Aan den oever van den Blauwen Nijl te Khartoem.
Men heeft te Omdoerman paardenmarkten, markten voor ezels en kameelen en zeer belangwekkende bazars. Daar vindt men soedaneesche wapens, struisvogeleieren, wonderlijke leêren portemonnaies, door de vrouwen aan een draad om den hals gedragen, ceintuurs met leeren franje, helder gekleurde rieten manden, voorwerpen van ivoor, karwatsen en zweepen van hippopotamusleder, en een heele straat, waar zilversmeden wonen. Armbanden, ringen, zegels, doosjes, servetringen zelfs, alle vreemd en mooi bewerkt, maar waar zulke enorme prijzen voor worden gevraagd, dat het wel blijkt, hoe ook hier als elders de komst van toeristen het sein is geworden voor een exploitatie in het groot.
Men kan heele morgens zoek brengen aan de markten en bazars. Men voelt er zich als overgebracht in een andere wereld, bijna als op een andere planeet, en men moet langs den winkel van een inlandschen kleermaker gaan, waar een twintigtal Singernaaimachines een heidensch lawaai maken, om zich te overtuigen, dat men toch niet zoo ver verwijderd is van de beschaving, dan men eerst dacht.
Er zijn te Omdoerman historische gebouwen, als de ruïnen van het graf van den Mahdi, het huis van Slatin pacha en een groot gebouw, waar de relieken uit het verleden worden bewaard, pistolen, geweren en sabels, die aan de Mahdisten hebben toebehoord, en de zonderlinge hoofddekkels, die ze droegen; daar zijn duizenden van, die men voor een spotprijsje kan koopen. Iets verder kan men de kanonnen van den Khalief zien, kanonnen ook, die bij het leger van Hicks of te Khartoem hebben dienst gedaan, en eindelijk de rijtuigen en de piano van Gordon in zeer vervallen staat.
Ik moet bekennen, dat ik erdoor geschokt was, daar onder een afdak de herinneringen te vinden aan den held, die te Khartoem viel. Zou men er geen plaatsje voor hebben kunnen inruimen in de onbewoonde benedenverdieping van het paleis van den gouverneur-generaal?
Naast het leeggeplunderde graf van den Mahdi staat het huis van den Khalief, waar hij heeft gewoond met zijn vier vrouwen en 400 bijwijven. Men kan alleen in zijn particuliere vertrekken komen door eindelooze gangen, die bij elken hoek werden bewaakt, zoozeer vreesde hij te worden vermoord. Het huis is ongelukkig ledig; het zou belangwekkend geweest zijn, er de voorwerpen te vinden, waarvan de Khalief zich bediende en er een soort van mahdistisch museum van in te richten.
Rustig en kalm is de bevolking van Omdoerman aan haar dagelijksch werk, doet zaken met Egyptenaren en Europeanen en zendt haar kinderen naar de uitstekende scholen, die de regeering heeft geopend. Wie kan begrijpen, dat het nog nauwelijks zeven jaar geleden is, dat de plaats een middelpunt was voor het grofste fanatisme op godsdienstig gebied? Fanatisme en despotisme, daar had de bevolking te veel van geleden en ze had genoeg van den Khalief, den Mahdi, van de emirs die hun alles ontnamen, zelf in overvloed en weelde leefden en de menschelijke kudde lieten omkomen van honger! De dweepzucht van den derwisch is thans verdwenen, want hij begrijpt zelf, dat hij het nu beter heeft dan vroeger, nu rust en vrede en gerechtigheid hem in staat stellen, de vruchten van zijn arbeid te oogsten.
Mijn bediende Makhmoed heeft mij dat op zijn manier uitgelegd. “De derwisch is ook een mensch, de Soedanees ook en de Arabier eveneens, allen tevreden nu en houden van den Engelschman, omdat de engelsche meester rechtvaardig is. De arme man kan nu naar den moedir gaan; hij wordt ontvangen en aangehoord; hem wordt recht verschaft, zelfs tegen rijke menschen, zelfs tegen een Engelschman.”
Egyptisch landschap.
Ik geloof, dat Makhmoed gelijk heeft; de tijden zijn veranderd, en de bevolking is er niet rouwig om. Maar laat ons naar Khartoem terugkeeren. Er is een veerboot, een stoomferryboot, die op vaste uren den geheelen dag door over de samenvloeiing der beide Nijls vaart, en als ge geen paard, noch een ezel hebt, vindt ge aan de landingplaats een alleraardigst tramtreintje, dat u naar het midden van de stad zal brengen. Een vondst, die tram, die, als alle verbeteringen in Khartoem, te danken is aan kolonel Stanton. Die energieke man zou zelfs graag het stof willen doen verdwijnen, waar Khartoem veel te veel van heeft, en dat geen eer is voor de stad, en ik geloof inderdaad, dat het hem gelukken zal, als hij maar over genoeg geld kan beschikken op zijn budget. Hij heeft een uitmuntend middel gevonden, om het stof te binden, namelijk een residu van caoutchouc, dat heel goedkoop is; de zoo behandelde weg wordt hard, glad en stofvrij. De gomming van een lange laan heeft niet meer dan 1000 francs gekost.
Geld en water, misschien ook geld als water, wenscht kolonel Stanton voor zijn hervormingen; water vooral, want als men dat maar over de woestijn uitgiet, die Khartoem omgeeft, groeien alle boomen, planten en bloemen er met ongeloofelijke snelheid. In de tuinen en langs den Nijl wint men den geheelen winter aardbeien, doperwten, slaboonen en alle andere denkbare groenten; maar het hotel zet ze niet aan de gasten voor!
Er zijn te Khartoem een engelsche en een egyptische sociëteit. De officieren der beide landen, die in dienst zijn van de soedansche regeering, verbroederen zich nooit met elkander. Een Engelschman vertelde mij dienaangaande: “Wij zijn gescheiden door een golf, die niet kan gedempt worden, zelfs niet door een onnoemelijk aantal whisky-soda’a in den loop der officiëele aangelegenheden.”
