Mummie van Koningin Tia.
In het midden van dien tempel vindt ge een zaal zoo ruim, dat onze Parijsche Notre Dame er met gemak in gaat. Het is de zuilenzaal, waar een heel woud van pilaren, gebeeldhouwde zuilen, hun trotsche kapiteelen ten hemel heffen. Middenin zijn er twaalf, die 20 meter hoog zijn, en aan de kanten zijn er 122, van 13 meter hoogte en 10 meter in omtrek. Het is prachtig en indrukwekkend. Maar sedert den ver achter ons liggenden tijd, waarin Cambyses Thebe verwoestte, hadden de bouwvallen van Karnak zich langzamerhand met zand bedekt, en ook met puin en aarde, en alles was verdwenen, begraven tot op den dag toen de Egyptologen hun opgravingen begonnen.
En toen men eenmaal de laan van sfinxen had ontgraven, en de zuilenzaal, begonnen de enorme gebeeldhouwde zuilen te wankelen, en later, in 1899, stortten er elf van in onder een oorverdoovend geweld. De fundamenten, die ondermijnd waren door de veranderingen van den waterstand van den Nijl, waren niet stevig genoeg meer. De ramp scheen onherstelbaar; maar de heer Legrain was daar, en hij zwoer, dat, wat het hem ook kosten moest, de omgevallen zuilen weer hun plaats zouden innemen... en ze zijn er teruggekomen!
“Hoe kan u dat met mogelijkheid gelukt zijn?” vroeg ik.
“O,” antwoordde hij met zijn innemenden glimlach, “dat was de eenvoudigste zaak ter wereld... alleen nam het veel tijd, en veel werk was ermee gemoeid. Eerst raapte men alle brokken van zuilen op; ze werden genommerd. Toen dat gedaan was, zagen wij de fundamenten na, en toen die gereed waren, werden de stukken van de zuilen één voor één voor den dag gehaald en ter plaatse gebracht. Daarna moest er worden begonnen met het afbreken van de andere zuilen, die ook dreigden te vallen en hun grondslagen moesten eveneens worden versterkt. Anders is het niets!”
Vol bewondering keek ik den man aan, die sinds tien jaren de bedrijven van metselaar, ingenieur, bouwmeester en geleerde in zich vereenigt; dan wendden zich mijn oogen omhoog naar de enorme steenmassa’s, en ik vroeg welke kracht ze zoo ver omhoog heeft kunnen voeren.
“Ja, ook dat is zeer gemakkelijk, en toch bedienen wij ons van geen ander hulpmiddel van mechanischen aard, van geen enkele beweegkracht. Wij doen, wat zeer waarschijnlijk de oude Egyptenaren zelf ook deden... wij gebruiken aarde.
“Aarde?”
“Zeker, aarde. Naarmate de zuil of de muur hooger wordt, laten we ook den omringenden grond rijzen. Er wordt grond aangevoerd, nog eens grond en altoos weer grond, en zoo komt men tot heel bovenaan langs een hellend vlak, waar men enkel stevige touwen en veel armen behoeft, om de grootste steenen omhoog te voeren. Wij verplaatsen blokken van 50 000 kilogram, zonder dat er ooit eenig ongeval is gebeurd. Wat de aarde aangaat..... wel! deze reuzentempel is sedert verleden jaar driemaal gevuld en weer geledigd! Het werk, om den grond aan te brengen, en weer weg te voeren, wordt verricht door honderden kinderen, die zeven stuiver per dag verdienen; de mannen krijgen tien stuivers. Als er in een gezin drie kinderen zijn, die voor zeven stuiver per dag werken, doet de vader niets meer en leeft van zijn renten!”
“Maar waar krijgt ge den grond vandaan?”
“O, daar raakt ge een interessant punt aan. Wij halen dien van die plaatsen in Karnak, waar nog geen opgravingen zijn gedaan, en zoo doen wij dubbel werk. Zonder nog te denken aan de kostbaarheden, die we vinden, steunen de vondsten, die wij verkoopen ook weer de nieuwe werkzaamheden, die erdoor bekostigd kunnen worden. Kom mee, dan zal ik u eens de bergplaats wijzen, die ons 698 standbeelden van graniet, kalksteen, albast, versteend hout enz. heeft opgeleverd en nog 12000 andere beeldjes van brons.”
De zuilen van Memnon.
Ik volg den heer Legrain, die mij naar de opening van een reuzendiepte brengt, waar naakte mannen waden en graven in slijk en water.
Dat is de beroemde bergplaats, maar op de diepte, die men nu heeft bereikt, vult ze zich met water, en het werk wordt er zeer door bemoeilijkt.
Verderop woon ik andere opgravingen bij. De mannen zijn met houweelen bezig en vullen manden met aarde, die door massa’s kinderen al dravend worden meegenomen naar een plaats, waar er zullen moeten worden opgezet.
De historieschrijvers hebben altijd aangenomen, dat Thebe en Karnak uit denzelfden tijd afkomstig waren, maar dat schijnt niet zoo te zijn.
“Inderdaad,” zei de heer Legrain, “hebben wij thans onder de fundamenten van Karnak bouwvallen ontdekt van een veel ouderen tempel, die tot 5 of 6000 jaren vóór Christus opklimt. Dat was blijkbaar een belangrijke tempel, en men treft op de steenen ervan zeer fijn beeldhouwwerk aan. Zie hier maar eens naar dit basrelief.”
En de directeur van Karnak liet mij een der heerlijkste in den steen gehouwen kunstwerken zien, die ik nog ooit heb aanschouwd. Het stelde een zeer schoon hoofd voor, en er waren bloemen op te zien en een klein kuikentje.
“Wij geven aan al die dingen etiketten,” zei de heer Legrain, “en dan zal er getracht worden, dien onderaardschen tempel te reconstrueeren, zooals Karnak weer opgebouwd wordt. Verleden jaar hebben we in een hoekje ginds een tempeltje ontdekt, gewijd aan een oude, leelijke godin, die, naar het schijnt, kinderen at. Ik heb alles weer ter plaatse gebracht, komt u maar eens binnen; het is frappant.”
Inderdaad stond er in het midden van het tempeltje een afschuwelijk beeld, verlicht op fantastische wijze.
“De Arabieren zijn er gruwelijk bang voor,” vervolgde de heer Legrain, “en geen van mijn werklieden zou erin toestemmen, hier zonder mij binnen te treden. Het zijn groote kinderen, die aan legenden en spoken gelooven. Een van hen beweert, dat telkens als hij voorbij het kerkhof gaat, hij geslagen wordt door wezens zonder hoofd, wier lichamen vuur braken, en allen gelooven hem! Ook gaat het verhaal van een boot, die vergaan moet zijn op een gewijd meer, en dat ik die zal terugvinden. Het is zoo vreemd niet, dat de arme Arabieren hun directeur, den eenigen Europeaan onder hen, voor een wonderdadig wezen houden. Hij behoeft maar een plek met den vinger aan te wijzen, en zie, men ontdekt er dingen, waarvan het bestaan zelfs niet werd vermoed. Verleden jaar, toen ik thuis kwam van vacantie, zei ik tot een van de opzichters: ‘Zoek hier eens; daar moet een trap zijn.’ En werkelijk werd de trap gevonden. Ik had erover gelezen en de juiste plek kunnen afleiden uit oude documenten, die in het Louvre worden bewaard.”
