een levendig handelsverkeer onderhouden met de Vereenigde Staten, al laten zij inlandsche arbeiders werken op hun bezittingen. Door de toenemende belangrijkheid van dit bloeiende plaatsje scheen er sprake van te zijn, dat het door middel van een kanaal met de zee zou worden verbonden. Van het goedgebouwde station ging hier een lijn naar het zuidwesten, door suikerrietvelden en palmbosschen, waartusschen witte huisjes lagen verstrooid, naar de dorpen San Nicolas, Vegas en Palos. Toen wij dertig kilometer van Guines en honderdtwee kilometer van Havanna waren verwijderd, moesten wij terugkeeren, als wij ons vooraf vastgesteld reisplan wilden volgen en nog eenige van de mooiste punten in oogenschouw zouden nemen. Meer en meer bespeurden wij, dat wij ons van de beschaafde streken verwijderden, de omgeving werd steeds schilderachtiger, maar ook landelijker, tot wij eindelijk ophielden in het armoedige plaatsje San Felipe, waar ik een onrustigen nacht doorbracht, daar een luidruchtige troep acrobaten van een reizend circus den geheelen nacht aan het rumoer maken was in een aangrenzend vertrek, zoodat ik geen oog dichtdeed.

Toch vertrok ik reeds weder den volgenden dag, na mijn terugkomst te Havanna, van het station Villanueva, om thans een tocht naar het noordwesten te ondernemen, waar ik de suikerrietvelden en de fabriek van Toledo bezichtigde, en het hospitaal van Mazorra, waar ook krankzinnigen worden verpleegd. Door de vlakte van Rincon spoorden wij verder langs San Antonio, een plaatsje van 8178 inwoners, dat een kerk met twee torens, een grot, en een badinrichting rijk was, Ceiba, een middelpunt voor verschillende culturen, en Guanajay, een schilderachtig stadje met oude huizen, waarvan echter ook vele in den vrijheidsoorlog waren verwoest.

Thans bleef mij nog slechts een laatste onderzoekingstocht over, ditmaal naar het zuiden. Weer strekten zich naar alle zijden de velden uit van tabak en suikerriet, maïs, mango- en banaanboomen, tot wij stilhielden bij den heuvel van Cacahual, waar Maceo en Gomez begraven liggen. Béjucal, het volgende plaatsje, heeft rechte, breede straten en een aardig marktplein met palmen beplant, waarop een standbeeld van de Gerechtigheid prijkt. In de gezellig ingerichte club, het Liceo, woonde ik een zeer merkwaardige vertooning bij. Een der inwoners, een dokter, die veel artistieken aanleg bezat, had een ballet laten instudeeren door zestien jongens en zestien meisjes, de eerste, verkleed als russische soldaten, met hun sabels manoeuvreerende, en de laatste als japansche geisha’s, zwaaiend met haar parasols. Het stadje, dat slechts zesduizend inwoners telt, bloeit zeer door de tabaksfabrieken en kweekerijen van vruchtboomen.

Te midden van de liefelijkste natuurtooneelen zette ik mijn tocht voort tot aan het eindpunt, dat ditmaal aan zee was gelegen, Batabano Surgidero, een plaatsje van vierduizend inwoners, dat voornamelijk zijn welvaart te danken heeft aan de visscherij, vooral van sponzen, die hier in groote menigte worden aangetroffen.

De geheele kust van Cuba, zoowel in het noorden als in het zuiden, is verbazend rijk aan verschillende sponzensoorten.

Daar men vroeger bij de vangst zonder eenigen regel of overleg te werk ging, en hierdoor veel voordeel liet verloren gaan, is thans bepaald, dat op de Noordkust de visscherij van 1 Maart tot 31 Mei moet worden gestaakt tusschen Cardenas en Nuevitas, en op de Zuidkust tusschen San Antonio en Cienfuegos. Op de ondiepe plaatsen worden sponzen gevonden van acht centimeter doorsnede, doch op twintig meter diepte treft men kolossaal groote exemplaren aan, soms wel tot een doorsnede van vijfenzeventig centimeter.