De tempel van Philae op het eiland Bigèh.
Hier ontmoeten ze elkaar evenals te Kaïro officieel; op de kantoren zijn de verhoudingen gewoon en prettig; ze gebruiken onder het behandelen der zaken een whisky-soda of een kop koffie en zullen samen een sigaret rooken, maar dan gaan ze ieder naar hun eigen club of hun “home” en daar kennen ze elkander niet meer, of het moest nu en dan zijn op een diner of een officiëele receptie; maar zelfs daar wordt met het verschil rekening gehouden, want de gouverneur-generaal houdt aparte ontvangdagen voor de Egyptenaren en andere voor de Engelschen.
Ik herinner mij mijn verbazing, toen op een bal, gegeven in ons hotel door de “Egyptian cavalry” ik er alleen de engelsche officieren van het corps zag verschijnen en hun genoodigden, onder wie er geen enkele Egyptenaar was. Die laatsten worden zeker wel gehinderd door de manier, waarop ze door de Engelschen worden behandeld, die wel gevreesd en geëerbiedigd, maar niet geliefd zijn bij de Egyptenaren.
Welke reden kunnen ze hebben, om zoo de Egyptenaren, in het leger met hen samen thuis behoorend, op een afstand te houden? Dat hebben ze mij eens op de volgende wijze uitgelegd:
“Wij kunnen te zamen werken... wij kunnen samen oorlog voeren... maar we kunnen niet en famille met hen converseeren.
“De Egyptenaar zal ons nooit bij zich te huis aan zijn vrouw voorstellen of aan zijn vrouwen, of het moesten jonge menschen met moderne ideeën wezen, die een Levantijnsche of Europeesche hebben getrouwd. Meestal laat de reputatie van die dames te wenschen over, en waarom zouden we haar in ons huis ontvangen en de Egyptenaren aan onze vrouwen en dochters voorstellen, waar we weten, dat onze opvattingen en hun houding, waar het vrouwen geldt, zooveel verschillen van de onze? Dat is de voornaamste reden, die ons van de Egyptenaren scheidt in het particuliere leven, maar het is niet de eenige. Hun gewoonten, hun zeden, hun begrippen over hygiëne, hun denkbeelden over moraliteit zijn anders dan de onze, en eindelijk, mijn waarde, wij wenschen ham te eten aan het ontbijt en zij willen dien niet!”
De engelsche officieren stellen veel belang in hun egyptische soldaten en werken krachtig ten einde er goede troepen van te maken, omdat het hun plicht is en ze betaald worden om dat te doen, maar ze voelen geen genegenheid voor die manschappen. Integendeel, ze hebben de soedaneesche soldaten veel liever, ofschoon die moeilijker te leiden zijn. Het zijn geen garnizoentroepen, maar veldtroepen, die men altijd op de een of andere wijze moet bezighouden. De zwarten hebben een hekel aan Egyptenaren, terwijl ze vol toewijding zijn voor hun engelsche officieren. Dat is wel een interessant verschijnsel.
Indien ooit Egypte of de suzereine staat Turkije de neiging mocht voelen, van Engeland de souvereiniteit over Egypte op te eischen, die nu verdeeld is, zouden de soedaneesche troepen zich als één man om de Union Jack scharen en blij zijn, dat er iets te vernielen was, vooral zoo dat iets egyptisch was.
In het paleis van den gouverneur zijn Sir Reginald en lady Wingate de vriendelijkste gastheer en gastvrouw, die men zich denken kan. Alle reizigers, die aanbevelingsbrieven voor hen hebben, bewaren de liefelijkste herinnering aan hun gastvrijheid en aan de déjeuners, diners en tuinpartijen, gegeven in het paleis, vooral aantrekkelijk door den eenvoud en de hartelijkheid, die er heerschen. Die tuinpartijen, die bijna iedere week in den winter plaats hebben in het heerlijke park bij het paleis, missen alle stijfheid en het ceremoniëel van gewone officiëele plechtigheden. De gouverneur ontvangt in flanellen costuum en met den Panamahoed, en zijn officieren zoowel als de andere genoodigden volgen zijn voorbeeld.
Thee en ververschingen worden gepresenteerd onder een groote tent, waar de gouverneur-generaal en lady Wingate zelf hun vrienden bedienen. Een militaire muziek, op eenigen afstand opgesteld, laat bekende melodieën hooren, en terwijl sommigen praten, wandelen en rooken, spelen anderen tennis of croquet. Men meent in een park bij een kasteel in Europa te zijn in den zomer, als men niet hier en daar de wuivende kroon van een palmboom zag en de zwarte soldaten-muzikanten, en ook ginder te midden van het groen het standbeeld van Gordon, dat herinnert aan het geweldige verleden. Op zijn bronzen kameel zit Gordon natuurlijk en levendig afgebeeld en kijkt naar het Zuiden, van waar de vijand kwam, terwijl hij den rug naar het Noorden wendt, van waar hij hulp kon verwachten, die nooit opdaagde!
Ik ben tegenwoordig geweest bij een feest in het paleispark, dat mij levendig heeft geïnteresseerd, namelijk dat, hetwelk gegeven werd ter eere van den hertog en de hertogin van Connaught, die de gasten waren van den gouverneur en lady Wingate. Ook de prinsessen Margaretha en Patricia waren erbij; ze brachten met hun ouders dien winter eenige dagen te Khartoem door. Op denzelfden dag van hun aankomst werd er een receptie in het park gegeven, waarbij alle leden der regeering, de engelsche en egyptische officieren, de mohammedaansche sjeiks, de soedaneesche hoofden en de doortrekkende vreemdelingen, die de gouverneur kende, waren uitgenoodigd.