Wij zijn gekomen bij een prachtigen obelisk, en de in goud gegraveerde letters vertellen ons, dat hij werd opgericht door koningin Makeré, en dat het reuzenwerk, om hem uit een enkel blok te houwen in de steengroeven van Assoean, hem naar Thebe te voeren met zijn gewicht van 1 836 500 kilogrammen, de letters erin te graveeren en hem overeind te zetten, verricht werd in zeven maanden!
Waarlijk, men zou het niet gedaan krijgen in zoo korten tijd met alle middelen, waar wetenschap en en techniek tegenwoordig over beschikken. Trouwens de beroemde koningin vermoedde wel, dat die tour de force aan toekomstige geslachten bewondering zou inboezemen, want ze verklaart, in gouden letters, op den obelisk gegrift, dat ze het alles liet uitvoeren, opdat in latere eeuwen men zou zeggen: “Is het mogelijk? Wat een prachtig werk!”
“Kom eens in mijn tuin kijken,” zei de heer Legrain, en ik volgde hem op een door muren omsloten plaats, waar ik zelfs niet de schaduw van een bloem vond.
“Nee, je behoeft niet naar den grond te zien maar naar de muren; kijk daar!”
En inderdaad, gebeeldhouwd op den wand met uitstekende fijnheid, zag ik er alle mogelijke planten, een complete verzameling, een echte tuinbouwtentoonstelling. Het is te begrijpen, dat alle dieven uit Egypte, alle wederverkoopers van valsche of gestolen oudheden erop uit zijn, de in Karnak ontdekte voorwerpen machtig te worden, en het is geen gemakkelijke zaak, alle arbeiders te bewaken, die er bezig zijn. Het vorige jaar hadden dieven samengespannen met enkele der bewakers en hadden des nachts een gat gemaakt in den muur van het kantoor van den heer Legrain, waarna ze twee beelden van groote waarde stalen, die echter na duizenderlei moeilijkheden teruggevonden werden.
Ik raad de toeristen aan, alle verkoopers van antiquiteiten te wantrouwen. Een van hen houdt er een eigenaardige manier op na. Hij is een consul van een of ander land te Luxor en noodigt rijke vreemdelingen op een arabischen maaltijd. Bij het dessert klinkt de schel aan de poort, en de bedienden doen de mededeeling, dat er inboorlingen zijn, die merkwaardige oudheden aanbrengen, pas dien dag gevonden. Ze worden binnengelaten, en op raad van den consul koopen de rijke vreemdelingen, die de verzoeking niet kunnen weerstaan, de dingen, die het eigendom waren van hun gastheer.
Soedaneesche kinderen.
Karnak was in den tijd van zijn bloei verbonden met den grooten tempel van Luxor door een laan van sfinxen, ter lengte van twee kilometer en drie meter breed. Uit dien laatsten tempel is de obelisk afkomstig van de Place de la Concorde, en een tweede, precies aan den eersten gelijk, staat nog te midden van de ruïnen.
Luxor, een stad, die op zichzelf niet zeer interessant is, wordt door de nabijheid der koningsgraven en andere monumenten uit de oudheid een der meest aantrekkelijke punten van Egypte. Het klimaat is er in den winter alleraangenaamst, en men vindt er verscheiden hotels. Het Grand Hotel Luxor, dat aan den vriendelijken en voorkomenden Franschman, den heer Pagnon behoort, is het beste en meest populaire. Hoewel het niet zeer nieuw is, biedt het alle gemakken, en tafel en bediening schenen mij uitstekend. Het ligt in een mooien en schaduwrijken tuin, iets zeldzaams in Boven-Egypte.
Luxors ligging is inderdaad zeer mooi, en de ouden zouden geen beter plek hebben kunnen kiezen voor de stad, die gedurende vele eeuwen de hoofdstad was der egyptische koningen. De Nijl stroomt er majestueus door een wijd en vruchtbaar dal, omringd door hooge en dorre bergen. Volgens Diodorus was Thebe de oudste stad van het Nijldal, en hij neemt aan, dat de stad evenals Memphis gesticht werd door Menes 4400 jaren vóór J. C. Ook Homerus bezingt de stad en beschrijft haar als oneindig groot en prachtig met haar honderd poorten en twintig duizend oorlogswagens.
De beroemde stad breidde zich niet alleen uit aan den rechteroever van den Nijl, waar tegenwoordig Luxor ligt en waar men de ruïnen van Karnak vindt, maar ook op den linkeroever, waar te midden van het vruchtbare land we prachtige resten van bouwwerken vinden. Het Ramseum, een reuzentempel, gebouwd onder Ramses II, de kolossen van Memnon, twee groote beelden, die den hemel schijnen te bedreigen, de beroemde tempel van Medinet Aboe, dat alles staat nog overeind en is hoogst belangwekkend. Eertijds, toen Thebe bloeide, lag de necropool aan dezen kant van den Nijl evenals de huizen der priesters, der balsemers, der bouwmeesters en werklieden, die aan de graven arbeidden, de stallen der heilige dieren, de scholen en de bibliotheken. Achter in het dal verrijzen de bergen van Libye, waarvan de met graven bezette hellingen op puimsteen gelijken. Links in een klein dal zijn de graven der Koningen, en rechts in een ander dor en smal dal die der Koninginnen.
Die laatste zijn naar mijn bescheiden meening het interessantste en wonderlijkste van heel Egypte, en ik zal nooit den indruk vergeten, dien ik kreeg bij mijn bezoek.
Vergezeld door den heer Quibell, een alleraardigsten Schot, inspecteur-generaal der antiquiteiten, verliet ik de Ramses vroeg in den morgen bij zonnig, heerlijk weer. Wij zeilden over den Nijl, en toen bestegen we de ezeltjes, die er op ons wachtten en galoppeerden wel drie kwartier door bebouwde en vruchtbare velden, vóór we aan den ingang van de vallei der koningsgraven kwamen, een smal dal tusschen hooge, gele, dorre rotsen. De tegenstelling tusschen het veld vol leven, waar wij vandaan kwamen en dezen weg van den dood, waar geen vogel, geen insect, ook niet de schaduw van een levend wezen zichtbaar was, en dat zonder eenigen overgang, was wel treffend. Ja, dit is wel de weg des doods, het dal van het Nietzijn, waar men de open graven vindt van de machtige monarchen, die om rustig hun laatsten slaap te slapen, daar op de hoogte en in de laagte aan den rotswand de holten hadden laten uitboren, en ze hadden laten versieren met beeldhouw- en schilderwerk, om hun stoffelijke overblijfsel er te laten rusten.