Om de sponzen los te maken, begeven zich twee personen in een kleine boot, een van de twee ligt plat op den buik in den achtersteven en heeft in de linkerhand een emmer met doorzichtigen bodem, die de weerkaatsing van het water in de diepte laat waarnemen, en in de rechter een langen stok met een haak, waarmede hij de sponzen van den bodem losmaakt, en naar boven haalt. Deze visscherij kan slechts plaats hebben bij stil weer, wat trouwens regel is te Cuba, waar de zee slechts bewogen wordt door zuidwestewinden en door stroomingen, veroorzaakt door rivieren die zich in zee uitstorten.

Honderdvijftig booten worden voor deze visscherij gebruikt. Zij doen tochten van veertig dagen en zijn bemand met zeven matrozen, terwijl ook een of meerdere eigenaars zich aan boord bevinden. Gemiddeld brengt de vangst van elk dezer booten omtrent 2500 francs op, waarvan een vierde het onderhoud der bemanning bekostigt, en de helft besteed wordt aan hun loon. Het overblijvende vierde deel is de winst van den eigenaar.

De tien of vijftien opkoopers (compradores) verdienen ongeveer 800 francs in de maand. Zij hebben hun eigen lokaal, waar de sponzen worden gekeurd en geprijsd, en dikwijls ziet men ’s morgens tusschen halfzeven en tien een geheele straat vol liggen met partijen sponzen van 50 tot 200 dozijn, die van 150 tot 2000 francs waard zijn. Drie dagen worden de sponzen in de zon gedroogd, en dan weggeborgen, om naar grootte en kwaliteit te worden gesorteerd. De natuurlijke gaan naar Engeland en Frankrijk; in Amerika, Spanje, Rusland en Griekenland geeft men aan de gebleekte de voorkeur. Vele handelshuizen verzenden jaarlijks voor 130 000 tot 780 000 francs aan sponzen, terwijl de prijzen sedert 1903 nog voortdurend stijgende zijn.

In een kleine havenplaats aan de zuidkust van het eiland begaf ik mij op een morgen aan boord van een wit stoombootje, dat zachtjes door het stille water gleed. Voor ons strekte zich de effen, zonnige zeespiegel uit, hier en daar zoo doorschijnend helder, dat men diep tot op den bodem kon zien. Voor drie kwart is Cuba omringd door een zeer ondiepe zee, tot op vijfentwintig, of zelfs vijftig kilometer van de kust.

Rondom het groote eiland liggen dan ook een buitengewoon groot aantal kleinere; in ’t geheel ongeveer 950; waarvan 230 tegenover het midden der kust aan de noordzijde liggen. Vier daarvan, Romano, Coco, Turiguano en Guajaba zijn zeer langgerekt van vorm. Vijftig andere eilandjes, die te samen de Colorados genoemd worden, bevinden zich aan de westkust. Aan de zuidkust liggen tweehonderd eilanden, die twee groepen vormen, het Perk der Koningin en het Labyrinth der twaalf Mijlen genoemd. Toen wij een nauwen doorgang waren doorgevaren, tusschen de eilandjes Mal Païs, Buena Vista, Redondo en Cruz, kwamen wij eindelijk in open zee, en kregen anderhalf uur geen land in het gezicht. Daarna echter rezen opnieuw groene kusten op, en wij naderden een archipel van tachtig kleine eilanden. Weldra zagen wij een in nevelen gehulde lage bergreeks verrijzen, waarin zich langzamerhand zes toppen duidelijker afteekenden. Daarvoor strekte zich een vlakte uit. Dit was het Pijnboomeneiland. In negen uren hadden wij den overtocht van 142 kilometer afgelegd. Onze boot voer een rivier met dichtbegroeide oevers op, en legde aan bij een oud gebouwtje, het station Jucaro.

