De khedive Abbas-Hilmi.
Alles zag er zoo smakelijk en netjes uit, dat men die jongens zou gaan benijden. Ze zien er trouwens ook recht tevreden en intelligent uit.
Het leerplan is er speciaal op ingericht, goede landbouwers te vormen en opzichters. Er wordt natuurlijk lezen, schrijven en rekenen geleerd, dan gezondheidsleer van mensch en dier, landmeten en dergelijke vakken.
Het interessante ondernemen strekt Zijn Hoogheid tot eer en is ook een glorie voor de leeraars, die er blijkbaar op gesteld zijn, het khediviale werk te doen slagen.
Toen we weer in het rijtuigje zaten, bezochten we achtereenvolgens de groote dépots voor den katoenoogst en de havenschuren, de archieven der bezitting, den brandweerpost en eindelijk in ponygalop de groote paardenstoeterijen, waar een tallooze menigte paarden worden opgevoed, waaronder ik prachtige, jonge dieren van zuiver arabisch bloed zag.
Verderop liepen in de groene velden veel mooie, zwitsersche koeien en beesten van Jersey evenals ghamoesahs, inlandsche runderen, die men hier haast niet zou herkennen, als men zich de magere, stumperige ghamoesahs herinnert van arme boeren.
Toen wij de Koebbehbezitting verlieten, ging een gendarme te paard voor ons uit, en zoo reden we vlug door het land, dat ons scheidde van het tweede domein.
In de dorpen, die we doorgingen, liepen de bewoners uit, om hun souverein te groeten met dien sierlijken groet, die bestaat uit een buiging, met de hand op het hart.
Wij kwamen ten laatste bij een groot, hoog gelegen terrein, waar een reusachtige steenfabriek lag, en Zijn Hoogheid verklaarde mij: “Dit terrein is zoo hoog, dat het onmogelijk was, er eenig irrigatiewerk tot stand te brengen, en het was altijd beschouwd als tot niets nut. Toen ik echter had ontdekt, dat de grond uitstekend geschikt is voor het maken van steenen, heb ik de terreinen gekocht en ik laat ze nu afgraven tot op het niveau der omliggende gronden, door van de overtollige aarde gebruik te laten maken voor het bakken van steenen, die wij veel meer opbrengen dan de kosten van terrein en arbeid te zamen.”
Wij reden langs keurig onderhouden velden, katoenaanplantingen, waarbij de khedive mij uitvoerig de cultuur uitlegde, en kwamen zoo bij het kanaal van Ismaïlia, waar Z. H. een groote stoompomp heeft laten zetten, die overdag naar de domeingronden water voert en electriciteit bij nacht.
En eindelijk na een bezoek te hebben gebracht aan de dorpjes, gebouwd voor zijn boeren, stonden we op den terugweg stil bij den tuin, waar een reuzenboom, uitgeput van ouderdom, zijn takken uitspreidt, waarvan vele dood waren. Dat was de Boom der Heilige Maagd, een boom, waaronder, naar de overlevering wil, de Heilige familie moet hebben uitgerust.
Binnenhof van een Arabisch huis.
In het paleis teruggekeerd, werd ons ijs voorgezet, dat Z.H. verkiest boven thee, en nog een uur bleef ik onder de bekoring van het gesprek van den vorst. Hij deed mij verhalen, waarin historische herinneringen werden opgehaald, en ik moest zijn fijnen geest bewonderen en de ruime, liberale opvattingen van dezen oosterschen vorst.
Eenigen tijd later noodigde Z. H. mij uit, met haar een zeer belangwekkend uitstapje te doen. Om negen uur in den morgen vertrokken we van het paleis te Koebbeh en reden naar het kanaal van Ismaïlia, waar een der stoomjachten van Z. H. ons afwachtte. Wij begaven ons op dek, en de khedive nam het commando op zich.
“Dit kanaal,” merkte de vorst op, “gaat van Kaïro naar Ismaïlia, waarheen het het zoete water van den Nijl brengt. Als zooveel andere groote en belangrijke werken, heeft het zijn ontstaan te danken aan het initiatief van fransche ingenieurs. Die hadden zelfs gedacht, dat men, door het dieper en breeder te maken, Kaïro kon verheffen tot den rang van zeehaven, O, wat zijn er in dit land veel dingen, die wij aan den ondernemingsgeest en de werkkracht van Franschen te danken hebben! Ik berekende onlangs, dat de materiëele belangen van Frankrijk in Egypte meer dan drie milliarden vertegenwoordigen... En het land heeft dat alles in den steek gelaten voor Marokko, waar het geen belangen heeft!”
Terwijl hij sprak, keek ik den zoo eenvoudigen en zoo weinig oosterschen vorst aan, die, gekleed in een engelsch costuum, met gele schoenen, zonder eenige kostbaarheid, zonder decoraties er geheel uitzag als een volmaakte gentleman, tevens op dit oogenblik een volleerd jachtbestuurder.
Wij voeren voorbij de gevangenissen van Aboe Zabad, het grootste bagno van Egypte, waar vele honderden dwangarbeiders, nauwlettend bewaakt door soldaten, beziggehouden worden met steenen kloppen. Inderdaad zijn er onder het woestijnzand steengroeven, waarvan de opbrengst in Kaïro en elders wordt verkocht.
De dwangarbeiders waren bij de nadering van het khediviale jacht in een rij langs het kanaal opgesteld, met afgewend gelaat, want die ongelukkigen hebben het recht niet, den souverein te zien voorbijgaan. Alleen de bewakers maken front en brengen den militairen groet.
Een sabelfabriek.
Toen we het bagno voorbij waren, gaf de khedive het bevel weer over aan den kapitein en deed mij naast zich neerzitten.
“Ik ga,” zei hij, “u de geschiedenis verhalen van het domein, dat we zullen bezoeken. Eenige jaren geleden, toen ik over dit kanaal reisde, merkte ik, zooals u ook kunt doen, op, dat links de gronden, die door het water van den Nijl goed besproeid worden en er sinds jaren door gedrenkt zijn, goed bebouwd en rijk zijn. Zie maar, hebt u ooit een prachtiger en vruchtbaarder grond gezien? Er zijn veel dorpen met een welvarende bevolking. Rechts daarentegen waren er niet anders dan stinkende moerassen, kuilen en hoogten en modderpoelen over een breedte, afwisselend tusschen 2 en 3 kilometer, en daarna volgde tot in het oneindige de woestijn met haar bergen en dalen. Plotseling kwam er een gedachte bij mij op. U weet, dat het voldoende is, het Nijlwater bij het zand der woestijn te brengen, om er vruchtbaren grond van te maken?
“Ik dacht dus, dat als men die moerassen opvulde en nivelleerde, door ze met zand gelijk te maken, en daarbij de noodige irrigatiewerken aan te leggen, men ten slotte uitstekende gronden moest verkrijgen.
“Alleen de étiquette weerhield al degenen, die ik erover sprak, ervan, mij in mijn gezicht uit te lachen en voor dwaas te verklaren; maar men verheelde mij niet, dat mijn plan onuitvoerbaar was. Ondanks al die beweringen zette ik mij aan het werk; ik kocht groote terreinen en deed een beroep op de bevolking aan de andere zijde van het kanaal. Honderden ossen en ezels werden gebruikt, om zand aan te dragen, en ten slotte, waarde vriend, is de onderneming een reusachtig succes geweest, dat mijn verwachtingen tot hier toe overtreft. Ik heb er nu een domein van 2500 feddans. Alle werkzaamheden inbegrepen, heeft de feddan mij 425 francs gekost. Welnu, pas is een stuk grond klaar, of de bewoners aan de overzij van het kanaal vechten erom, wie het huren zal, en ik verhuur de gronden voor 140 francs de feddan, waardoor ik 30 percent van mijn geld maak.