O, koninklijke ijdelheid, die terwijl ge u liet begraven met uw juweelen en edelgesteenten, uw ivoorwerken, uw vergulde meubels, niet begreept, dat de dag zou komen, waarop uw priesters, die den toegang tot uw graven moesten bewaken, zouden verdwijnen, waarop uw volk zou uitsterven en waarop de roovers, belust op den rijken buit de deuren zouden verbreken, de muren zouden beschadigen, de doodkisten zouden openbreken, om er alles uit te halen tot de koninklijke mummie toe.
Toch was dat juist, wat er gebeurde. Volgens den heer Maspéro waren de dieven ongeveer in het jaar 966 vóór Christus zoo sterk geworden, konden zoo gemakkelijk de regeering trotseeren en hadden reeds zooveel koningsgraven geplunderd, dat Auputh, zoon van Shasbank, besloot, ze allen te laten openen en de koninklijke doodkisten te doen overbrengen naar een enkele reuzenholte, een grafkelder, waar ze eerst op zeer onverwachte wijze werden ontdekt ongeveer dertig eeuwen later.
De vallei der koningsgraven te Thebe.
Het schijnt, dat in 1871 een Arabier, namens Abd er Rasul Ahmed, bij toeval den ingang tot den kelder vond en, begrijpend hoeveel schatten er moesten zijn, besloot, ze ten eigen bate te exploiteeren. Hij deelde zijn ontdekking mee aan zijn twee broeders en aan zijn zoon, en gedurende enkele jaren verkochten onze man en zijn medeplichtigen aan de toeristen voorwerpen van groote waarde, maar van kleine afmeting, die ze gemakkelijk uit de schuilplaats naar hun huizen konden meenemen. De belangstelling der Egyptologen werd echter eindelijk wakker, en in 1881 begaf de heer Maspéro, die toen directeur was van het Museum te Kaïro, zich naar Luxor, om daar een onderzoek in te stellen. Na tallooze moeilijkheden, te veel om hier op te noemen, werd de bergplaats eindelijk ontdekt, en de koninklijke mummies werden naar Kaïro gevoerd, waar ze al gauw werden tentoongesteld in de glazen vitrines van het Museum.
Twee jaar later begon de mummie van een der koninginnen een weinig aangenamen geur te verspreiden en ze moest worden uitgepakt; er volgde weldra een andere koningin, die geheel bedorven was en begraven moest worden. Toen werd het besluit genomen, alle mummies uit te pakken, en te luchten, en men begon met Ramses II. Hij was de eerste souverein van Egypte, wiens lijfelijk omhulsel aan de wereld werd geopenbaard 3200 jaren na de mummifiëering.
Zelfs zooals ze nu zijn, ontdaan van de dooden en van de meubels en andere artikelen, die er werden bewaard, zijn de koningsgraven nog hoogst belangwekkend. De beeldhouwwerken en de basreliëfs zijn prachtig bewaard, en veel van het schilderwerk is na zooveel eeuwen nog ongeloofelijk frisch en levendig van kleur.
Van de vijftig koningsgraven, waar de historieschrijvers van gewagen, zijn, geloof ik, een veertigtal teruggevonden en thans voor het publiek geopend. Ze zijn alle in de rots uitgehouwen en bestaan uit lange gangen, die naar ruime kamers voeren, waarvan de laatste, het eigenlijke graf bevattend, 100 tot 160 meter van den ingang is verwijderd.
Voor de oude Egyptenaren was hun graf niet enkel een doodkist in een gat gestopt, maar een ruim vertrek, bewonderenswaardig versierd en gedecoreerd door de grootste schilders en beeldhouwers van hun tijd, en waarin de doode gemakkelijk zich kon bewegen en genieten van het comfort, waaraan hij gewend was. Dus treffen we op de muren en zuilen prachtig weergegeven tooneelen aan uit hun werkelijke leven en uit het toekomstig bestaan, dat ze zich hadden voorgesteld.
De heer Quibell geleidde mij eerst naar het graf van Meremptah, nog pas enkele maanden geleden ontdekt en dat nog niet voor het publiek was opengesteld.
De gangen en kamers waren electrisch verlicht, zoodat men alle bijzonderheden kon bewonderen; maar de grafkamer, het heiligdom, was in volslagen duisternis gelaten toen we er binnentraden. Plotseling vulde zich de sombere holte met helderheid, en onder de schitterende electrische lampen zag ik een reuzengroote fijne figuur van grijs graniet, op den rug liggend, de handen gekruist op de borst. Het effect, dat dit bewonderenswaardige beeld maakte, gebeeldhouwd op het deksel van de kist, was onvergetelijk. Het graf echter, dat van alle den diepsten indruk op mij maakte, was dat van Amenhotep, waarschijnlijk omdat het het eenige was, waarbij zich de mummie in de doodkist bevond.
Midden in het heiligdom staat een prachtige, groote marmeren doodkist, rood van kleur, waar het deksel van is afgenomen, en waarin de doode rust. Een gedeelte van de windselen, die om hem heen waren geslagen, zijn losgemaakt, en zijn hoofd, zijn hals en schouders ziet men zwart en verdroogd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven, dien het gezicht van dezen machtigen monarch maakt, die daar 3500 jaar na zijn dood rust zoo klein en verschrompeld, in het licht der Edisonlampen. Welk een wreede spot der menschelijke dingen! Diep in den berg een grot te hebben gegraven, waarin men, ontoegankelijk voor de heele wereld, meent eeuwig te zullen kunnen slapen, en dan zulk een plaats dagelijks bezocht door de toeristen van de heeren Thomas Cook en Zoon!
Korten tijd na mijn vertrek uit Luxor werd nog een koningsgraf ontdekt door den heer Theodoor Davis, een Amerikaan die een bekend Egyptoloog is en die zijn winters doorbrengt met archeologische onderzoekingen. Men kan zich gemakkelijk de vreugde van den heer Davis voorstellen, toen hij na zijn lange, moeilijke en kostbare nasporingen eindelijk zijn pogingen bekroond zag met succes en het graf, het bewuste graf, zich voor hem opende.
Interieur van een koningsgraf.
Zoo ik dan al het ongeluk had, Luxor te verlaten eer die nieuwe ontdekking gedaan was, ik had ten minste het geluk, korten tijd daarna de toespraak te hooren, die over het onderwerp gehouden werd door den heer Maspéro. Ik heb onder het luisteren een der prettigste uren van mijn leven doorgebracht. Met den grootsten eenvoud, in een duidelijken en gemakkelijken stijl, op zachten en boeienden toon legde de directeur der oudheidkundige onderzoekingen ons uit, dat het ontdekte graf dat was van de koningin Tia, vrouw van Amenhotep III, die vijftien eeuwen vóór de christelijke jaartelling leefde.
