Kathedraal te Evora.

Kathedraal te Evora.

Mooi en aardig waren de weinige gezichten, die ik achter de vensters van de verlaten straten in Beja zag, met de donkere oogen, die den exotischen vreemdeling nakeken. De rust van dit stadje, waar geen vrouw op straat zich vertoonde, was noodig, om iemand het hoofd zoekend te doen rondspeuren om te zien, waar ze gebleven waren die dingen, die van de pool tot den aequator aantrekkelijker zijn dan de schoonste monumenten, de aangezichten van vrouwen, de belangstellende blikken en de bevallig gebogen halzen. In de haast om weg te komen, ben ik, dunkt mij, een beetje litterair geworden; en die witte marmeren toren heeft mij alleen geboeid, omdat ik aan andere dingen dacht.

Nu is ze er weer, de eentonige vlakte; langzamerhand verdwijnt de hoogte van Beja; de toren van koning Denys is nog op een afstand zichtbaar tegen een rosen achtergrond; dan wordt hij op zijn beurt klein en smal, verwasemt en verdwijnt.

Bogen van een waterleiding te Evora.

Bogen van een waterleiding te Evora.

Te Casa Branca verandert men van trein in een station met een lichte overkapping, waar papieren fladderen en de geuren van eucalyptus hangen. In de verte teekenen zich heuvels af tegen de lucht; er is daar een berg van 430 meters; het vlakke Alemtejo is gedaan, de dalen beginnen, nog eerst met een zekeren schroom. Nog een klein uur, en men heeft de hoofdstad bereikt, Evora, een oude en merkwaardige stad, die het geheele geheim van haar lange geschiedenis geeft in een reeks van bouwwerken van beteekenis.

Terstond bij aankomst verraden de resten der muren het verleden; men vindt er romeinsche, westgothische en moorsche motieven in een wijden kring bijeen, waar de muren nu eens geheel zijn verdwenen, dan half ingestort zijn, maar het meest nog overeind staan in allerlei vormen, als vierkante torens, opeengestapelde platte steenen, kanteelen, poorten met ijzer beslagen, waaraan men de verschillende stijlen herkent, die elkaar zijn opgevolgd in het oude Ebora. De stad heeft de legioenen van Sertorius gezien, die er zijn hoofdkwartier had; toen ze een romeinsche kolonie was, heette ze Liberalitas Julia. Daarna was ze in het bezit der Mooren, tot de Ridders der Avizorde haar veroverden. Het hof van Portugal heeft er geresideerd, en van dat alles is nog een aartsbisdom overgebleven, dat het derde is van het rijk, na Braga en Lissabon, terwijl er buitendien nog leeft de herinnering aan een niet geheel vervallen grootheid.

Men bespeurt dat de vlakte teneinde is aan de oploopende straten, die golvende lijnen beschrijven als in de hoofdstad van het land, maar toch is de vlakte nog niet ver verwijderd, want Evora ligt aan den rand, als een vooruitgeschoven post van de terrassen, en uit de vensters der hoog gelegen stad ziet men over een onmetelijke vlakte tot in de grijze verte.

De praça do Giraldo is het midden der stad, met arcaden, waaronder de banken en de voornaamste winkels. Op het gladde plaveisel van mozaïek, met zwarte en witte strepen naar portugeeschen trant, wandelen de groepen, rookend en pratend, maar niets dan mannen, de vrouwen stellen zich tevreden met het leven van uit haar vensters gade te slaan.

Koninklijk paleis van Villaviçosa.

Koninklijk paleis van Villaviçosa.

Van het plein gaan een menigte nauwe straatjes uit, smal en bochtig, dooreengeward en op- en neergaand, afgewisseld door kleine pleintjes, en fonteinen, waaromheen kruiken en watervaten wachten om te worden gevuld. Er is in die fonteinen en in diegenen, die er komen, iets bijbelsch, dat aan het schiereiland eigen is. Aan de altijd vriendelijk stroomende kraantjes komen vooral vrouwen uit het volk, het is haar forum en tevens haar praatsalon, waar nog drukker gebabbeld wordt dan op de Giraldo. Leunend op den rand van het bekken, waarin het frissche water neervalt, met een hand op de heup, de japon hoog opgenomen, houden ze haar steenen kruik vast, die al lang overloopt, eer ze aan het eind van het praatje weg gaan en de kruik opnemen. Dan neemt een andere de plaats in en in het oneindige zoo door, tot de kruiken, die in nette rijen op de straat staan aan eiken kant van de bron, alle gevuld zijn en meegenomen op evenveel hoofden als er vrouwen waren. De rijken en de waterkooplieden komen met ezeltjes, beladen met vier groote kruiken, twee aan elken kant van het zadel. Op bepaalde oogenblikken van den morgen en den avond ziet men bij de toegangen tot de fonteinen veertig of vijftig vrouwen, twintig ezels en legers van kleine kinderen, die er dooreenwoelen, zonder ooit de orde te verstoren in de aarden of metalen vaten, in een rij geschaard tot het eind van het pleintje.

Op het hoogste punt van Evora zijn de beide groote beschavingen vertegenwoordigd door twee gebouwen, den tempel van Diana en de kathedraal.

Hier zij opgemerkt, dat een tempel, waar men niets van weet, bijna altijd een tempel van Diana wordt. Maar te Evora is de vorm toch nog te onderscheiden en uit de rangschikking der zuilen en de inrichting der fondamenten kan men afleiden, dat het een gebouw moet geweest zijn uit de eerste eeuw na Christus. Tot in den laatsten tijd waren de ruimten tusschen de nog staande zuilen aangevuld door muren, en men had den tempel overdekt met een soort van toren, waar binnen een museum was ingericht. Een man van smaak is op het goede denkbeeld gekomen, aan de ruïne haar eigen uiterlijk weer te geven; het dak, de muren en het museum zijn verdwenen, en nu kan men de harmonie der veertien zuilen waardeeren met hun kapiteelen, die nog wel iets te veel zijn gerestaureerd.

Iets lager staat de kathedraal, een stuitende vermenging vertoonend van verschillende stijlen en plannen. De hoofddeelen zijn gothisch, met smalle vensters, dikke muren en kanteelen; er verheft zich in het midden een achthoekige toren met op de acht hoeken acht klokketorens, die, maar in het eenvoudige, doen denken aan den toren van Burgos, met dan nog een massieven steenen kegel er op, die te laag en te dik is.