“Of ik tevreden ben? Zeker, ben ik dat; maar u kunt mij gelooven, dat mijn voldoening minder voortspruit uit het financiëele succes dan uit de vreugde, die ik ondervind, als ik zie, dat doode gronden tot leven worden gewekt en dat schoone oogsten hun groen vertoonen of hun gouden halmen op plaatsen, waar gisteren slechts dor zand en ellendige moerassen te vinden waren. Zie toch eens, en bedenk, dat er hier vroeger niets waren dan modderpoelen en moerassen!”
En inderdaad zoo ver het oog kon reiken, tot aan het begin van de groote woestijn, was het kanaal rechts van ons omzoomd door bewonderenswaardig bebouwde velden, die alle bewijzen geven van uitstekend vruchtbaar te wezen.
“En denk eens aan, dat we al het eerste jaar oogsten van den grond, die pas nog zand was en dat wel zonder van mest gebruik te maken. Het Nijlwater en de zon van Egypte bewerken dat wonder.”
Tegen den middag kwamen we op die plek van de domeinen, waar de khedive bezig is, ruime stallen te laten bouwen en een groote woning voor zijn rentmeester en de beambten, een huis, waar hij ook voor zichzelf een geschikt pied à terre heeft.
Daar het huis nog niet gereed was, had Z. H., die hier elke week komt, er een dahabieh, een der mooiste Nijlbooten, die ik ooit heb gezien met groote slaapkamer, badkamer, salon, eetzaal en alle geriefelijkheden.
Op die dahabieh ontbeten wij te zamen, en Z. H., die een fameus eter is, deed aan het eenvoudige, maar uitstekende maal alle eer aan, waarbij ik hem trouw gezelschap hield, want de lange tocht had mij eetlust gegeven.
De vorst drinkt geen spiritualia, rookt niet en speelt niet.
“Maar u moet niet denken,” zei hij, terwijl ik alleen wijn en likeur gebruikte en zijn uitstekende sigaren rookte, “dat ik als deugdzame poseer. Wijn bekomt mij niet goed en tabak ook niet, en de bekoring van het hazardspel heb ik nooit kunnen begrijpen. Ik heb uren te Ostende naar spelers staan kijken, heb hen duizenden en duizenden zien winnen en verliezen, en niets ter wereld zou mij hebben kunnen doen besluiten, met hen mee te doen... Bij mij is dat een instinctieve afkeer van het spel... Er steekt in het geheel geen verdienste in.”
Na ons maal aan boord van de dahabieh bereikten we te paard en in een gietenden regen het station Enchas, waar de speciale trein van Z. H. ons wachtte en ons naar Kaïro terugbracht.
Ik heb al verteld van de spoorlijn, die Abbas Hilmi laat aanleggen op eigen kosten tusschen Alexandrië en Tripolis.
Wetend, hoezeer die quaestie mij interesseerde, wilde de vorst mij vóór mijn vertrek uit Egypte het genoegen doen, mij mee te nemen op een inspectiereisje naar die werken.
Bij die gelegenheid ontving de khedive mij in het paleis te Montazah, nog vóór negen uur ’s morgens.
Van alle khediviale paleizen is dat van Montazah het minst bekend. Ik mag wel zeggen, dat met uitzondering van de intieme kennissen, enkele raadslieden en enkele weinige personen, niemand dat huis kent, dat als zeer particuliere woning van den khedive staat aangeschreven. Officiëele ontvangsten hebben er niet plaats en het publiek wordt er niet toegelaten.
Flauwtjes weet men, dat een paar jaren geleden de plek van deze bezitting nog met zandduinen was bedekt, en dat Abbas Hilmi haar met zijn gewone energie herschapen heeft in een nestje van groen.
Mijn trein stond stil bij het eigen stationnetje van Montazah en ik vond er een mij door Z. H. gezonden rijtuig.
De toegang tot het domein is afgesloten door reuzenpoorten, die een vesting verbeelden; maar daarachter zijn mooie lanen en prachtige bloem- en grasperken, aan welker einde men in de verte boven boombouquetten uit twee witte paleisjes aan zee ontwaart, waartusschen op het blauw der heerlijke zee onder den azuren hemel bootjes drijven met lichte, witte zeilen.
Op het ruime terras van het paleis wachtte mij de khedive en voerde mij in zijn werkkabinet, een vroolijk zonnig vertrek, waar alles op de liefhebberijen van den vorst wees.
De muren hingen vol platte gronden en kaarten van de domeinen, en de tafels waren bedekt met rapporten en adviezen. Achter het bureau hing een groote photografie van een locomotief, “een van de Compagnie du Nord”, zei Z. H., “die mij tusschen Parijs en Calais 180 kilometer in het uur heeft laten afleggen!”
Enkele minuten later stapten we in een rijtuigje met twee pony’s, oude dieren.
“Dit zijn mijn eerste paarden,” zei de khedive, “die, welke mij gegeven werden, toen ik nog een kleine jongen was en waarop ik de kunst van mennen moest leeren. Zou u gelooven, dat die dieren al 25 jaar oud zijn? Zij leven hier gelukkig en rustig; ze hebben hun pensioen. Ik gebruik ze alleen voor kleine ritjes; maar u zult eens zien, hoe flink ze nog zijn en hoe ze hun best doen, als de weg stijgt.”
Wij reden langs mooie, breede wegen, met boomen beplant, en daarna langs een steenen kade, die om de baai van Montazah liep en een uitstekende natuurlijke haven omzoomde, en Z. H. vervolgde:
“Ik heb eene home willen hebben voor het voorjaar en den herfst, en ik ben op kleine schaal begonnen met den aankoop van eenige zandduinen. Ik voerde er het Nijlwater heen, en dadelijk werd het zand tot vruchtbare aarde, en boomen en bloemen ontsproten. Toen vergrootte ik de bezitting, en langzamerhand ontstond dit landbouwbedrijf, waartoe nu bijna 4000 feddans behooren.
“Ik had eerst slechts een klein paleisje gebouwd voor mijn persoonlijk gebruik. Later heb ik voor mijn gezin dit tweede paleisje laten zetten in een waar nestje van groen. De kinderen zijn heel gelukkig hier en genieten zóó van de groote vrijheid, dat het een genoegen is, ze erheen te brengen.”
Rondom het paleis staan allerlei paviljoens; men vindt er grotten, allerlei wilde en gekweekte bloemen en in een kleine, beschutte baai hebben de vorstelijke kinderen hun zeebad.
Iets verder van huis ziet men groote hoenderhoven en moderne konijnenhokken op rotsachtigen bodem, waar de konijnen niet kunnen graven, om zich in onderaardsche holen te verbergen; dan een reuzenduiventil met duizenden vogels, terwijl men bovenop dat vogelhuis een prachtig uitzicht heeft over het geheele domein en de kust der Middellandsche Zee tot Alexandrië.
Door velden, waar groote papavers in het koren bloeiden, bracht de weg ons naar dennenaanplantingen, dan naar een parkje, waar vijftien duizend moerbeiboomen waren geplant, waarvan de bladeren tot voedsel moesten dienen voor de massa’s zijdewormen, en daarna naar de hoeven, de stallen en het fabrieksgebouw, waar twee enorme dynamo’s electrische verlichting leverden.