De heer Maspéro bracht verdiende hulde aan de rijke vreemdelingen, die zooals de heer Davis, met hun fortuin en met eigen inspanning aan zijn departement steun verleenen, en daarna vervolgt hij: “De opgravingen gedaan door den heer Davis, hadden plaats in een hoek, van het Koningendal, waar de meeste Egyptologen dachten, dat niet veel zou worden gevonden. Het toeval heeft gewild, dat de heer Davis daar juist een der belangwekkendste ontdekkingen heeft gedaan uit onzen tijd. Het graf van koningin Tia was inderdaad onaangeroerd, ofschoon er in den romeinschen tijd dieven aan het werk moeten zijn geweest. Maar die bepaalden zich ertoe, de juweelen weg te nemen en ze raakten al het andere niet aan.
“Wij hechtten er zooveel aan, dit graf te zien, juist zooals het was, dat we er binnendrongen door een kleine opening, juist groot genoeg voor kinderen, dieven of... archeologen. Dichtbij den ingang vonden we op den grond een prachtigen kever, Scarabeus, en albasten vazen, blijkbaar door de dieven onderweg verloren, een duidelijk bewijs, dat het graf geopend was geworden.
“Groot was onze vreugde, dat het heiligdom ongeschonden was en vol was met vele voorwerpen, die het leven van het verleden ons voor den geest riepen. Op den steenen muur, die het tot nu toe van de wereld had afgezonderd, waren sporen te zien van vuile handen, slijkerige handen, al zooveel eeuwen dood, die het hadden gesloten, naar men meende, voor eeuwig. Daar verrees de oudheid als levend vóór ons.
“Midden in de ruime doodkist lag een rood kussen, en daarnaast stond een stoel van vrij modern voorkomen, Empire-stijl, maar met iets echt egyptisch erbij. Wat verder was een vergulde armstoel, met rechte pooten, die aan den stijl van Lodewijk XVI deed denken en daartegenover weer een armstoel van ontwijfelbaar egyptische afkomst. Er was nog een heele voorraad meubels, groote zwarthouten kisten en 72 kruiken, die offeranden en levensmiddelen inhielden, eenden, gazellebouten, gedroogd vleesch, brood en koren, en in enkele kruiken aanzetsel van wijn en van reukwateren, die erin bewaard waren geworden. Een groote vaas, die omgevallen was, liet een dikke, gele vloeistof uitstroomen, honig en, wonderlijk gezicht, op dat oogenblik zagen we er zich een bij op neerzetten, die van buiten was gekomen! Daarnaast lagen gouden voorwerpen, en dingen van ivoor en zilver; ook vonden we een zeer groote kist uien!”
De obelisken te Karnak.
Dan gaf de heer Maspéro ons interessante inlichtingen over het leven der oude Egyptenaren in het algemeen, en in het bijzonder over koningin Tia, die, naar het schijnt, een zeer merkwaardige vrouw moet zijn geweest.
Nadat de Ramses ons drie dagen had gegund voor het bezoek aan het oude Thebe, begaven we ons weer op weg den Nijl op van Luxor naar Assoean in heerlijk weder, het weer, dat aan Boven-Egypte een verrukkelijke lente geeft midden in den winter. Terwijl wij hier profiteerden van warme en zonnige dagen, vertelden ons de telegrammen, dat heel Europa rilde van kou en dat Zuid-Frankrijk onder de sneeuw lag, ja, dat het ook in Algerië had gesneeuwd!
Een groeve te Luxor.
Het was druk op den Nijl. Een menigte groote booten voeren naar beneden en andere gingen stroomop, en aan de oevers waren op maar eenige meters afstands van elkander de fellahs onophoudelijk bezig, water te putten uit de oude sjadoefs; ze scheppen tot 30 000 liter water per dag, maar werken dan ook van zonsopgang tot zonsondergang voor.. vijftig centimes!
Tusschen Luxor en Assoean, houden de groote toeristenbooten van Cook, die er twee dagen over doen, stil te Esneh, Edfoe en Kom Ombo. Het eerste plaatsje is een vrij belangrijk stadje met groote huizen en drukke bazaars. De tempel is nog maar ten deele ontgraven, en een enkele zaal is slechts voor het publiek te zien. Te Edfoe daarentegen vindt men een reusachtigen tempel, die begonnen was onder de regeering van Ptolemaeus III, 237 jaar vóór Christus en waaraan niet minder dan 180 jaren werd gewerkt. Hij was geheel verborgen onder puin en zand en aarde, waar hutten en stallen op waren gebouwd, en werd ontdekt en aan het licht gebracht door Mariette.
De tempel van Kom Ombo, waar de booten niet meer dan een uur ophouden, heeft belangwekkend beeldhouwwerk, en op eenige meters daar vandaan verheft zich een kolossale steenen schoorsteen, omringd door afschuwelijke moderne gebouwen, die behooren bij de onderneming van de heeren Cassel en Suares. Niemand had er nog aan gedacht, de gronden aan te koopen, die lagen in de buurt van Kom Ombo, eenvoudig omdat, met het oog op hun hooge ligging boven den Nijl, men het onmogelijk achtte, ze te besproeien. En thans werken er stoompompen, die zoo krachtig zijn, dat het kinderspel is, er het water tot 15 meter hoogte mee op te voeren. De bedoelde groep kocht dus dertig duizend feddans grond, die haar op niet meer dan honderd francs de feddan te staan kwamen, toen alle werkzaamheden afgeloopen waren, en die gemakkelijk het viervoud van den prijs zullen opbrengen bij verkoop, tenzij de heeren den grond verhuren en er niets tegen hebben tot in verre tijden twintig percent voor hun kapitaal te maken.
Eindelijk kwam de Ramses twaalf dagen na het vertrek uit Kaïro te Assoean aan den eersten waterval van den Nijl. Ten allen tijde zijn die stad en het beroemde eilandje Elephantine er tegenover beschouwd als een der belangrijkste punten van Egypte. Het was lang de grensstad, waar de Egyptenaren, de Perzen, de Romeinen en eindelijk de Anglo-Egyptenaren hun garnizoenen hielden. Aan den overkant van den waterval ligt Nubië, dan volgt Soedan, zoo wijd en uitgestrekt en tot voor kort nog zoo geheimzinnig.