Het Pijnboomeneiland is 52 kilometer lang, van het noorden naar het zuiden gemeten, en 72 kilometer van het oosten naar het westen. ’t Is een zeer merkwaardige streek. Het landschap, de bewoners, alles droeg er een eigenaardigen stempel. De bodem is er schraal en vertoont weinig plantengroei op zijn zandige en steenachtige vlakten, waaruit zich hier en daar kalkrotsen verheffen. Op sommige plaatsen worden marmeraderen aangetroffen, en uit diepe grotten ontspringen bronnen, die rijk zijn aan ijzer en magnesiumzouten.

Twee kleine heuvelreeksen, die evenwijdig loopen, doorsnijden het eiland, en enkele toppen daarin bereiken een hoogte van vierhonderd meter. De lucht is er zuiver en droog, en vol van den heerlijken geur der dennenbosschen, en de temperatuur is er zeer gematigd.

Verbazend veel Amerikanen komen zich hier metterwoon vestigen. Ik hoorde, dat in den laatsten tijd 3000 nieuwe bewoners naar deze streken waren verhuisd.

De havenplaats en meteen de miniatuurhoofdstad van het eilandje is Nueva Gerona, met een kerk en een goed hôtel, dat echter niet druk bezocht was. De gezonde ligging en de nabijheid van een warme alkalische bron, die magnesiumzouten bevat, zullen het aantal inwoners, dat thans 500 bedroeg, wel spoedig doen stijgen. De verkoop van het land in kleine stukken trekt ook veel vreemdelingen naar deze streken. Stukken grond van 13½ H.A. zijn verkocht voor honderd dollars, als de bodem schraal was; voor tweehonderd, tot soms duizend dollars, waar het vruchtbare plekken gold, in de buurt van rivieren en heuvels gelegen. Een vereeniging “the Isle of Pines Company”, die een trust heeft gevormd met de “Fruit and Vegetables growing Association” heeft voor twee millioen dollars zich het bezit der beste stukken gronds verzekerd. Ik hoorde, dat een kooper, een voormalig directeur van een amerikaansch blad, een concessie had verworven van negenhonderd hectaren grond voor ooftkweekerij.

Een ander voorbeeld kan den lezer een denkbeeld doen vormen van de uitgaven, die een bescheiden onderneming van dien aard vereischt, en de winst, die zij kan afwerpen. Ik bezag o.a. een bezitting, 13½ H.A. groot, waarvan de eigenaar 28 bijenkorven hield, jaarlijks 3000 ananassen en 7000 tomaten oogstte, en een kweekerij bezat van 300 grootere en 2500 jonge oranjeboomen, welke laatste weldra vrucht zouden dragen. Hij was een flinke, voortvarende man, die na drie jaren arbeids de gemaakte onkosten, op 3650 francs na, reeds had teruggewonnen.

Zijn honig had hem 1040 francs opgebracht, zijn ananassen 1560 francs, de tomaten 8320 fr., en een paard, dat hij kon missen, had hij verkocht voor 520 francs. Zijn inkomsten hadden dus in die drie jaren 11 440 francs bedragen.

Daartegenover stonden de uitgaven, die in het geheel beliepen 15 090 francs. Hiervan waren besteed: 130 francs voor onkosten van aankoop, 21 francs belasting, 520 fr. voor den grond; 1560 francs aan ijzerdraad voor omheiningen, 1560 fr. arbeidsloon; 780 fr. voor werktuigen; 625 fr. voor twee wagens; 1040 fr. voor twee paarden; 2490 fr. voor het onderhoud dezer dieren; 520 fr. aan hout; 260 fr. voor meubels en gereedschappen; 40 fr. voor correspondentie; 52 fr. voor een keukenkachel; 3754 fr. en 156 fr. respectievelijk voor voedsel en kleeding van twee personen.

