De Taag bij Lissabon in haar karakter van een rustig meer
O, wat zijn die vriendelijke, gastvrije, dienstvaardige Portugeezen wel echt van ons latijnsche ras! De ethnologen, de archaelogen en de physiologen, die met behulp van microscopen en hypothesen de menschen hebben onderzocht, mogen ons al verzekeren, dat er in het bloed der Lusitaniërs iberische bolletjes zweven en suevische, westgothische en karthaagsche, moorsche en zelfs fransche, die wel klein zijn, maar zeer levendig, het blijft niettemin duidelijk, dat het amalgama iets latijnsch is geworden, zooals de amerikaansche wijnstok ten slotte de Vougeot voortbrengt, als hij maar genoeg sappen van de hellingen van den Cote d’Or heeft opgezogen.
Aan wien zal men doen gelooven, dat het oude Lusitanië met zijn vruchtbaren grond, zijn donkerblauwen hemel, zijn stroomend water, zijn rozen, zijn palmen, zijn oranjes en zijn onverstoorbaar goed humeur niet een aartslatijnsch land is?
En bovendien, zonder al te lang stil te staan bij de deugden der Portugeezen, zonder hen al te zeer te prijzen, wat op hetzelfde neer zou komen, als het uitbazuinen van onzen eigen lof, herkennen wij hen als volbloed Latijnen, juist door twee van hun ondeugden.
Vooreerst geven ze graag op zichzelf af net als wij, en bij hen, even als bij ons, is in hetgeen ze beweren, veel overdrijving met een ondergrond van waarheid. Vervolgens houden ze van staatsie, woordenpraal en ostentatie, maar op een naïeve manier, goedaardig, nooit met het doel, om den buurman onaangenaam te wezen of hem zijn kleinheid te doen gevoelen. Zoo is daar ginds ieder illustrissime, en dat gaat zoo ver, dat de officiëele gedrukte stukken, die bestemd zijn, om met antwoorden aan allerlei vragers te worden gezonden, deze uitdrukking als aanspraak dragen. Illustrissime wil niet zeggen illustre, dat is beroemd of doorluchtig. Vasco de Gama is beroemd; men noemt hem illustre, maar gij en ik, wij zijn illustrissime; men moet het weten, om daaruit te besluiten, dat sommige superlatieven een verkleinende beteekenis hebben. Excellentissime is ook druk in gebruik, en men past het woord zonder iemand aanstoot te geven op den eersten den besten schurk toe. Men heeft daaruit afgeleid, dat in Portugal ieder van adel is en trotsch is op zijn hooge geboorte. Maar niets is minder waar. De oude familiën zijn precies bekend, in spijt van de veelheid der namen, waarover ze beschikken, en zij zijn volstrekt niet bijzonder talrijk.
In waarheid is Portugal echter een heerlijk land, en hier doet zich de gelegenheid voor, om opruiming te houden onder een hoop oude geschiedenissen en sprookjes, die in oude tijden zijn rondgebazuind door den een of anderen vroolijken prater, die graag voor gewichtig door wilde gaan en pronken wou met wat hij op zijn reizen had gezien.
Als men geloof wilde slaan aan wat sommige fijngevoeligen vertellen, wonen er in hoofdzaak in Portugal roovers en ongedierte. Wat de eersten aangaat, die zijn, als ze bestaan, al zeer bescheiden, want wij hebben de eenzaamste wegen bezocht en de meest afgelegen provincies, te voet, per rijtuig, per fiets en per ezel, des morgens, overdag en des nachts, bij maneschijn en zonder maan, zonder ooit wat anders te ontmoeten dan vreedzame boeren, op hun ezeltjes gezeten, of karren, bespannen met kleine, goedmoedige ossen, die eerder deden denken aan Berquin dan aan de verschrikkingen van het Ambigu. Wat sterker is, de bedelaars, die men er vindt als overal elders, oefenen hun bedrijf uit met een matiging, waar het zoo lastige en opdringerige bedelvolk van Toledo, Granada en Burgos en zooveel andere steden van het schiereiland een voorbeeld aan kon nemen.
Wat het ongedierte betreft, wij hadden bij het overtrekken van de grens een lichte huivering gevoeld, en vóór onzen geest waren beelden verrezen van witte broeken, die zwart zagen van de luizen, van kamers, bezet door de verschrikkelijkste garnizoenen. Dat kwam, doordat in de stations, in de straten, en zelfs, o teedere oplettendheid, in de hotelvestibules een welsprekend reclamebiljet te zien was, dat een insectenpoeder aanprees, zoo onfeilbaar, dat de teekenaar een kerkhof had voorgesteld, met verschillende grafsteenen, waaronder luizen en vlooien en mijten sluimerden, en onder het prachtigst mausoleum de groote dames der bende, leden van het wandgedierte.
De werkelijkheid geleek in niets op die schildering. Men moet afstand doen van de vuile herbergen, de onsmakelijke vertrekken, de gangen, waar men varkens en andere liefheden ontmoet, alles dingen, die bij ons in Frankrijk nog voorspeld worden aan de waaghalzen, wier lust uitgaat naar zulk een verre reis. Portugal is, zelfs in Algarvië en Alemtejo, een volkomen zindelijk land. Natuurlijk denken wij hier aan de hôtels en inrichtingen, waar men mag aannemen, dat de gewone reiziger vertoeft. Laat men niet aankomen met de slechte luchtjes in die of die straat, de vuilheid van dat of dat huis! Wie Parijs een mooie wereldstad noemt, bedoelt ook niet, dat hij die meening heeft opgedaan in een of ander achtersteegje, die er toch wel zijn. De aan weelde gewende kan in Portugal overal een goed onderkomen vinden, schoone lakens, voldoende maaltijden en een vriendelijke ontvangst, wat niet weinig beteekent.
Het beste jaargetijde voor Portugal is de winter, die bijna altijd windstil en helder is van October af. In April is er veel wind en vaak regen, vooral in het Noorden van het land, terwijl Januari, Februari en Maart prachtig zijn.
Om op de hôtels terug te komen, het moet erkend, dat zindelijkheid niet altijd dezelfde beteekenis heeft als geriefelijk. Vooral aan de bedden mankeerde uit het oogpunt van comfort veel. Ze waren ongeloofelijk hard; een plank met een matras van niet meer dan drie vinger dik, met stroo stijf gevuld, ziedaar het portugeesche bed. Daarbij waren ze zeer kort, zoo kort, dat men, zonder een reus te zijn, er aan twee einden buiten uit stak. Natuurlijk went men er wel aan, net als aan alle dingen; maar het is niet alles een genoegen.
Zelfs te Lissabon blijven de bedden in hun aard volharden en behouden hun onvermurwbaar karakter. Wij logeerden in een groot hôtel, prachtig uitzicht, ruime kamers, lift, baden, electriciteit, gérant met een kaal hoofd, prachtig uitgedoste chasseurs, enfin, alles uiterst modern. Welnu, bij die inrichting bleven toch de bedden naar de traditie, en als ze misschien veêren hadden, waren het erg stijve.