Tegenwoordig is Assoean een belangrijke en volkomen moderne plaats, die in den winter niet enkel druk is door vreemdelingenbezoek van de toeristen, door booten en treinen dagelijks aangevoerd, maar ook door een steeds aangroeiend aantal vreemdelingen, die er den heelen winter blijven. Het klimaat is mogelijk wel wat veel opgehemeld. Het is zeer warm, droog en zonnig en mist en regen zijn er, om zoo te zeggen, onbekend; maar het moet erkend, dat die groote droogte van de lucht het klimaat ontzenuwend maakt, en dat men nu en dan er kennis maakt met een kouden, doordringenden wind. Daarom is het er voor zwakke personen niet zonder gevaar. In den zonneschijn en beschut voor den wind, braadt men heerlijk in de maand Januari; maar als de wind opsteekt, dringt die dadelijk door de kleederen heen en men voelt zich kil en onaangenaam. Men ontmoet dan ook niet zelden menschen in wit flanel gekleed en met een kurkhoed op het hoofd, maar met een overjas of deken over den arm.
Met wat voorzichtigheid en overleg kan men een verkoudheid voorkomen, maar ik zou niet genoeg kunnen herhalen, dat zelfs overigens sterke menschen voorzichtig moeten wezen. Dit aanvaard zijnde, ben ik echter bereid, te erkennen, dat Assoean in den winter een ideale plek is voor diegenen, die in de open lucht willen leven. Als men zijn dagen op den Nijl doorbrengt in een bootje, de hoeken en hoekjes van de elanden Elephantine en Philae bezoekt, tennis speelt of golf, de woestijn ingaat per ezel of kameel, nooit zal men zich behoeven te vervelen en elke minuut zal men kunnen genieten van den goddelijken zonneschijn, die versterkend en prettig is.
Er zijn drie prachtige hotels te Assoean, waarvan twee reusachtige moderne paleizen zijn. Het Cataracthotel, dat aan de heeren Cook behoort, wordt uitstekend bestuurd door een Franschman, den heer Pagnon, eigenaar ook van de hotels te Luxor, en is zeer mooi gelegen op een hoogte en op het Zuiden. De salons, halls, terrassen, bibliotheek, biljardzaal, enz. zijn prachtig ingericht en de groote, moorsche eetzaal is heerlijk. De keuken is uitmuntend en overvloedig en de service laat niets te wenschen over. Het laat zich gemakkelijk denken, hoe groot de moeilijkheden moeten wezen, die overwonnen moeten worden, om een dergelijke onderneming te leiden en elken dag op 1000 kilometers afstands van Kaïro een afwisselend menu, dat een groote restauratie in Parijs geen oneer aan zou doen, voor te zetten aan honderden personen, hongerig geworden door het verblijf in de buitenlucht. Het is werkelijk wonderbaarlijk, dat men op de grens van Nubië tegen redelijke prijzen al het comfort vindt, hetwelk wij gewoon zijn duur te betalen in de hotelpaleizen van Ostende, Baden Baden, Nice en Monte Carlo.
Op het eiland Elephantine verrijst te midden van prachtige tuinen een ander paleis, het Savoy-hotel, behoorend aan de Anglo-American Co. en even populair als het Cataracthotel. En dan is er nog in de stad en dichtbij de landingplaats het Grand Hotel van Assoean, behoorend aan den heer Pagnon, niet zoo luisterrijk als de andere, maar ook zeer goed. Evenals te Kaïro zijn de hotels de groote middelpunten voor het mondaine verkeer. Men doet er aan allerlei sport en des avonds kan men er concerten, bals, bridgepartijen en dergelijke feestelijkheden genieten. Nu en dan hebben er gymkhana-wedstrijden plaats, harddraverijen van ezels en kameelen; en mannen, vrouwen en kinderen, ouden en jongen stellen er levendig belang in.
Assoean is ontwijfelbaar het schilderachtigste plekje van Boven-Egypte. Aan beide kanten van den Nijl verheffen zich hooge bergen, bijna geheel met goudgeel zand bedekt, en hier en daar gekroond door eeuwenoude ruïnen. Tusschen de stad en het eilandje Elephantine, dat geheel in het groen ligt, heeft de Nijl een snellen stroom, waar zich honderden dahabiehs en booten door bewegen, terwijl de roeiers hun eentonig liedje onophoudelijk doen hooren.
Hoogerop ligt dan de eerste waterval en de versnellingen doen het water zich al brullend tusschen de rotsen voortbewegen. Ik heb nooit schooners gezien dan een zonsondergang te Assoean, en er zou een andere pen dan de mijne noodig zijn, om de bewonderenswaardige en fantastische tinten te beschrijven, die de lucht en de stroom en de bergen dan aannemen. Het is verrukkelijk, en wie dat eenmaal heeft aanschouwd, vergeet het nimmer.
Kameelen zijn er zeer in trek; vooral de dames houden van het groote rijdier, maar het is een krachtige lichaamsbeweging, die niet ieder kan verdragen. De uitstapjes per ezel of kameel in de buurt van Assoean zijn zeer belangwekkend. Het kamp der Besharins, op een half uur afstands dichtbij de ruïnen van een oud arabisch kerkhof, is een gezocht doel voor een tochtje. Die Arabieren (van het kamp, niet van het kerkhof) met lange haren en een zonderling type vertoonend, wonen in ellendige tenten van vlechtwerk en zoo primitief, dat het hun niet aan schilderachtigheid ontbreekt.
Onnoodig te zeggen, dat er in Assoean beroemde graven zijn, als overal in Egypte. Men heeft er de bekende granietgroeven, waaruit de oude Egyptenaren hun obelisken en beelden en grafmonumenten hebben gehaald. Men kan er nu nog een onvoltooiden obelisk vinden, die dertig meter lang is. Op eenigen afstand van Assoean, niet ver van het begin van den waterval, ligt de tempel van Philae, de sierlijkste en elegantste der egyptische tempels. Gelegen op het eiland van denzelfden naam, behoort die “Parel van Egypte” eigenlijk al tot Nubië. De inboorlingen noemen hem “Gesiret Anas en Wogud” met den naam van den held uit een der verhalen van de Duizend en één Nacht, die daar naar de egyptische overlevering zijn geliefde terugvond.
Het eiland Philae ligt juist midden in de ruimte, die gevuld kan zijn door het enorme réservoir van Assoean, zoodat op den tijd, als het bekken gevuld is, het geheele eiland en bijna de geheele heerlijke tempel onder het slijkerige Nijlwater verdwenen zijn. De geleerden, de archeologen van de geheele wereld stelden zich in beweging, toen tot aanleg van het réservoir besloten werd en smeekten, dat toch een andere plaats mocht worden gekozen. Het zou onmogelijk geweest zijn, over den geheelen loop van den Nijl een plek te vinden, die zoo geschikt was voor het bekken, en tusschen den sierlijken tempel en de werken, die den landbouwrijkdom van Egypte bijna zouden verdubbelen, aarzelden de ingenieurs niet en offerden Philae op. Toch moet erkend, dat zeer belangrijke werken werden uitgevoerd, om het merkwaardige monument te bevestigen, en de regeering heeft niet minder dan 350 000 francs met dit doel uitgegeven.
