Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan.

Naar het Engelsch van Dr. T. L. Pennell.1Tekst en illustraties ontleend aan Dr. T. L. Pennell’sAmong the wild tribes of the Afghan frontier”. London, Seeley & Co.

Dorpbewoners uit Bannoe.

Dorpbewoners uit Bannoe.

De overleden generaal Roberts, de groote Lord Roberts of Kabul and Kandahar, heeft voor het verhaal van Dr. Pennell’s ervaringen een inleiding geschreven, waarin gezegd wordt, hoe het werk mededeelingen doet over een arbeid van zestien jaren als dokter-zendeling van iemand, die aan het hoofd stond van een medisch zendingsstation te Bannoe in het uiterste Noordwesten van Britsch Indië. Ofschoon er veel is geschreven over de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan, is er plaats voor Dr. Pennell’s verhaal, dat niet van de militaire expedities vertelt tegen de woelige grensstammen, maar van een vreedzamen arbeid, die genezen en redden bedoelde, waarbij de lang voortgezette en intieme omgang met de inboorlingen hem in staat stelt, interessante kijkjes te geven op het huiselijk en maatschappelijk leven en op het karakter van de nog zoo primitieve stammen.

“Gedurende mijn lange loopbaan in Indië,” zegt Lord Roberts, “ben ik vaak in de gelegenheid geweest, de medische zending na te gaan in haar werkzaamheid, en ik kan getuigen dat ze uitstekend en nuttig werk doet en een factor is, die in de richting van humanizeering arbeidt, en dat haar daarom steun en aanmoediging toekomen.”

Niemand kan Dr. Pennell’s ervaringen volgen, zonder te voelen, dat deze man, die dokter is en het lichaam kan genezen, ook een priester is, die voor den zieken geest veel kan zijn en die de geestelijke nooden peilt, zoowel als de lichamelijke. De auteur zegt zelf, dat de geneesheer overal werk vindt en de handen vol heeft, zoodra hij op zijn station is aangekomen. Het valt hem niet moeilijk, achterdocht en wantrouwen en vooroordeel te overwinnen, en alle oppositie kan hij door vriendelijke en rustige behandeling op zij schuiven, terwijl natuurlijk zijn leven zijn Christendom evenveel eer moet aandoen als zijn woorden. Er is overal wel een deur, die voor liefde en sympathie opengaat en voor practische diensten, en niemand heeft meer gelegenheid, den sleutel voor die deur te vinden dan de dokter.

Op zulk een grens, waar wilde volksstammen wonen, is het leven van den dokter-zendeling dikwijls in gevaar, zooals het lezen van Dr. Pennell’s geschiedenis zal aantoonen; maar bij het ernstig en ijverig vervullen van zijn taak is hij het te boven gekomen.

En hiermee geven wij het woord aan den schrijver.


Na zestien jaren van innige aanraking met de Afghanen en Pathans aan onze Noordwestgrens van Indië, kreeg ik het verzoek, een en ander uit mijn ervaringen te boek te stellen. Ik heb aan dat verzoek voldaan en heb niets vermeld dan wat ik zelf heb ondervonden of wat mij door een vertrouwd vriend is medegedeeld. Wij zijn thans bezig met het bouwen van een nieuw hospitaal in Thal, vlak aan de grens, waar de zending veel invloed kan hebben op de grensstammen. We zullen dat hospitaal den naam geven van Lord Roberts Hospitaal, omdat gedurende den veldtocht van 1879 tot 1880 die plaats het hoofdkwartier was van zijn regiment. De opbrengst van den verkoop van dit boek komt ten goede aan het werk van de zending te Thal.

Het Oosten is een land van tegenstellingen, en het afghaansche volkskarakter is een zonderlinge mengeling van eigenschappen. Moed gaat bij hen samen met slinkschheid, het laagste verraad met de grootste trouw, diepe godsdienstige dweepzucht met een gierigheid, die het geloof te schande maakt, en hartelijke gastvrijheid met een neiging tot diefstal, die onweerstaanbaar schijnt.

Er zijn twee woorden, die voortdurend door een Afghaan in den mond worden genomen, namelijk de woorden izzat en sjarm, die het idee van eer vertolken, opgevat in positieven en negatieven zin, dus zooveel als eer en schande; maar waar die eer in bestaat, kan ook de beste Afghaan u niet vertellen. Soms zal hij meenen, dat hij zijn eer heeft verdedigd door een moord, samengaande met het snoodste verraad; op een anderen tijd wordt die eer op de laagste wijze aangerand, als bij de een of andere plechtigheid hem een plaats wordt aangewezen, in rang niet gelijk aan die van het hoofd, wiens evenknie hij wil zijn.