In het volgende, dus het vierde jaar, zou nu voor het eerst de eigenlijke verdienste beginnen. Toch had de eigenaar zelf zijn huis gebouwd, zoowel als de bijgebouwen en den put, en zijn vrouw hielp hem naar haar beste vermogen. Zij waren erop bedacht, zoo zuinig mogelijk te zijn; en toch waren geen van beiden aan dit soort leven gewend, want hij was décorateur en stoffeerder geweest in Boston, en zij was de weduwe van een duitsch officier. Zij werkten verbazend hard en pakten bijv. zelf hun tomaten in, in den maneschijn. De vrouw bakte n. b. ook nog brood en koekjes, die veel aftrek vonden in de buurt, en hielp zoodoende nog hun inkomsten vergrooten. Nadat ik die aardige kleine kolonie, Riverside genaamd, had bezichtigd, vond ik geen der andere bezittingen, die ik later in oogenschouw nam, zoo aantrekkelijk meer.

Een tabakverkooper.

Een tabakverkooper.

Santa Fé, een dorp van 400 inwoners, bezit twee ijzerhoudende bronnen, een alkalische en een warme bron van 32°. In zijn omlijsting van mangoboomen en altijd groene dennen maakte het een schilderachtigen indruk. Voor kort was er dan ook een soort van winterverblijf opgericht, en in de omstreken woonden wel 600 Amerikanen, die hierheen waren gekomen na het tractaat van Parijs, waarbij het eilandje als amerikaansch grondgebied was verklaard, hoewel het later weder aan Cuba werd afgestaan. Zoolang niet beslist was, aan wien het zou toebehooren, was het kleine Pijnboomeneiland er treurig aan toe, daar de uitvoer van zijn producten door deze onzekerheid werd belemmerd. Sedert het Congres besliste dat het aan Cuba zou worden afgestaan, bleven de amerikaansche kolonisten er wel gevestigd, doch hun uitvoer naar de Vereenigde Staten is nog niet zoo aanzienlijk, als zij wel zouden wenschen. En toch is het een bij uitstek gunstig gelegen plekje gronds, waar ooftbouw en veeteelt kunnen bloeien, terwijl er marmer, mahonie- en ebbenhout gevonden wordt.

Naar Havanna teruggekeerd, was ik zeer tevreden over den uitslag van mijn bezoek aan dit eilandje, dat aangename herinneringen achterliet. Ik bleef ditmaal trouwens slechts een nacht in de stad en ging den volgenden morgen reeds weer op reis. Van het station Cristina vertrok ik per trein naar Jesus del Monte, in de westelijke provincie gelegen.

Bij Calabazar reden wij over een hooge spoorbrug. Het volgende station, Santiago de las Vegas, is een der middelpunten van de tabaksindustrie. De stad telt 7151 inwoners. Ik zag in ’t voorbijgaan de kerk met twee torens, en aardige huisjes met verandas. Daarna spoorden wij door een vlakte, beplant met maïs, tabak, suikerriet (voor de fabriek Fajaldo) en prachtige palmen, onder welker schaduw de liefelijke dorpjes Guira en Alquizar waren gelegen. Daarop volgde dicht struikgewas, waartusschen zware ceiba’s verspreid stonden, en een bosch van slanke palmen. Wij waren hier 71 kilometer verwijderd van Havanna, aan het begin van de groote landtong, die in het Spaansch Vuelta Abajo (Lage Bocht) heet, en die aan liefhebbers van rooken waarschijnlijk bij name bekend is.

De Vuelta Abajo is 38–75 kilometer breed en 265 kilometer lang. De lichte, roodgekleurde bodem is er kiezelachtig, met kwarts en ijzer vermengd. In het zuiden is de grond vlak, in het noorden verheffen zich heuvels tot op een hoogte van omtrent 300 Meter. Zij is omgeven door een dertigtal rivieren, waarvan de grootste, de Cuyaguateje, honderd kilometer lang is. De zeekust is er vol diepe inhammen, behalve aan de uiterste punt van het schiereiland, Guanacahabibes, waar de kust moerassig en onbewoonbaar is. De bewoners zijn meerendeels veefokkers; 18,000 stuks vee zijn hier uit Amerika ingevoerd, en bovendien verbouwen zij tabak, waarvan de opbrengst jaarlijks 25 828 038 kilos bedraagt, een waarde vertegenwoordigend van 132 474 004 francs. Het klimaat is er vochtig en warm; de temperatuur tusschen 25° en 33°. Onder de bevolking zijn vele vreemdelingen, doch de eigenlijke inlanders zijn arbeidzaam, ernstig en doortastend van aard. In de provincie Pinar del Rio zijn gedeelten, die vroeger aan Frankrijk hebben behoord, en nog fransche namen dragen, als Souchet, Charron en Lemasne. Eertijds waren daar koffie- en suikerplantages, oranjeboomen en prachtige koningspalmen, welke onderhouden werden door uitgewekenen uit St. Domingo, die later zijn verjaagd, als wraakneming over een besluit van Napoleon, dat de spaansche kolonisatie belemmerde. Van die voormalige fransche bewoners vond ik thans geen afstammelingen meer.