Daarbij schijnt het, dat het water, hetwelk naar aller berekening den beroemden tempel zou hebben moeten verwoesten, dien waarschijnlijk heeft gered. In zijn rapport over 1904 maakt lord Cromer de opmerking, dat bij zijn bezoek aan de werken, toen men ermee bezig was, hij getroffen werd door den deplorabelen toestand van de fondamenten, die binnen kort de instortingen van sommige deelen van den tempel ten gevolge zou hebben gehad.
Fellahvrouw met kinderen.
Ook de heer Edouard Naville schreef in het Journal de Genève: “Ik behoor tot hen, die herhaaldelijk door middel van de pers en op wetenschappelijke congressen geprotesteerd hebben tegen den aanleg van den dam te Assoean.... Maar thans kan ik zeggen, dat de archeologen niet te klagen hebben. Het monument is behoed voor allen verderen achteruitgang voor lange jaren, en het water schijnt geen nadeeligen invloed op het gesteente uit te oefenen, behalve dan in een paar vertrekken, die geen andere opening hebben dan een lage deur en dus het vocht niet verliezen, zoodat er zich salpeter tegen de wanden afzet.
“Zelfs zou men kunnen vragen, of in sommige opzichten de tempel van Philae niet in beter conditie is gekomen dan de meeste egyptische gebouwen. Sinds verscheiden jaren maken de groote tempels door, wat ik zou willen noemen een crisis van seniele aftakeling. Zijn de opgravingen daar schuld aan? Ik zou het niet durven tegenspreken. Het is zeker, dat men al te dikwijls in de haast, om de prachtige overblijfselen aan het licht te brengen, zich niet in voldoende mate rekenschap heeft gegeven van de vraag, of ze nog sterk genoeg waren, om te blijven staan, en of ze geen behoefte hadden aan den steun, die hun verstrekt werd door de bergen van puin of door de dorpen, die ter halver hoogte van de pilaren en tusschen de zuilen waren gebouwd.
“Te Philae zou hetzelfde gebeurd zijn als elders. De tempel zou langzamerhand verzakt zijn; men zou nu eens een zuil hebben zien omvallen, dan weer een architraaf, en er zou voor het herstel gewacht moeten zijn op voldoende geldelijke hulp. Thans is de bevestiging tot stand gebracht en wel voor langen tijd, en onder dankbetuiging aan de egyptische regeering voor den spoed, waarmee ze zich die opoffering heeft getroost, kan men rustig de toekomst afwachten”.
Helaas, dat er zich toch alweer donkere wolken aan den horizon hebben samengetrokken. De ingenieurs begonnen ervan te spreken, den dam te Assoean te verhoogen met zes meters. Dat zou de dood voor Philae wezen! De verhooging van den dam is een zaak van het allerhoogste gewicht voor Egypte, en de kundigste ingenieurs hebben ervoor gepleit, omdat de watervoorraad van het reuzenréservoir erdoor zou toenemen, en omdat een veel grooter gebied zou kunnen worden besproeid en dus op de woestijn zou kunnen worden veroverd. Maar de egyptische ministers en hun raadsman Sir William Garstin zijn voorzichtige lieden en wilden de quaestie niet overhaast beslissen. Daarom werden twee bekende geleerden, de heeren W. Atcherley en Karl Pearson, erover gehoord, en hun meening, dat men zich van het weerstandsvermogen van den dam ook een te hoog denkeeld kan vormen, heeft ertoe geleid, dat andere plannen zijn opgekomen omtrent een nieuwen dam boven Assoean. Dus zal Egypte altijd nog wel eenige jaren moeten wachten, eer het een groote hoeveelheid water krijgt voor zijn landbouw. Ik geloof niet, dat dit een ramp is. De tegenwoordige voorspoed is zoo groot, dat een periode van betrekkelijke kalmte niet anders dan goed kan zijn, ook om het land op zijn verhaal te doen komen van de speculatiewoede van den laatsten tijd.
Men reist tegenwoordig naar het hart van Soedan, naar Khartoem en Omdoerman, dat eenige jaren geleden de hoofdstad der Derwischen was, even gemakkelijk als naar Petersburg of Chicago. Ik kan er zelfs bijvoegen, dat in den winter de reis van Assoean naar Khartoem een der interessantste, prettigste en gemakkelijkste is, die men kan ondernemen. De temperatuur is heerlijk, noch warm, noch koud; regen en vochtigheid zijn onbekende zaken, en van den morgen tot den avond geniet men een schitterenden zonneschijn, door geen wolkje verduisterd.
Tot Wadi Halfa reisde ik per boot en toen we na vier dagen die plaats bereikten, werd de tocht per Soedanspoorweg voortgezet over Berber, waar de verbindingslijn met Soeakim naar het Oosten gaat, naar Khartoem. Een inconveniënt op die gemakkelijke reis in den train de luxe is het stof, dat door de gesloten vensters binnenkomt; maar dat zal mettertijd zeker verdwijnen, als de maatschappij waggons zal hebben aangeschaft, als in gebruik zijn op den amerikaanschen spoorweg van Omaha naar San Francisco, waar men door een even stoffig zandlandschap reist zonder iets van het stof te merken.
Tegen zeven uur in den morgen bereikt de reiziger Khartoem. Hij is er eigenlijk al den vorigen avond aangekomen, maar te laat om aan wal te gaan. De aankomst heeft plaats tegenover Khartoem op den tegenoverliggenden oever van den Blauwen Nijl. Khartoem ligt aan die rivier een weinig boven haar samenvloeiing met den Witten Nijl, waarna ze samen den Nijl vormen.
Nubisch dorp op het eiland Eléphantine.
Per kleine stoomboot wordt men naar Khartoem overgezet. Uit de vuile slaapwaggons komend, ademt de reiziger met volle teugen de zuivere, droge, opwekkende lucht in en verbaast zich, dat op zulk een vroeg morgenuur midden in den winter de zon met haar stralen het tooneel reeds in gouden licht zet. Op den breeden stroom varen booten met groote, witte zeilen, dan kleine booten met negerroeiers, die een eentonig lied zingen, en stoombooten met hooge dekken en helder wit in de verf, vervullen de lucht met hun gefluit. Khartoem ziet men liggen in een ware oase van groen. Het prachtige witte paleis van den gouverneur trekt dadelijk de aandacht, met de engelsche en egyptische vlaggen beide erboven wapperend, en ernaast de lange steenen gebouwen van de ministeries, een groote school en veel aardige villa’s te midden van tuinen.
De boot houdt stil aan de aanlegplaats van het hotel, het groote hotel van Khartoem, nog maar sedert een jaar geopend, geloof ik. Het is een lang gebouw van twee verdiepingen, omgeven door enorme galerijen, waar alle kamers op uitkomen, een niet juist aangename inrichting voor diegenen, die van rust en ongestoordheid houden.
