Het moderne Egypte

Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda.

De sphinx.

De sphinx.

Toen ik den vorigen herfst in Caux vertoefde, dat ideale Alpenstationnetje boven Territet aan het meer van Genève, ontmoette ik daar een mijner vrienden uit de jeugd, een diplomaat, die tien jaren van zijn leven in Egypte had doorgebracht.

“Ik heb uw ‘In Japan’ gelezen, zei hij, en nu ben ik besloten, naar het land der chrysanthemums te gaan; ga met mij mee, om je oude liefde terug te zien!”

“Neen, mijn waarde,” antwoordde ik, “ik ga integendeel naar het land, waar jij zoo vol van bent, niet naar de moesme’s, maar naar de mummies.”

“Naar Egypte? Wat benijd ik je! Dat is een heerlijk winterverblijf. Maar weet wel, dat je er niet enkel mummies ontmoet; wat de vrouwen aangaat,... maar dat zul je zelf wel zien! Ga je er weer een boek over schrijven? Ja? Dan benijd ik je niet langer; dan beklaag ik je uit den grond van mijn hart, want die egyptische quaestie, daar is eenvoudig niet uit te komen; er bestaat geen ingewikkelder vraagstuk.”

“Ik lach wat met de egyptische quaestie! Ik ga om het land; de bewoners, hun zeden...”

“Goed zoo! Maar ik tart je, om daarover te spreken, zonder te roeren aan de duizend en één lastige vraagstukken van financiëelen en politieken aard, waar je in Egypte dadelijk tot over de ooren in zit.”

Mijn vriend had gelijk. Ik had eigenlijk geen voorstelling van de zware taak, die ik op mij had genomen. In enkele maanden Egypte te willen begrijpen en in een enkel boekdeel zijn roemrijk verleden, zijn krachtig en werkzaam heden, zijn hoopvolle toekomst te willen beschrijven, is een onbegonnen werk. Ik wil daar dan ook niet mee beginnen. Ik ga maar indrukken geven, beelden van mijn reis van Kaïro naar Faschoda, en als ik er nu en dan eens een beschouwing aan toevoeg over staatkunde en financiën en godsdienst, dan heb ik uit de beste bronnen geput, namelijk uit wat ik hoorde van de hoogste egyptische ambtenaren; van Engelschen, Franschen en anderen, allen mannen van talent en gevoel, die in de paleizen, de ministeries, de legaties, de weinige groote industriëele ondernemingen, onafgebroken werken aan den opbouw van Egypte.

En kon ik nu maar twintig deelen schrijven in plaats van twintig hoofdstukken!


“Wat hoor ik, je gaat naar Egypte onder duitsche vlag!” zei een mijner vrienden te Marseille, en voegde er somber aan toe: “Waar moet het heen? Eerst laten wij, Franschen, Egypte aan de Engelschen over, en nu laten we de Duitschers den baas spelen in de Middellandsche Zee, en die duivelsche Teutonen zijn overmoedig genoeg, om een expressen dienst van paketbooten te openen tusschen Alexandrië en Marseille!”

Het ging mijn braven Marseillaan werkelijk aan het hart, en hij had er reden voor. Inderdaad, terwijl de telkens terugkeerende werkstakingen de groote fransche havens met ondergang bedreigen en allen ondernemingslust fnuiken, werken de Engelschen, de Duitschers, de Italianen onafgebroken, om zich daar te doen gelden, waar de Franschen nog heeren en meesters waren.

Door het in het leven roepen van den nieuwen dienst tusschen Marseille en Alexandrië, met een oponthoud van achttien uren in Napels, en door daar twee van zijn mooiste stoombooten, de “Schleswig” en de “Hohenzollern” voor te bestemmen, heeft de Norddeutsche Lloyd van Bremen weer een van zijn meesterstukken volbracht.

Omdat ik het comfort van die nieuwe lijn had hooren roemen, wenschte ik er kennis mee te maken, en ik heb bevonden, dat de lof niet overdreven is geweest.

Na een vijfdaagsche reis met weinig goed weêr wierp de “Schleswig” in de haven van Alexandrië het anker uit. Dadelijk waren wij omringd door een massa booten met Egyptenaren, die vervaarlijk schreeuwden, waarbij ze met niet minder kracht door Turken en Arabieren in hun eigen booten werden ondersteund. Binnen enkele seconden was het schip bezet door een bonte menigte van gidsen, tolken, hotelportiers, schippers, agenten van reisbureau’s en dergelijke personen. Een babylonische spraakverwarring heerschte er aan boord, en de arme verschrikte toerist ziet met ontzetting, hoe vijftig bruine of zwarte duivels zich storten op zijn bagage. Maar dan verschijnt op het rechte oogenblik iemand van de firma Cook, die met een stentorstem u toeroept, dat ge u niet ongerust behoeft te maken, want dat hij zich met alles belast. Daar daagt op het dek een kolossale Arabier op met een staf van sterke dragers, wier bovenlijf in een rood buis is gestoken, waarop in witte letters: “Thos. Cook and Son”.

En als door een tooverslag is de orde hersteld, als een generaal op het slagveld geeft de agent van de heeren Cook zijn bevelen aan de dragers, staat beleefd de reizigers te woord met uitleggingen en verklaringen en als men zich ongerust maakt over de douaneformaliteiten, glimlacht hij en zegt geruststellend: “Er is geen douane voor u. Wij hebben de speciale vergunning verkregen, alle bagage der reizigers te mogen laten passeeren, zonder dat zij geopend wordt. U heeft ons slechts uw recu’s ter hand te stellen en u vindt uw bagage òf in het hotel, dat u ons zult opgeven òf aan het station, gereed om met u naar Kaïro te reizen.” De directeuren van dit reisagentschap zijn niet ten onrechte de niet gekroonde koningen van Egypte en het Oosten genoemd.