Bij mijn aankomst zag ik, dat op een der heerlijkste plekjes in het park een tent was opgeslagen voor de prinsessen en lady Wingate. Het was juist tegenover de treden van de paleisstoep, een open tent. Links vóór een tweede groote tent, die als buffet was ingericht, waren de Engelschen en de vreemdelingen gegroepeerd. Rechts stond het “arabische” buffet, waarvoor de egyptische officieren zich ophielden en naast hen, in hun schilderachtige kleederdrachten, hun mantels en tulbanden, de muzelmansche hoofden. Hier en daar staken de pieken omhoog van de soedaneesche soldaten, lange, slanke mannen, zwart als ebbenhout. Plotseling heft de militaire muziek het “God save the king” aan, en de hertog en de hertogin van Connaught, de gouverneur-generaal en lady Wingate en de jonge prinsesjes, elegant en bekoorlijk, maken hun verschijning, gevolgd door een stoet van schitterende officieren.
De omgeving maakte dit alles zeer belangwekkend. Wij zijn hier onder den blauwen hemel van Soedan, op de plaats zelve, waar Gordon viel, en in een ideaal park, vol groen en bloemen en frischheid, waar de vogels hun melodieuse stemmetjes mengen onder de tonen der militaire muziek. Kijk eens naar die soedaneesche hoofden, die vertegenwoordigers van het volk, dat gisteren nog alleen aan moord en doodslag dacht, zie hen buigen, glimlachend en tevreden, voor den broeder van den koning van Engeland en voor den vertegenwoordiger van den Khedive, generaal Wingate. Aanschouw dit vredige en sierlijke tooneel, waar de lichte toiletjes zich mengen onder de met decoraties bedekte uniformen en onder de gewaden van de muzelmansche sjeiks, in de schaduw van het standbeeld van den gewroken Gordon. Zie dat alles, en in een opwelling van bewondering zult ge herhalen, wat de hertog van Connaught zelf mij zeide: “Is het niet bewonderingswaardig? Khartoem is in zes jaar een groote en mooie stad geworden; geheel Soedan is tot rust gebracht, en dat is alles tot stand gekomen door een handjevol mannen met zeer gebrekkige hulpmiddelen, het is verwonderlijk!”
Het programma der feesten, gegeven ter eere van hunne koninklijke hoogheden, omvatte onder andere aantrekkelijkheden bootwedstrijden, een tentoonstelling van landbouw en tuinbouw, een militaire taptoe des avonds bij het licht van duizenden toortsen, waarbij de vereenigde muziek van de engelsche, egyptische en soedaneesche regimenten een monsterconcert zouden geven onder den met sterren bezaaiden hemel, die in den Nijl werd weerkaatst, en eindelijk een groote parade.
Die laatste had plaats buiten de stad, bij het begin der woestijn, en nooit zal ik dat prachtige schouwspel vergeten. Infanterie, cavalerie, artillerie, Egyptenaren en Soedaneezen, passeerden in de voorbeeldigste orde, dan kwamen de troepen te paard en de artillerie deed een charge in galop, die het woestijnzand in wolken deed opvliegen, hetzelfde zand, dat vroeger is opgejaagd door de regimenten van Ibrahim en Gordon en de gewapende horden van den Mahdi.
“Wat zegt u ervan?” vroeg mij een engelsch officier, die naast mij stond.
“Eerlijk gezegd, ik vind het bewonderenswaardige paradesoldaten; ze zijn prachtig, en indien hun krijgsmanshoedanigheden aan het uiterlijk beantwoorden, hebt u het recht, er trotsch op te zijn.”
“Welnu, op mijn beurt in oprechtheid gesproken, ik wil u dit zeggen. Het zijn nu uitmuntende troepen, en zeker, wij hebben ons best gedaan, om ze zoo ver te brengen. Maar u moet niet gelooven, dat de egyptische officieren ons niet geholpen hebben. De meesten hunner werken met onvermoeiden ijver en een groot volhardingsvermogen, en ze zijn inderdaad best in staat, hun manschappen aan te voeren en te leiden. Maar kijk eens... zie daar eens...”
Tusschen den blauwen hemel en het gele zand komt een bijna onzichtbare lijn, gelijk van kleur met den grond, als een lange slang nader met ongeloofelijke snelheid, lenigheid en energie. Dat zijn de 700 man van het engelsche regiment, dat te Khartoem ligt. Er is in hun houding zoo iets mannelijks, sterks en krijgshaftigs, dat ik er ontroerd van word, en ik zou willen toejuichen en “bravo” roepen, zooals aan het slot van een parade te Longchamp, als de cavalerie in snelle charge aankomt en alles in stofwolken hult.
Wat doet het er toe, dat deze soldaten zoo jong zijn, dat hun khaki-uniform onelegant is, als de borst, die erdoor bedekt wordt, maar bezield is met een vasten wil en een onwankelbaren moed, waartegen alle aanvallen van de dweepzieke Derwischen werden afgeslagen als tegen glas.
Het was zeer schoon... Maar als standbeelden kalm, scheen geen der aanwezige Engelschen er iets van te bespeuren.
Ja, het is al heel mooi, dat men naar Khartoem kan komen in het jaar 1905, en de geheele reis door van alle mogelijke weelde en gemakken kan profiteeren; maar is het aan velen bekend, dat men de reis met alle moderne comfort kan voortzetten tot in het hartje van Afrika? Zonder nog te spreken van den Blauwen Nijl, dien men kan opvaren tot de hooge plateau’s van Abessynië, men kan ook tegenwoordig zich naar Faschoda begeven, naar Lado en naar het Congogebied en Gondokoro in Oeganda, even gemakkelijk, alsof die plaatsen aan de Seine lagen of aan den Rijn; het eenige verschil is, dat ze verder af zijn gelegen en dat men dus meer tijd noodig heeft. Gondokoro ligt 4490 kilometer van Kaïro af. In twee maanden gaat men thans den Nijl op tot aan de plaatsen, waar het land nog bevolkt wordt door krokodillen, door nijlpaarden, door leeuwen, olifanten, giraffen, buffels en rhinocerossen, terwijl men dan reist door de landen, bewoond door de woeste stammen der Sjilloeks en der Dinka’s, daar, waar nog zoo kort geleden Stanley en Marchand enkel konden doordringen met ongeloofelijke moeilijkheden te midden van verschrikkelijke gevaren en van onuitsprekelijke ontberingen.