Wat toiletgeriefelijkheden aangaat, de sybariet van over de Pyreneeën heeft nog wel wat te klagen; de waschkommen zijn groot en met bloemen beschilderd; maar er zit een tuit aan voor het leêgen, waardoor ze lastig zijn in het gebruik, terwijl de waterkan niet veel meer is dan een kleine gieter, waar men altijd mee moet morsen. Ze hebben overal hetzelfde model, zoodat men in het paleis van Villaviciosa in de koninklijke vertrekken het gietertje, met kransen versierd, en de kom met de tuit een eereplaats zag innemen. Nog eens, het is alles uiterst zindelijk, en er is niet anders bij noodig, dan dat men er even aan moet gewennen.
Een laatste bijzonderheid zal eenig denkbeeld kunnen geven van de zorg voor netheid en reinheid, die in Portugal bestaat. Overal staan er spuwbakken, dat wil zeggen op de gangen, vóór de deuren, in de hoeken der kamers, ja, het ging zelfs zoo ver, dat er enkele waren neergezet rondom de table d’hôte; wij hebben daardoor afschuwelijke oogenblikken doorleefd in de eerste dagen, oogenblikken, om verwoede, krachtige schoppen te geven aan die instrumenten, die achter onze stoelen stonden.
Men kan ook in het kleinste stadje goed eten, en de ranzige olie is ook een van die sprookjes, die een Marseillaan zelfs moest blozen, te vertellen. Een vet gerecht, dat op alle tafels prijkt is versche stokvisch, in dunne schijfjes gesneden en gebakken in uitstekende olie. Bij ons is die visch wel bekend, maar men geeft er niet veel om. Ze wordt op dezelfde wijze klaar gemaakt. In Portugal is ze het nationale gerecht, bij elken maaltijd gebruikt, en dat als toespijs geldt bij de welgestelden, maar bij de armen het hoofdgerecht uitmaakt. Er worden verbazende hoeveelheden van verkocht tegen drie of vier testons, dat is 75 centen of 1 gulden holl. voor een visch van ongeveer zestig centimeter lengte.
Afgezien van deze eigenaardigheid is er aan de menu’s niets kenschetsends. Het vleesch is smakelijk en zacht, en de onvermijdelijke grauwe erwten worden vooral gegeten in de aan Spanje grenzende streken.
Onnoodig te verzekeren, dat oranjeappelen, sinaasappelen en bananen overheerlijk zijn. Daarentegen wordt er niet veel zorg aan groene groente besteed. Jonge groente eet men haast niet; het is altijd rijst, snijboonen, slaboonen, aardappelen, enkele saladesoorten, dat is alles.
In het kort, het gemiddelde hôtel moet er voldoende worden genoemd, dank zij wat er in de laatste tien jaren is verbeterd. De verbeteringen moeten nog worden voortgezet en ze zullen dat door het optreden van de “Maatschappij ter propagandeering van Portugal”, een soort van syndicaat, te Lissabon in 1906 gesticht, en werkend in den geest van onze flinke, ondernemende Touring-Club de France.
Wij van onzen kant moeten onzen hartelijken dank betuigen aan die Maatschappij, een vereeniging, waarvan de leden ons op de meest welwillende en doelmatigste wijze hebben geholpen en terechtgewezen, de welwillendheid zelfs zoo ver drijvend, dat ze alle horizons, waar ze ons op wezen, wel in een rooskleurig licht wilden stellen.
Overigens is deze Propagandavereeniging belangwekkend, omdat ze duidelijk blijk geeft van den ernstigen wil, Portugal op te heffen uit den dommel, waarin het ligt verzonken, de vreemdelingen naar het land te lokken, een nieuw leven te beginnen en voor altijd op zij te schuiven dien kwaden reuk van indolentie en traagheid, dien de Arabieren aan hun lusitanische neven hebben nagelaten.
Zij genieten de voordeelen en het gemak van dat temperament. In Portugal geen vreeselijke politieke woelingen, geen permanente schavotten, geen bloedige reacties. Maar ze loopen er ook de gevaren van. Ook bij hen is het gezag niet onaangevochten en dringende hervormingen worden uitgesteld. De ijzeren wil van Hendrik, den Zeevaarder, die de beroemde ontdekkingen voorbereidde en er het bevel toe gaf; de stoutmoedigheid van een Pombal, die vooroordeelen bestreed en de machtigsten durfde aanvallen, wijken meer en meer terug en schijnen tot de tijden der legenden te behooren. Toch laten die mannen zien, wat er te halen is uit den portugeeschen geest, als men dien weet wakker te maken uit zijn dofheid; die geest heeft eveneens getoond, waartoe hij in staat was, toen de onafhankelijkheid zich bedreigd voelde. In de wereldgeschiedenis klinkt nog als ver verwijderde donder het gerucht der groote heldendaden in de overzeesche landen. Men moet ondanks alles aannemen, dat groote lotsveranderingen voor Portugal volstrekt niet zijn uitgesloten en dat het land, dat nu tot de klagers behoort, te eeniger tijd nog wel eens gelegenheid zal vinden tot juichen over triomfen. Een Franschman, die dat van harte wenscht, is in zijn rol van broeder, en een reiziger, die Portugal heeft doorreisd, zal het hem met een gevoel van verplichting en dankbaarheid helpen wenschen....
De Taag is vóór Lissabon een soort van groot, rustig meer, met kalme wateren, overdekt met schepen en omgeven door niet hooge bergen, waar kasteelen en dorpjes tegen aanleunen. Het is alles prettig, mooi en vroolijk, maar van daar tot het optreden als schoonste onder de landschappen van Europa is nog een groote afstand. Lissabon, gezien van de Taag, is een vrij eentonige, witte strook, drie mijlen lang, waar men tevergeefs zou zoeken naar het woud van koepels, klokketorens en spitsen, die het klassieke schilderachtige vormen van een groote stad, die als een amphitheater is aangelegd. Nauwelijks kan men den koepel van Estrella onderscheiden en de campaniles, de spitse klokketorens van Sint Vincent. Alles, wat vroeger zich wat te hoog verhief, is weggemaaid door de verschrikkelijke aardbeving van 1755, en Pombal, die uiterst practisch was, heeft alleen het noodzakelijke weer laten opbouwen, zonder een blik op het azuur door fijne, holle en dure steengevaarten heen noodig te oordeelen.
Men heeft de omgeving van Lissabon met de Golf van Napels vergeleken. Ten onrechte, want het verschil is groot, en het zou kunnen voorkomen, dat men zoekend naar gelijkenis, die niet bestond, of naar schoonheden, die er behoorden te wezen, de wezenlijke verdienste van een panorama over het hoofd zag, dat zijn eigen grootschheid heeft en een eigen bekoring door de harmonieuse lijnen en den wijden horizon.
Inderdaad, de reede van Lissabon is een ruime haven, diep en wel gesloten en toch met gemakkelijken toegang, een ideale haven, waar het altijd druk is, die altijd door een menigte van schepen wordt doorkliefd en waar alle vlaggen van de wereld worden gezien, zelfs de portugeesche. Het lijkt wel een druk kruispunt in den internationalen weg der zeeën, waar ook zij, die er niets te doen hebben, komen uitrusten en zich voorzien van het noodige. Een blik op de kaart toont de onvergelijkelijke ligging, en men behoeft geen der zake kundige te wezen, om te beseffen, tot welke buitengewone ontwikkeling zulk een ligging een plaats kan brengen.