Moest niet keizer Wilhelm op zijn reis in Palestina zich met al de zijnen in handen stellen van de heeren Cook, als ieder gewoon toerist? De witte barken van het agentschap omringen nu de “Schleswig” en met al onze bagage waren we er weldra in geïnstalleerd.

Om twaalf uur bestormden wij de express naar Kaïro, en de luxetrein, van alle gemakken voorzien, bracht ons in drie uren naar de hoofdstad door groote, goed bebouwde vlakten en wijde maïsvelden. Men zou zich kunnen verbeelden, in het Westen van Amerika te zijn, als zich niet nu en dan de kolossale gepluimde palmen aan het oog vertoonden. Dan waren er dorpjes van gele leemen hutten met platte daken, waar stroo op gedekt was en die meteen dienden voor kippenloop en geiten-, schapen- en varkensstallen.

Op de slechte wegen gingen kameelen met zware lasten langzaam voort in gelijkmatigen pas met den kleinen kop omhoog op den langen hals. Hun logge gang doet nog te opvallender den gang van de egyptische ezels uitkomen, dien sierlijken, vluggen gang, die hen zoozeer doet verschillen van de broeders in Europa.

En toen Kaïro! Welk een veranderingen in weinige jaren! Men praat van amerikaansche steden, die snel als paddestoelen verrijzen, maar wie heeft ooit een oude oostersche stad zich zoo snel zien verjongen en zoo volkomen zien ontwaken tot een nieuw leven als Kaïro na 1882, toen Engeland de stad als met het stokje van een tooverfee aanraakte? De vorderingen zijn zoodanig, dat men na ieder vijftal jaren weer veel veranderingen en verbeteringen aantreft.

Alleen de hoofdstraat, Shariah-Kamel en het Operaplein zijn weinig veranderd. Dat is nog altijd het drukste hoekje van de stad; daar verdringt zich van den morgen tot den avond een dichte, bonte menigte.

Het zou niet mogelijk wezen, iets schilderachtigers te bedenken, dan dit levend en bewegend panorama, waar het Oosten en het Westen samenkomen en zonder eenigen schok op de natuurlijkste manier van de wereld ineensmelten.

Het oog wordt allereerst getroffen door tallooze roode puntjes, waar balletjes van zwarte zijde langs dansen. Dat is de fez, die op zooveel verschillende hoofden rust, hoofden verschillend van type en ras. Men ziet de heeren ver in de meerderheid, en zij hebben geen andere oostersche kenmerken dan die fez, want ze kleeden zich naar europeeschen trant, en velen naar den allerlaatsten smaak.

In de menigte ziet men negers, Arabieren in wijde gewaden, joden met onrustige oogen, eunuchen, knappe egyptische soldaten, en onder al die oosterlingen toeristen uit aller heeren landen, die alle mogelijke talen spreken, vrouwen uit de groote en de halve wereld, en hier en daar een gesluierde oostersche, die stil en geheimzinnig zich voortspoedt.

De terrassen voor de koffiehuizen zijn alle bezet, en men drinkt er de eeuwige turksche koffie en rookt de eeuwige egyptische sigaretten. Maar praten kan men moeilijk op straat, want de straatverkoopers maken een heidensch leven. Ze verkoopen van alles, loterijbriefjes, briefkaarten, waslucifers, dadels, couranten, honig en zelfs vleesch en visch. Er zijn vertooners van geleerde aapjes, arme Italianen, die afschuwelijke violen mishandelen, een leger schoenpoetsers, en eindelijk, juist als voor het Grand Hotel te Parijs, gidsen, die op klanten uit zijn en die u voor een paar piasters alle merkwaardigheden van Kaïro willen laten zien.

Op de buitenwegen is het al even druk. De victoria’s, met vlugge paarden bespannen, de karretjes, die als omnibussen voor de inboorlingen dienst doen en vol mannen of vrouwen en kinderen zitten, de wielrijders, de auto’s, een oneindig aantal ezels met allerlei personen en goederen beladen, fabelachtig bepakte kameelen, dat alles warrelt er dooreen.

Met luidklinkend gebel vertellen u de electrische trams, dat Kaïro een moderne stad is. Die trams zijn van een belgische maatschappij, die veel geld verdient, maar niet veel zorg besteedt aan het gemak der reizigers. De wagens zijn vuil en de conducteurs oneerlijk. Er is een afgesloten gedeelte voor de haremdames, maar vreemde dames mogen er geen gebruik van maken. Te gaan zitten naast een stoffigen neger is niet aangenaam.

Omnibus te Kaïro.

Omnibus te Kaïro.

In de Shariah-Kamel, op het Operaplein en in aangrenzende streken heeft men mooie winkels. De juweliers hebben prachtige uitstallingen; er zijn veel parfumeriewinkels en nog meer banketbakkers. Noga en turksche lekkernijen verkoopt men er wel; maar ge moet die zoeken achter in den winkel; de voorgevel is voor zwitsersche chocolade; de Gala Peter en de andere melkchocoladen hebben Egypte en zijn liefde voor zoetigheid voor zich veroverd.

Maar zoo dan al dat schilderachtige hoekje van Kaïro niet veranderd is, het overige deel van de stad doet het wel. De bevolking schijnt aangegrepen door een dolle haast, om te bouwen. Reuzengroote, in appartementen verhuurde huizen, groote paleizen en prachtige hôtels vormen nieuwe wijken, waar tien jaren geleden slechts tuinen werden gezien.

Egypte beleeft tegenwoordig een tijdperk van ongewonen bloei. Iedereen verdient geld als water en daar de waarde van huizen en grond dagelijks toeneemt, gaat ieder, die over kapitaal beschikt, aan het bouwen.

Tot voor weinige jaren gaven Egyptenaren van de middelklasse nog in het geheel niet om comfort; gezinnen van twintig en meer personen woonden in een paar vertrekken in vuile wijken. Nu is dat alles veranderd; de familiën splitsen zich; de getrouwde kinderen willen op zichzelf wonen en geven de voorkeur aan de nieuwe, gezonder en frisscher wijken.