De gevel mist alle symmetrie, met al die vensters, die op goed geluk schijnen aangebracht, en volkomen onmethodisch. Alleen het versieringswerk aan het portaal is mooi, maar in het inwendige is de kerk overladen, tegen onze verwachting, die aan de soberheid der primitieve gothische kunst gewend is.

Er was ons gezegd, en zeker terecht, dat acht dagen nauwelijks genoeg zouden zijn voor Evora, maar wij hebben niet zooveel tijd en moesten al spoedig naar Villaviçosa vertrekken. Daar komt men in een land van de Schoone Slaapster in het Bosch, in een stadje nog witter, kleiner en stiller dan Beja. Om de waarheid te zeggen, ontwaakt de schoone prinses er niet letterlijk naar het verhaal, maar zij komt er elk jaar eenige weken doorbrengen in het kasteel, waar zij het liefst vertoeft, het oude slot van Braganza. Als zij er is aangekomen, ziet men de koninklijke karossen af en aan rijden, het stadje ontwaakt ten leven, de straten worden druk, het gras op het marktplein verdwijnt en het kasteel wordt verlicht.

De koning en de koningin komen te Villaviçosa jagen en paardrijden; het kasteel is voor hen een echt familieverblijf, en het groote bosch, door muren ingesloten met vijvers en koepels, levert voor zulke vermaken een uitstekend terrein.

Het kasteel is intusschen vervallen van zijn oude pracht, sedert de bezitter, Johan, de achtste hertog van Braganza, het verliet, om als koning zijn intocht in Lissabon te houden onder den naam van Johan IV en in 1640 aldus de nog regeerende dynastie te grondvesten. Het was een groot oogenblik voor den vorst, die nog eens weer de Spanjaarden had verjaagd; maar het arme kasteel heeft er zijn kostbaarheden bij verloren, die bepaald koninklijk waren en eenigen tijd van te voren door den kardinaal Valentinus, pauselijk legaat, waren in oogenschouw genomen. Bijna alles werd naar Lissabon gebracht en verdween in de aardbeving van 1755.

Een stok als kruiwagen.

Een stok als kruiwagen.

Toch ziet het kasteel er nu nog indrukwekkend uit met den grooten gevel, en de vertrekken hebben bij den grooteren eenvoud gewonnen aan intiemer karakter, dat de koningin aantrekt, wier smaak fransch is. De zoldering van de hertogszaal is verdeeld in een aantal vakken, waar de reeks van alle Braganza’s tot op den tegenwoordigen hertog geschilderd zijn; de jonge prins is er als baby afgebeeld, maar daar er geen plaats meer was aan de zoldering, hangt zijn portret aan den wand.

Te Villaviçosa begint het eigenlijke bergachtige Alemtejo. De bergen zijn niet hoog, 512 meter te Estremoz, de naburige stad, waar alle alcaraza’s of koelkruiken worden vervaardigd voor het schiereiland. Maar de kusten zijn diep ingesneden en de dalen diep en begroeid, zonder dat veel wegen er den weg in wijzen. Wij reisden verder naar Elvas aan den rand van een andere vlakte, het spaansche Estramadura, en hadden er een uitzicht tot Badajoz. Daar in de buurt troffen we, evenals bij Evora, een romeinschen aqueduct, bestaande uit vele bogen, die wankel genoeg leken, om zeer oud te zijn; maar de waterleiding bij Evora uit den romeinschen tijd vertoonde bogen, die uit de zestiende eeuw dagteekenden.

Onder de interessantste uitstapjes, die men van Lissabon uit kan maken, komen die voor naar Coïmbra en Bussaco. Die tocht, dien men gemakkelijk in twee dagen doet, is dubbel aantrekkelijk, want hij vergunt den toerist, een der schilderachtigste en oudste steden van Portugal te bezoeken, en een der mooiste landschappen van het schiereiland te bewonderen, beroemd om de pracht van het panorama en den rijkdom van den plantengroei.

De express van Oporto, die uit Lissabon vertrekt om half zes ’s avonds, is uitstekend geschikt voor dit reisje. Men komt om negen uur te Coïmbra aan, en den volgenden dag kan men dan rustig de stad bezoeken.

Behalve de bekoorlijke ligging heeft de stad Coïmbra, gebouwd tegen de helling van een hoogte langs de rivier de Mondego, haar hooge gebouwen der Universiteit, waarvan de toren blinkt tegen het blauw van den hemel. De geheele omgeving biedt een toerist allerlei zeer levendige herinneringen aan de geschiedenis van Portugal. Daar resideerden bijna alle koningen van de Alphonsische dynastie; daar was eertijds het ware middelpunt van het leven van het land; daar werden de eerste gevechten geleverd tegen de Mooren; daar werden de groote heldendaden verricht en daden van vaderlandslievende opoffering; daar speelden zich de episoden af, zoo romanesk en zoo tragisch, van de liefde van Dom Pedro en Ines de Castro; daar worden vromelijk aangebeden de overblijfselen van de echtgenoote van Dom Denys, Isabella de Heilige; en eindelijk was het deze stad, die de wieg werd van een zevental beroemde mannen, beroemd in de wetenschap, de letteren, de kunsten, en waar de eerste dichters van het land hun inspiratie kwamen zoeken, door den geest van Camoëns erheen gevoerd.

Maar de voornaamste glorie van Coïmbra, de schoonste parel aan de kroon der stad, is haar oude universiteit. Coïmbra is in hoofdzaak stad van wetenschap en studie, die beide begunstigd worden door het overheerlijk zachte klimaat, de poëzie van het landschap en de kalmte van het leven in de stad, en voordat wij den lezer er doen binnengaan, willen we hem iets vertellen van de geschiedenis dezer academie, waar men de heele geschiedenis van het land in kan terug vinden.

Een professor van de universiteit te Coïmbra.

Een professor van de universiteit te Coïmbra.

Den 12den November 1288 richtten de abt van Alcobaça, de priors van Sainte Croix en Sint Vincent en andere geestelijken, te Monto-Mor-o-Novo bijeengekomen, een verzoekschrift tot den paus, waarin ze mededeelden, dat de koning Dom Denys tot de stichting had besloten van een algemeen college te Lissabon, tot onderhoud waarvan hij bestemd had de opbrengst van twee zijner kloosters en kerken; ze vroegen den paus, een zoo vroom en prijselijk werk wel te willen steunen en zegenen. Het antwoord liet zich bijna twee jaren wachten. Eerst den 9den Augustus 1290 zond paus Nicolaas IV van Orvieto de bul: De statu regni Portugaliae, waarin hij uitdrukkelijk het bestaan erkende van het Algemeen College van Lissabon en er verschillende voorrechten aan schonk.