De arbeiders in de sigarenfabriek worden onder het werk voorgelezen.

De arbeiders in de sigarenfabriek worden onder het werk voorgelezen.

De tabak, die in deze streken wordt verbouwd, is donker, fijn en geurig, en bevat slechts weinig nicotine. Van den bodem, waarop zij wordt gekweekt, is 30 percent humus, de rest kiezel, kalk, klei en kwarts. Humus en kiezel zijn de noodzakelijke bestanddeelen, maar vormen slechts in vereeniging met de andere een geschikten bouwgrond. Deze lichte, dikwijls roode grond is blootgesteld aan een temperatuur van 25° en heeft een vochtigheidsgraad van 90 percent, door den hygrometer aangewezen, van October tot December, de tijd waarin de jonge plantjes opschieten. De tabak wordt op de volgende wijze behandeld. Na het zaaien wordt de grond tusschen de plantjes besproeid en gezuiverd, ’t geen na twee maanden slechts eens per week noodig is. Wanneer de plant goed begint te groeien, moeten de talrijke schadelijke insecten worden geweerd. Deze parasieten verdelgt men door middel van een groen poeder, Parijsch groen genaamd. Ook worden de planten wel beschermd door groote schutzeilen er over te spannen. Daar dit echter zeer kostbaar is (de bedekking van 13½ H.A. kost 40 000 francs) kan het alleen op uitgestrekte plantages geschieden. De fijn geweven stof, die hiervoor wordt gebruikt, is een soort mousseline, cheesecloth genaamd, die aan vertikale palen en horizontale latten wordt bevestigd. Het kan slechts zelden voor de tweede maal worden gebruikt, is het te veel beschadigd, dan wordt het aan de armen gegeven. In zulk een afgesloten ruimte, waar de planten voor wind en alle schadelijke invloeden zijn beschut, vereischen zij toch nog de grootste zorg. De stengels bereiken een hoogte van 2.20 tot 2.30 M. en de bladeren worden van 35 tot 70 cM. lang. Bij de kweekerij onder beschutting verkrijgt men 80 percent lange bladeren; in de open lucht 80 percent kleine. In beide gevallen valt omtrent de opbrengst van den oogst weinig vooruit te zeggen. Wat men wel vooraf kan bepalen, is het nicotinegehalte, daar dit door de kleur der bladeren wordt aangegeven, en een geringe zwelling de overvloedige aanwezigheid van dit vocht verraadt.