Het zal het geheim der kapitalen en van het initiatief zijn, dat aan te toonen; maar ongelukkig heeft Portugal die beide krachten al te zeer aan anderen ontleend. Des te minder moet men schromen, het te zeggen, dat het land dat thans helder inziet en dat het de eervolste middelen aanwendt, om zich zelf te helpen; Portugal fara da se.
De kade langs de Taag verbreedt zich en wordt de Markt, de Praça do Commercio, een groot vierkant, omgeven met bogen en symmetrische gebouwen. Vroeger heette het plein Terreiro do Paço, omdat het Koninklijk Paleis eraan stond vóór de aardbeving. Op den achtergrond leidt een triomfboog van groote pracht naar de verdere stad; in het midden staat het bronzen ruiterstandbeeld met veel versieringen van Jozef I, met een medaillon van Pombal. Het is van een wat koele grootschheid, wat officiëel; het doet denken aan de nieuwe stad, de stad van den grooten minister; maar het verraadt ook een hoofdstad en een stad, die leeft, en waar het onophoudelijk druk is. Bovendien is enkel de aanblik wat officieel, want in het groote paviljoen links van het beeld is het Ministerie van Oorlog; daarna volgen de gebouwen van Openbare Werken, van Financiën, de Posterijen, de Douane, de Beurs enz. In den echten zin des woords is dit plein het Gouvernementsplein.
Evenwijdig gespannen als de koorden van een lier, leiden van de Markt vier straten met hooge huizen, rijke winkels en trottoirs van een wit en zwart mozaïek, naar het plein Don Pedro IV, beter bekend onder de naam van Rocio, dat het echte centrum van Lissabon is. Daar wordt gebabbeld, geflaneerd, gerookt; daar herkent men den echten Portugees. Tramways, fiacres, sjouwers, schoenpoetsers, krantenverkoopers, allen stationeeren of rijden of loopen op den Rocio, in de schaduw der boomen langs den rand, en van de hooge zuil, waar koning Pedro op staat. Het is onze Boulevard, maar verwijd; het is de Puerta del Sol van Madrid, maar vroolijker, het is, om het ineens te zeggen, een heerlijk plekje, waar alles bijna is, dat men voor een leven van vreugde in ledigheid noodig kan hebben.
Centraalstation te Lissabon.
Daarnaast op een kleiner plein, dat als een verkleinde Rocio is, een dépendance ervan, verrijst de gevel van het Centrale Station, een gevel, waarin alle stijlen zijn terug te vinden, de arabische, de lusitaansche, en die van de moderne Renaissance, en die dus leelijk is als alle namaak. Men heeft er verbeeldingskracht aan geofferd, om mooie dingen na te doen, en men heeft per slot van rekening iets gekregen, dat voor geen enkelen tijd zou passen. Voor een station heeft het gebouw ten minste de verdienste, dat het in het midden der stad ligt, wat wel van groot belang is, en dat er alle treinen aankomen behalve die van Cascaes. Als wij in Parijs iets dergelijks wilden, zouden we een spoorwegstation moeten maken van het Palais Royal. De loketten voor plaatskaarten en bagage zijn beneden, en de lijnen liggen hooger, een inconveniënt, dat bijna niet gevoeld wordt door de liften, die zeer groot zijn. Nog valt op te merken, dat als men in Lissabon met den trein aankomt, men weinig last heeft van chasseurs, portiers, pakjesdragers, bedelaars en andere lastige personen, die het reizen voor den toerist in Spanje zoo lastig maken. Dienstmannen, anders niet, niet eens hôtelomnibussen, voertuigen, die men nergens in Portugal vindt.
Dona Mariaschouwburg.
De sjouwerlui daarentegen zijn er talrijk en sterk; ze komen meestal uit de spaansche provincie Galicië, want een Portugees zou er niet licht toe overgaan, een pak of zak te dragen op den openbaren weg en evenmin zich met een koffer te bezwaren. Dit onschuldige vooroordeel wordt zelfs zoo ver gedreven, dat iemand die zich een beetje respecteert, nooit iets anders behoort te dragen dan zijn wandelstok of zijn parapluie, zoodat de Portugees daarin lijkt op dien legendarischen franschen kapitein in ruste, die zijn decoratie aflegde, als hij van de Bon Marché een paar handschoenen meebracht in papier gewikkeld, om toch vooral het Legioen van eer geen schande aan te doen. Onze gewoonte, om altijd ons photografietoestel en onze doos met platen bij ons te houden, heeft ons stellig voor weinig bijzonders doen aanzien, misschien voor afstammelingen van Galiciërs. De Spanjaarden, en niet alleen de mannen, vervullen daarom alle inspannende bedrijven, waar de portugeesche onverschilligheid tegen opziet als tegen onaangename karweitjes.
Jagers en voetvolk van het Portugeesche leger.
Ook heeft men ons vaak in de tabakskantoren portugeesche sigaren zien koopen voor 15 centimes of dertig reis, welke sigaren niet zwaar zijn, gemakkelijk rooken en geen hoofdpijn geven. Nu zal een heer, of liever een individu, die sigaren rookt zonder bandje, dus wat anders dan zware havana’s, daarmee afstand doen van zijn plaats in de wereld en gerangschikt moeten worden onder het plebs. Men kan intusschen met die strenge verplichting wel een beetje de hand lichten. Zoo verzamelen bijvoorbeeld sommige rookers kostbare bandjes, en ik ben geneigd te denken, dat veel van die, welke men van ons heeft gevraagd met den vriendelijksten glimlach, ten behoeve van verzamelaars, die verweg woonden, nog denzelfden avond de gewoonste charuto’s met purper en goud gingen omslingeren.
De Portugeezen zijn zoo trotsch op hun Taag, dat, om hun werkelijk genoegen te doen, men te Lissabon moet aankomen langs de rivier. Wij deden dat, helaas, niet. Wij kwamen per spoor aan. Dus laat ons eerst wat vertellen van den trein waaruit wij stapten. Die was uitstekend. Bijna overal op de lange trajecten heeft men gangen langs de wagens. De stiptheid van aankomst en vertrek is onverbeterlijk, evenals de zindelijkheid van waggons en stations.
Wij hadden, ook op dit punt, ons een geheel verschillende voorstelling gemaakt, want de menschen, die alles weten, hadden ons niet anders doen verwachten dan vertragingen als uit een vaudeville, akelige boemeltreinen en vettige spoorwegkussens. Zeker, de snelheid laat te wenschen over; maar wat zou het geven, te haasten bij zoo groote afstanden! Kan men niet even goed morgen aankomen? Er is immers altijd nog tijd genoeg! En toch legt geen enkele lijn minder dan dertig kilometer in het uur af. Er loopen niet zeer veel portugeesche treinen, minstens twee in elke richting, één des nachts en één over dag op de meeste lijnen; vijf tusschen Lissabon en Oporto, twaalf naar Cintra, vijf-en-twintig naar Belem en Cascaes. Dat is niet veel, vooral van die eerste, maar men kan er ten minste op rekenen, als men een reisplan opmaakt, daar er nooit vertragingen zijn, uitstekende aansluitingen daarbij en de beste regelingen. Wij waren deze hulde verschuldigd aan de portugeesche spoorwegen, en het is niet meer dan rechtvaardig, die eer ook uit te breiden tot de talrijke buffetten, waar men zulke lekkere sinaasappelen eet en waar niets, werkelijk niets, met de bekende oude olie wordt klaargemaakt.