De vendetta of bloedwraak is diep in het leven van de Afghanen doorgedrongen, en nooit kan het volk op gezonde manier vooruitgaan, als niet de publieke opinie in dat opzicht zich herziet. Op dit oogenblik zijn enkele van de beste families in Afghanistan op het punt van uit te sterven door dit ellendige stelsel. Zelfs de vrouwen zijn er niet vrij van. In 1905 deed zich in Bannoe het geval voor van een man, die op laaghartige manier vermoord was om een betwist stuk land. Men wist algemeen wel wie de moordenaar was; maar daar hij en zijn betrekkingen veel invloed hadden en voor niets zouden terugdeinzen, en de vermoorde geen naaste bloedverwanten had dan één zuster, had niemand er lust in, zijn huid te wagen door te getuigen, zoodat de rechter, toen de zaak vóór kwam, niet tot de veroordeeling kon overgaan.

De zuster beklaagde zich en vroeg, of ze dan geen recht kon krijgen. “Breng mij getuigen,” was al, wat de rechter kon antwoorden. “Heel goed, dan moet ik mijn eigen weg zoeken,” en het meisje ging heen, om te blijven werken met het eenig doel voor oogen, het bloed van haar broeder te wreken, dat haar opriep van uit het graf.

Kort na die rechtzaak gaf ik in de schoolkamer van de zendingsschool les aan een klasse jongens. Het was Vrijdagmorgen, wanneer duizenden van de bergbewoners naar beneden komen voor den wekelijkschen marktdag, en de bazars vol zijn van een luidruchtige menigte, wier geschreeuw tot het schoollokaal doordringt. Plotseling werd een schot gehoord en toen een verward gegil. Ik vloog naar buiten en vond tusschen de menigte een Waziri, die dood op den grond lag. Een kogel had hem het hart doorboord. Het was de moordenaar, die aan het wrekende gerecht ontsnapt was, maar niet aan de hand van den wreker, want de zuster had een revolver verborgen gehouden en was haar vijand genaderd in het gewoel van de menschen, om hem van dichtbij te treffen.

Zij werd op de plaats gearresteerd en ze werd tot levenslangen dwangarbeid veroordeeld. Ik ontmoette haar enkele weken later, toen ze met andere veroordeelden naar haar bestemming werd gebracht, de Andamanen. Haar voornaamste gevoelens waren onderworpenheid en zelfvoldoening. “Ik heb mijn broeder gewroken, en verder is wat er gebeurt, Gods wil; ik ben voldaan.” Met die woorden beantwoordde ze mijn deelneming.

Dat bij die gezindheid de veiligheid in deze grensstreken veel te wenschen overlaat, behoeft niet te verwonderen. Enkele jaren geleden, hadden een troep buiten de wet staanden een dorp versterkt even over de grens en hadden er verzet gepleegd tegen de overheid. Ze gingen voort, in den omtrek te plunderen, waar menige rijke Hindoe bestolen werd, terwijl ze zelfs zoover waren gegaan, de geweren uit een politiepost te stelen. De hoofdman van de bende was Sailgai, wiens vader Mian Khan was, een Waziri van de clan der Sparkai’s. Toen hij nog een knaap was, had Sailgai zich al een knap schutter getoond en spoedig werd hij als zoodanig beroemd. Maar die handigheid bracht hem in aanraking met de desperado’s, die er in de clan waren, en het duurde niet lang, of hij was de aanvoerder van een bende, die er haar werk van maakte, des nachts in te breken bij rijke Hindoes en in winkels. Toen die bezigheid hem begon tegen te staan, werd hij rooverhoofdman op den grooten weg en lag met zijn gezellen op de loer op verschillende plaatsen van den weg Kohat—Bannoe, om bij dag en bij nacht reizigers te overvallen en uit te plunderen.