Het College omvatte toen zes leerstoelen, het kanonnieke recht, civiel recht, geneeskunde, dialectiek, taalkunde en muziek. De theologie was buitengesloten van het leerplan, en dat zal niemand verwonderen, als men zich herinnert, dat de godsdienstige orden, vooral die der Dominicanen en Franciscanen, toen het privilege van het onderwijs in theologie hadden, en dat de Universiteit van Parijs, de alma mater studiorum, het monopolie had van de uitgifte der graden voor godgeleerde studiën.

De koning, Dom Denys, liet in Lissabon, in de wijk Alfama een gebouw oprichten, waarin het College werd geïnstalleerd en dat later de Beurs werd. Maar de inrichting te Lissabon had slechts een kortstondig bestaan. De voorrechten, aan de studenten toegestaan, leidden tot oneenigheden tusschen de geestelijke en wereldlijke autoriteiten, en aan den anderen kant werkten de schilderachtige omgeving van Coïmbra, de ligging in het midden des lands, de voordeelen, die het eenvoudige leven daar bood, ertoe mee, die stad te doen kiezen als zetel voor de academie. In het kort, reeds in 1308 was de overplaatsing van het College een feit geworden en ze werd geautoriseerd door twee pauselijke bullen van Clemens V, gedateerd van Poitiers en gericht, de eene aan den aartsbisschop van Braga en den bisschop van Coïmbra, en de andere aan den koning.

De eerste statuten van de universiteit zijn van dezen tijd afkomstig; zij werden goedgekeurd door koning Dom Denys, den 15den Februari 1309. Er worden een paar merkwaardige bepalingen in gemaakt. De tractementen van de professoren bijvoorbeeld waren als volgt geregeld: 21 600 reis per jaar voor den professor in wetgeleerdheid, 18 000 reis voor den rechtsgeleerden professor, 7200 voor den geneeskundigen en dien voor taalkunde, 3600 voor den professor in logica en 2700 voor dien in muziek, wat tegen den tegenwoordigen koers zoowat uitkomt op 14 francs. Twee aanzienlijke burgers der stad, die den titel van conservatoren ontvingen en een jaarlijksch inkomen van 1440 reis, moesten waken voor de handhaving der privileges van de universiteit en den koning raadgeven bij elken aanslag, die erop zou worden beproefd.

De koning Dom Denys stierf den 13den Januari 1325. Zijn opvolger, Alphonsus IV, bracht den zetel der universiteit naar Lissabon over in 1338, maar in 1354 werd hij weer naar Coïmbra overgebracht. Dom Johan I, grootmeester van de Avizorde, door de staten tot koning gekozen, die zijn gunst aan de instelling wilde betoonen, deed de universiteit weer naar Lissabon terugkeeren en bevestigde haar in al haar privileges, terwijl hij haar voor vast in zijn hoofdstad vestigde, waar ze bleef gedurende een tijdsverloop van 160 jaren, namelijk tot 1537. Onder zijn regeering werden de godgeleerde en wiskundige studievakken ingevoerd aan de universiteit, aan welker hoofd werd geplaatst een directeur van de studie, door den koning benoemd.

Coïmbra op een heuvel aan de Mondego.

Coïmbra op een heuvel aan de Mondego.

De latere statuten van de universiteit zijn gedagteekend van den 16den Juli 1431; ze bevatten een menigte belangwekkende bepalingen over de organisatie der studievakken en het verleenen der graden, bijzonderheden, waarin wij hier niet kunnen treden. Laat ons echter toch deze bijzonderheid doen uitkomen, dat het bestuur der universiteit een volkomen autonomie bezat; het inwendig bestuur, de administratieve organisatie, de financiëele leiding, de verkiezing der rectoren en andere ambtenaren was alleen afhankelijk van het corps der leerlingen. In dien tijd werd opgericht een college voor de arme studenten, om hun op die wijze het studeeren gemakkelijker te maken; dat was de oorsprong van de colleges van dien aard, later te Coïmbra met hetzelfde doel gesticht.

Sinds den dood van den infant Dom Henrique in 1460, die de groote beschermer der universiteit was, tot de troonsbestijging van Dom Manuel, was er een openlijke strijd met de kroon, die geleidelijk aan de studenten hun voorrechten ontnam en voor hen in de plaats wilde treden in het bestuur der universiteit. Maar Dom Henrique keerde tot de oude gebruiken terug. De studenten verkozen hem uit dankbaarheid tot beschermheer der universiteit, en van dien tijd af bleef dat protectoraat als een apanage van de kroon bestaan.

Nog later werden voor de derde maal statuten opgemaakt in het begin der 16de eeuw. Ze regelden tot in de kleinste bijzonderheden de studiën en de uitreiking der graden, bepaalden het ceremonieel bij de stellingen of besluiten, die in de kathedraal werden verdedigd, een ceremonieel, dat de eeuwen bij na onveranderd heeft getrotseerd; ze noemden de onderscheidingskleuren voor iedere faculteit, wit voor de theologie, groen voor het kanonnieke recht, rood voor het burgerlijke recht, geel voor de medicijnen, blauw voor de kunsten. Wat de professoren aangaat, zij werden na een examen of concours, dat twintig dagen duurde, en waarin allerlei bewijzen van bekwaamheid moesten worden gegeven en steekspelen met woorden werden gevoerd, gekozen niet alleen door de rectoren en de in functie zijnde professoren, maar ook door de candidaten en studenten van de faculteit, die twee jaar studie achter den rug hadden.

In 1537 werd de universiteit weer naar Coïmbra overgebracht en verliet Lissabon, om er niet terug te keeren. Daar de instelling zich zeer had ontwikkeld, was het moeilijk een huis te vinden, om alle studievakken in onder te brengen. Dus werden voorloopig de faculteiten gescheiden, de faculteiten van het recht, van wiskunde, rhetorica en muziek werden geïnstalleerd in de koninklijke paleizen; de Colleges van Sainte-Croix namen de theologische faculteit op en de lessen in Latijn en Grieksch, geneeskunde en kunst. Maar die indeeling was niet van langen duur, omdat ze nadeel deed aan de goede administratie en de tucht, en vanaf 1544 werden alle faculteiten vereenigd in de koninklijke paleizen. Tot dankbaarheid voor zijn gastvrijheid ontving de prior van Sainte-Croix het voorrecht, de graden van doctor te mogen uitreiken, een privilege, dat eertijds aan den bisschop toekwam. De priors van Sainte-Croix hebben dit prerogatief behouden, evenals den titel van kanselier, tot in 1834.