En ik herhaal het, die reis wordt volbracht met dezelfde veiligheid en hetzelfde comfort, als de tocht van Kaïro naar Assoean. Onnoodig te zeggen, dat ze honderdmaal interessanter is, en wat het klimaat aangaat, dat is in den winter eenvoudig ideaal. Voor ik de manier beschrijf waarop ikzelf de reis deed, en die de aangenaamste is, maar ook de duurste, wil ik in het kort vertellen, hoe men haar op andere manier kan doen.
Ter zijde laat ik vooreerst den dienst, ingesteld door de Maatschappij die den naam draagt van de Sudan Developing Co. tusschen Khartoem en Goz Aboe Goma, dat maar op 300 kilometer afstands is gelegen. De reis duurt zes dagen op het minst belangwekkende deel van den Witten Nijl. De nieuwe en goed ingerichte stoomboot heeft te veel diepgang en loopt bij iedere reis gevaar, vast te raken, zooals verleden jaar gebeurde op een zandbank halfweg, en er verscheiden dagen te blijven zitten, wat ver van aangenaam is.
De regeering van Soedan heeft een maandelijkschen dienst, die veel belangrijker is. Haar booten varen den Nijl op tot Gondokoro in Oeganda, een afstand van 1825 kilometer van Khartoem, en doen een maand over de reis heen en terug. De prijs van een biljet is 1700 francs en men vindt aan boord electrisch licht, warme en koude baden, en bediening en tafel, die niets te wenschen overlaten. Er wordt vaak stilgehouden, verschillend van dertig minuten tot twee uren, en voor de personen, die eenvoudig Centraal Afrika eens willen zien en den Soedan in al zijn uitgestrektheid alsook een hoek van Belgisch Congo en Oeganda, is die dienst het meest practische middel, om hun doel te bereiken.
Maar ik kan hem niet aanbevelen aan diegenen, die willen jagen, want het oponthoud is niet lang genoeg op de verschillende plaatsen, en natuurlijk vindt men het groote wild en zelfs het kleine niet vlak bij de aanlegplaatsen der booten. Voor de jagers is het eenige, wat hun voldoening kan schenken, dat ze een boot huren, waarmee ze zich overal kunnen ophouden waar ze verkiezen. De stoombooten zijn uit den aard der zaak het comfortabelst; maar ze zijn ook het duurst. De inlandsche zeilschepen kan men voor een dragelijken prijs krijgen en zij varen den Nijl bijna even vlug op als de stoombooten, daar de wind krachtig en geregeld uit het Noorden blaast in den winter. De rivier afvaren met den wind van voren duurt langer; maar als men haast heeft, om terug te zijn, kan men zich met niet te lange tusschenpoozen laten opnemen door een gouvernementsboot.
Terwijl ik in Khartoem was, vertrokken een Engelschman, een groot liefhebber van jagen, en zijn vrouw naar Centraal Afrika op een expeditie van twee maanden. Ze hadden twee naggars, dat zijn inlandsche vaartuigen. Op het grootste was een tent opgeslagen van matwerk, midden op het dek. Die bevatte twee veldbedden, een waschtafel, tafels, stoelen, enz. De kok, de bedienden en de bemanning waren op het achterschip. De tweede naggar bevatte vier kameelen, zes ezels en verscheiden inlandsche bedienden, een jager van beroep, een Sjikari, die alle gewoonten van de wilde dieren kende en de plaatsen, waar ze het meest voorkomen. Zij hadden ook tenten bij zich en een geheel kamp, waardoor ze met hun kameelen en hun ezels hun schepen konden verlaten en tochten van verscheiden dagen konden ondernemen in het binnenland, waar de olifanten en de andere groote dieren te vinden waren.
Huis van Slatin Pacha.
Terzelfdertijd vertrokken twee Franschen, twee heeren uit Rouaan, voor een kleine expeditie van veertien dagen. Ik zag hen, toen ze terugkwamen, en ze waren verrukt, omdat ze twaalf tot vijftien honderd gevederde dieren hadden geschoten, waarvan enkele van buitengewone grootte. Daar ze geen tijd hadden gehad voor tochten te land, hadden ze maar een enkele boot gehuurd en hadden noch ezels, noch tenten meegenomen. Dat jachtpartijtje had hun 670 francs per week gekost, per persoon 335 francs; in dien prijs waren begrepen het schip, het tafel- en beddegoed, de bedienden, alles.
Een belangrijker expeditie met twee schepen, kameelen, ezels en een kampuitrusting zou voor twee personen komen op 1000 francs per week. Natuurlijk vermindert de prijs voor ieder, als men met meer personen gaat en voor langer tijd. Voor al zulke ondernemingen moet de reiziger zich wenden tot den heer Angelo Capato, wiens groote winkels te Khartoem alles bevatten wat men maar kan noodig hebben, en die zich met de organisatie van reizen en jachtpartijen belast tegen vaste prijzen, die niet te hoog zijn. Het is een zaak, die alle vertrouwen verdient, en waarbij men voor geen moeilijkheden of onaangenaamheden te vreezen heeft.
De jagers moeten een verlofsbewijs hebben. De regeering stelt er twee te hunner beschikking; het kleine vergunt, leeuwen te dooden, krokodillen, wilde geiten, gazellen, kleine antilopen, eenden, pelikanen, zwanen, reigers, ibissen en nog allerlei ander gevederd wild. Alleen het groote verlof bewijs vergunt, op olifanten te schieten, op nijlpaarden, buffels, elanden, groote antilopen enz.