Bij den eersten oogst worden de stengels der eerste kwaliteit tabak tot den grond toe afgesneden. Bij den tweeden oogst snijdt men de mindere soorten van tabak. De eerste levert de groote bladeren (capas); de tweede de kleinere (tripas). Als de tabak beschut is gekweekt, moet zij na het snijden nog gedroogd worden in een daarvoor bestemde loods, de casa de tabaco. Dit is een stevig gebouwde schuur, gedekt met palmbladen, en waarvan de vensters zijn voorzien van jalouzieën met beweegbare latten. Binnen in zijn vier stapels boven elkaar geplaatste droogrekken, met 34 stokken in elk rek, waartusschen nauwe doorgangen zijn uitgespaard. In ’t geheel zijn er omtrent duizend stokken, en daar op elken stok 200 paren bladeren kunnen hangen, worden in zulk een schuur 400 000 bladeren gedroogd. Veertig dagen duurt dit proces. Zoolang de bladeren nog groen zijn, kunnen zij elke temperatuur, zelfs koude lucht verdragen; doch later worden zij zeer voorzichtig behandeld en aan verschillende warmtegraden blootgesteld, die men verkrijgt door het openen of sluiten der jalouzieën. Het kweeken van de beste soorten tabak vereischt oneindig veel zorg, en om een behoorlijke tabaksplantage te vestigen zijn een groot kapitaal en veel ervaring onontbeerlijke vereischten. Een stuk grond van 13½ H.A. toch kost ruim 7500 francs; de noodzakelijke omheining 3700 fr., en voor het bouwen van een eenvoudig woonhuis zijn minstens 7500 fr. noodig. In den regel worden van de 40 H.A. gronds er 33 H.A. gebruikt voor weiland en den bouw van andere gewassen, en slechts 7 H.A. voor het kweeken van de tabak, die een geheel anderen bodem vereischt. Voor het bewerken van dien grond alleen reeds zijn noodig: 2 paarden, tegen 1000 fr.; 8 paren ossen, 5200 fr.; 8 inlandsche ploegen, 350 fr.; 8 dito van amerikaansch model, 600 fr.; elf jukken, 300 fr.; twee wagens en een kar, 1500 fr.; een schuur voor gereedschappen enz. 500 fr.; een put, 4000 fr.; een stoomketel met reservoir en pomp, 10 000 fr.; vier kilometer buizen voor besproeiïng, 25 000 fr.; 12 000 houten latten, 3600 fr.; drie droogschuren, 15 000 fr.; en woningen voor de werklieden 3500 fr. Verder moet een inrichting van deze grootte jaarlijks 150 fr. belasting betalen; aan jonge tabaksplanten 4500 fr.; aan brandstof voor de sproeimachine 1500 fr.; loon van een machinist 2700 fr.; loon van een knecht en een kok, door elkaar 1800 fr.; het onderhoud dezer lieden kost 4200 fr, en een onderzoek door deskundigen van den oogst, dat noodig is om den prijs vast te stellen, dien de kooper zal moeten betalen, 12 500 fr.

Als de kweekerij verpacht is, moet de pachter een jaarlijksch voorschot van minstens 1200 fr. ontvangen, (altijd bij een groote plantage als boven-beschrevene); bovendien heeft hij 2250 fr. noodig, om in vereeniging met den eigenaar nieuwe planten te koopen, en 10 000 fr. voor koemest, als binnen de 40 dagen, den gewonen tijd, de planten hun vollen wasdom zullen bereiken. Daarvoor ontvangt hij dan 50 percent van den oogst, van 275 balen. Ieder van deze balen weegt 100 spaansche ponden, of 46 kilogram, en brengt 250 fr. op; dat is dus een totaal van 68 750 fr. Men kan zeggen, dat, onvoorziene omstandigheden in aanmerking genomen, een kapitaal van 250 000 fr. aan zulk een onderneming ten koste gelegd, 27½ percent afwerpt. Die uitkomsten worden verkregen na afloop van het tweede jaar, of in het gunstigste geval na 15 maanden, als men zich vestigt tusschen Januari en Maart, begint te planten in October, en van December tot Mei den oogst binnenhaalt.

Het pachtstelsel (partidario) is niet in zwang op de 120 tabaks-exploitaties van westelijk Cuba. Meerdere van deze worden door de eigenaars zelf geadministreerd. Te Guginacabo bij San Luis is een bezitting van 81 H. A., waar 40 paren ossen, en 10 muilezels voortdurend aan het werk zijn en 50 werklieden den gewonen arbeid verrichten, d. w. z. het besproeien der planten (1500 liter per uur) en het bedekken van 17 velden met cheesecloth, dat jaarlijks 100 000 fr. kost. In den oogsttijd zijn 180 mannen en 100 vrouwen bezig, met naalden, een zekere hoeveelheid bladeren op stokjes te rijgen, die in 14 schuren moeten worden gedroogd. Het opzicht over het werk moet natuurlijk verbazend streng zijn, en de eigenaar kan er dan ook voortdurend zijn oog over laten gaan, zonder zijn huis te verlaten, dat op palen is gebouwd, en dus uitnemend geschikt om als observatiepost te dienen. In 15 jaren smaakt zulk een planter de voldoening, jaarlijks 2000 balen uitmuntende tabak te kunnen leveren.