De volgende stap werd het berooven van geheele dorpen onder intimideering van de bewoners, en Sailgai werd een moordenaar van professie, die van twee- tot vierhonderd roepijen aannam, als hij iemand om het leven bracht, die het den betaler lastig maakte. Toch was hij tot nu toe uit de handen van de justitie gebleven, want als iemand iets tegen hem getuigde, wist hij al gauw te ontdekken wie de man was en bracht dien dan een nachtelijk bezoek, dat òf op een hoog losgeld uitliep òf op den dood van het slachtoffer. Acht jaren geleden ontving hij tweehonderd roebels voor het vermoorden van een Bizoen-Khelwaziri, naar wiens huis hij trok met vijftien handlangers. De Waziri was echter gewaarschuwd en verdedigde zich moedig, en Sailgai moest zevenmaal schieten, eer hij hem gedood had, in welken tijd de broeder van den vermoorde politie had gehaald en Sailgai nazette. Maar toen de politie zag, dat ze hier met een goed georganiseerde bende te doen had, van wapens voorzien, ging ze aan den haal met uitzondering van één man, die op de moordenaars het vuur opende op tweehonderd pas afstands. Hij werd getroffen en buiten gevecht gesteld, zoodat Sailgai en de zijnen veilig wegkwamen. De regeering gaf een belooning aan den enkelen dappere en stelde een prijs op het hoofd van Sailgai, zoodat hij niet op engelsch grondgebied kon komen dan ter sluiks. Hij trok zich toen terug op zijn familiefort te Goematti, dat hij nog meer versterkte en tot basis maakte van zijn strooptochten op gouvernementsgebied.

Die werden intusschen zoo talrijk en hadden zooveel succes, dat de indische regeering wel genoodzaakt was, een colonne tegen de boosdoeners uit te zenden onder kolonel Tonnochy, die het bevel voerde over het 53ste Sikh-regiment te Bannoe, met opdracht, het fort eens en voor altijd met den grond gelijk te maken. Voordat het vuur werd geopend, ging Mr. Donald, een hoofdambtenaar, alleen naar de loopgraven van het fort, om met Sailgai en zijn mede verdedigers te onderhandelen. De lange lijst van misdaden kennend, die hem ten laste kon worden gelegd, antwoordde Sailgai, dat hij vastbesloten was, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen in de vesting, waar hij geboren en grootgebracht was. Tot hun eer moet worden gezegd, dat ze met vuren wachtten, tot de heer Donald bij de zijnen terug was gekeerd. Kolonel Tonnochy bracht de kanonnen tot zestig yards van het fort; maar onder het richten werd hij doodelijk getroffen door een schot van de tegenpartij. Toen de versterking eindelijk genomen was door een bestorming, waren al de gezellen van Sailgai dood en hijzelf was op vier plaatsen gewond. Zoo wist hij zich nog voort te sleepen tot een plek, van waar hij schieten kon op den britschen officier kapitein White, die den aanval leidde, en schoot hem dood, waarna, bijna op hetzelfde oogenblik, de ordannans van den overste aan Sailgai het genadeschot toebracht.

In sommige opzichten heeft de Afghaan zulk een buitensporige ijdelheid in verband met zijn bijzondere opvatting van sjarm, dat hij woedend wordt om een vermeende beleediging en zich soms ten hoogste belachelijk maakt, zoodat hij er zich niet uit kan redden, dan door nog meer van zijn eer te offeren.

Zoo iets had plaats in December 1898. De athletische spelen van de zendingsschool waren aan den gang op de plaats der school, en de staatkundige leiders van de Tochi’s en Wano’s waren in de buurt vergaderd in een jirgah of bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Mahsoeds en Darwesj Khels, afdeelingen van de Waziri’s. Plotseling werd er geroepen: “De Waziri’s hebben ons aangevallen!” en een oogenblik heerschte er de grootste verwarring. Waziri’s zag men de school en de bijgebouwen inloopen, en een groot aantal van de toeschouwers, die naar het spel waren komen kijken, namen overhaast de vlucht. Maar het bleek al spoedig, dat wel verre van ons eenig kwaad te willen doen, de Waziri’s er niets mee te maken hadden, maar dat de Mahsoeds vluchtten voor de Darwesj Khels, die hen achtervolgden en hen achterna zetten in de zendingsgebouwen, waar ze een toevlucht hadden gezocht.

Een Afghaan van over de grens met zijn gezin.

Een Afghaan van over de grens met zijn gezin.