Ter herinnering aan het verblijf te Sainte-Croix van de theologische faculteit, hield lang een gewoonte stand, die in Coïmbra allerlei schilderachtige vertooningen meebracht. De uitreiking der doctorsgraden in de theologie bleef plaats hebben in de kerk van het Heilige Kruis; voor de andere faculteiten werd de plechtigheid gehouden in de koninklijke paleizen. Maar in beide gevallen was het de prior-kanselier, die de graden schonk in tegenwoordigheid van den rector, de professoren e. a. en dus was er altijd een stoet, die zich naar het eene of het andere punt moest begeven. In het eerste geval ging de stoet van den rector van de paleizen naar de kerk; in het tweede begaf zich de optocht van den prior-kanselier naar de hoogten van de stad, waar de koninklijke paleizen waren. In beide gevallen woonde de oude stad een eigenaardigen optocht te paard bij, vol karakter en schilderachtigheid en ook wel met begeleiding van komische effecten. De doctoren en kanunniken, de dienstdoende geestelijken, kerkeknechten, koorknapen, edelen en anderen, gezeten op fraai opgetuigde muilezels of op paradepaarden, vergezeld door schildknapen en voorafgegaan door trompetters en bekkenslagers, wandelden zoo naar de plechtigheid der viering van een volkomen vreedzame gebeurtenis met een ridderlijke omslachtigheid, die alleen door de traditioneele wijze van ontstaan geheiligd werd.

In dien tijd, ongeveer 1548, werd het College voor de Kunst gesticht, dat zoo beroemd zou worden en eenige jaren later onder de leiding zou komen van de paters Jezuïeten. Dat College, dat in de eerste maanden dichtbij het Heilige Kruis lag, werd eenige jaren later overgebracht naar een lokaal, gelegen op de plek, waar thans het hospitaal der universiteit is.

De universiteit bereikte toen het toppunt van haar glorie, en de geleerden en professoren, die er werden gevormd, waren zoo talrijk, dat ze overal naar andere universiteiten werden beroepen, om er het licht hunner wetenschap te laten schijnen. Zoo straalde in de zestiende eeuw de roem van Coïmbra in Parijs, in Leuven, in Rome, in Pisa, in Bologne, in Montpellier en in Salamanca. Maar kort daarna begon de achteruitgang met de vestiging in Portugal van het Hof van Inquisitie, bij pauselijke bul van Paulus III van 23 Mei 1536, en den toenemenden invloed van het Genootschap van Jezus. Pas in Portugal gevestigd, begonnen de Jezuïeten dadelijk zich meester te maken van alle onderwijsinrichtingen in het land. Het College van de Kunst was het eerste, dat in hun handen kwam in 1555; ze kregen terzelfdertijd gedaan, dat het onderhoud van dat College werd opgedragen aan de universiteit, waar men op deze wijze een zware zorg aan opdroeg. En toen riepen zij ook nog door de stichting van de universiteit van Evora een lastige concurrentie in het leven. Maar laten wij niet te lang stilstaan bij die periode, die meer dan 200 jaren duurde, toen het College van de Kunsten als een strijdmiddel was tegen de oude universiteit. Om op rechtvaardige wijze lof en blaam te verdeden in dien kamp, waaraan de herinnering nu nog het bloed doet koken van de oude kampioenen voor Coïmbra, zou men een grondige kennis moeten hebben van de feiten, die wij niet bezitten. En zoo komen we eindelijk bij de hervorming van markies Pombal.

Door een besluit van 23 December 1770 was er in het leven geroepen een vereeniging, genoemd de “Junta da Providencia litteraria” met het doel, een rapport op te maken over den toestand der Universiteit. Haar streven moest verder zijn de oorzaken op te sporen van het verval der instelling en middelen aan te geven voor de opheffing en den bloei van het oude instituut. Die commissie, onder het bestuur van kardinaal da Cunha en markies Pombal als raadgevers van den koning Jozef I, zette zich aan het werk en zes maanden later gaf ze een Verkorte Geschiedenis uit, waarin ze haar meening gaf. Die uitgaaf werd gevolgd door talrijke vergaderingen, waarin de verschillende artikelen werden besproken van een plan tot reorganisatie. Dat ontwerp werd door het koninklijk charter van 28 Augustus 1772 goedgekeurd en het is bekend als de “Statuten van Pombal.”

Volgens dat document wordt de universiteit verdeeld in drieën, namelijk de faculteit der geneeskunde, die der rechtsgeleerdheid met twee onderdeden, en die van wiskunde en wijsbegeerte. Zonder de vorige bepalingen en wetten totaal op zijde te zetten, stellen deze statuten uitvoerige regels vast voor het onderwijs, het professoraat, de graden en de uitreiking van de diploma’s. Het voorlezen dezer statuten was een schitterende plechtigheid, waarbij markies Pombal op het eind van September het voorzitterschap bekleedde.

Sedert de hervorming van Pombal tot die van 24 December 1901, die de laatste groep wettelijke bepalingen gaf, hebben de verschillende faculteiten eenige wijzigingen ondergaan, waaronder de belangrijkste zijn die van 1836 en 1844, die tot resultaat hebben gehad, de faculteiten van het kanonnieke en het burgerlijke recht te doen samensmelten, het stelsel der cursussen te veranderen, het aantal leerstoelen te vermeerderen, de inwendige politie, de promoties der studenten en de examens te regelen.

Het decreet van 24 December 1901 over de hervormingen in de studie der universiteit van Coïmbra, verdeelt het onderwijs in vijf faculteiten, de theologie, die 21 leerstoelen omvat en twee annexen, waarin algemeene cursussen worden gegeven en speciale cursussen voor opleiding tot den geestelijken stand; het recht, met 54 leerstoelen met algemeene cursussen en speciale ter voorbereiding voor de administratieve, diplomatieke en koloniale loopbaan; de geneeskunde, met 15 leerstoelen; de wiskunde met 11 en 3 annexen; en eindelijk de wijsbegeerte. Die laatste faculteit omvat, buiten een algemeenen cursus, verdeeld in de twee secties der physisch-chemische wetenschappen, een der natuur-historische, een voorbereidenden cursus voor genie en artillerie, een voor zeeofficieren en twee voorbereidende cursussen voor geneeskunde en pharmacie.