Duizenden, die op den grond sliepen in hun vertrekken naar turkschen trant, willen thans europeesche ledikanten hebben, en vorken en messen vervangen met voordeel vinger en duim.

De snelle vlucht, die de stad heeft genomen, gaat nog onophoudelijk voort en dringt zelfs tot de omringende woestijn door, op welker verovering energieke kapitalisten het voorzien hebben. Boghos Nubar pacha, zoon van den beroemden staatsman, staat aan het hoofd van een maatschappij, die groote terreinen in de woestijn heeft aangekocht voor de poorten van Kaïro, om daar een geheel nieuwe wijk te bouwen, een stadje, zou men het kunnen noemen.

In den loop van hetgeen volgen zal, moet ik zoo dikwijls uitweiden over de bekoring van Kaïro als winterverblijf, en ik zal het verblijf daar zoo van harte aanbevelen aan allen, die het slechte jaargetijde willen doorbrengen in een heerlijk klimaat en in omstandigheden, waarin het hun aan niets ontbreekt, wat comfort aangaat, in een land, rijk aan historische herinneringen en vol kunstschatten, dat ik hoop wel gerechtigd te wezen, om, zonder dat men mij kan verwijten, Egypte onrecht te doen, den wensch uit te spreken naar een verbetering, waardoor Kaïro bevrijd moge worden van de plaag, die een geesel is voor het land der Farao’s, het stof.

Als er tegenwoordig niet genoeg water in de stad beschikbaar is, om die kwelling voldoend te bestrijden, laat men het dan van elders laten komen, of laat men andere middelen aanwenden, dat er een eind kome aan die opwolking van stof en vuil, die zoo hoogst onaangenaam zijn en bovendien gevaar meebrengen.

Als er geen stofplaag meer in Kaïro zal wezen en als er riolen zullen zijn en de trams zindelijk zullen wezen, de apothekers geen afzetters en de koetsiers niet brutaal zullen zijn en niet wreed voor hunne arme paarden en het leven over het algemeen iets minder duur, dan zal het in den winter een aardsch paradijs mogen heeten.

Gedurende de maanden, dat het seizoen duurt, zijn de hotels het middelpunt van het mondaine verkeer, want in dat opzicht is Kaïro veel meer een badplaats dan een hoofdstad. Het moet gezegd, dat die hotels ook inderdaad aantrekkelijk zijn. Ze zijn grootsch en vereenigen westersch comfort en oostersche weelde. Nog slechts enkele jaren geleden telde Kaïro maar een enkel hotel, waar men weelde aantrof, namelijk het Shepheard’s hotel in het midden der stad in de heerlijke tuinen, die oorspronkelijk hadden behoord bij het paleis van Kiamil, dochter van Mohammed Ali. Daar kwamen historische personen, beroemdheden en diplomaten samen, en de naam is in de heele wereld bekend. Het lot van het hotel berust tegenwoordig in de handen van een energieken man, den heer Charles Baelher, die het vak grondig kent en ook bestuurder is van het Ghezireh Palace. Die beide prachtige hotels zouden voor den roem der hotels in de stad kunnen volstaan, maar de heer Georges Nungovich was ondernemend genoeg, een even groot en mooi te bouwen, en het Savoy hotel verrees. Die drie verdeelen nu de deftige en groote wereld onder elkaar, en de souvereinen en prinsen, die Egypte bezoeken, stappen er af.

Moskee van den Sultan Hassan te Kaïro.

Moskee van den Sultan Hassan te Kaïro.

De heer Nungovich heeft nog twee andere groote hotels in Kaïro, het Continental op het Operaplein en het Hotel d’Angleterre, dat meer ter zijde ligt en kalmer is, maar even modern. Nungovich is een zeer bekende figuur in Kaïro. Evenals de amerikaansche milliardairs heeft hij zijn loopbaan onder aan de ladder begonnen in de hall van een hotel. Hij verbergt dat niet, maar is er integendeel trotsch op. Enkele jaren later vertrouwden engelsche officieren, die zijn intelligentie en zijn eerlijkheid hadden opgemerkt, hem de leiding op in hun cantine. Nog iets later vinden we hem terug als bestuurder van het hotel d’Angleterre, en op dien tijd, meen ik, bewees hij aan het engelsche leger een dienst, dien de officieren nooit hebben vergeten en die hem, als het ware, stempelde voor den officiëelen hotelier der officieren van Zijne britsche Majesteit. Ten gevolge van het een of andere voorval verscheen onverwacht een engelsch regiment in Kaïro. Er was geen enkele schikking getroffen om het te ontvangen en geen kwartier gemaakt voor de officieren, die niet wisten, waar te gaan logeeren. Aan het station vonden ze den heer Nungovich, die den kolonel verklaarde, dat hij in het Hotel d’Angleterre kamers in gereedheid had laten brengen voor alle officieren van het regiment.

Gedurende de weinige dagen, dat ze er vertoefden, werden de officieren koninklijk onthaald en toen ze bij hun vertrek hun nota’s vroegen, werd hun geantwoord: “Die zijn er niet. De heer Nungovich is al te gelukkig, de officieren van Zijne Majesteit te hebben ontvangen.”

Talrijk zijn de gekroonde hoofden, die in de laatste jaren naar Kaïro zijn gekomen en die den heer Nungovich met hun vertrouwen hebben vereerd. Natuurlijk is er naijver tusschen de hotels Baelher en Nungovich, maar die naijver doet hun geen kwaad en hij is uitmuntend voor de vreemdelingen, want in alle doet men daardoor het onmogelijke om den lof der bezoekers te verdienen. Trouwens de wedijver is meer denkbeeldig dan werkelijk, en heeft ook eigenlijk thans geen reden van bestaan meer, nu alle hotels een verzekerde toekomst hebben en een goeden naam, terwijl er aan de vier hoeken van Kaïro andere groote hotels worden gebouwd, om aan de nu reeds “ouden” concurrentie aan te doen.