“Ik zal u ook eens laten zien,” zei Abbas Hilmi, “waar die beweegkracht buitendien voor gebruikt wordt. Laat ons hier binnengaan, waar ik een groote houtzagerij en meubelmakerij heb laten inrichten, die erdoor van beweegkracht wordt voorzien. Wij vervaardigen hier de deuren en vensters en het houtwerk voor de woningen van al mijn domeinen en dorpen, alsook het fijnere arabische snijwerk voor mijn paleizen.”
Daar zag ik een volkomen moderne zagerij, waar een menigte arbeiders in opgewekte stemming aan het werk waren en even ophielden, om ons te groeten.
Z. H. maakte met ieder een praatje, keek naar hun werk, sprak zijn oordeel uit en gaf aanmoedigende wenken. Velen van die arbeiders waren meer dan tien jaren in zijn dienst, als ze hun plicht doen, houdt de khedive hen lang, en doet veel voor hen; maar ze moeten dan ook inderdaad hun beste werk leveren. Ze waren allen goed gekleed en toen ik een opmerking daarover maakte, zei de khedive, dat er veel Alexandrijnen bij waren, en dat die altijd zeer op nette kleeding gesteld waren.
In een klein paviljoen waren de telegraaf- en telefoondiensten gevestigd, particuliere ondernemingen van den khedive, die daardoor onafhankelijk is van de Engelschen. Hij kan nu telegrafeeren naar geheel Europa zonder van de engelsche kabels gebruik te maken. Dat resultaat is op zeer eenvoudige manier verkregen, namelijk door Montazah met een bijzonderen draad te verbinden met de ottomaansche telegraaf, die door Klein Azië naar Konstantinopel gaat. Daar Montazah telefonisch verbonden is met alle khediviale paleizen, is Z. H. volkomen onafhankelijk in het zenden van berichten.
Door een laan van bloeiende oranjeboomen en langs reeksen van perziken en abrikozen kwamen wij in het paleis terug, om te dejeuneeren. In de groote eetzaal was de reuzentafel ledig, en aan een klein tafeltje in een vensternis was voor ons beiden gedekt.
Het was een allersmakelijkst déjeûner en ik had daarbij gelegenheid, met Z. H. over godsdienst te spreken. De khedive is zeer godsdienstig; en al eerbiedigt hij de vreemde godsdiensten, die zich in Egypte hebben gevestigd; hij duldt nooit inmenging in de zaken van het geloof, waar hij in Egypte het geestelijk hoofd van is. Dat weten de Engelschen wel, en zij spreken het bij iedere gelegenheid luide uit, dat ze niet voornemens zijn zich ermee te bemoeien.
“In die aangelegenheid ga ik alleen met mijn geweten te rade,” sprak de khedive; “men zou mij eerder het hoofd moeten afslaan dan mij te bewegen afstand te doen van de rechten en plichten, die ik heilig acht. En daarin staat het geheele volk aan mijn zijde; het zou niet den geringsten aanslag op zijn geloof dulden.”
“Er is gezegd, dat Uw Eerwaarde ervan droomde, met behulp van Engeland den sultan te vervangen als hoofd der muzelmansche wereld, u van Mekka meester te maken en u tot sultan te doen uitroepen.”
“Dat is een dwaasheid, een zotheid en een kwaadaardigheid,” antwoordde Z. H. en haalde de schouders op; “ze is in de wereld gebracht door menschen, die mij willen benadeelen bij den sultan.”
“Maar laat ons dan de quaestie omkeeren. Gelooft u niet, dat Engeland zou hebben kunnen hopen, zich van Uwe Hoogheid te bedienen en van de Mohammedanen in Egypte en Indië, om den duitschen invloed in Konstantinopel tegen te gaan?”
Waterverkooper.
“Gedachten zijn tolvrij. De Engelschen kunnen zoo iets hebben gedacht, maar ik twijfel eraan. Zij moeten weten, dat ik er mij nooit toe zou leenen, de hand te steken in een zaak, waardoor een christelijke natie invloed kreeg op het lot van den Islam. En dan zie ik ook niet in, wat Engeland erbij zou winnen.”
Onmiddellijk na het ontbijt gingen we naar het station, waar we den trein gereed vonden staan, die altijd wordt gebruikt voor de uitstapjes op de lijn van Marioet. Hij bestaat uit een sierlijk blinkende locomotief, verbonden met een klein glazen salonnetje, van waaruit de khedive zelf den trein bestuurt. Aan den trein bevinden zich nog een salonwagen en een gewone waggon voor de bedienden, die onze five o’clock tea of liever ons ijs bij zich hadden.
Vlug reden wij door de velden, die Montazah scheiden van Alexandrië en de voorsteden van die stad, om zoo te komen bij het eindpunt van de staatsspoorwegen, welker station en andere gebouwen ook door Z. H. worden gebruikt. Hier begon nu de particuliere lijn, die al een honderdtal kilometer lang is, niet door een zandwoestijn gaande, maar door bebouwd land, waarvan weer een groot gedeelte aan den khedive toebehoort.
Dit is het land der Bedoeïenen en die vrije en moedige mannen zijn den spoorweg volstrekt niet vijandig gezind, maar werken aan den spoorweg en aan het plaatsen van de telefoon, waarvan reeds tweehonderd kilometer toen gereed waren.
Het was een drukte van belang, en de treinen die ons tegenkwamen en die reizigers, vee en goederen vervoerden, waren boordevol. Aardige dorpjes, gebouwd door Z. H., vervangen hier en daar de armoedige tenten der Bedoeïenen, en het is onbetwistbaar, dat de bewoners van die verloren en vergeten streken er dankbaar voor zijn, dat de khedive hen is komen oproepen tot een nieuw leven. Indien ze al in het begin even verschrikt zijn geweest, thans hebben ze vertrouwen gekregen en wachten met ongeduld op de inwijding der geheele lijn, die hun het zal mogelijk maken, een winstgevenden handel te drijven tusschen het rijke Tripolitanië en de markten van Alexandrië en Kaïro.
Wij toefden aan het tegenwoordige eindpunt onder de veranda van een klein huis, eenvoudig als een soldatentent, dat de khedive soms bezoekt, om toezicht op het werk te houden en zagen de woestijnbewoners aan den arbeid onder leiding van de officieren van Z. H. Toen we weer in den salonwagen zaten, verklaarde de khedive mij, hoe deze lijn uitsluitend met economische bedoeling was aangelegd en niets met de politiek had uit te staan. Maar de menschen, die nu de beteekenis uit handelsoogpunt inzien, en er jaloersch op zijn, zouden er wel moeilijkheden voor in den weg willen leggen, door in sommige kringen de meening te verspreiden, dat de khedive politieke bedoelingen heeft. De beide mogendheden echter, die het meest geïnteresseerd zijn bij Tripolitanië, Turkije en Italië, weten uitstekend, dat de lijn van Marioet geen bedreiging is en dat niet zou kunnen zijn... Zij is en zal blijven een débouché voor de producten, die het schoone land in zulk een overvloed voortbrengt.
Uit al, wat ik van den egyptischen vorst heb gezien, blijkt, dat hij een hoogstaand mensch is, die op een leeftijd, waarop veel vorsten slechts aan hun genoegen denken, zonder ophouden bezig is, om de hulpbronnen van zijn land te vermeerderen en daarbij tevens zijn eigen fortuin te vergrooten. Hij geeft aan zijn volk het mooie voorbeeld van werkzaamheid en wijst aan zijn onderdanen den weg tot welvaart en rijkdom, dien zij zullen hebben te volgen, om vooruit te gaan. En zoo maakt de khedive door zijn karakter en zijn gedrag, als het ware, de dwaasheden goed, waaraan zijn grootvader Ismaël zich schuldig maakte en ook de zwakheden van zijn vader Tewfik. Egypte bezit thans een souverein, waar het trotsch op kan wezen.