De vergadering had een vreedzaam verloop gehad, totdat een Darwesj Khel in zijn gesticulaties te dicht bij den zetel van den politieken ambtenaar kwam. Een Mahsoed, die het oneerbiedig vond, duwde hem weg met onnoodige heftigheid, zoodat de man viel. De Darwesj Khels in zijn buurt vielen den Mahsoed aan, zeiden, dat hij het uit kwaadwilligheid had gedaan en begonnen hem te slaan. In het volgend oogenblik was de heele vergadering slaags geraakt; maar de Mahsoeds, die verre in de minderheid waren, zochten zich door de vlucht te redden, en daar onze gebouwen het naastbij waren, waren ze onceremonieus bij ons binnengevallen, met hun vervolgers achter zich aan. Er kwam gelukkig niets ernstigs uit voort, en beide partijen konden al gauw lachen om hun heethoofdigheid.

Een in het oog vallende karaktertrek van de Afghanen is hun grootspraak; bluffen doen ze graag, en daardoor lijken ze wel eens geduchter, dan ze zijn, voor diegenen, die niet met hun karakter bekend zijn. Hun ruwheid en tyrannie tegenover wie in hun macht is, zijn afstootend; maar tegelijkertijd hebben ze grooten eerbied voor de verpersoonlijking van macht of bruut geweld en worden trouwe en toegewijde aanhangers van wie ze meenen, dat hun meerderen zijn.

Mij is dikwijls gevraagd, of ik geen revolver bij mij droeg, als ik op reis was onder die wilde stammen. Als een zendeling gewapend was, zou dat niet enkel zijn succes in den weg staan, maar het zou een aanhoudend en ernstig gevaar opleveren. Het zou onmogelijk voor hem wezen, steeds op zijn hoede te zijn; er komen tijden, dat hij door vermoeienis of om andere redenen weerloos is in de handen van de menschen, onder wie hij verkeert. Bovendien is er niets, wat een Afghaan zoo vurig wenscht te bezitten als een vuurwapen en dat hij eerder, ook met levensgevaar, zou stelen, en al zou hij den zendeling anders volstrekt geen kwaad willen doen, de mogelijkheid, een goede revolver of een geweer te krijgen, zou een te groote verzoeking zijn, zelfs als hij er bloed voor moest storten. Mijn plan was, mij geheel in hun handen te stellen en hun te toonen, dat ik hen vertrouwde en in hun gevoel van eer geloofde, alsook in hun traditioneel optreden tegenover hun gasten.

Tegelijkertijd streefde ik ernaar, om hen te laten merken, dat hun grootspraak, waarin ze soms ook tegen mij vervielen, niets bij mij uitwerkte, en dat ik onverschillig was voor hun waarschuwingen en bedreigingen, die vaak van hun kant een list waren, om te zien of ze mij ook konden bedriegen. Eens toen ik in een dorp over de grens was en een paar uren rust nam op het heetst van den dag, kwamen er een paar jonge kerels binnen, die pas aan een strooptocht hadden deelgenomen en nog in opgewonden staat waren. Enkelen van hen waren van meening, dat er nu een goede gelegenheid was aangebroken, om den Dokter-Sahib eens beet te nemen, en al spoedig hield een jonge man zijn geladen revolver op mijn borst en zei: “Nu gaan we u doodschieten.” Ik antwoordde: “Dat zou heel dwaas van u zijn, want jullie hebt meer dienst van mij dan je denkt, en je zou stellig je met mijn middelen vergiftigen, als ik je niet zei, hoe je ze moet gebruiken.”

De oudste van het gezelschap berispte hem toen en bood een soort van verontschuldiging aan voor de ruwheid van de anderen met de woorden: “Het zijn nog maar jongens en ze zijn opgewonden. Let u maar niet op wat ze zeggen. Ik zal wel zorgen, dat u geen kwaad geschiedt.” Bij een andere gelegenheid kwam ik in een dorp over de grens in den laten avond. Er waren veel schavuiten in het dorp; maar het hoofd, onder wiens bescherming ik mij stelde, nam de voorzorg, mijn bed te zetten in een kring van zijn ondergeschikten, zes man, die geheel gewapend waren en die om beurten de wacht zouden houden. Ik had een dag van zwaar werken gehad en was weldra vast in slaap, en dit was mijn behoud, want mij werd den volgenden morgen verteld, dat een paar dwepers mij des nachts hadden willen dooden; maar de anderen zeiden: “Zie, hij heeft zich zonder voorbehoud aan onze bescherming toevertrouwd, en omdat hij vertrouwen heeft, slaapt hij zoo rustig; daarom moet hem in dit dorp niets overkomen.”