Daar zijn we buiten het station; nog een paar schreden, en hier is het hôtel.
Van dat oogenblik af begint een sprookje, ten gevolge van de allervriendelijkste beleefdheid, waarmee ons de graaf d’Arnoso tegemoet komt. Hij behoort tot de naaste omgeving van den koning. Van zijnentwege wachtte ons in de vestibule een lakei in blauw met zilver met een brief met het gouden zegel der Necessidades. Wij werden opgeroepen voor den volgenden dag ten Paleize, waar Zijne Majesteit ons om half twee zou ontvangen. Daar stiptheid bij deze soort van samenkomsten een eerste vereischte is, waren wij precies op het aangegeven uur op den koninklijken drempel.
Het kasteel der Necessidades, gebouwd door Jan V tegen 1750, vrij ver buiten de stad, op een heuvel een eindje van de Taag verwijderd, ligt op de plek van een oude kapel, gewijd aan een genadige Madonna, waar het paleis naar genoemd is, Nossa Senhora das Necessidades, Onze Lieve Vrouw der Rampen. De toegangen zijn niet ruim en groot genoeg, zoodat men slechts met moeite het geheel kan overzien, dat een onregelmatig karakter aanneemt door de verschillende niveau’s en de vele bijgebouwen. Het is niet het eigenlijke koninklijk paleis van Lissabon, want dat ligt hooger en verder weg, op den zonnigen Ajudaheuvel. Don Carlos, die reeds de Necessidades bewoonde toen hij kroonprins was, terwijl zijn vader, Louis, te Ajuda resideerde, heeft na den dood van wijlen den koning geen bezit willen nemen van het groote paleis, en wel uit een gevoel van eerbied voor de gewoonten van de koningin-moeder, Maria Pia van Savoye, die er dan ook nog woont met den infant Alphonsus, hertog van Oporto, haar jongsten zoon.
Eerst gaat men onder een boog door, waar twee lanciers te paard de wacht houden, en beklimt dan de groote trap, waar de tweede op uitkomt. Twee hellebardiers in scharlaken uniform met veel goudgalon houden zich op in de antichambre, van waar men de salons betreedt. De versiering der zalen met voor het meerendeel portugeesche schilderijen, oude meubelen en verbleekt verguldsel, is zeer sober en vol harmonie. Door de vensters ziet men de witte gevels van de gebouwen aan het binnenplein, waar de zon op schijnt en waar de schaduwen van palmen over spelen. In de tweede zaal, de wachtzaal, vonden wij te midden van een talrijk gezelschap graaf d’Arnoso, vriendelijk, minzaam, als grand seigneur, met welwillenden glimlach en uitgestoken hand. Een derde zaal, dan een vierde, nog grooter, nog statieuser, behangen met tapijten, waarlangs armstoelen zijn geschikt met veel gouden snijwerk; daar is de koning, staande, gekleed in blauwen dolman.
Carlos I van Braganza, koning van Portugal en Algarvië, is vier-en-veertig jaar oud. Hij is beneden de gemiddelde grootte en hij is minder corpulent dan men verwacht naar de weinig geflatteerde portretten, vooral als men op het gelaat let, waarvan de proporties sterk zijn overdreven. Hij is kalm van geest, maakt weinig gebaren, en met zijn afgemeten stem spreekt hij het Fransch zonder eenig vreemd accent.
De blik, die verrader, die alle zielen verklapt, verraadt hem niet dadelijk. Terwijl hij spreekt, heft hij zijn oogen op en deze schijnen een altijd vluchtenden droom te volgen in het vage, maar dan eensklaps worden ze neergeslagen, dwalen af naar de zijde van den ondervrager, en er springt een ondeugend vonkje over, met een glimlach, een vluchtige aanval van scherts, die is als een revanche op den verplichten dwang, dien een Koninklijke Majesteit zich moet opleggen.
Don Carlos wilde in deze eerste samenkomst wel zoo goed zijn, met ons over onze reis te spreken en zijn indrukken met de onze te vergelijken; maar in de gegeven omstandigheden was en bleef hij de Koning. Daarentegen hebben wij drie dagen later den verzamelaar, die er in den koning schuilt, ontmoet, en dat wel bij een gelegenheid, die even onverwacht als aangenaam was.
De heer Albert Girard, de hoogstaande directeur der koninklijke verzamelingen, had ons uitgenoodigd om in de galerijen van het kasteel Necessidades de zonderlinge visschen te zien, die Zijne Majesteit had verzameld in den loop zijner reizen met oceanographisch doel, en ook de zeldzame boekwerken, die de vorst met voorliefde bijeenbrengt.
Ons bezoek was pas begonnen, als de koning zelf verscheen, met den eenvoud van den heer des huizes, die wel zoo goed wil zijn, in persoon de honneurs waar te nemen.
Het was interessant te zien, met hoe groote voorzichtigheid hij de glazen aanvatte, waar de wonderlijkste zee wezens in zwommen, met welk een trots van uitvinder hij zijn procédé, om in glycerine de voorwerpen te bewaren, beschreef, waardoor in de teederste kleuren der visschen door den tijd geen verandering werd gebracht. Daarna kregen wij de origineele kaart te kijken, waarop New Foundland en Labrador stonden, jaren vóór Columbus, de havenbeschrijvingen, die Albuquerque en Vasco de Gama opstelden, dubbel van waarde, namelijk als onwaardeerbare parelen voor een verzamelaar en omdat het sieraden zijn voor de kroon van een koning van Portugal. Dan bladerden zijn vingers liefdevol in een wapenboek, dat met de hand geschilderd was nu vijf eeuwen geleden met een rijkdom van kleuren en versieringen zonder weerga, en eindelijk was er een gebedenboek met heerlijke miniaturen, waarvan hij vol eerbied het roodzijden omslag opendeed, erop blazend, om de bladzijden vaneen te scheiden.
Bijna zou men den souverein vergeten, dank zij de gelijkheid, die de gemeenschappelijke liefde voor mooie dingen schept. Toen zwierf zijn blik niet in het vage, maar omvatte gretig al dat belangwekkende, door de voorouders in den loop der eeuwen verzameld en bewaard, of ontdekt door den vorstelijken collectionneur zelven. En het vonkje van ondeugendheid kwam terug, toen hij ons in de studeerkamer een aschbakje wees, dat een caricatuur van een grooten vogel voorstelde en niet anders was dan een flinke kreefteschaar.
Hierna zou het overbodig wezen, nog te spreken van de hooge ontwikkeling van den koning en de uitgebreidheid zijner kennis. Hij heeft in persoon de rapporten over zijn reizen te boek gesteld en een verhandeling over ornithologie geschreven, door de nationale drukkerij te Lissabon uitgegeven, en beide zijn werken van beteekenis. Carlos I gelijkt op onze Bourbons...
Aan het slot van onze eerste audiëntie leidde ons een kamerheer in de tegenwoordigheid van Maria Amelia van Orleans-Bourbon, koningin van Portugal, echtgenoote van koning Carlos. Daar waren wij zoo goed als in Frankrijk, en toen Hare Majesteit ons een teeken gaf, om te gaan zitten in het kleine met zijde behangen hoekje, dat in het groote salon was uitgespaard, sloeg mij, dat moet ik bekennen, het hart snel en luid, omdat het vaderland en de fransche vrouw hier waren vertegenwoordigd door een zoo volkomen beminnelijke personificatie.