Inderdaad kunnen alle hotels niet meer den enormen toevloed van vreemdelingen bergen, Europeanen en Amerikanen, die den winter in Kaïro komen doorbrengen. Verleden jaar wist men niet meer, waar ze te bergen, en men heeft mij gezegd, dat op één oogenblik oude wagons-lits als geïmproviseerde hotels dienst moesten doen.

De pyramiden van Ghizeh.

De pyramiden van Ghizeh.

Die vreemdelingenstroom, die Egypte overstroomt, behoort tot wat de hoteliers een “clientèle de grand luxe” noemen. Er is inderdaad geld, veel geld noodig, om er den winter te slijten, en diegenen, die uit alle oorden van de wereld komen, om van het heerlijk klimaat te genieten, hebben er hun zakken vol van en geven met gulheid uit. Er is onbeschrijfelijk veel weelde, een onafgebroken opeenvolging van bals en feesten van allerlei aard.

Bovendien is er in de lucht van Egypte iets opwekkends, dat als tot weelde-uitgaven en levensgenot prikkelt.

Buiten de groepen van de zeer rijke en deftige hotels kent men in Kaïro nog de officiëele, de engelsche en de inlandsche wereld. Die laatste is moeilijk te omschrijven en bestaat uit zeer rijke en zeer gastvrije menschen, Grieken en Levantijnen vooral, die sinds tal van jaren in Egypte wonen en de groote handels- en industrieondernemingen in handen hebben evenals den geldhandel. Ze bezitten prachtige huizen, ware paleizen, en leven in de grootste weelde. De oorsprong van verscheiden dier fortuinen kan niet al te veel navraag lijden; maar hij is dan ook dikwijls achter een dikken sluier verborgen, die alleen een enkele maal eens wordt opgeheven door den een of anderen ouden ingewijde.

De engelsche wereld, nu eens zonder de officiëele personen beschouwd, is talrijk en trekt den neus op voor de familiën uit het land zelf. Voor de Engelschen zijn Egyptenaren, Grieken, Turken, Armeniërs allen negers. Ik maak geen grapjes, en hoe vreemd het moge schijnen, ontwikkelde, verstandige en alleraardigste Engelschen zullen van een Griek praten als van “that black man” of “that nigger”.

Zelf weer door de officiëele wereld niet voor vol aangezien, leeft het engelsche uitgaande publiek als op een eilandje, waar ze het best maken met al hun sport. De Engelschman rijdt er paard, vaart met zijn jacht, doet aan voetbal, tennis, polo en is tevreden en welvarend.

Er is in de wereld geen verrukkelijker weg dan de breede en mooie avenue, die Kaïro met de pyramiden van Ghizeh verbindt aan den ingang der woestijn. De weg is een tiental kilometers lang en aan beide kanten staan prachtige en reusachtig groote boomen. Het is er op alle uren van den dag druk. Des morgens vertoonen er zich de heeren en de dames te paard; dan ook de ezels en muildieren en de lange rijen kameelen, die naar de markt gaan of ervan terugkeeren. In den namiddag rijdt er het elegante Kaïro in rijtuigen of automobielen, en aan den linker kant van den weg brengt de electrische tram het moderne, luidruchtige, vervelende element. Die breede weg werd in enkele weken door den khedive Ismaël aangelegd in den tijd van de opening van het Suezkanaal, opdat keizerin Eugenie, voor wie ook het rijke Ghezireh Palace was gebouwd, in haar rijtuig tot aan de beroemde pyramiden zou kunnen rijden.

O, die pyramiden, wat een dingen hebben zij al niet gezien in de veertig en meer eeuwen vóór de heldendaden van Bonaparte en daarna! Egyptenaren, Grieken, Turken, Franschen, Engelschen hebben in de buurt om beurten hun tenten en hun vlaggen geplant, en tegenwoordig komen de toeristen zich er verbroederen in een pelgrimstocht van nieuwsgierigheid en pret.

Men gaat erheen om verschillende redenen. Vooreerst omdat het de Pyramiden zijn, die men moet hebben gezien, om over de steenkolossen te kunnen meepraten. In de tweede plaats omdat ze een aangenaam doel zijn voor een uitstapje en dat de woestijn met haar opwekkende, zuivere lucht een groote bekoring uitoefent. Enkelen komen er, om zich te laten photografeeren met de Pyramiden, om aan de ongeloovigen overtuigend te bewijzen thuis, dat ze er wezenlijk geweest zijn; maar helaas, hoevelen van hen zijn gefopt geworden door den photograaf, die maar een pseudo-photograaf was en wiens toestel een ledig sigarenkistje was met een zwarten doek erover! Na dan een poos geposeerd te hebben, gaf men zijn naam en adres op, offerde zijn tien gulden, om eenige dagen later te vernemen, dat men alles bedorven had door een zenuwachtige beweging!

De nabijheid der Pyramiden wordt onveilig gemaakt door de troepen Bedoeïenen, die wilden uit de woestijn, die van roof en afzetterij leven. In hun lange jurken, met een tulband op het hoofd en goed gewapend, komen ze op de toeristen af en doen allerlei aanbiedingen voor een bezoek aan den Sfinx en de Pyramiden of voor de beklimming van deze laatste.

De beklimming van de Groote Pyramide is moeilijk en vermoeiend. De snelheid, waarmee de Bedoeïenen er tegen opklauteren, is werkelijk phenomenaal. Een menigte toeristen laten er zich toe verleiden. Twee Bedoeïenen zijn gewoonlijk voldoende, om er een man tegen op te hijschen; maar ze ondernemen het werk met hun drieën, als er een dame in het spel is.