Op den tijd, toen wij Coïmbra bezochten, bestond het personeel der universiteit uit een onderwijzende groep van 76 personen en het universitaire personeel van 151 personen; er waren 1050 studenten. Maar de gebouwen en pleinen waren bijna geheel verlaten, want men was in een periode van crisis, die toen juist ten einde liep en die verscheiden weken de universiteit in spanning had gehouden. Een rechtsgeleerde had bij zijn promotie, toen hij de stellingen moest verdedigen, die hem het doctoraat zouden verschaffen, zich den toegang geweigerd gezien. Daar de stellingen een sterk socialistisch tintje hadden, werd door een aantal studenten heftig geprotesteerd en ze beweerden, dat de beslissing, hoewel met algemeene stemmen genomen, door politieken hartstocht was ingegeven. De candidaat was kundig, de stellingen waren Schitterend, de verdediging onberispelijk en dus de weigering ongerechtvaardigd. Er schijnt in den grond wel een politieke quaestie aan ten grondslag te hebben gelegen, maar als onze inlichtingen juist zijn, was de universitaire beslissing zeker aan den kant van het recht, en de studenten zouden voor hun verzet een verkeerd voorwendsel hebben uitgekozen.

De beweging nam weldra toe in omvang. Van de groep der ontevredenen ging ze over naar de rechtsgeleerde faculteit, van die naar andere faculteiten; van de universiteit bereikte ze andere steden en ging van het hooger onderwijs tot het middelbaar over, en daarna zelfs naar het lager onderwijs. De werkstaking werd algemeen, de studie werd stilgezet in het geheele land, en Portugal zag met schrik dat schouwspel van solidariteit, dat al heel ongewoon was, wanneer men jongens van acht jaar hoorde weigeren naar school te gaan uit overtuiging en esprit de corps en om de eischen der ouderen ingewilligd te krijgen. Ik denk, dat die lieve kleinen er niet rouwig om waren, eenige vacantiedagen te veroveren door het avontuur; enkele strenge kastijdingen, door vaderlijke handen toegebracht, zullen wel spoedig den weerstand hebben gebroken, want de werkstaking der kleinen duurde maar kort. Maar met het hooger onderwijs was het anders; bij ons vertrek duurde de werkstaking nog voort, ofschoon ze op haar eind liep, en de resultaten van het academisch jaar waren voor goed bedorven.

Men zou echter ongelijk hebben, als men om deze kleine revolutie, die aan enkele redenen tot ontevredenheid een einde heeft gemaakt, zich ging voorstellen, dat de studenten van Coïmbra frondeurs en opstandelingen zijn. De geest, die onder de leerlingen heerscht, is integendeel uitstekend, de jongelingschap is vlijtig en heeft de bewustheid, dat in Portugal, nog meer dan elders, het goed onderwezen zijn een verzekerde toekomst waarborgt. En als ze daarenboven jong en wat onstuimig is, als ze er van houdt, zich te ontspannen van de ernstige studie door luidruchtige feesten, waar de vroolijkheid harer twintig jaren uitraast, des te beter.

Het schijnt ook niet, dat de jaren, gesleten in de schilderachtige oude stad, bij de ouderen nare herinneringen hebben achtergelaten. Staatslieden op gewichtige posten, ernstige magistraten, officieren, ingenieurs, advocaten, allen, die wij hebben ontmoet, vatten hun herinneringen samen in het uitdrukkingsvolle woord “saudade”, dat wil zeggen “heerlijk”, met den melancholieken bij smaak van schoone dingen, die voorbij zijn. Een van hen heeft eenige jaren geleden de ervaringen van zijn jaren aan de academie geboekt in een werkje, waarin het academische leven aan de universiteit van Coïmbra de onderwerpen levert voor bekoorlijke schetsjes, verteld met veel humor en geest.

Hoe vluchtig ook de behandeling is van de geschiedenis, de organisatie, de zeden en gewoonten van de universiteit van Coïmbra, zooals wij die in het voorgaande gaven, onze lezers kunnen er toch een juister denkbeeld door krijgen van de stad, en zij zullen met meer belangstelling de verschillende gebouwen bezichtigen, waardoor ze worden rondgeleid, zoo ooit een gunstige wind hun verzeild doet raken in die bekoorlijke stad.

Als men het station van Coïmbra verlaat of de hotels, die er onmiddellijk bij zijn gelegen, is het eerste, dat de aandacht trekt, de Mondego, die geheel portugeesche rivier, portugeesch van haar bronnen tot haren mond, een onstuimig stroompje in den winter, een kabbelend water in de warme zomerdagen, onder wilgen door stroomend tusschen weelderig begroeide heuvels.

Rechts laat het groote klooster van Santa Clara de eindelooze rijen van zijn vensters zien tegen den achtergrond van den Monte da Esperanza. Daar rust in een zilveren reliquieënkast de Heilige Koningin, een voorwerp van openbare vereering. De stad ligt amphitheatersgewijs aan de linkerhand in een schilderachtige warreling van klimmende straatjes, beheerscht door den toren der universiteit, die meer dan vierhonderd jaar oud is. In de morgenuren is het in de steile straten zeer druk; men ziet oude wagens en karren met zware, knarsende wielen, langzaam door aangespannen ossen getrokken, melkvrouwen, die op het hoofd de metalen waterkannen dragen, boeren met zwarte mutsen, op kleine rosse ezeltjes gezeten, en nu en dan een student, gewikkeld in zijn langen mantel van donkere kleur.

Men stijgt en stijgt maar steeds en gaat voorbij huizen, die eens paleizen waren, tot men komt op het plaveisel vóór een zeer schoon gebouw, de oude kathedraal Se Velha. De gekanteelde muren, de contreforten, de romaansche toren geven er een indrukwekkend en streng voorkomen aan; maar het inwendige is zoo vaak onder handen genomen en hersteld en weer hersteld, dat er van de primitieve constructie van de 12de eeuw niets dan iets zeer ongelijksoortigs is overgebleven. Men doet tegenwoordig pogingen, de bedroevende veranderingen, die er in het gebouw zijn aangebracht, te niet te doen door een restauratie, die met zorg wordt geleid en uitgaat van het verstandige initiatief van den bisschop van Coïmbra. Maar hoe dan ook, de oude kathedraal is nog het indrukwekkendst type van romaansche bouwkunst, dat Portugal bezit.