Paleis van den Gouveneur te Khartoem.
De zeilschepen bieden natuurlijk slechts een betrekkelijk comfort, en wie daar niet mee tevreden is, moet een stoomboot huren, in welk geval het eenvoudigst is, zich rechtstreeks te wenden tot het gouvernement, of liever tot commandant Bond Bey, den vriendelijken en welwillenden directeur van het departement van schepen en stoombooten.
Dat deed ik, en met zes vrienden, onder wie drie dames, huurden wij de Abbas Pacha, een groote en mooie boot met drie dekken. De huurprijs was 500 francs per dag alleen voor schip en bemanning. Wij moesten ons voor al het andere wenden tot den heer Capato, die ons een uitstekenden kok bezorgde, een europeeschen, en een soedaneeschen hulpkok, verder bedienden en al het noodige proviand. Een echte kruidenierswinkel en comestibleszaak werd aan boord geïnstalleerd, met ingemaakte waren van allerlei aard, roode en witte wijnen, champagne, Münchener bier, mineraalwater in overvloed, cognac, whisky en verschillende likeuren. Al, wat we niet gebruikten, werd door den heer Capato teruggenomen; maar de phenomenale Soedandorst leegde een onnoemelijk aantal flesschen!
Wij namen in ons ruim 250 kilo ijs mee, dat een week goed bleef, en daar Capato ons nazond met iedere boot, die den Nijl opvoer, hebben we er slechts één dag gebrek aan gehad. Vóór op het benedendek hadden we een echten stal, een koe, om versche melk te hebben, schapen, lammeren, kippen, kalkoenen en duiven, die geslacht werden naar gelang er voor de keuken behoefte aan was. Er waren telegrammen langs den Nijl vooruitgezonden naar verschillende stations, waarheen men voor ons versche visch, eieren en groenten bracht.
Markt te Omdoerman.
Aan deze bijzonderheden kan men zien, dat onze tafel goed en overvloedig voorzien was. De bedienden, het eten en drinken kwamen ons op 250 francs per dag, wat met de huur voor de boot 750 francs was of ongeveer 107 francs per dag en per persoon, want wij waren met ons zevenen.
Het was een kleine som voor al de geriefelijkheden, die wij genoten, vooral als men bedenkt, dat het een reis was in Centraal Afrika.
De Abbas Pacha is een groote stoomboot, juist nieuw geverfd en opgeknapt bij gelegenheid van het bezoek van den hertog van Connaught, die er bij verschillende uitstapjes gebruik van had gemaakt. Op het benedendek was achter de groote eetzaal; in het midden de machines en de ruimen voor de bemanning; van voren onze “winkel”, de stal en de hoenderhof.
Er was op het bovendek een salon, tien groote hutten met twee slaapplaatsen, die op het dek uitkwamen, twee badkamers met douches, en, net als op de Cookbooten een groote ruimte midden op het dek, die de geheele breedte innam en een hall vormde, waar wij tafels hadden staan, leunstoelen, en luierstoelen, en waar we dikwijls gebruik van maakten, ook om er onze maaltijden te houden. Heel boven was er nog een dek, dat, daar het de volle breedte en de volle lengte van het schip innam, een groot promenadedek was en bij zonsondergang een ideaal waarnemingsplekje vormde. De salon, de hutten, de dekken, alles was electrisch verlicht, en nooit zouden wij hebben kunnen vermoeden, dat men zooveel comfort kon genieten op den Witten Nijl. De reis van veertien dagen, die wij deden aan boord van de Abbas Pacha was interessant en prettig, en de volgende opmerkingen zullen daar maar een flauw denkbeeld van kunnen geven.
9 Februari 1905.
Wij hebben Khartoem gisteren morgen verlaten, en we zijn allen verrukt over het begin onzer reis. Hutten, bediening, voedsel, alles is volmaakt, en wij glijden vroolijk en te midden van weelde naar het centrum, gisteren nog één en al geheimzinnigheid, van Centraal Afrika. Het weer is warm en mooi, en wij dragen onze kurkhoeden en onze witte kleeren.
Het landschap heeft niets woests. Den geheelen dag zijn we gisteren reusachtige weiden voorbijgevaren, eindeloos lang achtereen, waar duizenden ossen, koeien, kalveren, ezels, schapen en paarden vreedzaam graasden. Op de rivier amuseerden zich troepen wilde eenden, en we vonden aan beide oevers van den breeden, majestueusen stroom duizenden en duizenden ganzen, pelikanen en ibissen. Van morgen in de vroegte, toen ieder zich op zijn gemak aankleedde, riep Makhmoed, die op dek was, plotseling: “Een krokodil, heer, een krokodil!” Het is ongeloofelijk, welke uitwerking dat woord “krokodil” had. In een seconde waren wij alle zeven, heeren en dames, buiten onze hutten in zeer lichte kleeding en volgden met de oogen nieuwsgierig de richting, ons door den zwarten vinger van Makhmoed gewezen. Eerst zagen we niets, dan eensklaps schreeuwden we allen tegelijk, en al gesticuleerend, riepen we: “Daar, daar! zie, op het zand, juist van dezelfde kleur... O, het beest slaapt in de zon!”
En inderdaad, op het gele zand van den oever zien we een reusachtigen krokodil precies een hagedis in het groot. Op dat gezicht ontwaakte het moordend instinct, eerst bij mevrouw Z., die ons toeriep: “De geweren! Gauw, uw geweren!” Toen vlogen de drie van ons, die ons op jagen hadden voorbereid, weg en gilden: “De geweren! Makhmoed! Mahomed! Wallad! O, lieve hemel, de geweren, de patronen! Gauw!” Maar de geweren zitten in hun étui’s, de patronen in hun doozen, en daar de Abbas Pacha ondertusschen verder gaat, is de krokodil al uit het gezicht verdwenen, eer wij gedaan hebben met het roepen om de geweren.