Aan den voet der Pyramiden bij den ingang der woestijn vindt men een der beste egyptische hotels, het Mena House. Op het theeuur zijn de terrassen bezet door een vroolijke en luidruchtige menigte. De onmetelijke en prettige salons, de heerlijke eetzaal, een overvloedige en uitstekende keuken, een reusachtig zwembassin in de open lucht, velden voor tennis en croquet maken van dat hotel een der aardigste verblijven van Egypte. De stallen zijn uitmuntend voorzien, en men kan er tegen matige prijzen rijtuigen krijgen, rijpaarden, kameelen en zandwagens, dat zijn karretjes, waarvan de wielen zoo breed zijn, dat ze over het zand glijden zonder erin te zakken, waardoor men, zonder zich te vermoeien, mooie tochtjes in de woestijn kan doen.

Er worden dikwijls bij Mena House groote sportfeesten gegeven, die druk bezocht werden. De wedrennen van kameelen zijn allerdolst. Die dieren begrijpen precies, waar het om gaat en stellen het grootste belang in den strijd, dien ze willen winnen. Den vorigen winter greep een kameel, die boos was, dat een ander hem voorbij streefde, den ruiter van den mededinger bij het been en gaf er een leelijken knauw in.

Op een half uur sporens afstands van Kaïro ligt een andere, ook zeer bekoorlijke en veelbezochte plek, eveneens in de woestijn, maar in een andere richting. Dat is Heloean, een dorp, beroemd om zijn zwavelhoudend water. De badinrichting, het Grand Hotel en het Badhotel behooren aan de maatschappij der Nungovich-hotels en zijn, zooals men verwachten kan, in alle opzichten uitstekend. Hier is geen stof, geen vuil, geen rumoer. Een droge lucht, die opwekkend en heerlijk is en een ideale kalmte. Er is daar nog een zeer goed hotel, het Tewfik Palace, en dan heeft men er veel pensions. Heloean ligt tegen bergen aan en op een van deze vindt men een hotel-sanatorium, El Ayat, dat een paar jaren geleden geopend is. In dat heerlijk gelegen huis vinden de zieken en herstellenden alle mogelijke comfort en zorgvolle verpleging.

Er is te Heloean een uitstekende golfclub en een renbaan, die alle gasten van Kaïro samenbrengen.


In 1892 volgde de tegenwoordige khedive zijn vader Tewfik Pacha op. Die laatste was vrij plotseling gestorven; maar het schijnt haast, alsof hij een voorgevoel van zijn vroegen dood heeft gehad, want toen de kroonprins uit Weenen, waar hij studeerde, eenige maanden vóór het overlijden van zijn vader de vacantie in Egypte doorbracht, liet Tewfik den kroonprins Abbas meerderjarig verklaren, ofschoon de prins er nog niet den vereischten leeftijd voor had bereikt. Door het besluit werd een regentschap vermeden en daardoor kon de tegenwoordige khedive den troon bestijgen, ofschoon hij wettig nog niet meerderjarig was.

De jonge Abbas Hilmi had terstond een zeer besliste meening over zijn rechten en plichten als souverein. Daar hij nog niet persoonlijk had ervaren, welke rol Engeland in Egypte speelde, moest hem natuurlijk de tegenwoordigheid van een vreemd leger in zijn vaderland hinderen, en zoo kwam hij er dan ook terug met een hart vol vrees.

Lieden uit zijn omgeving en meer of minder officiëele vreemdelingen maakten van deze stemming gebruik, om den jongen en toen nog onervaren vorst te drijven tot een openlijke breuk met Engeland, door hem te verzekeren, dat op den dag van den strijd de fransche bajonnetten en de russische Kozakken achter hem zouden staan.

Dapper en vol zelfbeheersching, wees hij den Engelschen op een goeden dag de deur; toen omziend, om te zien, wie hem volgden, vond hij een ledig... Diegenen zelfs, die hem geraden hadden, hielden zich lafhartig schuil op het oogenblik van den strijd.

In 1878 had Engeland vóór de poorten van Konstantinopel aan Rusland een “Halt!” toegeroepen, en het groote keizerrijk had geen schrede verder gedaan.

Twintig jaren later te Faschoda riep Engeland Frankrijk een “Achterwaarts!” toe, en de rijke en machtige Republiek moest wijken voor de keizerin der zeeën...

Zoo ook antwoordden de Engelschen op de afwerende beweging van den khedive: “Wij zijn de sterksten en wij zullen blijven!” En Egypte, dat nog zwak was op dat oogenblik, moest zich schikken.

Het is waar, dat Engeland den goeden smaak had, erbij te voegen: “Wij wenschen slechts uw belang; wij erkennen uw souvereiniteit en wij willen niets anders dan u helpen met al onze krachten, om uw land een herleving te doen ondergaan.” Het was een harde slag, maar hij had voor Zijne Hoogheid meer waarde dan tien jaren van levenservaring. De jonge vorst kende van dien tijd af de waarde van de vriendschap, de zwakheid van zijn eigen land en wat hijzelf vermocht.

Hij nam in het administratieve den raad van Engeland aan, maar bewaarde al zijn vorstelijke prerogatieven en wist ze te doen eerbiedigen. In den aanvang weigerde hij de hem toegestoken hand aan te nemen, want hij wilde, eer hij den Engelschen zijn vertrouwen schonk, hen aan het werk zien, zoodat de betrekkingen koel, officiëel en uit de hoogte waren.

Met buitengewone wilskracht begon hij studie te maken van de behoeften van zijn land, en langzamerhand begon hij te bemerken, dat Engeland woord hield en dat er eerlijk en trouw voor het wezenlijk belang van Egypte werd gewerkt.

Toen, maar ook toen eerst, aanvaardde hij het verdrag en in het jaar van de toenadering tusschen Frankrijk en Engeland bracht Zijne Hoogheid een vriendschapsbezoek aan koning Eduard en werd in Londen gevierd en geëerd.

In den loop der vele gesprekken, die ik met den khedive heb mogen voeren, heeft hij mij zelf verzekerd, dat zijn betrekkingen met Engeland en de staatssecretarissen en andere raadgevers en ambtenaren van engelschen landaard uitstekend zijn, dat er van zijn kant, noch van dien der egyptische ministers eenige wensch bestaat, om het beschavingswerk op eenige wijze te hinderen en dat zij allen van ganscher harte aan de opleving van Egypte meewerken.