De nieuwe kathedraal, waar een smalle en donkere straat heen leidt, overwelfd door een boog uit het bisschoppelijk paleis, is vooral belangwekkend door de schoone verzameling gewijde voorwerpen, die haar schatkameren vult. Het gebouw, dat gebouwd werd op het eind der 16de eeuw, om te dienen tot kapel voor het Jezuïetencollege, is tot kathedraal geworden in 1772. De gevel is niet onschoon; wat de altaren betreft, die van goud schitteren, ze zijn interessant, omdat men er de architectuur uit den tijd der Renaissance uit kan leeren kennen, vanaf het zuivere en rustige begin, tot de buitensporigheden van versiering, die van slechten smaak getuigen en de periode van verval getuigen, waarvan ook de voorste kapellen der kerk blijk geven.

In de drukke straten van Coïmbra.

In de drukke straten van Coïmbra.

De schatkamer is een zaal, waarvan men ons met zware en vele sleutels de deur opent, die met ijzer is beslagen en door drie sloten wordt afgesloten; er is daar een bewonderenswaardige collectie van vazen en gewijde voorwerpen uit de 12de eeuw en ook uit volgende eeuwen, alsook een reeks kazuifels, welker met goud omboorde zijden stoffen aan het oog de harmonische tinten vertoonen van hun onvergelijkelijke borduurwerken. Deze verzameling, bestaande uit voorwerpen, die aan het kapittel hebben behoord, aan het bisdom en aan een groot aantal kloosters, is in het bezit van enkele kostbaarheden, die in de eerste musea der wereld zouden worden beschouwd als dingen van de hoogste waarde om hun zeldzaamheid of om de fijnheid der bewerking. Men kan er de zoo goed als volledige geschiedenis nagaan van de portugeesche zilverkunst vanaf de 12de eeuw.

Van de Sé Nova komt men op het Pombalplein, waarvan het noordelijke eind uitloopt op een terras, dat op het landschap een mooi uitzicht biedt; hier zijn we op universitair terrein. Het gebouw, dat men aan zijn linkerhand heeft, en waarvan de voorgevel, de dorische vestibule, de breede, vorstelijke trap inderdaad iets grootsch zijn, is opgericht door markies Pombal op de plaats van het Jezuïetencollege of dat der Elf duizend Maagden; het herbergt de faculteit der geneeskunde en die der philosophie. Het Museum voor natuurlijke historie bezit een volledige verzameling van de fauna van Portugal, mooi tentoongesteld, en ook van de koloniën; alles wordt geprepareerd in de aangrenzende zalen. Na een blik op het laboratorium voor scheikunde en het hospitaal der universiteit, dat sinds 1754 gevestigd is in de gebouwen van het College der Kunsten en van den H. Jeronimus, na een bezoek aan het bisschoppelijk paleis, een der zeldzame typen van een vorstelijke woning uit de 16de eeuw, die Portugal bezit, wenden we ons naar de universiteit. Haar gebouwen beslaan den geheelen top van den heuvel, en zijn gebouwd rondom een aardige begroeide binnenplaats.

Daar is de ijzeren deur, die zooveel malen door de studenten is gepasseerd, de prachtige bibliotheek met de luisterrijk versierde zalen, waar meer dan 150 000 boekdeelen zijn bijeengebracht; daar heeft men de zalen voor de verschillende cursussen van de faculteiten, de zaal der plechtige samenkomsten, de kapel, waar de professoren den eed afleggen en hun belijdenis doen van het katholieke geloof, naar de formule, voorgeschreven door paus Pius IV in 1564, de karakteristieke toren, die de stad beheerscht, en die onder zijn klokken ook de beroemde klok heeft, die de Cabra of Geit wordt genoemd; daar is eindelijk het observatorium voor sterrenkunde met de mysterieuse instrumenten, die zoo ingewikkeld en samengesteld zijn. Daar moet men komen, om zich van de ligging van Coïmbra rekenschap te geven, daar moet men zijn oogen te gast laten gaan aan het droomschoone tooneel. Rechts stijgen de kronkelende straten der stad tegen den heuvel op; weelderige tuinen loopen naar beneden naar de Mondego met haar heerlijke oevers, aan den horizon bieden de hoogten van den Serra de Lavrao, wiens sierlijke golvingen in de verte verdwijnen, aan het verrukte oog hun met lenteweelde bedekte hellingen aan.

Als men naar beneden afdaalt, heeft de Botanische Tuin in de schaduw van zijn planten een uurtje van aangename ontspanning te bieden. Men kan dan, de stad rondgaand door de nieuwe wijken, zich naar de kerk van het Heilige Kruis begeven; de merkwaardige preekstoel, de monumentale graven, de sacristie en het dichterlijke klooster van het Zwijgen zijn belangwekkende specimina van den gothischen stijl en van dien der Renaissance. Deze kerk behoorde bij het oude klooster van het Sainte-Croix, waarvan de priors, zooals we reeds zeiden, gedurende drie eeuwen kanseliers der universiteit waren. De gebouwen van het klooster worden niet meer gebruikt en zijn ten deele in beslag genomen door het Raadhuis; een bezoek eraan geeft niet veel belangrijks te zien.

Wat de Liefdebron aangaat, die bekleed werd door de verbeelding en door de volkspoëzie met de droefgeestige herinnering aan Ines de Castro, dat is een bekoorlijk doel voor een wandeling. Men gaat de Mondego over langs een brug, van waar het gezicht op Coïmbra prachtig is, dan voorbij de ruïnen van het oude klooster van Santa Clara, waarboven gedurende drie eeuwen de herinnering zweefde aan Elisabeth de heilige, en vervolgens bereikt men langs een schaduwrijken weg de Quinta das Lagrimas, een tuin, waar de geurige oranjeboomen, met gouden appelen beladen, bloeien en waar de beroemde fontein springt met het lustig klaterende en heldere water. Op een gedenksteen gegrift, vertellen de verzen van Camoëns de tragische gebeurtenis van de liefde der schoone Ines en den trouwen Dom Pedro.

Zoo is die stad Coïmbra nog altijd het middelpunt voor letteren, wetenschap en kunst voor geheel Portugal; de intellectueele beschaving wordt er gekoesterd met jaloersche zorg door een keurbende van professoren, die het onderwijs als een heilige zaak beschouwen; de artistieke cultuur bloeit er, dank zij een school, waar al sinds veertig jaren het onderwijs gratis wordt gegeven door den beroemden professor Gonsalver, wiens leerlingen merkwaardig werk voortbrengen. Terwijl de trein ons door een lachende landstreek naar den voet der hoogte van Bussaco voert, groeten wij Coïmbra, dat een aangename herinnering bij ons zal laten; en nu de afstand toeneemt, voelen wij, hoeveel sympathie en belangstelling deze curieuse oude stad bij ons heeft gewekt.