Die luie krokodil heeft in ons bloedige instincten wakker gemaakt, en we brengen den geheelen morgen door met het in orde brengen van wapens en munitie. Eén oog op de geweren, het andere op den oever, bespieden wij het zand met breeden en belangstellenden blik, maar er zijn evenmin krokodillen als op de kade van het Louvre, en we beginnen ernstigen twijfel te gevoelen omtrent het bestaan van dien, die ons van morgen werd aangewezen.
Om twaalf uur hielden we stil in een dorp, om er geen kolen, maar hout in te nemen; daar kolen drie of vierhonderd francs de ton kosten, branden de stoombooten op den Witten Nijl enkel hout. Dit verklaart, waardoor het land, waar wij doorheen varen en dat enkele jaren geleden met bosschen was bedekt, thans bijna geheel ontwoud is. Terwijl een heel bataljon negers hout aan boord brengt onder gezang en geschreeuw, gaan wij het dorp eens rond, op zoek naar de “eerste indrukken” over het binnenland van het zwarte werelddeel.
Standbeeld van Gordon.
In kleine strooien hutjes wonen heele families opeengehoopt en omringd door hun geiten, hun schapen, kippen en magere, uitgeteerde honden. Wij zien slechts oude, leelijke en verdroogde vrouwen, en geheel naakte kinderen, zeer vuil, en bijna alle aangetast door leelijke oogziekten. Die afschuwelijke oude negerinnen gevoelen zich toch nog dochteren Eva’s en zijn niet van coquetterie vrij te pleiten, want ze versieren zich met colliers en ringen, en haar gekroesde haren zijn verdeeld in honderden kleine, vette vlechtjes. Tegenover een der hutten woonden we het kappen bij van een vrouw, wier gerimpelde en verdorde bekoorlijkheden al langen tijd geen uitwerking moeten hebben gehad. Een andere vrouw vlecht haar de kleine vlechtjes opnieuw en trekt aan de gekroesde haren, wat wel pijn schijnt te doen. De operatie duurt bijna den geheelen dag. Makhmoed praat met haar en vertelt ons dan kalm: “Die vrouw wordt voor de bruiloft mooi gemaakt, ze gaat trouwen!” Och, Heer, dan is er nog hoop voor alle oude jonge juffrouwen, die ik ken; als ze maar hier wilden komen, zouden ze spoedig getrouwd zijn!
Langzamerhand werden alle vrouwen uit het dorp met onze aanwezigheid bekend, en ze kwamen aanloopen en gingen om ons heen staan. Wij, mannen, interesseerden haar in het geheel niet. Blanken, die hebben ze dikwijls gezien, en ze vinden hen denkelijk zeer leelijk... Maar de dames in ons gezelschap! Dat is wat anders! Dat moet in de oogen der negervrouwen wel iets heel bijzonders wezen! Die mooie, witte japonnen, die geborduurde lijfjes, die hoeden met linten en bloemen, die sierlijke parasols, die fijne laarsjes van wit leder... Arme negerinnen, haar vrouwelijk instinct zegt haar, dat het alles mooi is, chic... en ze komen nog nader, vol bewondering en eerbied.
Dan trekken de blonde, als goud glanzende haren, die gegolfd en geparfumeerd zijn, de aandacht en ze komen in verrukking. De kanten en strooken van de rokken wekken niet minder de bewondering, en de dames kunnen haast niet weg komen van de plaats. “Als die vrouwen niet zoo leelijk waren,” zei een van ons, “zou ik lust hebben den volgenden winter met een heele scheepslading rokken hier te komen; wat zou ik een succes hebben!”
En een van onze dames: “Niet de leelijkheid vind ik het ergst, maar de odeur, dien die vrouwen verspreiden! Dat is afschuwelijk, laat ons weggaan!”
Het is zeker, dat de “natuurlijke geur” van de soedaneesche vrouwen sterk is en afstootend, maar zij zijn eenstemmig in de bewering, dat ze den geur der blanken verschrikkelijk vinden! Om drie uur waren we te El Duem gekomen, een der grootste plaatsen in Soedan, en het punt, waar het leger van Hicks Pacha den Nijl verliet, om zich landwaarts in te begeven en er den dood te vinden.
De gouverneur der stad, majoor Butler en een andere engelsche officier, die van onze aankomst verwittigd waren, kwamen ons begroeten en namen ons mee, om de bazars te gaan zien. Een dichte menigte volgde ons, blijkbaar ten hoogste geïnteresseerd. Van alle kanten riepen de kooplieden ons aan, struisvogelveeren zwaaiend, of degens en sabels, Derwischlansen, struisvogeleieren en eigenaardige waterkruiken van gebakken aarde of van leder met ivoren stoppen.
Al die menschen zagen er vroolijk en goedig uit. Hoe kan men het gelooven dat El Duem zeven jaren geleden een middelpunt was van het bloedigst fanatisme, evenals Khartoem? Nu is alles er kalm, en de engelsche officier, die hier woont, heeft, om de wetten te doen gehoorzamen door de bevolking van tien duizend zielen, precies zeventien inlandsche gendarmen! Is dat niet treffend?
Soedaneesche danseressen.
Een eindeloos aantal kameelkaravanen brengt hier enorme hoeveelheden caoutchouc aan, die per schip verder naar Omdoerman worden vervoerd.
Wij hebben juist de aankomst van een karavaan bijgewoond, en de reuzenviervoeters, stoffig en vermoeid van de lange reis, geven geen onduidelijke teekenen van blijdschap over de aankomst. Uit zichzelven gaan ze liggen en wachten geduldig, dat men hen van hun lasten ontheffe, twee groote zakken caoutchouc, waaruit de geleider van de karavaan ons dikke stukken laat zien, zeer trotsch op de qualiteit.