Den Nijl opvaren! Die drie woorden hebben in alle talen en sedert het begin der wereld de ideale reis aangeduid, de mooiste, die men kan ondernemen. De Grieken en Romeinen droomden er al van honderden jaren geleden, en de Croesussen van dien tijd ondernamen wat toen een lange en dure reis was, om de ruïnen van Thebe en het eiland Elephantine te zien.
De tijden zijn hierin niet veranderd, en men kan op geen prettiger manier den winter doorbrengen dan door langzaam den beroemden stroom op te varen aan boord van een dahabieh. Die booten, die men in Kaïro gemakkelijk kan huren, hebben alle mogelijke comfort. Nog pas weinige jaren geleden waren alle dahabiehs zeilbooten en men voer zachtjes naar believen van den wind en hield ongeveer overal op. Tegenwoordig nu ieder min of meer haast heeft, maakt men stoomdahabiehs, even geriefelijk als de andere, en met het gemak, dat men altijd reizen kan en, hoe het weer ook moge zijn, weg kan komen van plaatsen, waar het iemand niet bevalt.
Maar dahabiehs liggen niet binnen het bereik van alle beurzen; naar het aantal der personen, die te zamen reizen, kosten ze van tien tot vijftien duizend francs per maand, met alle kosten inbegrepen. Als men met z’n achten of tienen is, is het niet te veel; is men maar met twee, dan wordt het te duur en als men alleen is, hetgeen ook voorkomt, zelfs in Egypte, is het te duur en ook te eenzaam.
Gesluierde vrouw.
Gelukkig, dat de beroemde Cookdienst bestaat met zijn toeristenbooten tusschen Kaïro, Luxor en Assoean. Er zijn expressbooten, die minder duur zijn en een kortere reis maken. De toeristenbooten zijn zeer populair en verdienen het te zijn, want het is werkelijk onmogelijk, zich grooter comfort voor te stellen. De Ramses, de Ramses III en de Ramses de Groote, die dezen dienst verzorgen, zijn prachtige stoombooten, in niets gelijkend op de paketbooten van de oceanen. Hun diepgang is zeer gering, nauwelijks een meter, geloof ik, en de geheele bouw ligt ver boven het water als een groot huis met drie verdiepingen. Buiten de slaapkamers, de eetzaal, de bibliotheek, de rookkamer, is er op het dek juist in het midden van het schip en over de geheele breedte een heerlijke ruimte, die een groote hall vormt. Tafels, leunstoelen, sofa’s, groene planten, mooie oostersche tapijten maken die hall tot het meest geliefde plekje voor de reizigers.
Daar komt men samen na de maaltijden om er de koffie te gebruiken; de afternoon tea wordt er gepresenteerd; men babbelt er, speelt er kaart of doet er aan muziek, terwijl de oogen, als ze willen, de mooie oevers van den Nijl kunnen volgen. Als de avonden koel zijn, worden groote tentzeilen neergelaten rondom het geheele dek, en zoo verkrijgt men een reuzensalon, vroolijk verlicht door een menigte electrische lampen en waar gedanst kan worden. De tafel aan boord is overvloedig en uitstekend.
Overal waar iets belangwekkends te zien is, houdt de boot stil, en ezels en gidsen, zoo noodig draagstoelen, wachten de reizigers, en dat alles is in de kosten van het plaatsbiljet inbegrepen. Sedert enkele jaren hebben de heeren Cook niet meer het monopolie van de Nijlbooten. De Anglo-American Nile Co. heeft een op den hunnen gelijkenden dienst en die ook niets te wenschen overlaat uit het oogpunt van comfort en inrichting. De prijzen zijn dezelfde en wisselen al naar gelang van de hut van 1000 tot 1500 francs voor een reis van drie weken.
Het belangrijkste personnage aan boord is de drogman, die de tochten regelt en in verschillende talen alle gewenschte inlichtingen geeft. Laat mij u enkele aanteekeningen uit mijn notitieboekje geven, die een uittreksel zijn van wat hij te zeggen heeft en mijn eigen ervaring vertellen.
Arabisch salon.
Aan boord van de Ramses,
20 December 1904.
Wat een weêr! Is het mogelijk, dat wij in Egypte zijn? De lucht is zwart en het regent in stroomen. Trots de kapotjas ben ik doornat geworden tusschen het hotel en de aanlegplaats.
Waarom zijn er geen gesloten rijtuigen in Kaïro? Het is waar, dat de dagen van zeer slecht weer hier zeldzaam zijn; maar ze komen voor en van tijd tot tijd doet de winter zich eens gevoelen. (Men moet niet vergeten, dat de winter van 1904 op 1905 zeer streng was en dat er sneeuw viel, zoowel in Algiers als in Tunis). Na prachtige dagen van zonneschijn gevoelt men het verschil dubbel, en men moet daarom niet naar Egypte gaan zonder warme winterkleêren. Het is een verfoeilijk klimaat voor borstlijders, ten minste Kaïro is dat, omdat er teveel stof en vuil is. Iemand, die er lang gewoond heeft, zei mij, dat hij het een misdaad oordeelde, een borstlijder erheen te zenden. Dit jaar is er veel mist in Kaïro. Men beweert, dat het klimaat verandert, dat de bevloeiingswerken en de in grooten getale aangeplante boomen den regen aantrekken en de vochtigheid, die eertijds onbekend waren. De Turken zeggen, dat het van de engelsche bezetting komt, die nevels en influenza heeft meegebracht.
Bij de aanlegplaats word ik bestormd door een menigte Arabieren, die allen beweren, dat zij mijn bagage naar de boot hebben gebracht. Ik heb twaalf stuks, en ze zijn met hun veertigen! Ze zijn onverdragelijk. Ik zou trek hebben, hun stokslagen toe te dienen.
Met al de vlaggen doorweekt en slap, heeft de Ramses zich droevig op weg begeven en we laten Kaïro achter, gehuld in een grijzen sluier. Het hagelt! Op dek gezeten, gewikkeld in groote overjassen, kijken we naar de vlakke en trieste oevers. Hier en daar schijnen geestdriftige hengelaars niet te bespeuren dat het regent dat het giet. In de velden zitten de fellahs bij het gesneden riet, en huiverend gillen zij bij het voorbijgaan van de boot.
Eén uur. Een uitstekend ontbijt heeft ons getroost en verwarmd, en daar zijn we bij het station Bedrachein. Van hier gaat men per ezel naar Sakkarah en de ruïnen van Memphis. Dapper en gewapend met overschoenen, verlaten wij de Ramses, heeren en dames, en zetten ons op de ezeltjes. De situatie is zoo belachelijk, en er zijn onder ons zulke bijzondere typen, dat we allen beginnen te lachen. Naar Egypte komen, om zich te laten doorweeken en een roode punt aan den neus te krijgen, dat is toch al te gek. Enfin, nu hebben we dan eens niet van het stof te lijden.
Twee uren ezelrijdens door overstroomde velden en palmbosschen—het zou heerlijk wezen, als de mooie zon van Egypte ons bestraalde, maar helaas! Laat ons intusschen niet onrechtvaardig zijn; zulk weêr als vandaag is in dit land zoo goed als onbekend. Wij komen op de plek waar vóór duizenden jaren Memphis moet gelegen hebben, de beroemde stad, door Menes gesticht, die zoo groot was, de stad namelijk, dat men een half uur moest loopen, om erdoor te wandelen. Bergjes aarde, beschaduwd door palmen, zijn alles, wat wij er nu op een afstand van zien! Eer we er zijn, gaan we voorbij de reuzenbeelden van Ramses II, onder palmen op den grond uitgestrekt en meer dan acht meter hoog.