Bussaco heeft de bekoring van de schaduwrijke dreven, de groote bosschen, de rijke verscheidenheid van tinten, de eenzame bosschages, alles, wat tot de poëzie van een woudrijke streek behoort. Van Coïmbra bereikt men de plaats over Pampilhosa en Luso, als men per spoor gaat, maar het is verkieselijk, er in een rijtuig zich heen te begeven, want het ritje is heerlijk. Van het station naar het dorp Luso, dat in de buurt ligt, stijgt de schaduwrijke weg, die de viaduct van den spoorweg links laat liggen, in het dal omhoog, en op dezen schoonen dag is de koelte van het gebladerte des te begeerlijker, omdat de zon met kracht en felheid brandt. Het dennenbosch, dat men niet verlaat vanaf Pampilhosa heeft nu plaats gemaakt voor platanen, en te midden van rhododendrons en rozen komt te Luso het rijtuig aan. Sierlijke villa’s liggen aan den weg, met mooie bloemperken ervoor, en dan splitst zich de weg in tweeën.

Het Bussaco-paleis.

Het Bussaco-paleis.

De linksche, de kortste, gaat naar Bussaco door dicht bosch. Het is een laan als in een park, uitstekend onderhouden, ook al omdat de automobiel van de koninklijke familie er dagelijks of althans dikwijls langs gaat. De weg kronkelt zich tegen den berg op onder reusachtige ceders; men is erop aangewezen, als men per rijtuig het hotel wil bereiken. Maar de voetganger doet beter rechts in te slaan, waar de weg het bosch op zij laat liggen en als corniche omhoog gaat langs en boven het dal op aanzienlijke hoogte, met bij elke bocht de schitterendste uitzichten. Men komt weldra bij een kleine vlakte, waar de muur uitkomt, die het “heilige woud” insluit. Onder dien naam is inderdaad het bosch bekend, dat toebehoorde aan het oude klooster der Carmelieters van Bussaco, zonder twijfel om de zeer strenge bepalingen, die het moesten beschermen tegen beschadiging; een bul van paus Urbanus VIII zou zelfs den ban hebben opgelegd aan ieder, die er iets zou hebben vernield. Misschien was dat al te streng, maar als de maatregel tot resultaat heeft gehad, dezen prachtigen plantengroei te redden en voor ons intact te bewaren, moet men er niet rouwig om wezen.

Een deur, die altijd openstaat, geeft toegang tot het omheinde, en het voetpad, dat we inslaan, stijgt onder heerlijk loover. We komen in een echt maagdelijk woud; de eiken, de platanen, vooral de prachtige ceders strengelen hun takken dooreen, de palmen groeien overal mild en de boomvarens houden de stralen van de zon tegen door het fijne kantwerk van hun bladeren, terwijl aanhoudend vogelengekweel en luid kabbelende beekjes de bekoring van het landschap verhoogen. Het loopje heeft ons te kort geschenen, als het pad uitkomt bij een helderen vijver, waar een bron in uitmondt, een fonte fria, en waar in watervallen zich een beek in neerstort, komend van de hoogten. Een dubbele trap met groen uitgeslagen treden leidt aan elken kant der beek naar het hotel Bussaco.

Dat hotel, dat zich er, en terecht, op verheft een zeer schoon monument te zijn van de moderne architectuur en dat gebouwd is in den weelderigen stijl van Dom Manuel, ligt op een terras, dat opstijgt uit de golven van het woud. Door zijn onvergelijkelijke ligging te midden van dien oceaan van groen, door zijn tuinen vol bloemen, door de weelde van zijn inrichting, en, wat volstrekt niet schaadt, door de bescheidenheid van zijn prijzen zou het hotel van Bussaco, dat bij ieder in Portugal bekend is, verdienen ook buiten de grenzen van dat land de aandacht te trekken. Als men bedenkt, dat Bussaco ligt aan de directe spoorlijn van Parijs naar Lissabon, dat men er zich dus van Frankrijk uit heen kon begeven zonder anderen last dan het noodzakelijke overstappen in Irun op de grens, en dat na in het geheel dertig uren sporens, die snel omvliegen, als de trein goed is, men er reeds is aangekomen, dan betreurt men het, dat dit mooie plekje niet door de Franschen zeer druk bezocht wordt en dat wij het in ons land zelfs niet kennen. Men gaat het dan als een werkelijken plicht beschouwen, de pracht ervan uit te bazuinen en het bezoek ernstig aan te bevelen. Jonge paartjes op de huwelijksreis vinden daar juist iets, dat voor hen geschikt is, want Bussaco is bij uitstek een plaats, om met zijn tweeën te wandelen in de bosschen door de kronkelende paden, onder het groen in die zoo poëtische natuur.

Van het oude klooster, dat in de 13de eeuw door de Carmelieter monniken is gesticht, is nog slechts een kerkje over en eenige cellen, die zijn opgenomen in de inrichting van het hotel. De gebouwen namelijk, die het hôtel vormen, zijn zeer talrijk en omvatten dépendances, die meer ruimte schijnen te hebben, dan voorloopig noodig is. De zaak laat zich verklaren, doordat in het oorspronkelijk plan voor het gebouw aan een koninklijk paleis was gedacht; door verschillende omstandigheden kwam er niets van die onderneming, en de terreinen, die aan den staat behooren, zijn daarna voor een hotel geëxploiteerd. De koning en de koningin hebben altijd veel van de plek gehouden; zij kwamen er vaak per automobiel, en daar 250 kilometer Bussaco van Lissabon scheiden, mag men daaruit wel besluiten, dat de streek prachtig moet zijn.