Na met ons thee te hebben gedronken aan boord van de Abbas, heeft de gouverneur ons verlaten, en wij wachten alleen op Makhmoed, om het anker te kunnen lichten. Ik heb hem uitgezonden om struiseieren te koopen. Eindelijk is hij terug; hij had ruzie gehad met den verkooper over de vraag, wie schuld had aan het breken van een der verkochte eieren.
Soedaneesche haar pijp rookende.
Wij hebben in de laatste dagen zooveel nijlpaarden en krokodillen gezien, dat we ze niet meer tellen; we zijn er blasé van en doen geen stapje, om ze te zien. Hippopotamussen zijn er een aantal in de rivier, badende, plonsende of zich langzaam latende drijven aan de oppervlakte van het water. Soms zijn ze alleen, of een groep van zes, zeven of acht vertoont zich, terwijl elders weer een familie bijeen is, vader hippo, moeder hippo en de kleine hippo’s. Er zijn zulke groote bij, dat wij ze op een afstand voor eilandjes houden.
Wat de krokodillen betreft, die tellen we al lang niet meer. Sinds zijn we honderden voorbijgevaren en hoewel we een vijftigtal hebben geschoten, hebben we maar een enkelen teruggevonden, een kleinen, die, hoewel zijn kop verbrijzeld was door twee ontplofbare kogels, zich nog woedend verdedigde tegen onze mannen. Eindelijk hangt zijn huid in de zon te drogen en ruikt bijna even sterk als een soedaneesche negerin!
De manier, waarop de onzen zich in het water wierpen, om den krokodil weer op te visschen, was prachtig. Welk een minachting van het gevaar! Ze vreezen den dood blijkbaar in het geheel niet, en lachend zeggen ze van een mensch even koelbloedig als van een krokodil: “He is finished!” hij is er geweest. Die uitdrukking gebruiken ze vaak.
Het land, dat eerst weidenrijk was, wordt nu beboscht; apen schommelen in de boomen, en nu en dan varen we voorbij dorpen van kleine hutten. Als wij stilhouden om hout in te nemen, komen de negerinnen uitloopen en zingen en dansen aan den oever. De zonsondergangen zijn onbeschrijfelijk schoon; men heeft er in Europa geen flauw denkbeeld van, welke prachtige lichteffecten de zon, die aan den horizon verdwijnt, hier teweeg kan brengen. In een zee van vlammen daalt een roode bol, en dan worden de tinten zachter en alleen het Westen blijft nagloeien, terwijl het Oosten donker wordt. De Nijl lijkt een stroom van vuur, waarop als zwarte reuzenstippen de nijlpaarden statig drijven.
Wij bleven op het bovenste dek, onder den indruk van het schoone schouwspel, tot de duisternis volkomen was geworden, en na het diner keerden we er terug, om te genieten van den aanblik van den sterrenhemel. De lichtjes aan het firmament schijnen hier veel talrijker, grooter en schitterender dan in het Noorden, en spiegelen zich als gouden puntjes in het zilveren water van den Nijl. Avond op avond is het Zuiderkruis te zien. In dezen tijd van het jaar steken de inboorlingen de struiken in brand, die aan den oever een groote hoogte bereiken, opdat er weer jong groen op de plaats kunne opschieten. Op sommige plaatsen strekken die enorme vuren zich langs den Nijl uit over een lengte van verscheiden kilometers, en we varen tusschen twee vlammende oevers, die naar den hemel hun bloedig schijnsel werpen en dien in vuur schijnen te zetten. Men zou denken, in een reuzenhel te wezen! Het is grootsch, en de tegenstelling is niet onder woorden te brengen, als, nadat de vuren voorbij zijn gegleden, we weer in de duisternis achterblijven, waarin enkel de sterren glinsteren, met aan elken kant van ons de sombere, donkere wouden, waaruit af en toe het gebrul van een leeuw opgaat.
14 Februari.
Eergisteravond hebben wij het anker uitgeworpen voor den nacht naast de schepen van den heer F., den Engelschman, die met zijn vrouw uit Khartoem was vertrokken, zooals ik reeds heb verteld, om een groote jachtexpeditie te ondernemen. Een derde schip, aan kolonel J. behoorend, die een vriend van hen was, is ook hier; maar tot onze verbazing troffen we mevrouw F. geheel alleen met de soedaneesche bedienden.
“Mijn man,” zei ze, “is met den kolonel twee dagen geleden per kameel vertrokken, om olifanten te jagen; ze zullen wel niet eer dan over twee of drie dagen terug wezen.” Klinkt het niet als een wonder? Wij zijn in Centraal Afrika, slechts enkele uren van Faschoda verwijderd, en deze blanke vrouw, alleen te midden van de negers, wacht geduldig en zonder eenige vrees. Waarlijk, de primitieve landen zijn minder gevaarlijk voor de zwakke sekse dan de beschaafde!
“Heeren,” zei mevrouw F. tot ons, “het doet mij genoegen, dat u gekomen zijt. U hebt geweren, niet waar? Welnu, u zoudt mij een groot genoegen kunnen doen, door een leeuw te dooden, die sedert een paar dagen hier rondzwerft, en wiens aanwezigheid mijn bedienden schrik aanjaagt.”
Soedaneesche post.
Een leeuw! Maar dat is juist wat wij zochten! O, die zal ons niet ontkomen. Er werd krijgsraad gehouden. Wij riepen den Sjikari, die ons uitlegde, dat de leeuw zich in den vroegen morgen naar het binnenland terugtrekt, soms tot op grooten afstand. Wij zullen dus moeten vertrekken eer de zon is opgegaan, en de ezels moeten nemen, die mevrouw F. te onzer beschikking stelt, evenals enkele van haar bedienden.