Dona Amelia, zooals ze daar zeggen, is zeer groot, maar zoo elegant en goed gebouwd, dat ook degenen, die haar te groot vinden, moeten erkennen, dat ze het van iedere mooie vrouw wint. Want zij is mooi in den zin, die het meest omvat, dus die inhoudt een bekoorlijk gelaat, bewegingen van een sierlijkheid, die nooit door iets leelijks wordt gestoord, een verfijnde gevoeligheid voor de grenzen in de gestes en de uitdrukking, en eindelijk ik weet niet welk bijzonder iets van charme, dat men overal terstond herkent.
Dadelijk begon de koningin te praten, te lachen, te vragen, belangstelling te toonen, en hier herkende men weer dien superlatief van gallische beleefdheid, die aan de gasten weet te beduiden, dat ze vrienden zijn, zonder het hun echter te zeggen, door hun woorden op te vatten als gewenschte inlichtingen of als aangenaam en lang verwacht nieuws. En het was een onvergetelijk oogenblik, deze vorstin met twee vaderlanden te hooren spreken over haar bewonderd Frankrijk, en haar Portugal te hooren roemen. In dezen preekte de koningin voor bekeerden; als wij woorden van lof hebben gezegd over het eene en het andere land, was dat onze oprechte meening, geen compliment. Wij genoten bij dat bezoek meer dan ooit van onze parijsche qualiteit, die ons zulk een welwillendheid mocht doen deelachtig worden, en ik tart ieder, ons vleiers te noemen, als wij verklaren, dat het meest uitgezochte half uur van onze geheele reis dat is geweest, dat wij doorbrachten in de tegenwoordigheid van haar, die onze bewondering wekte door haar driedubbel prestige van koningin, Française en mooie vrouw.
Dona Amelia geniet in haar rijk een groote populariteit, en de politiek, die den koning veel bittere ervaringen bezorgt, heeft haar tot nu toe gespaard. Als moeder, als echtgenoote is zij boven allen lof verheven.
Er wordt vooral in handelskringen beweerd, dat het hof niet genoeg feesten geeft; dat de intieme bijeenkomsten ten paleize en de tuinpartijen niet zoo opwekkend werken op de handelszaken als de groote bals, die nu bijna nooit meer gegeven worden dan alleen bij gelegenheid van bezoeken, die vreemde vorsten aan Portugal brengen. Zonder twijfel zou men elders klagen, dat het hof te representatief optrad, als het anders was. Het is niet alleen bij La Fontaine, dat het moeilijk is “de contenter tout le monde et son père”, het allen naar den zin te maken. Ook worden de weldadigheid en de vroomheid van de koningin wel eens met andere namen genoemd, als de oppositie er een woord voor moet vinden. Het is niet aan den doortrekkenden reiziger, partij te kiezen, en het is trouwens bekend, dat er geen Pyreneeën noodig zijn, om wat waarheid in het eene land is tot dwaling in het andere te maken, of omgekeerd, indien de belangen ermee gemoeid zijn.
Bij het verlaten van de koninklijke vertrekken deed een gelukkig toeval ons, in de wachtzaal vereenigd, de hofdames zien en diegenen, die te Lissabon aangewezen zijn, om op de “jour” der koningin te verschijnen. Er waren er drie-en-twintig van elken leeftijd en allerlei voorkomen, maar meestal jonge, en verscheiden heel aardig. Ik zal elders enkele vluchtige opmerkingen maken over de portugeesche dames, want als men van de koningin komt, is het beter, geen vergelijkingen te wagen, die noodzakelijk partijdig moeten zijn, dus onrechtvaardig....
Toen wij vrij waren, zijn we een tocht door Lissabon begonnen.
Al onthoudt men zich van de herhaling van het afgezaagde deuntje, dat de Portugeezen voor altijd vroolijk verklaart, moet toch erkend worden, dat de aanblik van de stad Lissabon vóór alles opgewekt, licht en vriendelijk is. Er wordt niet gedraafd, er wordt gewandeld, en zelfs diegenen, die naar hun zaken gaan, hebben niets van dat gejaagde, dat men in andere landen ziet. De vervoermiddelen zijn in uitstekenden staat; fiacres met twee blinkende paarden rijden u vlug overal heen, en een verrassend uitgestrekt net van electrische trams gaan door de groote lanen, de hoofdstraten en volgen elkaar binnen enkele minuten langs de hellingen der steilste heuvels en tot in de straatjes der oude stad, waar ze bijna de volle breedte van de straat innemen. De wagens zijn groot, luchtig, veêren goed en hebben zitplaatsen van gevlochten riet, die heel gemakkelijk zijn. Er wordt veel gebruik van gemaakt, al kost ook de kleinste rit 7½ cent Holl.
Als zoo de levenden het goed hebben, de dooden worden niet minder goed behandeld door de weelde en de doelmatige inrichting van de lijkwagens. Een deftige begrafenis is een schouwspel, dat de moeite waard is. Voorop gaat een koets van monumentalen vorm, geheel verguld, waar de priester in is gezeten, dan komt de lijkwagen in het zwart, overwelfd door een koepel en voorzien van pluimen, bespannen met vier paarden à la Daumont. Voor de lagere klassen wordt minder goud gebruikt, tot men komt aan de laagste klasse, waarbij de priester en de doodkist samen op een eenvoudigen wagen zijn geladen, door een enkel paard getrokken, dat blijkbaar zeer te beklagen is. Voor kinderen wordt dezelfde staat gebruikt, maar met scharlaken behangsel. Moet een hoog personage begraven worden, dan zendt de koning een der historische rijtuigen uit Belem, waar het lijk in wordt geplaatst.
De kerkhoven, nu wij toch eenmaal daarbij zijn aangeland, zien er uit als de onze, met misschien nog meer beelden, die bijna alle allegorisch zijn, zonder iets van het groteske realisme der italiaansche doodenakkers. Het merkwaardigste is ook het kleinste, namelijk het pantheon der koningen in een zaal van het klooster Sint-Vincent. De doodkisten, die in zwart fluweel of zwart laken zijn gehuld en met zilveren spijkers zijn beslagen, staan op lange rijen, op planken met een koperen plaat erop, die den naam van den overledene draagt. Kleine kistjes bevatten de kinderlijkjes. Alleen de baar van Don Pedro, den laatsten keizer van Brazilië, die te Parijs is overleden eenige jaren geleden, is gehuld in de groene braziliaansche vlag. In het midden der zaal, onder een katafalk, beladen met verwelkte kransen, rust Don Luiz, de vorige koning van Portugal, die wacht op een plaatsing in de rijen op de planken, tot zijn zoon zijn plaats heeft ingenomen. Zulk een schikking heeft door zijn grooten eenvoud iets indrukwekkends, en al die kisten, die een vorstengeslacht bevatten, maken veel dieper indruk dan het ijskoude marmer en de massa brons in de kelders van het Escuriaal. Maar men moet wel protesteeren tegen de dwaze tentoonstelling van koning Ferdinand, man van Dona Maria II en grootvader van den tegenwoordigen koning. Het lijk, dat wonderlijk goed bewaard is gebleven, ligt onder een spiegel, en men doet u op een stellage klimmen, om beter te kunnen zien en het licht er goed op te laten vallen, nog wel het licht van een lantaarn. Dat doet denken aan de Capucijners van Palermo; het is stuitend en een koning onwaardig, evenzeer als het in strijd is met den eerbied, dien men aan den dood verplicht is en met de heiligheid van zulk een plaats.