Daar zijn we eindelijk vóór een huisje met een groot modern terras. Hier woonde Mariette, de beroemde fransche Egyptoloog, die in 1851 het graf van den Apisstier ontdekte en later de groote necropolis Sakkarah. Mariette, die gedurende dertig jaren de opgravingen in Egypte leidde, die de geheele oude beschaving deed herleven en meer deed dan iemand anders, om licht te verspreiden over de historie van Egypte.
Apis was de heilige stier, dien de bewoners van Memphis aanbaden, juist als men in andere steden van Egypte honden, katten en zelfs krokodillen aanbad. Over smaken en gewoonten moet men maar niet gaan twisten. Nu zijn in Memphis de graven der heilige stieren beroemde monumenten geworden, die men moet gaan zien; ieder graf heeft zijn eigen kapel. De geschiedenis leert ons, dat Apis uit een koe werd geboren, die toen ze een kalf zou baren door een bliksemstraal werd getroffen en Apis ter wereld bracht, geheel zwart, met een wit teeken op het voorhoofd, de teekening van een arend op den rug en dubbele staartharen. In onze dagen zou men Apis naar Barnum sturen ... vroeger maakte men er een god van.
Maar daar zijn we gekomen aan de doodenstad. De necropolis van Sakkarah is acht kilometer lang en anderhalven kilometer breed, en die onmetelijke uitgestrektheid is overdekt met de vreemdste monumenten. Er zijn in die opeenhooping van ruïnen echte meesterwerken. De gebeeldhouwde reliëfs en ook de geschilderde zijn interessant; zij stellen het geheele leven voor van dit groote volk en laten ons zien, hoe dertig eeuwen geleden gezaaid werd en geoogst, hoe men booten maakte en meubels, hoe de maaltijden werden bereid en hoe de ganzen werden vetgemest. Ik zeg niets meer dan de waarheid, maar ik heb een aardig reliëf gezien, waarop een naakte heer met volle handen de dieren voederde, die de smakelijke ganzenlever fourneeren. O Straatsburg, gij, die geen basreliëfs hebt, om uwe industrie te illustreeren, waardoor ge heden beroemd zijt, wie zal er aan u en uw paté de foie gras denken over zes duizend jaren? Volg mijn raad, oude stad in den Elzas, en laat basreliëfs maken. Laat Memphis u tot voorbeeld strekken! Stormenderhand door Cambyses ingenomen in 525 vóór Christus, bezet door de Perzen, verwoest door de Christenen onder Theodosius, met den grond gelijk gemaakt door de Muzelmannen en God weet welke ervaringen nog meer doorgemaakt, en toch ondanks dat alles zijn de basreliëfs gebleven en toonen ons in het jaar onzes Heeren 1905, hoe men in Memphis ganzen vetmestte.
Egyptische vrouw.
21 December.
Van morgen heb ik een schrik gehad, een hevigen schrik, en het Nijlwater is er schuld aan. Er zijn op de Ramses uitstekende badkamertjes en ik had mij een morgenafspoeling beloofd op prettige en gemakkelijke manier. Vroeg wakker geworden, bestelde ik mijn bad om zes uur. Enkele minuten later trad ik de badkamer binnen, en toen kreeg ik den schrik. De prachtige badkuip was gevuld met eene bruine of liever donkergele modder, dik en afstootend. Toen ik navroeg, hoorde ik den Arabier, die, voordat hij de deur sloot, nog tot mij zeggen: “Nijlwater heel zindelijk!” Très propre! Ik draai de kraan om en er komt hetzelfde vloeibare slijk uit. En toen kreeg ik dit moeilijke probleem op te lossen: “Zou ik niet schooner, maar minder vuil zijn, als ik mij niet baadde dan als ik mij elken morgen in dit slik dompelde?” Ik berekende, dat het twaalf dagen moest duren, eer we te Assoean zouden wezen; in het eerste geval zou ik op mijn huid een opeenhooping van 288 uren vet hebben en in het tweede twaalf over elkaar gestapelde lagen vruchtbaar makend slib... Ik aarzel niet langer en duik onder. Het gevoel is niet onaangenaam, maar ongelukkig komt het mij in de gedachte, dat de Arabier, die natuurlijk lui is, wel eens kon vergeten hebben, het water te vernieuwen voor de verschillende passagiers, want het is toch altijd slijk, wat men ziet. Die gedachte was niet prettig, en ik sprong gauw uit de badkuip. Daar er nog niemand op was, waagde ik mij in mijn pyama op het dek. De regen had opgehouden; maar wij voeren nog in den nevel. Eensklaps zag ik als door een sluier hooge fabrieksschoorsteenen, toen veel daken van woningen en eindelijk een woud van masten. Wij naderen een belangrijke stad; het leek wel of we op de Theems waren in plaats van op den Nijl!
Nauwelijks heb ik bij mijzelven die meening uitgesproken, of een zonnestraal, die brutaal den mist doorbreekt, valt op een hooge, geheel witte en schitterende minaret. Haleluja, haleluja; God zij geprezen; alleen met zijn hulp kan men een zoo groote verandering van tooneel bereiken! Als door een wonder is de mist opgelost en zoo ver het oog reikt, baadt zich de grond van Egypte, van leven tintelend, in de gouden stralen van den mooien zonneschijn. Omlijst door een oase van groen, lijkt de stad een wit juweel, met hier en daar een rose of blauw vlekje, dat afkomstig is van een of ander lichtgeverfd huis.
De egyptische steden zien er veel beter uit van verre dan van dichtbij. Wat op een afstand een prachtig paleis leek, is vaak maar een armzalig krot, met instortende muren en vensters, waaruit het u niet moet verbazen, een geit er den kop door te zien steken! Honderden booten liggen vastgemeerd aan de oevers, en van alle kanten brengen ezels, kameelen en zwaar beladen mannen er koren heen en uien, salade, suikerriet, en koopwaren van allerlei aard, eronder begrepen balen lompen, die den Nijl zullen afzakken naar Kaïro, Alexandrië, Europa en Amerika. Wel ja, de agenten der groote amerikaansche papierfabrieken komen hier stoffige lompen koopen en die ellendige vodden zullen u en mij weer onder de oogen komen in den vorm van een geïllustreerd tijdschrift of een geurig billet doux. Neen, er gaat niets verloren in deze wereld. Kijk eens naar die wonderlijke bouwsels; het zijn reuzenduiventillen, en ge ziet ze in massa langs den Nijl. Verbaast het u, te vernemen, dat men hier duizenden duiven fokt, alleen om hun excrementen als mest te gebruiken?
Moskee te Kaïro van buiten.
De stad ligt nu ver achter ons. Links verheffen in de verte eigenaardige dorre, strenge bergen hun toppen met rechte en eentonige lijnen naar de lucht. Er is geen enkele punt te onderscheiden; het zijn bergtoppen, vlak als tafels. Van den Nijl tot aan de hoogte is de woestijn aan het woord, want de terreinen liggen te hoog, dan dat het vruchtbaarmakend water er kan worden heengevoerd. Rechts daarentegen ziet men het schoone land van het vlakke en vruchtbare Egypte met heerlijke bebouwde velden tot in de verte, den rijkdom van het land. Mannen en vrouwen werken ijverig, terwijl myriaden kinderen bijna naakt zich aan de oevers van den Nijl amuseeren. Overal is druk bewegen; is intensiteit van leven.