Behalve de spaansche plantage Calixto Lopez, bezocht ik nog bloeiende spaansche bezittingen te San Luis, Padron, Santiago, Pinar del Rio, enz. Ook amerikaansche plantages nam ik in oogenschouw, o.a. eene te San Luis, die behoorde aan de londensche vereeniging Henry Clay, Bock en Co., welke nog meer eigendommen in deze streek bezit, en de kweekerijen der New-Yorksche “Havanna Commercial”, en “Cuban Land and Leaf Societies”. Aan het hoofd van deze exploitaties staan vier goed bezoldigde agenten, die 20 percent van den verkoop ontvangen, d.w.z. een inkomen genieten van 150 000 fr. Een dier gelukkige administrateurs, die mij zeer gastvrij in zijn huis welkom heette, deelde mij o.a. het volgende mede.

Bij een zandigen grond is een voldoende hoeveelheid water en aanwending van insectenpoeder het voornaamste vereischte, en een bescherming door schutzeilen overbodig, daar de oogst toch in den regel wordt binnengehaald voor het seizoen van wind en zon, van Januari tot Maart, een aanvang neemt. De beste tabak komt uit Corojo; uit Retiro te San Luis; uit Rio Seco en San Sebastian te San Juan: ook wordt zeer goede tabak verbouwd te Pinar del Rio en te Luis Lazo. Het allergunstigste klimaat voor deze cultuur heerscht tusschen Remates en Candelaria, op de Vuelta Abajo, en de tabak, uit die streken afkomstig, wordt door liefhebbers zeer gewaardeerd. Andere uitstekende merken zijn: Artemisa, Alquizar, San Antonio, uit de streek die Partido heet; deze tabak is licht, bevat veel nicotine en wordt voor sigaren gebruikt, die in het buitenland zeer gewild zijn.

Het totaal der opbrengst van de vier bekende streken: La Vuelta Arriba, Las Villas, la Partido en la Vuelta Abajo bedraagt 103 712 152 kilogram, in 415 891 balen. Daarvan koopen de Vereenigde Staten de eene helft, en de andere helft wordt op het eiland zelf verkocht, om in den vorm van elf millioen pakjes cigaretten en 227 millioen sigaren over de geheele wereld te worden verspreid.

De pakken tabaksbladeren worden in de fabrieken van Havanna bewerkt. In kleine plaatsen gebruiken de tabaquerias geprepareerde bladeren voor de vervaardiging van sigaren en cigaretten, maar in de stad Havanna en omstreken zijn niet minder dan 22 sigaren- en 4 cigarettenfabrieken, die het verbazend druk hebben met de bereiding der kostbare plant. Zij hebben gewoonlijk gelijkvloers een magazijn en een binnenplaats, waar de tabak wordt bevochtigd, op de eerste verdieping zalen, waar de tabak wordt gedroogd, gegist en verder toebereid, en voorts vertrekken voor het rollen, sorteeren en pakken.

Na het verloop der 24 uren, die vereischt worden om de aaneengeplakte bladeren los te maken, heeft een gewichtig proces plaats, het bevochtigen van het blad. Men doet dit door het benedenste deel der bladeren te besprenkelen en ze dan te schudden, tot het water zich over de oppervlakte verspreidt. De graad van bevochtiging hangt af van den toestand van ieder blad.

De groote bladeren (capas) blijven een of twee dagen in kisten gepakt. De tripas worden een tot drie dagen op rekken uitgespreid om te drogen, en de lichtere soorten moeten daarna van twee tot vijf weken in geperforeerde vaten worden blootgesteld aan een gelijkmatige warmte van 25–30°, en een vochtigheidsgraad van 70 à 80 percent. De juiste aanbrenging van dien graad van warmte en vocht is het geheim der cubaansche tabaks-industrie.