In het kort, ik kan verklaren, dat Zijne Hoogheid tevreden is over den tegenwoordigen staat van zaken, en zoolang Egypte niet een graad van beschaving heeft bereikt en niet machtig genoeg is geworden, om in alles op eigen wieken te drijven, geeft hij er verre de voorkeur aan, op Engeland te steunen en gebruik te maken van de lessen en raadgevingen der bekwaamste kolonisators ter wereld dan een steun te zoeken bij andere mogendheden.

Maar dit belet Abbas Hilmi niet, voor sommige van die mogendheden een oprechte vriendschap te gevoelen en een groote bewondering. Zijne Hoogheid heeft voor Frankrijk een voorkeur, die hij zeer beslist aan den dag legt, en elk jaar komt hij zijn vacantie te Divonne doorbrengen, waar hij dan rustig leeft als een gewoon, eenvoudig, deftig reiziger.

De volksfantazie, die ervan houdt, zich den khedive voor te stellen als wonend in een weelderig paleis, zijn dagen slijtend op gemakkelijke sofa’s en divans tusschen zachte kussens, omringd door de vrouwen van zijn harem, terwijl hij lekkernijen eet en een narghileh rookt, die volksverbeelding zou zeer verrast wezen, als ze bespeurde, wat inderdaad een feit is, dat de khedive de man is, die het van alle Egyptenaren het drukst heeft. Men zou bijna geen gevulder en beziger leven kunnen leiden. Zijn officiëele plichten, het bestudeeren van wetten, het onderteekenen van besluiten, het presideeren van ministersvergaderingen, het verleenen van audiënties, het houden van recepties, het bijwonen van parades, al die bezigheden van een souverein zouden voor velen reeds een zware taak zijn. En toch vindt Z.H. buiten dat alles den tijd nog in het groot aan landbouw en veeteelt te doen, zijn grondbezit steeds uit te breiden, heele wijken te laten bouwen bij steden en dorpen in het open land, reuzenuitgestrektheden vruchtbaar te laten maken ter ontginning, en zijn groote goederen te doorreizen per spoor, met zijn jacht, in een dahabieh, per rijtuig, per automobiel, te paard of op een kameel en dan nog, om van zijn eigen penningen een spoorlijn te laten bouwen, die Egypte met Tripolis zal verbinden. En denk nu niet, dat de khedive zich slechts met de groote lijnen van al zijn plannen bezighoudt, aan anderen het meeste werk overlatend. Dat zou een groote dwaling zijn. Zeker, hij heeft raadgevers en dienaren van groote beteekenis, zooals het hoofd van de Daïra Kassa, het civiele huis, Z. Excellentie de Martino pacha, die hem allen groote diensten bewijzen, maar het blijft niettemin waar, dat de khedive alle quaesties grondig bestudeert tot in de kleinste bijzonderheden.

De voornaamste verblijven van den khedive zijn het paleis van Abdine in Kaïro, waar alle officiëele recepties plaats hebben; het Koebbehpaleis buiten op tien kilometer afstands van de stad, waar Zijn Hoogheid het grootste deel van het jaar met zijn echtgenoote, de Khedivah, en hun kinderen woont; het paleis van Alexandrië en eindelijk het paleis van Montazah aan zee op eenige kilometers van Alexandrië.

In het Abdinepaleis ontving Zijn Hoogheid mij voor de eerste maal in gezelschap van den heer W. Riddle, gezant van de Vereenigde Staten.

De tijden zijn voorbij, waarin onverschillig welke onbeteekenende consul zich in het paleis mocht vertoonen met een colbertje en slappen hoed, en vragen, om te worden ontvangen, of de khedive dat aangenaam vond of niet. Wat de zwakheid van Tewfik verdragen had, was met hem ten einde, en Abbas Hilmi wist van den eersten dag af, zich voor te doen als de souverein en zich als zoodanig te doen eerbiedigen. Onnoodig dus, hierbij te voegen, dat, als aan alle buitenlandsche hoven, de vreemde vertegenwoordigers hun verzoek om een audiëntie moeten richten tot den groot-ceremoniemeester, die het overbrengt aan Zijn Hoogheid, en dat men niet kan worden ontvangen dan in groot uniform of in rok en hoogen hoed.

Beneden in de vestibule staan de soldaten van de garde en haie geschaard en boven aan de groote, marmeren trap treffen we de ceremoniemeesters en kamerheeren, die ons geleiden in een eerste en ruime wachtzaal, en na eenige minuten zijn wij binnengetreden in de ontvangzaal, waar Zijn Hoogheid ons wacht. De vorst kwam glimlachend op ons toe met uitgestoken hand en na een krachtigen handdruk gingen we zitten, waarna de sigaretten werden opgestoken en het gesprek begon, eerst in het Engelsch, later in het Fransch. De khedive spreekt beide talen uitstekend, evenals het Duitsch en natuurlijk Turksch en Arabisch.

Graf van een Sjeik.

Graf van een Sjeik.

Zelfs zijn verbitterdste politieke vijanden erkennen gaarne de bekoring, die uitgaat van de persoonlijkheid van dezen vorst, en een van hen had mij gezegd: “O, zeker, ge zult hem innemend vinden, dat is het ware woord; hij is een charmeur en hij zal u bekoren, maar... wees op uw hoede!”

Ik ben in het geheel niet op mijn hoede geweest, en ik heb mij daar best bij bevonden.

Het gesprek was gekomen op de reis, die ik ging doen naar Soedan en op de afrikaansche spoorwegen; ik nam de vrijheid, Zijn Hoogheid te vragen naar den spoorweg, dien zij op haar kosten laat aanleggen tusschen Alexandrië en Tripolitanië, en ziehier het antwoord, dat ik ontving: “Het land, dat zich ten westen van Alexandrië uitstrekt, is aan de reizigers totaal onbekend. Men nam gewoonlijk aan, dat het een onmetelijke woestijn was, met enkele oasen op afstanden van twintig of dertig dagreizen voor kameelen.