Nu en dan gaan we voorbij dorpjes van leemen hutten, omringd door palmboschjes, hutten, die er armoedig en ellendig uitzien te midden van de rijke en vruchtbare natuur. Door de velden en langs de rivier loopen lange rijen ezels, buffels, kameelen en vrouwen, die op het hoofd groote kruiken dragen, alles duidelijk te onderscheiden tusschen de vlakke aarde en den blauwen hemel.
Links de woestijn en de doode natuur, rechts de bebouwde velden, vruchtbaarheid en rijkdom. Meer dan ergens is het hier het land der tegenstellingen.
Hooge fabrieksschoorsteenen stooten hun rook uit naast sierlijke minarets; hier verspreidt een moderne stoompomp het water van den Nijl over de naburige velden, en ginder werken naakte mannen onophoudelijk aan het omhoog voeren van het water door middel van een antieke sakieh; in de verte zien we goederentreinen snel in een wolk van stof verdwijnen, terwijl daarnaast zich langzaam heele reeksen kameelen langzaam bewegen. Op een paar meters afstands van de meest moderne suikerfabriek ziet men een fellah met liefde zijn lapje grond bewerken met een ouden ploeg, bespannen met een ezel en een kameel, vreemd span, dat er al sedert eeuwen voor gebruikt wordt. Hier staat een moskee en ertegenover een oud christelijk klooster van de Kopten, met een kruis boven den koepel. Op den Nijl zijn de tegenstellingen even treffend; de Ramses met zijn stoommachines, electrische dynamo’s, weelde en comfort, passeert of kruist in vliegende vaart inlandsche booten, beladen op phenomenale manier, dezelfde booten, die den Nijl bevoeren twintig of dertig eeuwen geleden.
Arabische school.
22 December.
Gisteren een ideale avond. Op het dek hebben wij tot zes uur ’s avonds een heerlijk zonnebad genomen. Men zou meenen, in Juni te zijn. Ik kan niet meegaan met diegenen, die zeggen, dat de Nijl eentonig is; voor mij, ik vind er elke minuut weer wat anders te zien, en ik zou er weken willen varen, zonder vrees mij te zullen vervelen.
Onze drogman is naast mij komen zitten. Hij is een knap man, prachtig type van een Arabier en zeer intelligent. Hij spreekt vier of vijf talen vloeiend en heeft verleden jaar veel maanden doorgebracht op de tentoonstelling van Saint-Louis. De Yankees hebben hem willen verbazen, maar het is hun niet gelukt. Toen zij hem slaapwaggons en liften en allerlei vernuftige machines hebben willen toonen als blijken van het amerikaansch genie, zei hij slechts: “O, ja; gijlieden maakt die dingen en wij koopen ze; gij zijt de werklieden, die arbeiden en wij zijn de heeren, die uw werk betalen.”
Tegen den middag werd de zon verduisterd; er woei een verschrikkelijke wind, en reuzenstofwolken stoven brullend uit de woestijn in de hoogte. Wij kwamen juist bij het station Beni Hassan en op den oever wachtten ons de ezels en de jongens, met veel bewoners van de plaats en kinderen, die de boot bestormen met den kreet: “Bakschisch! Bakschisch!” O, die bakschisch, dat is een der wonden van het Oosten en meer in het bijzonder van Egypte. Het is het kleine geschenk, het drinkgeld, waar met opgehouden hand ieder op wacht. Het woord vergezelt van het eene einde van Egypte tot het andere de naar den toerist uitgestoken handen, en deze geeft zonder nadenken, in zijn gelukkige stemming links en rechts de kleine witte geldstukjes. Het is intusschen een betreurenswaardige gewoonte, want duizenden individuen, die zoo in den winter het kleine sommetje bijeenbedelen, dat ze noodig hebben om te leven—want men leeft van zoo weinig in Egypte—zeggen allen arbeid vaarwel en geven zich geheel over aan luiheid en bedelen.
Lord Cromer, aan wien niets ontsnapt, heeft onlangs laten drukken in een circulaire, die aan alle toeristen is ter hand gesteld en overal is aangeplakt, hoeveel kwaad de bakschisch doet en hij verzocht daarin, om ten behoeve van de inboorlingen zelven de edelmoedigheid niet zoo ver te drijven en alleen te betalen voor bewezen diensten.
Dadelijk na het ontbijt bestijgen wij onze ezels, en ondanks den wind, die als een storm blaast, gaan we naar de graven, die daarboven in de rots zijn uitgehold. Er zijn er 29, uitkomend op een terras op den top van den berg en dagteekenend van een 4500 jaren geleden. Ze zijn uiterst belangwekkend, niet alleen om hun aanleg, maar vooral om alle tooneelen uit het egyptische leven van dien tijd, die op de wanden zijn gebeeldhouwd en nog duidelijk zijn als veertig eeuwen her. Enkele dier tooneelen doen ons deelnemen aan jachten in de woestijn, aan dansen, aan den aanval op een vesting, aan militaire schouwspelen en toernooien. Wij zien vrouwen aan het weven, herders hun kudden naar de slachtbank geleidend, barbiers, ververs, worstelaars, danseressen en eindelijk tooneelen uit het eigen leven van den man, die het graf liet maken.
Arabische school.
Het interessantste van de 29 graven is van een vorst, die 2400 jaren vóór Christus leefde. Op de zuilen en muren vertoonen ons het schilder- en beeldhouwwerk alle daden van zijn leven, waar hij trotsch op kon zijn. De opschriften zijn talrijk en op een ervan vraagt de vorst allen, die zijn graf zullen bezoeken, te bidden, opdat vele geschenken aan zijn schim zullen worden gebracht: “O gij, die het leven bemint en den dood verfoeit, bidt, dat duizenden brooden en kannen bier en duizenden ossen en veel gevogelte geofferd worden aan de nagedachtenis van dezen zegevierenden vorst!”
Iets verder zingt hij zijn eigen lof en vertelt ons, dat hij goed en edelmoedig was, dat hij zijn stad en zijn vaderland liefhad, dat alle groote werken werden ondernomen door zijn zorgen en dat hij zoo gezegend regeerde, dat de lof van zijn volk ten hemel stijgt.
Zeker, lieve vriend, ik geloof u op uw woord; mijn middelen veroorloven mij niet, duizenden stieren te offeren aan uw nagedachtenis; maar als ge uit den hoogen hemel, waar ge zeker troont, als ge geen afschuwelijke fratsenmaker zijt geweest, den wind tot zwijgen kondt brengen, die ons in tweeën snijdt en het stof, dat ons verblindt, beloof ik te uwer eer een fijne flesch te drinken, zoodra we terug zijn aan boord van de Ramses.
Helaas, de oude Egyptenaar waardeert blijkbaar mijn edelmoedigheid niet, want de storm wordt nog al erger, en wij hebben de grootste moeite, om weer ons schip te bereiken.
Tehuis voor verlaten kinderen.
Terwijl wij op het goed beschutte dek de thee gebruiken, verspreidt zich het gerucht, dat de passagiers dien avond de inlandsche dansen zullen opvoeren. Groote ontroering! Er wordt naar den drogman gezocht, en die verklaart ons onder hoofdschudden, dat de dansen niet meer gegeven worden. Enkele jaren geleden werden twee of drie avonden van de reis met de inlandsche dansen gevuld; maar de directie heeft ervan afgezien, omdat de vertooningen dikwijls onkiesch waren.