O, Tartarin, glorieuzer gedachtenis, als gij ons hadt zien vertrekken!... Dwars door het struikgewas, door boschjes van roodachtige boomen, welker takken lange dorens hadden, die onze kleederen scheuren en ons bloedig verwonden, over uitgedroogde terreinen met diepe spleten gaan wij met verrassende snelheid voort, bewogen door den vurigen wensch, dien leeuw eens van aangezicht tot aangezicht te zien. Een leeuw!... Dat was nog eens een historie, om aan de vrienden te vertellen. Misschien konden wij op ons visitekaartje laten graveeren: “Die en die, leeuwenjager”. Wat zou dat het publiek imponeeren! Wij kwamen aan een open plek in het bosch, met hoog gras begroeid, en plotseling weerklonk uit die zee van gras een geweldig gebrul... Dat is hij! Onze ezels trillen... en wij ook..... zij van vrees, wij van opwinding.
“Hm,” doet de Sjikari, “hij heeft ergen honger!”
Iemand trekt mij aan de mouw; het is Makhmoed. Hebt ge ooit een neger zien verbleeken? Ik zweer, dat Makhmoed bleek was... hij zag er heel leelijk uit, en de oogen puilden hem uit het hoofd. “Heer,” zei hij, “gevaarlijk, zeer gevaarlijk... verleden jaar heeft mijn broer...”
“Makhmoed, dat kun je mij later vertellen...”
Maar hij gaat achter mij voort: “Een leeuw doodde een engelschen kapitein... zeer gevaarlijk... schiet goed, o heer!”
In de verte zagen we het hooge gras buigen onder de voetstappen van den koning der dieren, en een tweede gebrul scheen de geheele natuur te doen trillen.
“Hij heeft honger,” herhaalt de Sjikari, “en hij gaat vlug naar het boschje rechts van ons. Wij moeten er zien te komen, eer hij er is.”
Wij gaan verder, en bij den ingang van het boschje stappen we af. Met den vinger aan den trekker en wijd geopende oogen stappen we verder in dat bosch, dat niet groen is, maar roodachtig, juist van de kleur der wilde dieren. Men kan maar op een paar meter afstands zien, en er bestaat kans, dat we ons plotseling neus aan neus met den leeuw zullen bevinden. Op dat oogenblik wijst een van onze drijvers ons de versche sporen van een buffel. Het moet een zeer groote zijn, maar, waarschuwt de drijver, onze verlofbewijzen geven ons niet het recht, buffels te schieten.
“Vooruit, vooruit!” roept mijn vriend, “dood aan den buffel. Al moet ik alle mogelijke boeten betalen, al moet ik ervoor in de gevangenis, de buffel, de buffel!”
Er is met jagers evenmin rede te plegen als met verliefden, en wij gaan weer voort, transpireerend uit alle poriën. Een andere drijver roept ons naar de grens van het bosch. Wij snellen toe, en op 700 tot 800 meter afstands van ons zien we een open ruimte, waarover zich een groote kudde antilopen beweegt! Nu doet zich de vraag voor, of ze van de soort zijn, die wij mogen schieten. Eerlijk gezegd, wij weten er niets van; we zouden het niet kunnen zeggen, als de dieren tien pas van ons verwijderd waren, en dus is het ons totaal onmogelijk op 800 meter afstands.
“Naar den drommel met het verlof,” zegt mijn vriend, “ik zal dan toch een gebraden antilopenboutje hebben, wat het mij ook moet kosten.” Wij sluipen voorzichtig verder, maar bij de wijde, open ruimte, waar de antilopen grazen, durven we niet verder uit vrees, dat de schuwe dieren ons zouden bemerken. Nu niet langer geaarzeld; er moet weer geschoten van de plek waar we staan, een goeden halven kilometer ver.
“Pang, Pang!” knallen de geweren, en op hetzelfde oogenblik vliegt de heele kudde weg! Ze hebben nog geen tweehonderd meter afgelegd, of ze keeren om. Hebben ze den leeuw geroken? Weer vliegen ze in onze richting, maar altijd op 500 meter afstands... Vuur! En gelukkig, twee antilopen bijten in het zand; maar één ervan staat op en hinkt weg. Wij hebben er dan toch één ... het is wel geen leeuw, maar enfin, het is beter dan niets ...
Ik wachtte op Makhmoed, die in het bosch bij de ezels is gebleven, en toen we weer bij ons gezelschap waren bij de gevallen antilope, lijkt het, of mijn beide vrienden elkaar boos aankijken. De één kwam mij tegemoet en zei zacht: “Daar kan men zich nu geen idee van vormen; nu heeft die vent de brutaliteit, te beweren, dat hij de antilope heeft gedood, en ik weet zeker, dat mijn kogel het heeft gedaan!”
Nee maar, dat is aardig! Ze hebben er geen van beiden aan gedacht, dat het wel mijn kogel van geweest zijn! Ik heb niets gezegd, want ik ben er niet zeker van, dat de antilope behoort tot de soort, die wij het recht hebben te jagen... en als er nu een boete is te betalen, moeten zij het maar uitmaken, als ze dan beiden zoo zeker zijn, het doodelijke schot te hebben toegebracht.
Wij brachten na een korte visite aan Faschoda, een bar stuk woestijn, nog een bezoek aan een amerikaanschen zendingspost aan de Sobat, waar de landbouwende paters onder het volk der Sjilloeks veel goed doen. Een der Sjilloekhoofden, Okokwon, bracht een bezoek aan boord, dat wij ook beantwoordden, waarna de heele bevolking van zijn dorp ons naar boord terug geleidde.
De zon stond reeds laag aan den horizon, toen de Abbas Pacha weer den weg naar Khartoem insloeg, den weg tevens naar de beschaving. Het spijt ons, niet dieper in Centraal Afrika te kunnen doordringen, maar de tijd is om, we moeten terug... maar, zoo we hopen, komen we een anderen keer weer!