Toch kwamen een groot aantal karavanen door die woestijn, tenzij uit de bedoelde oasen of uit Tripolitanië en brachten allerlei soorten van producten naar Alexandrië.

Ik besloot eens een lange reis te paard te doen door dit onbekende land. Tot mijn groote verbazing vond ik geen zandwoestijn, zooals ik verwachtte, maar een rijken grond, geschikt voor allerlei cultures. De aarde is niet zoo donker van kleur als die dichtbij den Nijl, maar het is duidelijk, dat ze ten tijde van de Romeinen een talrijke bevolking heeft gevoed.

Wij hebben er ruïnen van steden en dorpen aangetroffen en boerenhoeven, die door Romeinen waren bewoond, en nu nog zijn er in die zoogenaamde woestijn genoeg steenen van al die ruïnen, om honderden dorpen te bouwen.”

Egyptische tuchtschool op den weg naar de Pyramiden.

Egyptische tuchtschool op den weg naar de Pyramiden.

“Op een avond,” zoo ging de Khedive voort, “sloeg ik mijn tent op aan den grooten weg. Ik kon eerst niet slapen en bleef ook verder den geheelen nacht wakker, doordat onafgebroken karavanen voorbijtrokken van beladen kameelen.

En terwijl ik in de lange uren de langzame, zware passen van den kameelenoptocht hoorde en het gefluit van de geleiders, dacht ik aan de uren, dagen, weken, maanden, die door die Bedoeïenen op de wegen worden zoekgebracht, en ik zeide tot mijzelven: ‘Maar als er dan zooveel zijn, zou men best een spoorweg voor hen kunnen aanleggen; dat zal een uitmuntende zaak wezen voor hen en waarschijnlijk ook voor de aanleggers.’

En later toen ik naar den kant van Tripolitanië de rijke oasen zag, waarvan de voortbrengselen niet konden worden vervoerd; de dieren, die niet konden worden verkocht en die gevoed werden met vijgen en dadels, waarmee men niet wist, wat aan te vangen, was spoedig mijn besluit genomen; ik zette mij terstond aan het werk en begon met den aanleg van dien spoorweg.”

“En is Uwe Hoogheid tevreden over den uitslag?”

“Tevreden? Maar ik ben er verrukt van. Ik heb nog slechts een honderdtal kilometer aangelegd; welnu, wat de koopmansgoederen aangaat, hebben wij in het eerste jaar een millioen kilogrammen vervoerd; dit jaar (1905) zullen we boven de zes millioen komen. Ik was begonnen, een lijn met smal spoor te bouwen, maar dat was een vergissing, en ik stel er thans een lijn met gewone spoorbreedte voor in de plaats. Naarmate we vorderen en de oasen naderen, zal de handel steeds levendiger worden. Onlangs heb ik een drukke markt bijgewoond in het dorp, dat eindpunt was van den spoorweg. Nu, daar waren karavanen gekomen uit Tripolis, en om u een denkbeeld te geven van de belangrijkheid van de markt, wil ik u enkel zeggen, dat er 22 000 schapen waren!

De samenkomst was bij uitstek schilderachtig, want men zag er Bedoeïenen in den allerprimitiefsten staat. Veel van de overeenkomsten, die werden gesloten waren gewone ruilhandel, daar deze menschen zeer weinig geld hadden. Men kon er nog een paard koopen voor 50 francs. Mijn bedoeling is, de bevolking aan te moedigen, om in de dorpen, waar de trein passeert, op vaste dagen week- en jaarmarkten te openen.”

“En tot hoever denkt Uwe Hoogheid den spoorweg voort te zetten?”

Toen antwoordde mij de khedive met een opgewonden, van hoop en energie stralend gezicht:

“Tot waar toe? Maar mettertijd natuurlijk tot aan de grens van Tripolitanië, en ik hoop wel, dat er dan in Tripolis menschen zullen zijn, die zich verstandig genoeg toonen en genoeg ondernemingsgeest hebben, om een spoorlijn aan te leggen, die zich aansluit bij de mijne. Denk eens aan, dat men dan in Egypte zal kunnen komen na een overtocht van twaalf uren van Messina naar Tripolis in plaats van de drie dagen, die men nu noodig heeft om van Brindisi naar Alexandrië te komen, of van de vijf dagen van Marseille naar diezelfde haven. Een luxetrein zou hen van Tripolis naar Kaïro vervoeren. Die dienst zou twee of drie keeren per week kunnen loopen en ook wel dagelijks in het drukke seizoen.”

Over spoorwegen sprekend, werd de khedive ertoe gebracht, ons een anecdote te vertellen in zake de reis van zijn zuster, de prinses Hadidja Hanoem, die met haar man prins Abbas de tentoonstelling te Saint Louis had bezocht het vorig jaar.

“Ik heb altijd zelf,” zei de vorst, “den grootsten lust gehad, naar de Vereenigde Staten te gaan en ik zou nooit vermoed hebben, dat de prinses, mijn zuster, er nog eerder zou komen dan ikzelf. Zij heeft mij een prachtige collectie photografieën meegebracht, waarvan verscheiden in buitengewone omstandigheden zijn genomen. De prinses had het ongeluk, een spoorwegramp mee te maken, en in plaats van het hoofd te verliezen, zooals bijna allen, die met haar te zamen waren, photografeerde ze het tooneel! En even koelbloedig was zij, toen ze aan boord was van een petroleumboot, die in brand vloog!”

Dat is heusch interessant. De kalmte en de tegenwoordigheid van de egyptische prinses zijn kenschetsend voor het land, waar zooveel vrije en sterke vrouwen wonen.

Niet alleen naar de grens van Tripolitanië richt zich de jonge en sterke energie van den khedive. In het hartje van Kaïro wil hij aan zijn onderdanen voordoen, hoe ze moeten bouwen.