Egyptische vrouw op een ezel.
Tegen zes uur ging de wind liggen; de palmen hielden op met het woedend schudden van hun pluimhoofden, en wij woonden een van die prachtige zonsondergangen bij, die een der glories zijn van het Nijldal. Welke pen van een dichter, welk schilderpenseel zal ooit kunnen weergeven, wat de natuur den verbaasden blikken biedt en opvoert voor den opgetogen geest? Geleidelijk neemt het licht af; de nacht valt, en aan den horizon verdwijnt de zon in purperen en gouden tinten, eerst van ongekende helderheid, maar spoedig versmeltend tot groote zachtheid. Een diepe stilte schijnt zich over de gansche natuur uit te spreiden; in het Oosten wordt het totaal duister, terwijl het Westen rood wordt en daarna verbleekt tot een lichte goudkleur, die al bleeker wordt en ten slotte plotseling voor volkomen duisternis plaats maakt.
24 December.
Wij zijn vandaag te Assioet aangekomen, een groote stad van 45000 inwoners, bewonderenswaardig gelegen op een der breedste plaatsen van het Nijldal en omringd door een buitengewone streek, wat rijkdom en vruchtbaarheid betreft. Hier is er dwars over de rivier een belangrijke dam gemaakt, gebouwd tegelijk met den dam te Assoean, waardoor men de wateren van den Nijl in zijn macht heeft.
De aanlegplaats staat vol met een schaar arabische kooplui, die de voortbrengselen van het land te koop bieden. Daaronder is zeer interessant rood aardewerk, dan shawls van ongewone fijnheid en zilveren degengevesten, wandelstokken van ebbenhout met ivoren knoppen en een fabelachtige hoeveelheid “antiquiteiten”, waarvan het grootste deel uit Birmingham of Duitschland afkomstig zijn.
De mooiste ezels van Egypte vindt men te Assioet, naar onze drogman ons vertelde, en inderdaad hadden we er voortreffelijke ezels met zeer goede zadels. De egyptische ezels zijn alle trouwens goed en mooi, en ik heb een groote bewondering voor ze. En wat kunnen ze werken! Zij zijn tegen alles bestand en zijn allerbescheidenst in hun behoeften, uit noodzaak, wel is waar, helaas! Arme dieren, mijn hart heeft vaak medelijden met u gehad, als ik merkte, hoe slecht ge gevoed werdt en hoe hard de stokslagen aankwamen. Wat beulen zijn die ezeljongens, en wat zou ik graag aan sommigen hunner de slagen teruggegeven hebben, waarop zij de ezels onthaalden!
Er staan hier rijtuigen, victoria’s liefst, bespannen met zenuwachtige paardjes, en in een van die liet ik mij de stad door rijden, een mengeling van groote paleizen, vervallen huizen en wankele leemen hutten, waarin halfnaakte mannen, vrouwen en kinderen met hun varkens, honden en kippen huizen. Bijna alle winkels hebben uithangborden in vreemde talen, waar een afschuwelijk Engelsch naast een onmogelijk Fransch op voorkomt. De stad hangt vol groote aanplakbiljetten, die met reuzenletters verkondigen, dat “de grootste magnetiseur der wereld” juist van Parijs is aangekomen.
De bazars zijn belangwekkend en vol oostersche producten. De kalmte van de kooplui, die op zijn Turksch zitten te rooken en hun koffie met kleine teugjes slurpen, vormt een vreemde tegenstelling met de houding van de verkoopers aan de landingplaats, die ons achtervolgden en ons lastig vielen.
Een Arabier kan geestig wezen; daar twijfel ik niet meer aan. Ik onderhandelde met een hunner over een mooien doek, waarvoor hij mij het vierdubbele van de waarde had gevraagd, en wij waren bijna afgezakt tot den prijs, dien ik ervoor wilde geven, toen hij een halsketting grijpend en dien haastig in den doek wikkelend, mij beide toereikt met de woorden: “Hier, neem het maar... bakschisch!” En toen met een zinspeling op de beroemde ministeriëele circulaire: “Maar zeg het vooral niet aan Cromer pacha!”
Natuurlijk zijn er te Assioet graven... welke plaats in Egypte heeft die niet? Hier bevinden ze zich boven op een dorren berg, op welks helling men de gaten ziet van verschillende grootte als gapende wonden; die grootte staat in verband met de bestemming van het graf voor menschen of voor honden, katten of wolven, welke dieren alle vroeger te Assioet werden aangebeden.
Onder de brandende zonnestralen bestegen wij dien berg, bedekt met oude, verbleekte beenderen en wij kwamen aan den ingang van het eerste groote graf. Tegen het hek stond een afschuwelijke mummie overeind. Een der bewakers drukte de mummie met zijn rechterarm tegen zich aan en de linkerhand uitstrekkend, zei hij tot ons: “Photografeer nu de beide generaties... vijf piasters, als het u belieft.”
De graven te Assioet zijn werkelijk het bezoek niet waard, dat men er aan brengt. Het zijn vulgaire grotten, waarin enkele gapende gaten de kuilen aanwijzen, waaruit men de mummies heeft weggehaald. In een der hoeken lag een hoop stof van losgewikkelde mummies, en de drogman bood er ons stukjes van aan als herinnering: “Zonderling,” zei hij, “dat die stof eeuwen is bewaard gebleven!” Buiten zag een Engelschman een hoop oude lappen, en ze wijzend aan onzen gids, vroeg hij hem: “En dat, is dat ook mummiestof?” Maar de ander, niet om een antwoord verlegen: “O neen, dat is maar prullerij... dat komt uit Birmingham.”
Wij daalden langs een ander pad en kwamen aan de doodenstad, het groote, arabische kerkhof, geheel wit, met zijn duizenden graven met sierlijke koepels erboven. Uit de verte is het een mooi gezicht; van nabij is het minder aardig. Enkele graven zijn open, zoodat de beenderen te zien zijn, en de gieren vliegen erboven rond in de lucht.
Ik heb van mijn kort verblijf in Assioet gebruik gemaakt, om den amerikaanschen zendingspost te bezoeken, die hier een kerk heeft, een hospitaal en twee mooie onderwijsinrichtingen voor jongens en meisjes.
Zeer vriendelijk ontvangen door den directeur, den Reverend Dr. Alexander, heb ik met hem de gebouwen bekeken, die zeer goed waren ingericht. Daar ze reeds sedert vijftig jaren in Egypte gevestigd zijn, hebben deze presbyteriaansche zendingsstations groote diensten aan de beschaving bewezen. Ik blijf gelooven, dat de resultaten op godsdienstig gebied niet veel beteekenen, maar dat ze op humanitair terrein bijzonder groot zijn. De scholen van Kaïro en Assioet hebben ieder ongeveer 700 leerlingen; de meisjesschool te Kaïro telt 400. In het kort, de verschillende scholen van de amerikaansche zending in Egypte geven een practische opvoeding van groote waarde aan 12387 jongens en 3521 meisjes. Op de school te Assioet duurt de cursus zes jaren. Na het verlaten der inrichting wordt een klein deel der leerlingen zendeling, de anderen worden leeraars, en de groote meerderheid gaan naar hun dorpen terug, waar ze betrekkingen kunnen krijgen bij post, telegraaf, telefoon enz.