De reizigers hebben den vorigen winter geklaagd over het hotel te Khartoem. De prijzen zijn hoog, de service laat te wenschen over, en de maaltijden zijn ver van goed. Het is waar, dat men niet moet vergeten, in Soedan te zijn, maar daar de stad wel goede dingen aanbiedt, waar de officieren en de inwoners der plaats het rechte gebruik van weten te maken, is het onvergefelijk, dat het hotel er de reizigers niet van laat profiteeren. De leiders van de maatschappij, die het hotel bestuurt, denken enkel aan groote voordeelen, en ik heb allen grond voor het vermoeden, dat de regeering, die haar den grooten en prachtigen tuin verhuurt, waarin het huis is gebouwd voor de belachelijk kleine som van 1250 francs per jaar, haar tot rede zal brengen, zoodat verbeteringen onderweg zijn.
Scheepslading pottebakkerswerk.
De hoofdweg in Khartoem loopt langs den Blauwen Nijl, een breede, met jonge boomen beplante weg, die des avonds electrisch verlicht wordt en waaraan groote, deftige huizen met mooie tuinen zijn gelegen. Dat gaat zoo verscheiden kilometers door. Ge treft daar ook den Botanischen en Zoölogischen Tuin, waar leeuwen en andere wilde dieren in kooien zijn opgesloten in een heerlijk park, vol van de uitgezochtste specimina der afrikaansche flora. Dan volgen het hotel, vele particuliere huizen, bewoond door engelsche officieren, het post- en telegraafkantoor, het groote gebouw waar de kantoren zijn van de regeeringsambtenaren, het paleis van den gouverneur, de italiaansche katholieke zendingspost, de Club, nog weer villa’s, Gordon College enz.
Langs die mooie laan komt ge telkens engelsche Tommies tegen, soldaten, in khakipakken gekleed, en soedaneesche soldaten, zwart als ebbenhout, lang van stuk en met beenen zonder kuiten van ongeloofelijke lengte en magerheid. Ook ontmoet men er Arabieren en negers van zoowat alle bedrijven, negerinnen met groote manden of kruiken op het hoofd en met verrassende gratie gedrapeerd in lange zwarte shawls, want er bestaat een verordening, die de inboorlingen te Khartoem dwingt, “zich te kleeden”. Zeker geeft die gewoonte, om zware lasten op het hoofd te dragen, aan de negerinnen die rechte houding en dien bevalligen en krachtigen gang.
Khartoem breidt zich niet enkel langs de rivier uit, maar ook naar den woestijnkant; daar vindt men ook breede en mooie straten, maar enkel meer bescheiden huizen, kantoren en banken.
Rijtuigen ziet men bijna niet in de hoofdstad van Soedan. Het hotel heeft een pony en een tonneau, en alleen de gouverneur-generaal heeft verscheiden équipages en een automobiel, terwijl enkele officieren er een eigen wagentje op na houden. Rijpaarden en vooral ezels zijn de gewone vervoermiddelen.
In afwachting van den dag, waarop Khartoem huurrijtuigen zal hebben, ziet men voor het hotel een dozijn jinriksja’s, maar helaas, de lange Soedaneezen kunnen niet als de dappere, kleine Japannertjes urenlang draven. Hijgend, zweetend en blazend trekken ze het rijtuigje met moeite voort, terwijl men zich verbijt van ergenis, als men ten minste haast heeft. Met twee man ervoor gaat het een beetje gauwer, maar het best is, een ezel voor een jinriksja te laten loopen; dat werkt verjongend en herinnert aan de lang vervlogen tijd, toen men met een bokkenwagen door de Champs Elysées reed! Een ezel voor het kleine trekwagentje, dat heb ik heerlijk gevonden, en ik had haast stilgehouden in de woestijn, om er poffertjes van zand te bakken!
En als de reiziger dat alles goed heeft gezien, de paleizen, de villa’s, de tuinen, waar de vogels in de boomen zingen en de bloemen op de perken geuren, de breede lanen, waar de Soedaneezen heel beschaafd flaneeren; als hij zijn volle aandacht heeft geschonken aan deze aardige stad, die daar zoo modern in het hartje van Afrika ligt en waar rust en orde en arbeidzaamheid heerschen, zal hij zich met de grootste verbazing afvragen en tegelijk met onbegrensde bewondering: “Is het mogelijk, dat ik mij op dezelfde plek bevind, waar Gordon en de zijnen nog zoo kort geleden door dweepzieke en bloeddorstige horden van den Mahdi werden vermoord, en waar ik nauwelijks zeven jaar geleden niets dan ruïnen zou hebben gevonden? Is het mogelijk, dat deze bloeiende stad pas gisteren is geboren op de plaats van de oude soedaneesche hoofdstad, die getuige is geweest van de heldenfeiten en het bloedig drama, in de geschiedenis bekend als ‘de verovering en het verlies van Soedan’?”
Ja, hoe onwaarschijnlijk het moge klinken, het was inderdaad hier, dat de egyptische veroveraars onder Ibrahim hun vlag plantten ten tijde van de regeering van Mohammed Ali. En hier ook speelden zich de tragische tooneelen af, waarvan Gordon pacha de hoofdpersoon was. Er woont te Khartoem nog een persoon, wiens gevoelens men wel graag eens zou willen ontleden, als hij in zijn uniform vol decoraties en op een prachtig paard, door de mooie lanen galoppeert. Dat is Slatin pacha, de vroegere gevangene van den Mahdi, thans inspecteur-generaal van de regeering van den Soedan. Welk een roman is zijn leven! Lees zijn boek “Vuur en zwaard in Soedan”, en ge zult u verbazen over alles, wat een menschelijk wezen niet al kan uitstaan aan moreel en physiek lijden.
Hij was Oostenrijker en trad in dienst bij de troepen in Soedan, toen Gordon er voor de eerste maal gouverneur-generaal was. Toen het land in opstand kwam, om den Mahdi te volgen, was Slatin gouverneur van de provincie Darfoer, die hij zoo goed mogelijk verdedigde. Hij deed zijn plicht tot op het oogenblik, waarop de tegenstand onmogelijk was geworden. In het begin van de crisis, toen hij hoorde, dat zijn soldaten aarzelden of ze hem wel zouden volgen, omdat hij christen was, ging hij tot den mohammedaanschen godsdienst over in de tegenwoordigheid van al de vereenigde troepen.
Gordon was indertijd verontwaardigd, toen hij het bericht hoorde en sprak met bitterheid over die buitenlandsche officieren, die hun geloof verloochenen en bereid zijn, het Christendom vaarwel te zeggen, om hun huid te sparen. Ik geloof, dat Slatin minder aan zijn eigen leven dacht dan aan zijn provincie en aan de egyptische troepen, die onder zijn bevel stonden en die hij wilde redden tot op het oogenblik, dat hij, naar hij meende, versterking krijgen zou. Die bleef echter uit en eindelijk gaf Slatin, wien de Mahdi beloofde, hem het leven te sparen, zich over. Hij werd eerst vrij goed behandeld, want daar hij de taal kende, kon hij, naar de Mahdi bedoelde, als het noodig was, met de ongeloovigen onderhandelen te Khartoem.