De kerk van dit klooster is een der meest in het oog vallende van Lissabon, dat er vele heeft, maar weinig mooie; de twee torens worden al uit de verte gezien, daar ze zich op een der hoogste punten van de stad verheffen.
Het is een der eigenaardigheden van Lissabon, dat de stad evenals Rome zeven hooge punten heeft en op zeven heuvelen is gebouwd. Daardoor zijn er ook veel lage gedeelten, veel steile hellingen en trappen, zoodat men om de verschillen in hoogte kabelspoorwegen en zelfs liften heeft moeten invoeren. Een van die ophijschers, naast den Rocio, met zijn hoog ijzeren geraamte is overal zichtbaar, terwijl andere, aangeduid door een opschrift op een deur, uitgaan van een lagere straat, om op geheimzinnige manier door huizen heen naar een hoogere straat op te stijgen. De Carmostraat en de Garrettstraat in het midden der stad hebben een helling, waar onze Rue des Martyrs nog een zwakke en gemakkelijke helling bij vertoont.
Met een zoo geaccidenteerd terrein verwacht men zonderlinge bochten en straten; maar zoo erg is het niet, want behalve dat de nieuwe stad gebouwd is naar een modern plan, heeft ook de oude stad, hernieuwd na de aardbeving, niet die vuile hoeken en lompensteegjes, waar de romantici van droomen. Het karakter van Lissabon ligt niet in den ouderdom der stad, maar juist in de golvende terreinen, waarvan het onverwachte een wanhoop is voor de pas aangekomenen, die zoo iets niet verwachten.
Op enkele hoogten heeft men een onvergelijkelijk uitzicht, vooral bij Notre Dame du Mont, van waar men de heele stad kan overzien en de reede, wat niet weinig wil zeggen; of in den tuin van San Pedro van Alcantara, boven het station, waar men in de open gedeelten een wonderschoon uitzicht heeft. Buitendien zijn de parken een der groote aantrekkelijkheden van Lissabon. De Botanische Tuin heeft iets babylonisch, met zijn terrassen, waar de altijd bloeiende palmen en oranjeboomen staan tusschen de onveranderlijk groene planten.
Wat monumenten van bouwkunst betreft, is Lissabon niet rijk. De kathedraal is een brave, eerlijke kerk uit een dorp; Nossa Senhora da Estrella van nog al fraaie proporties, heeft een sierlijken koepel, maar het inwendige is ontsierd door allerlei prullen, en in de profane gebouwen komt dezelfde armoede aan den dag, want het station, de Polytechnische School, het Cortespaleis, het Stadhuis en het Museum, zoo ze de aandacht trekken door hun afmetingen, houden die niet vast, noch door hun pracht noch door hun originaliteit. Alleen de Nationale Bibliotheek moet genoemd, waar de honderd duizenden boekdeelen, waaronder veel oude en van groote waarde, op rijen staan in de cellen en op de gangen van het oude klooster van den H. Franciscus. Ik heb in vele ervan gebladerd, ook in de zeldzaamste, en de voorkomendheid van den heer Moniz, die ze mij liet zien, maakte, dat bijna alle in het Fransch waren geschreven; hij koos namelijk met oordeel van wat er op de planken stond, terwijl wij daar wandelden door de kleine, koele kamers en door de lange gangen, met het bonte schilderwerk op de geglazuurde platen, de azulejo’s.
In een straat van Lissabon.
Ter zake van deze wetenschappelijke richting moeten wij ook melding maken van het Aardrijkskundig Genootschap, dat een zeer moderne installatie heeft, en zijn ethnografische, koloniale en landbouwkundige verzamelingen heeft ondergebracht in ruime, lichte zalen. Die werk- en lees- en receptiezalen maken van het gebouw een inrichting, die het land volkomen waardig is, want Portugal heeft voor de wetenschap der aardrijkskunde het allermeest gedaan.
Een der belangwekkendste gebouwen van de stad is dat voor de stierengevechten, de Praça dos Touros, met sierlijke bolvormige koepels gekroond. Daar worden geen buiken opengereten; geen bebloede darmen teekenen roode vlekken op het zand; maar men ziet er een ridder in het costuum van Lodewijk XV ’s tijd, gezeten op een prachtig andalusisch paard, die met een bewonderenswaardige handigheid de speer doet neerdalen. Hij ontwijkt den stier, wiens horens omwikkeld zijn, komt nader, wijkt terug, doet sprongen en schittert in de zon met galoppeerende bewegingen, die herinneren aan de stralende cavaliers van Velasquez. Het is een aardig schouwspel, en na den afloop wordt er gepraat en worden bezoeken afgelegd tusschen de verschillende loges.
Uit de Praça komend, rijden de deftige rijtuigen en file langs de Avenida, een prachtige laan, met een monument voor de bevrijders, die in 1640 de Spanjaarden buiten de deur zetten. Een uur lang wordt de geheele lengte van de Avenida telkens weer afgereden door de beau monde; de koningin voorop in het met vier paarden bespannen rijtuig, voorafgegaan door pikeurs en gevolgd door een gelijksoortig rijtuig, waarin de eeredame is gezeten, waarna de auto volgt van den infant Don Alphonso. Deze plechtigheid is een der groote amusementen van Lissabon.
De stierengevechten zijn in Portugal veel minder bloedig dan in Spanje.
Des avonds gaat men naar de opera, om muziek te hooren; naar den schouwburg Dona Amelia, om tooneelwerken te zien opvoeren, waarbij in beide gevallen rok en décolleté zijn voorgeschreven, of naar het Gymnase, waar grappige dingetjes worden opgevoerd, het Colysée, een reuzenzaal en music-hall, en het Casino de Paris, waar men op lusitanische manier bijeen is. De toeschouwers schijnen zich best te amuseeren, misschien wel omdat overal veel kinderen worden meegenomen, vooral meisjes, die onverschrokken luisteren en den indruk maken van de brutaalste grappen te begrijpen.
Eerst lang na middernacht gaat men slapen, na zich verkwikt te hebben in de cafés op het Rocio en met rondwandelingetjes in de omstreken. Dan zwijgt Lissabon en slaapt in; de Procrustus-bedden hebben hun prooi weer omvat....
Laat ons nu tot ernstiger onderwerpen overgaan. Een beschrijving van Portugal zou onvolledig wezen, als er alleen van het schilderachtige sprake was; men zal ook wel eens iets willen hooren van de regeering, de instellingen, de politieke en administratieve organisatie, de hulpbronnen van het land en de toekomst, die Portugal het recht heeft te verwachten.