Het hotel ligt niet op den top van den berg. Om dien top te bereiken, die de Punta de Bussaco wordt genoemd, moet men gedurende bijna een half uur een lommerrijken weg volgen; het is een gemakkelijke wandeling; men heeft er telkens mooie uitzichten over het bosch, en op den top ligt het schoonste panorama voor den reiziger. Van Luso in het Noorden, dat in het groen genesteld is in een stil hoekje van het bergland, breidt het uitzicht zich uit over den kam van het golvend bergland van den Serra de Caramullo tot aan de zee, waar 50 kilometer ons van scheiden; verder kan men de lijnen van het strand volgen en met het oog in de bosschen doordringen, die overal den grond bedekken. Ook is Pampilhosa te zien en het groene dal der Mondego, dan Coïmbra, en voorbij Coïmbra tot verre horizons ligt daar de wijde ruimte in de heldere lucht tot de woeste bergen van den Serra de Estrella.

De hoogten van Bussaco vormen een der eerste deelen van de bergachtige streek van Beira. Zonder zoo belangwekkend te zijn als die van Doura, verdient de spoorlijn van Pampilhosa naar Villar Formoso, die geheel Beira doorsnijdt, dat men haar volgt tenminste tot Guarda. Nadat men over de viaduct van Luso is gereden, loopt de trein over een Cornicheweg door een bergstreek van Serra’s, die deels kaal zijn, deels met dennen begroeid. Ter halver hoogte liggen dorpjes boven afgronden, dorpjes met donkere huizen, die sprekend aan de woningen in sommige landschappen van Corsica doen denken. Daarna wordt de horizon wijder en de spoorweg gaat over een vruchtbare vlakte, waar bosschen zijn. Gedurende bijna twee uren volgen de dennebosschen elkaar op, met ter afwisseling bebouwde gronden, en boven de groene naalden verrijst rechts de nog besneeuwde kruin van het Estrellagebergte.

Tusschen Mangualde en Guarda is het land zeer schilderachtig, en de weg, die langzaam is gestegen, biedt zeer schoone uitzichten aan en mooie panorama’s, vooral op het dal der Mondego en de andere dwarsdalen. Te Gouvea is een verrukkelijk panorama te genieten. Eindelijk ziet men Guarda verschijnen, trotsch op een hoogte gelegen, den mantel der oude vesting werken, waar de kathedraal boven uitsteekt, als een vooruitgeschoven schildwacht, wat het vroeger was, op het eind der twaalfde eeuw, in den tijd, toen koning Sanchol oorlog voerde tegen de Mooren en zijn koninkrijk versterkte en afrondde.

Als men verder dan Coïmbra en Bussaco naar het Noorden doordringt, wordt het aanzien van het land niet veranderd, wat den algemeenen indruk betreft; altijd dezelfde golvingen van het terrein, begroeid met dennen, dezelfde rijke en vruchtbare dalen, dezelfde lachende landschappen, dezelfde blauwe horizons.

Slechts nu en dan eenige variatie. De lijn van Oporto komt tot dicht aan zee, maar bereikt toch de kust niet. Bij zeldzame oogenblikken bespeurt men de wijde lagune, die wel wat aan de golf van Arcachon doet denken. Ilhavo, Aveiro en Ovar, drie kleine visschershavens liggen er aan, en daar wordt in massa de onvermijdelijke stokvisch gevangen, waar het schiereiland veel voordeel van trekt.

Aan dezen kant is het land vlak, hier en daar ziet men duinen, en men moet zich naar rechts keeren, om op een verren afstand de zaagtanden te herkennen van den Serra do Caramullo of van Gralheira. Die worden al hooger dan 1000 meter, zonder daarom de hoogste van Portugal te zijn.

De Serra de Estrella wordt tot meer dan 1400 meter hoog, en het is niet zeldzaam of vreemd, in de lente op den weg van Pampilhosa naar Spanje bij de toppen aardige, kleine, met sneeuw gevulde kommen te zien, die u van verre tegenschitteren.

Men is dan in de provincie Beira, bestaande uit groote dalen en zacht golvende ketenen, die de matelooze vlakten van Alemtejo gauw doen vergeten. Toch behoeft het Noorden zich niet te verheffen; de beschaving is dezelfde in Beira als in de omstreken van Beja, en de steden zijn er niet vroolijker, noch somberder. Guarda bij voorbeeld, dat voor hoofdstad doorgaat, is een rustig, middelmatig stadje, op de manier van Rodez of Lons le Saulnier.

Na Guarda wordt het land weer vlak tot Villar Formosa, de laatste portugeesche plaats, van waar men in Spanje komt, om het treurige stadje te bereiken, Fuente San Esteban, te midden van een vlakte, die volkomen effen is en die door haar spaanschen trots wel noodzakelijk even verlaten als kaal moet wezen.

Bij Fuente San Esteban gaat de spoorlijn af naar Oporto en Salamanca, waardoor men in Portugal terugkomt, door eenige minuten langs de kust te rijden, halverwege de woeste kloof van de Agueda. Dan ziet men slechts grijze rotsen, die opeengestapeld zijn tot een groote, monsterachtige goot, in welker diepte de Agueda kookt. Er komen al meer tunnels, viaducten, insnijdingen en bochten; de trein draait en keert tusschen den wirwar, die alleen verlevendigd wordt door enkele plekken groen, die, men begrijpt niet hoe, op de rotsen groeien.

Barca d’Alva! Men is in Portugal terug. Hier, brave reizigers, hebt gij een goede dosis geduld noodig en bovendien een dito voorraad levensmiddelen. Het geduld moet u helpen, om de anderhalf uur oponthoud door te komen, die gij er moet doorstaan, en de eetwaren zullen u doen vergeten, dat er geen buffet is op de geheele lijn, en zullen u ook ontheffen van een verschrikkelijke verplichting. Onderweg zagen wij namelijk een heer, medereiziger van een fatsoenlijk voorkomen en uitstekend gekleed, een paar moten schelvisch uit zijn zak halen, die hij in een doek had gewikkeld! Te gaan eten en de helft van zijn maal aan te bieden aan een ander, is één voor een portugeeschen cabalheiro; de aanbieding werd gedaan met den beminnelijksten glimlach. Weigeren zou een beleediging zijn; aannemen was meer dan penibel... Wat te doen? U zult zelf een besluit moeten nemen, als ge er zult zijn.... maar neem in ieder geval zelf eetwaren mee.

Te Barca d’Alva begint weer de bekoring van Portugal. Over een lengte van 150 kilometer volgt de weg de bochten van de Douro; nu eens ver boven de rivier zich verheffend, dan weer geheel beneden rijdend, raakt de trein de oevers. Het bergland, dat hier en daar steil is, maakt het dal zoo eng, dat de wijngaarden boven elkaar op terrassen zijn aangelegd, door muurtjes gesteund, en dat de witte dorpen aan de hellingen schijnen geplakt.