Natuurlijk, dat die duizenden oosterlingen, die zes jaren van hun leven hebben gesleten in deze scholen, ruim van inzicht worden en dat er een betere verstandhouding ontstaat tusschen Mohammedanen en Christenen. Nauwelijks twintig jaren geleden was het onmogelijk met een Muzelman over den Bijbel te praten... tegenwoordig lezen velen het Boek, sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om eruit te leeren, en graag spreken ze over godsdienstige vraagstukken met Christenen.
De pogingen van de amerikaansche, fransche, oostenrijksche en andere zendelingen hebben stellig tot gevolg gehad, dat de betrekkingen vriendschappelijker werden tusschen inboorlingen en vreemdelingen, en indirect hebben ze ertoe meegewerkt, onze denkbeelden en onze zeden ingang te doen vinden, die tot een beter en gezonder leven leiden. De in de scholen opgevoede mannen zien ervan af, vele vrouwen te hebben en begrijpen het familieleven beter en de liefhebbende vertrouwelijkheid tusschen ouders en kinderen. De vrouwen, die er hebben schoolgegaan, hebben meer gevoel van eigenwaarde en houden haar huis gezelliger.
26 December.
Gisteren, op het Kerstfeest, was de Ramses in feestdos. De beide dekken waren versierd met bloemen, groene planten, slingers, en de Maatschappij bood den gasten een heerlijk en overvloedig maal aan. Wij hebben toasten en speeches gehad. Van morgen al vroeg zijn wij ontscheept te Keneh op 700 kilometers van Kaïro. De ezels wachtten ons en in galop ging het door de velden, om den beroemden tempel van Denderah te gaan zien, die door de oude Egyptenaren opgedragen was aan de godin Hathor.
Het was een verrukkelijke rit door het frissche land, dat pas door de eerste stralen van de zon verguld werd. Honderden mannen en vrouwen werkten al in de velden en sneden de egyptische maïs, waarvan de hooge, drie tot vier meter lange halmen bogen onder het gewicht van den dikken kolf, die meer op een peer geleek dan op de gewone maïs. Tal van ezels, die zwaar beladen waren, draafden heen en weer tusschen het veld en de booten aan het strand van den Nijl.
Het fellahvolkje leek gelukkig en tevreden. Welk een verschil ook tusschen gisteren en vandaag! Niet enkel wordt het niet langer onderdrukt en uitgemergeld, maar het kan gemakkelijk geld leenen tegen lagen interest, om uit de handen van woekeraars te blijven. In den tijd der vroegere ellende was er nauwelijks een boer, die niet in de handen viel van armenische en grieksche woekeraars, een der wonden van het Egypte van vroeger.
Toen de regeering de groep Cassel-Suares machtigde, om de Nationale Bank te stichten, stelde ze als voorwaarde, dat een zekere som jaarlijks zou worden voorgeschoten aan de fellahs, die het verlangden en die slechts negen percent zouden betalen, wat weinig was, vergeleken bij wat de woekeraars eischten. Ondanks het aanvankelijk wantrouwen der fellahs had de maatregel veel succes, en de Nationale Bank besloot, een speciale bank te stichten, de Landbouwbank, waarvan het doel is, de fellahs, te hulp te komen, die geld noodig hebben, hetzij om uit den greep der geldschieters te raken, hetzij om het oogenblik van den verkoop van hun oogst af te wachten. Uitstekend geleid door den heer G. Scott-Daglish, heeft die bank veel steun gegeven.
Een ander liefdewerk van Sir E. Cassel betreft geneeskundige hulp. Zooals bekend is, lijden zeer veel Egyptenaren aan oogziekten. Die zijn er een ware plaag, waardoor duizenden verhinderd worden, hun brood te verdienen.
Sir E. Cassel stelde ter beschikking van Lord Cromer een jaar of drie geleden de som van een millioen francs, waarvan de interest gebruikt moest worden, om het lot te verlichten van de ongelukkige ooglijders. Sir Horace Pinching, de directeur van den Gezondheidsraad, ried de vestiging van klinieken aan op het land, die dan van stad tot stad en van dorp tot dorp zouden gaan, om allen te helpen, die hulp behoefden. Twee klinieken, die rondgingen, werden georganiseerd, en de dokters Mac Callan en Miller werden aan het hoofd ervan gesteld. Duizenden ongelukkigen zijn reeds geopereerd en gratis verpleegd, en de goede gevolgen zijn zoo groot, dat de autoriteiten niet zouden aarzelen, het aantal klinieken te vermeerderen, als het geld er voor te vinden was.
De tempel van Denderah is een der belangwekkendste uit Boven-Egypte. De prachtig bewaarde ruïnen zijn grootsch en men staat verbaasd over den arbeid, die eraan is besteed. Ik waag mij maar niet aan een beschrijving. Heeft Mariette niet geschreven in zijn “Algemeene Beschrijving van Denderah”: “Er zouden vele jaren noodig wezen, om het geheel te copiëeren en twintig groote boekdeelen om het te beschrijven.” Daartoe reikt mijn kader zeker niet!
“Ziet u daarginds die gemetselde muren? Dat zijn de oude muren van Thebe! Toen ik een kind was,” zoo vertelde mij de heer Legrain, die vriendelijke, geleerde Egyptoloog, “en als ik dan las, dat wagens, met talrijke paarden bespannen, over de muren galoppeerden als over een boulevard, waar ze elkaar tegenkwamen en voorbijreden, keek ik naar de maren om den tuin van onze villa in de omstreken van Parijs, die wel 40 centimeter dik waren, en ik zei tot mijzelven: ‘Dat kan niet anders dan bluf zijn!’”
Thans werkt de heer Legrain sinds tien jaren met ongehoorden ijver en groote wilskracht aan de reconstructie van de beroemde tempels van Karnak, en in het bewuste gesprek, dat ik met hem voerde, ging hij voort: “Welnu, thans geloof ik aan die fameuse muren, omdat ik na al die voorbijgegane eeuwen nog met mijn rijtuig over hun ruïnen kan rijden!”
En ik vraag mij af, wat men meer moet bewonderen, de ouden, die zulke wonderen hebben gewrocht, of de modernen, die als de heer Legrain het beste deel van hun leven geven, om de tempels voor ons te doen herleven. Men moet naar Luxor, het oude Thebe, zijn gegaan en men moet de tempels van Karnak hebben bezocht, om zich een denkbeeld te vormen van de scheppende macht der oude Egyptenaren, als ook van de geestkracht en het geduld van den man, die stukje voor stukje herstelt, wat misschien de grootste tempel der wereld was. Als Mariette dacht, dat twintig deelen noodig zouden wezen, om den tempel van Denderah te beschrijven, hoeveel zouden er dan wel vereischt worden, om een juist denkbeeld te geven van wat Karnak is geweest? Dat zijn tegenwoordig nog de wonderbaarlijkste ruïnen van Egypte, zooals in den tijd van hun pracht die tempels een der wonderen der wereld zijn geweest.
Stel u voor een ruimte, die ongeveer 900 000 vierkante meters groot is, en die gedurende meer dan twee duizend jaren het heiligdom was, waar Egypte, zijn vorsten en zijn volk, de schatten kwamen brengen, die ze aan de goden wilden offeren. Tempels, gevuld met beelden en gouden voorwerpen, ingelegd met ivoor en kostbare steenen, obelisken van graniet, uit één stuk gehouwen in de steengroeven van Assoean; honderden kilometers muur, bedekt met basreliëfs en schilderwerk, tallooze reuzenzuilen, van boven tot beneden gebeeldhouwd, lanen van geheimzinnige sfinxen... Verbeeld u dat alles en nog duizendmaal meer, en ge zult u nog nauwelijks kunnen voorstellen, wat Karnak was veertig eeuwen geleden.