Uit politiek oogpunt gezien, wordt Portugal bestuurd door een vertegenwoordigende monarchie, die erfelijk is. Sedert 1640 behoort de kroon aan het huis van Braganza, en de troonsbestijging van deze dynastie is het begin geweest van de onafhankelijkheid en de zelfregeering van het land, dat lange jaren onder het spaansche juk gebogen had gegaan. Wij zouden de grenzen, die wij ons gesteld hebben ver te buiten gaan, als wij, ook maar in het kort, den arbeid van het huis Braganza wilden schetsen. Maar om ons tot de constitutioneele vorsten te bepalen, willen wij Maria II noemen, de koningin, die goed was voor de armen en kleinen, en flink in tijden van onlusten, die een uitstekende moeder was; en dan haar beide zoons, de koningen Pedro V en Louis I, van wie goedheid de eerste koninklijke deugd schijnt te zijn geweest. Zij wonnen door hun sympathie met de behoeften van het volk de harten, en bij de koningin vonden ze den grootsten steun bij het liefdewerk. In vijftig jaren hebben drie groote volken koninginnen aan Portugal geleverd, Duitschland de vorstin Stephanie van Hohenzollern, echtgenoot van Pedro; Italië Maria van Savoye, vrouw van Louis; en Frankrijk koningin Amelia van Orleans, door Carlos verheven tot de bekoorlijke en edelmoedige souvereine van zijn volk. En de drie koninginnen hebben elk op haar beurt de kluisters van het koningschap afgeworpen, om zich met de zachtheid van het vrouwelijk hart alleen te wijden aan de werken van liefdadigheid en de instellingen tot heil van het volk. Die lofwaardige wedstrijd is te opmerkelijk, om hem niet te vermelden.
Het hoofd van den staat is de koning. De grondwet van 29 April 1836, gewijzigd door de besluiten van 24 Juli 1852 en door een wet van 3 April 1896, heeft vier machten ingesteld, de wetgevende, de uitvoerende, de rechterlijke en, wat men noemt, de matigende macht.
De wetgevende macht wordt door de Cortes uitgeoefend, dat is dus door de Kamer van afgevaardigden en de Eerste Kamer. Die laatste heeft twee soorten van leden, zij, die rechtens lid zijn als de koning en zijn broeders op den leeftijd van 25 jaar, de aartsbisschoppen en bisschoppen, en de leden, voor hun leven door den koning benoemd ten getale van 90 op zijn hoogst. Die leden moeten minstens veertig jaar oud zijn en aan de eischen van verkiesbaarheid tot volksvertegenwoordiger voldoen. Het pairschap, dat der leden van de Eerste Kamer, is niet vereenigbaar met sommige ambten en wordt zonder belooning waargenomen. De president en vice-president van de Eerste Kamer worden door den koning benoemd.
De Kamer der Volksvertegenwoordigers bestaat uit 112 leden, die rechtstreeks door de kiezers worden verkozen. Om verkiesbaar te zijn, moet men Portugees wezen van oorsprong, en niet door naturalisatie, 21 jaar oud, gedomiciliëerd in Portugal, ten minste 500 reis aan belasting betalen en kunnen lezen en schrijven. Er is geen belooning aan dat mandaat van afgevaardigde verbonden en het is onvereenigbaar met elke door de regeering betaalde betrekking.
De zittingen van de Cortes worden ieder jaar op den 2den Januari geopend en duren gewoonlijk drie maanden. De beide Kamers hebben gelijktijdig zitting. De Eerste Kamer heeft tot taak als hoog gerechtshof te oordeelen in zake misdaden, begaan door de leden der koninklijke familie, de ministers en de staatsraden, de pairs en de afgevaardigden; buitendien moet zij bij den dood van den koning en als er reden is om een regentschap in te stellen, de Wetgevende Vergadering bijeenroepen.
Wat de Kamer van afgevaardigden betreft, zij heeft als in Frankrijk het recht van initiatief bij financiëele aangelegenheden. De stemming over het budget is inderdaad een der eerste rechten van de Cortes; maar in het portugeesche Parlement neemt de politiek vaak het grootste deel van den tijd in beslag; daaronder lijden de discussies en de stemmingen over de begrooting, en het stelsel der voorloopige twaalfden, dat bij ons in Frankrijk bloeit, is daar in volle zuidelijke kracht te bewonderen. Als onze inlichtingen juist zijn, is er in de laatste jaren geen regelmatige begrooting geweest, en tijdens ons verblijf te Lissabon was men al aan het veertigste voorloopige twaalfde! Toch zijn er verdedigers van het stelsel, en de minister van financiën prees er onlangs de werking van als een hinderpaal voor den aanwas van credieten en belastingen.
De koning moet de wetten bekrachtigen; hij kan ook de wetsontwerpen, die hem worden voorgelegd, aannemen of verwerpen; hij moet binnen dertig dagen zijn beslissing bekend maken. Hij is de man van de matigende kracht, van het “pouvoir modérateur”, dat uitgeoefend wordt door de benoeming van de pairs, de buitengewone bijeenroeping der Kamers, de verdaging en de ontbinding der Cortes, de benoeming en terugroeping der ministers en het recht van gratie. De koning is niet verantwoordelijk, en is onschendbaar.
De uitvoerende macht heeft tot hoofd den koning, die de Cortes samenroept, de buitenlandsche politiek regelt, tractaten sluit behoudens bekrachtiging door de Kamers, oorlog verklaart en vrede sluit, alle hooge ambtenaren benoemt en magistraten, als ook de bisschoppen, naturalisaties goedkeurt, en in één woord de opperste leiding van de regeering in handen heeft.
Er zijn zeven ministers, die van Binnenlandsche Zaken, van Financiën, Buitenlandsche Zaken, Oorlog, Marine en Koloniën, Justitie, Openbare Werken, handel en industrie. De ministers behoeven niet noodzakelijk uit het Parlement te worden gekozen; integendeel worden ze dikwijls daarbuiten uit de hooge ambtenaren aangewezen. Een portugeesch minister houdt zich niet in zijn waardigheid gedrapeerd; hij wordt niet onttrokken aan de blikken door een aureool van een functie, die trouwens vaak kortstondig is van duur. Men komt de ministers op elk uur van den dag op straat tegen, op de pleinen en de wandelwegen, ze zijn burgers als alle andere, praten en lachen en men kan hun de hand drukken, zonder dat men vermoedt met een minister te doen te hebben. De Raad van ministers heeft een president aan zijn hoofd, die zonder portefeuille kan zijn en dan uitsluitend leiding geeft aan de politiek van het kabinet.
De ministeries zijn alle te vinden rondom de praça do Commercio, het grootste en mooiste plein der stad, van waar het oog in de verte de Taag kan onderscheiden en verder de wijde haven tegen de groenende vlakten van Estramadura en den Palmellaheuvel.
Wat de administratieve organisatie aangaat, en als men het koloniale bezit ter zijde laat, is Portugal in 21 districten verdeeld, waarvan 17 vallen op het vasteland en vier op de Archipels der Azoren en der Maderagroep, aangeduid met den naam “aangrenzende eilanden”. De districten worden weer verdeeld in concelho’s, en de concelho’s in freguezia’s of gemeenten. Aan het hoofd van het district staat de civiele gouverneur, aan dat van den concelho een administrateur, die beide door den koning worden benoemd. De gemeente wordt bestuurd door een regidor, benoemd door den districtsgouverneur, en bijgestaan door een raad, de junta de parochia, bestaande uit drie of vijf leden, gekozen voor drie jaren en waarvan een geestelijke voorzitter is.