Waar de wasdom der plant vertraagd is door de hoeveelheid nicotine die zij bevat, kan die belemmerende werking slechts worden opgeheven te Havanna, waar bepaalde microben de nicotinedeelen omzetten in vluchtige ammoniakverbindingen.

Om sterke en fijnere, of gewoner soorten te verkrijgen, worden de bladeren, die op den zelfden tijd zijn geplukt, òf in een vat gedaan, óf met andere vermengd.

Het rollen der sigaren is moeilijk en vereischt langdurige oefening in het losrollen der kleinere bladen en het schikken van deze op een half groot blad. Voor het rollen zelf wordt, al naar de soort der sigaren, van 4 tot 15 minuten vereischt. Men begint het groote blad, de capa, te rollen aan de punt, en zorgt, dat de nerven van het blad in de lengte der sigaar loopen. De tamelijk droge, halve tripas (kleine bladen) worden gewikkeld in de vochtige capa; die zeer zacht en rekbaar is, en ten slotte wordt de gerolde sigaar met een soort gom dicht geplakt.

Dit rollen gebeurt op planken van Amerikaansch eikenhout. Op elke plank worden per dag ongeveer 75 gewone sigaren gerold, of 25 van de fijnste soort. Op 450 van deze planken kunnen dus dagelijks 4000 sigaren worden afgeleverd. Onder het werk worden de torcedores voorgelezen door een kameraad, die boven op een soort estrade is gezeten; zoodoende blijven zij op de hoogte van de politiek, en kunnen ook genieten van spaansche geschiedkundige of romantische werken.

De gemaakte sigaren worden in pakjes van vijftig verdeeld en naar den hoofdopzichter van de werkplaats gebracht, om gekeurd te worden; want de eer der fabriek is ermede gemoeid, dat zij onberispelijk worden afgeleverd.

De man, die de sigaren moet schiften naar de kleur, de grootte en de kwaliteit, heeft geen gemakkelijke taak. Hij wordt escogida genoemd, en moet buitengewoon bedreven zijn in zijn vak. Ik hoorde dat de donkere sigaren, in tinten van zwartbruin, roodbruin, groenachtig bruin en rood, bestemd zijn voor de rookers van Cuba, Zuid-Amerika en Spanje; de lichtere, zuiver bruin, met tinten die naar het geel en groen zweemen, zijn het meest gewild in Amerika, Engeland en Duitschland; naar Frankrijk worden eveneens lichtgekleurde gezonden, maar met bruinachtig gelen tint. Verder worden de sigaren onderscheiden in vier soorten: seco, jugoso, pajiso en brillo; in zestig verschillende grootten tot die van 25 c.M. lengte, die Herculesknodsen worden genoemd; en in zestig formaten, waaraan nog gedurig nieuwe varieteiten worden toegevoegd.

Elf zagerijen leveren de lichte cederhouten kistjes, waarin de sigaren, soms bij vijven en tienen; doch meestal bij vijf en twintig en vijftig stuks worden verpakt. De grootste kisten met sigaren naar Engeland. In Amerika is men gesteld op hermetisch gesloten kisten, doch dit middel is niet voldoende om te beletten, dat dikwijls na zes maanden de sigaren door de larf van een zeker insect worden doorboord. Ze zijn in den regel prachtig versierd, in gekleurd papier met medaillons gewikkeld, en voorzien van het fabrieksmerk. Ook op den binnenkant van de deksels der doozen heeft de teekenaar zijn fantasie den vrijen loop gelaten. Die bontgekleurde prentjes leveren aan zes drukkerijen volop werk.

De vrouwen (despalilladoras de tripas) vormen de meerderheid onder het fabriekspersoneel der sigarenfabrieken. Zij verdienen 3.25 fr. per dag; de mannen (torcedores de capas) van tien tot vijf en twintig francs. De bekwaamste werklieden (escogidores) en de opzichters verdienen 136 pesos of 680 francs per maand.