Ik heb er al op gewezen, dat hier overal een bouwwoede de wereld schijnt te hebben aangegrepen. Aan alle kanten verrijzen nieuwe gebouwen, maar daar de eigenaars zooveel mogelijk geld willen verdienen, wordt er slecht gebouwd en goedkoop, wat, daar er hooge huren worden betaald, groote winsten oplevert van 12 tot 15 procent. Maar hoe lang zullen die slechte huizen duren?

Nu heeft Zijne Hoogheid besloten, een zoo goed als geheel nieuwe wijk te doen verrijzen, maar niet van kartonnen huizen. De woningen, of eigenlijk de groote woningpaleizen, die thans op haar gronden worden opgetrokken, zullen de eerste echt moderne huizen in Kaïro zijn, soliede en voorzien van alle moderne gemakken, lift, bad, telefoon enz. Maar zij zullen slechts 6 of 8 procent opbrengen, echter met de kans, dat ze dien interest langen tijd achtereen zullen opleveren, lang nog nadat de slechte krotten zullen zijn ingestort met hun 15 procent.

Korten tijd na mijn terugkeer uit Soedan had ik een audiëntie bij den khedive in Abdine, het paleis in Kaïro, en zijn Hoogheid had de vriendelijkheid, mij uit te noodigen, een namiddag met haar in het Koebbehpaleis door te brengen.

Per rijtuig begaf ik mij erheen na een heerlijk ritje van ongeveer een uur, en nauwelijks had ik de treden van de marmeren stoep achter mij, of ik zag Zijn Hoogheid mij te gemoet komen zonder eenige plechtigheid, met uitgestoken hand, terwijl hij de andere in het zakje van zijn blauw flanellen vest hield.

“Blij, u weer te zien in mijn echt home!”

En mij medenemend naar den salon, waar we op een groote sofa plaats namen, voegde Z.H. erbij: “Want zooals u weet, woon ik hier, niet in Kaïro. Het Abdinepaleis dient alleen voor officiëele recepties; daar heb ik nooit gelogeerd. Zelfs na mijn groot jaarlijksch bal kom ik midden in den nacht altijd hier terug. Ik houd veel van buiten, en hier vind op een paar pas afstands van de stad en de ministeries rust en kalmte, zonder étiquette en officiëele pose. Hier leid ik het leven van een landedelman.

Op een tafel onder zijn bereik lag een groot plan van de bezitting, en daarop werd mij de toer aangewezen, die wij gingen maken. In een zeer wijden kring behooren alle gronden aan den khedive, die op eenigen afstand, aan de oevers van het Ismaïliakanaal een andere prachtige bezitting heeft. Het was zijn droom geweest, die met het domein van Koebbeh samen te voegen; maar de waarde der terreinen is zoo toegenomen, en dat wel zoo ongeloofelijk snel, dat het onmogelijk is geworden.

“Die gronden,” legde Z. H. uit, “zijn de beste van Egypte. Ik heb de mijne gekocht eenige jaren geleden voor 759 francs de feddan; tegenwoordig kan ik geen feddan krijgen van de aangrenzende onder 5000 francs. Een feddan is ongeveer 4000 vierkante meters.

“U heeft zeker wel opgemerkt,” vervolgde de khedive, “dat er in Egypte noch oude paleizen, noch burchten en kasteelen zijn, met uitzondering altijd van het officiëele Abdinepaleis in Kaïro, en ik zou u niet kunnen spreken over de woningen van mijn voorvaderen. Inderdaad wilde het gebruik, dat de paleizen, gedurende hun leven door mijn voorvaderen bewoond, altijd buiten gelegen, na hun dood werden verwoest. Deze bezitting is de eenige, die bewoond is geweest sinds den tijd van Ibrahim pacha, maar het was maar een klein huis. Ik heb het groote paleis laten oprichten, dat ge hier thans ziet en alle bijgebouwen, die ik u ga toonen.”

Van boven van de stoep af zag ik den tuin onderstboven gehaald, met groote gaten, hoopen steenen en een honderdtal mannen bezig met houweelen en spaden.

“Ik laat mijn geheelen tuin omwerken,” legde de khedive uit, “en ik heb daartoe een groot meester in de tuinkunst laten overkomen, den heer André uit Parijs, die reeds als zoodanig groote bekendheid heeft verkregen.”

Beneden aan de trap wachtte ons een bekoorlijk mandenwagentje, overdekt door een grooten parasol, en bespannen met twee verrukkelijke pony’s. Zijne Hoogheid greep de teugels en ik nam naast haar plaats, en, vergezeld door een enkelen groom, die achterop zat, reden we weg in vluggen draf.

Wij volgden een lange, schaduwrijke laan van oude boomen, aan welker eind een kleine moskee lag, welker witte minaret sierlijk tegen den blauwen hemel afstak. Wij traden een mooien tuin binnen, en zagen daar middenin een allerliefst huis met een vroolijk en vriendelijk voorkomen.

“Ik breng u,” zei de vorst, “naar de bijzondere school, die ik heb gesticht en waar ik gratis een tweehonderdtal kinderen laat opvoeden. De leertijd duurt vijf jaren, en als ze de school verlaten, verzeker ik hun dadelijk een positie bij het een of andere van mijn eigendommen. In een paar woorden ik vorm hier de beambten en dienaren, die ik noodig heb.”

Nooit heb ik een school gezien, die zoo frisch en luchtig was ingericht, en zoo vroolijk en zonnig was gelegen. Het was eenvoudig verrukkelijk. De licht geschilderde wanden waren bedekt met schilderijen en teekeningen, en lucht en licht drongen binnen door verbazend groote open vensters. In de eerste en de tweede klasse dragen de kinderen, allen met de fez op het hoofd, witte, egyptische kleederen, terwijl in de drie andere klassen de reeds veel grooter scholieren uniformen hadden van wit linnen met vergulde knoopen.