Wij hebben herhaaldelijk in den loop onzer reis gelegenheid gehad, in aanraking te komen met die gemeenteraden. Zonder dat onze tocht eenigszins een officiëel karakter had, waren onze bewegingen door Portugal in de pers vermeld geworden met veel weelde van bijzonderheden, en onze doorluchtige personen vonden telkens op hun verplaatsingen hun komst voorafgegaan door artikelen, die de indrukken van den vorigen dag resumeerden en die van den volgenden vermeldden, altijd met de grootste welwillendheid. En zoo was het niet zeldzaam, dat bij onze aankomst aan het eindpunt voor een dag, we daar op de markt de notabelen van de plaats bijeen vonden, die met den pastoor aan het hoofd gekomen waren om hun welkomstgroeten te brengen aan de vreemdelingen. De pastoor, in civiel, onderscheidde zich door zijn statigheid en welgedaanheid; hij trad op als de woordvoerder van zijn gemeenteraad in uitstekend Portugeesch, waar wij op antwoordden in niet minder uitstekend Fransch, dat we zeer getroffen waren; en men begreep elkaar vrij goed, terwijl er handen werden gedrukt. Dat sympathieke in de ontvangst had soms iets roerends, zooals bij dien notabele van Monchique, die door ziekte verhinderd, aan zijn zoon opdroeg, erop te letten, als wij passeerden, ten einde zijn geheele huis te onzer beschikking te stellen; of die magistraat van Portimao, die tot één uur in den nacht wachtte op het rijtuig, dat de twee Franschen moest terugbrengen, omdat hij erop gesteld was, hun vóór hun vertrek de groeten van zijn gemeenteleden over te brengen. Dat gebeurde in Algarvië, de minst bekende streek van Portugal, maar misschien wel de interessantste.
Omdat wij van den gemeenteraad hebben gesproken, moet ik enkele woorden wijden aan de geestelijkheid in Portugal en haar hiërarchische indeeling. Al is de uitoefening van den godsdienst vrij in Portugal, de Roomsch-Katholieke is staatsgodsdienst, en de geestelijkheid van die kerk oefent er grooten invloed uit, vooral op het platteland. Het koninkrijk bevat drie aartsbisdommen, dat van Lissabon, dat van Braga en dat van Evora. De aartsbisschop van Lissabon, die den naam van patriarch draagt, heeft de waardigheid van kardinaal. Die aartsbisdommen omvatten elf bisdommen en bijna vier duizend gemeenten.
Alleen de aartsbisschoppen en bisschoppen worden evenals de kanunniken door den staat bezoldigd; de gemeentelijke geestelijkheid wordt betaald uit de inkomsten der kerk, uit wat toevallig inkomt en uit een bijzondere gemeentelijke belasting. De kerkelijke plechtigheden worden met groote plechtigheid gevierd; de kosten worden gedragen door broederschappen.
De ouderwetsche gebruiken bij doopplechtigheden, trouwpartijen en begrafenissen hebben overal de neiging om te verdwijnen en in overeenstemming te zijn met wat men elders ziet. Toch treft men nog wel dikwijls bij doop en huwelijk in de provincie aan wat genoemd wordt de “trincheria’s”, dat is dat een zijden lint van verschillende kleuren aan elk eind gedragen door twee jonge meisjes, gespannen wordt vóór de kerkdeur; om er voorbij te gaan, moet de stoet een muntstuk van koper of zilver offeren. En de trincheria’s komen dan telkens weer voor tot aan het huis, waar het feest is voor doop of huwelijk. Om de linten naar beneden te doen gaan, moeten er iederen keer gaven worden geschonken aan de jonge meisjes.
Op sommige plaatsen in het land was nog lang in gebruik een soort van nagemaakte roof van de bruid; elders werd de godsdienstige plechtigheid gevolgd door enkele ritueele gebruiken, bijvoorbeeld door het breken van een aarden kruik of het drinken van een teug wijn door de verloofden uit denzelfden beker, die dan werd leeggeworpen. Die oude gewoonten, vaak zoo schilderachtig, verdwijnen langzamerhand; maar de dansen verdwijnen niet, die genieten bij bruiloften en doopfeesten nog algemeene populariteit. Op dat punt zijn de gebruiken echter niet overal gelijk; er zijn streken, waar de bruid met ieder der gasten mag dansen, en andere, waar het haar alleen geoorloofd is met haar man te dansen. Die dansen worden begeleid door volksliederen en romances, gezongen bij de guitaar.
In de provincie Minho bestaat nog de gewoonte, de begrafenissen te doen volgen door een doodenmaal, dat overvloedig is en waar de geplengde wijn gedronken wordt onder snikken en zuchten. Ook is het gebruikelijk, bij die gelegenheid aan het hoofd der familie een kabeljauw aan te bieden, zoo gelegd op een met een servet bedekten schotel, dat alleen de staart te zien komt. In de dorpen van Beira wordt de overledene door al zijn buren en vrienden in den nacht met licht gehuldigd; ieder brengt zijn kaars aan, steekt die aan en zet ze langs den muur tegenover het lijk, om dan zijn plaats in te nemen onder de wakers aan de baar.
Bij de zomerfeesten kan men de volksoverleveringen in hun aantrekkelijksten vorm terugvinden. De feesten van de Heilige Maagd, die in het geheele land hoog wordt vereerd, dan die van Sint Jan, van den H. Petrus, den H. Antonius en de verschillende schutspatroons der gemeenten zijn vol karakter en hebben veel schilderachtigs. Op de avonden van Sint Jan en den H. Petrus worden altijd op de marktpleinen der dorpen kleine vuurtjes gestookt van geurige planten, die geregeld onderhouden worden. Jongens en meisjes dansen eromheen tot het aanbreken van den dag, onder het zingen van klaagliederen, vol van liefde en kinderlijk geloof. Die beide heiligen zijn namelijk voor het portugeesche volk twee zeer goedige heiligen, die de minnenden beschermen. De dauw, die in die nachten valt, heeft een weldadigen invloed, en het water, dat men aan de fonteinen drinkt voordat de zon op is gegaan, wordt beschouwd als een echte liefdedrank en als een talisman voor het geluk!
De H. Antonius, de strenge heilige uit de Middeleeuwen, is buitendien door het volksgeloof veranderd in een echten makelaar in huwelijken; hij geniet hier als overal elders buitendien den roep van verloren voorwerpen te kunnen doen terugvinden. Maar het portugeesche volk houdt niet van omwegen; als het tot den heilige gerichte gebed niet onmiddellijk verhoord wordt, neemt men tot krasse middelen zijn toevlucht. Het beeld van den heilige wordt stevig aan een touw gebonden en neergelaten in een put; het bad duurt tot de heilige genadig is, en het verlangde wordt verkregen.
Bij alle volksfeesten behooren liederen, begeleid door guitaar, viool of harmonium. Het muzikale karakter der liederen verandert met de streek. In het Noorden is het rhythme levendig en vlug; in het hart der bergen en in de vlakten van Alemtejo is het zwaarmoedig en langzaam; in het gebied van Neder Beira heeft het een wiegende cadans als de golven der zee. Het meest algemeen verspreide lied is de fado, een droevige muziek, die ontroert, door accoorden van de guitaar begeleid. Met de lang aangehouden en kwijnende tonen is de fado een weerspiegeling van de portugeesche volksziel, waarop de arabische invloed een indruk van sentimentaliteit heeft achtergelaten en een levensopvatting, die iets fatalistisch heeft.