Maar Slatin moest de nederlaag van het leger aanschouwen en hij was diep getroffen, toen hij van den dood van Gordon hoorde, den generaal en den superieur, dien hij had bewonderd en liefgehad. Hij, Slatin, werd in boeien geslagen, werd een tijdlang aan alle mogelijke martelingen onderworpen, tot eindelijk de Khalief hem in zijn dienst nam en hem als slaaf aan zich verbond. Dat duurde wel twaalf jaren, tot Slatin in Maart 1895 wist te ontsnappen en Assoean te bereiken. Nauwelijks weer in het land der beschaving, bood hij zijn diensten weer aan Engeland en Egypte aan en was een groote steun voor de slotexpeditie onder bevel van lord Kitchener. Daar hij Soedan uitmuntend kende en vertrouwd was met de bewoners en de taal, zoowel als met de sterke en de zwakke punten van de Derwischen, kon hij natuurlijk belangrijken raad geven.
Toen Khartoem heroverd was, wilde hij behooren tot de pioniers, die daar bleven om de stad uit het puin te doen herrijzen en mee te helpen aan het beschavingswerk, dat werkelijk te bewonderen valt en dat in zes jaren van den uitgestrekten Soedan een land heeft gemaakt, waar na zooveel onrust kalmte en orde zijn teruggekeerd.
Het is onbetwistbaar, dat hij zeer groote diensten heeft bewezen en hooggelijk gewaardeerd wordt door den gouverneur-generaal, Sir Reginald Wingate. Deze is een zeer beminnelijk man, eenvoudig en vriendelijk van aard, maar tevens een man met een vasten wil en veel energie. Hij spreekt vloeiend Fransch en onderhoudt zich gaarne in die taal. Ik heb zeer interessante gesprekken met hem gevoerd over de toekomst van Soedan, die hem natuurlijk zeer ter harte gaat, en hij voorziet zoo geen snelle dan toch een zekere ontwikkeling.
De vorderingen van den vooruitgang, meent hij, dat van drie dingen zullen afhangen, waar wij niet dadelijk al te groote verwachtingen van moeten koesteren, namelijk van meer arbeidskrachten, meer en beter middelen van gemeenschap en meer water. Er komen arbeiders te kort in Soedan; denk eens, dat er nauwelijks twee millioen inwoners zijn met een in evenredigheid veel te groot aantal vrouwen en kinderen, terwijl er tien millioen waren een twintigtal jaren geleden. Maar de Arabieren en Soedaneezen zijn vruchtbare rassen, en met de rust zal de bevolking wel vlug toenemen; maar dat zal men niet zoo dadelijk bemerken.
De nieuwe spoorweg van Berber naar Soeakim aan de Roode Zee was ook een onderwerp van gesprek tusschen ons. “Wij staan daardoor,” zei de generaal, “rechtstreeks in verbinding met de zee en hebben een haven in Soedan. Daarheen zullen de goederen worden vervoerd, waar de Soedan behoefte aan heeft en van daar zullen de waren vertrekken, die het kan uitvoeren.”
“Wordt er in sommige kringen niet beweerd,” vroeg ik, “dat die lijn, die aangelegd is met geld, dat de egyptische regeering heeft geleend, aan dat laatste land nadeel zal toebrengen, omdat ze den handel tot zich zal trekken, die thans over Alexandrië gaat en tot Assoean van de egyptische spoorwegen gebruik maakt?”
“Inderdaad,” antwoordde de gouverneur glimlachend, “die theorie is te berde gebracht, maar ze houdt geen stand. Zoolang Soedan afhankelijk blijft van dien eenigen, langen en kostbaren weg over Egypte en den Nijl, kunnen de ondernemingen van den handel er geen hooge vlucht nemen. Alles zou blijven wat het nu is, en Egypte zou de kleine sommen innen waar u van spreekt, zonder eenige kans dat die vermeerderden. Wel zal de nieuwe lijn afbreuk doen aan de inkomsten van Egypte, maar daar het budget van Soedan ervan zal profiteeren en onze inkomsten erdoor zullen toenemen, omdat de handel snel zal groeien, dank zij de nieuwe afzetmarkt, zullen wij allereerst aan Egypte interest kunnen betalen van het geld, dat het ons heeft voorgeschoten en eindelijk... dat is het belangrijkste, hoe meer de provincie Soedan zich zal ontwikkelen, des te spoediger zal ze geldelijk onafhankelijk wezen.”
“En het water, generaal?”
“O, wat het water betreft, zal Soedan voordeel trekken uit de groote plannen van Sir William Garstin. Maar dat zijn nog maar plannen, die eerst binnen enkele jaren verwezenlijkt kunnen worden. De egyptische regeering laat in samenwerking met mijn officieren de zaak onderzoeken door een commissie, en wij zullen waarschijnlijk tot een resultaat komen, dat in het klein helpt, in afwachting van de grootere plannen met het vergroote reservoir. Er zijn al enkele bevloeiingskanalen gegraven, en Soedan kan water erlangen uit den Nijl in den zomer op een tijdstip, waarop dat aan den egyptischen landbouw in het minst geen nadeel kan berokkenen. Want Egypte wil ons natuurlijk niet toestaan, dat wij het berooven van het kostbare water, waar zijn bestaan aan hangt.”
Omdoerman aan de overzijde van Khartoem is in veel opzichten een belangwekkende plaats. Er zijn tegenwoordig nog 60 000 inwoners, terwijl er in den tijd van den Mahdi een bevolking woonde van meer dan 400000 zielen. De markten van Omdoerman zijn beroemd, en lange karavanen van kameelen, komend van het Zuiden, brengen er, evenals talrijke booten, elken dag de producten uit Centraal Afrika. Caoutchouc, suikerriet, doerrah, een soort van koren, dat tot voedsel dient voor menschen en dieren, ivoor, struisveeren en vele andere voortbrengselen worden er op reuzenpleinen uitgestald. Het is merkwaardig, de lange rijen kameelen te zien aankomen, als ze weken en weken geloopen hebben, om uit het binnenland van het zwarte werelddeel hun zware vrachten aan te voeren. Het is een sympathiek dier, ijverig, volhardend en met weinig tevreden.
De tijd zal wel niet ver meer zijn, dat een spoorweg Omdoerman met de provincies Darfoer en Kordofan zal verbinden, waarvan de rijkdom groot is, en die genoeg negerkoren voortbrengen, om geheel Soedan te voeden en er nog van uit te voeren in groote hoeveelheid. De maat, die te Kordofan vijf francs kost, wordt te Omdoerman met 28 francs betaald, waaruit duidelijk blijkt, hoe duur het vervoer per karavaan van kameelen komt, het eenige middel van transport dat nu ter beschikking is.