Een zwaarddanser van den Khattakstam.

Een zwaarddanser van den Khattakstam.

Niet lang geleden was er een bekend roover aan de grens, Rangin genaamd, die er een gewoonte van had gemaakt, rijke Hindoes te overvallen en hun dan voor een hoog losgeld de vrijheid te schenken. Ik was gewend, ons buitenstation te Kharrak eens in de maand te bezoeken en ging meestal alleen en bij avond. Er werd mij bericht, dat Rangin, dit wetend, mij wilde wegvoeren, om een hoog losgeld te eischen. Den volgenden keer, dat ik Kharrak bezocht, ging ik met opzet aan den weg liggen slapen op een eenzame plek, dat de menschen zouden zien, dat ik niet bang was voor Rangins bedreigingen. Onnoodig te zeggen, dat er niets gebeurde; maar de menschen daar in de buurt verspreidden het gerucht, dat, daar er een engel was, die den Dokter-Sahib beschermde, het nutteloos zou wezen en dwaas, om hem leed te willen doen.

Type van een Waziri.

Type van een Waziri.

Ofschoon de eer, die een Afghaan meent verschuldigd te zijn aan zijn gast, mij dikwijls goed te pas is gekomen, was een enkele maal de inachtneming van de vormen lastig voor mij. Een rijk hoofd kan met niet minder tevreden zijn dan het slachten van een schaap, als hij een gast van beteekenis ontvangt; een armer man kan volstaan met het slachten van een vogel en de bereiding van het nationale gerecht, de pulao. Eens kwam ik in een dorp nog al laat in den avond met een paar van mijn makkers. Het hoofd zelf was afwezig; maar zijn zoon ontving mij met allen eerbied en liet een vogel slachten en kookte een lekkere pulao, waarna wij allen, vermoeid van het dagwerk, spoedig vast in slaap waren. Later was het hoofd aangekomen en had door zijn zoon van onze komst gehoord. “Heb je voor hem de dumba geslacht?” vroeg hij dadelijk, en toen hij van den zoon hoorde, dat hij slechts een kip had bereid, gaf hij daarover zijn ontevredenheid te kennen met de woorden: “Dit zal een blijvende schande voor mij zijn, als het bekend wordt dat, toen de dokter uit Bannoe, de Dokter-Sahib, in mijn dorp kwam, ik enkel voor hem een kip liet slachten. Ga dadelijk naar de kudde en neem een dumba en slacht het schaap; bereid het maal, en als alles klaar is, roep mij dan.”

Type van een inwoner van Kaboel.

Type van een inwoner van Kaboel.

Zoo geschiedde het, dat omstreeks één uur in den morgen wij werden gewekt, en dat ons werd gezegd, dat het hoofd gekomen was om ons te onthalen, en dat het maal gereed was. Het zou niet enkel noodeloos zijn geweest, te protesteeren en te zeggen, dat wij meer behoefte hadden aan slaap dan aan een maaltijd, maar dat zou een beleediging zijn geweest voor zijn gastvrijheid. Dus stonden we vlug op en hielden ons zoo goed mogelijk, en na een begroeting met de gewone vormen aan weerszijde, maakten we ons gereed, om eer te doen aan een luisterrijk maal van gebraden schapevleesch en pulao, voor ons klaar gemaakt.

Type van een Marwati.

Type van een Marwati.

Bij een reis over de grens had ik op den terugweg naar Bannoe een geleide van twee dreigend eruit ziende Afghanen, die tot elke misdaad in staat leken. Ze zorgden echter voor ons naar behooren en brachten ons veilig te Bannoe. Bij aankomst daar bood ik hun eenig geld als belooning voor hun geleide; maar ze weigerden het verontwaardigd, zeggende, dat geld aan te nemen van iemand, die hun gast was geweest, in strijd zou zijn met de traditie. Dus liet ik hen de rest van den nacht doorbrengen in het huis van een van mijn helpers-inboorlingen, met een briefje, om hun een goed maal voor te zetten en ze vroeg in den morgen naar huis te zenden. Hij gaf hun het maal, maar toen hij den volgenden morgen opstond, zag hij, dat ze al waren verdwenen met al zijn goede kleêren.

Type van een Mahsoed.

Type van een Mahsoed.

Onder de Afghanen is diefstal min of meer een verdienste, al naar gelang van de behendigheid en den moed, die ervoor noodig zijn geweest, en van het succes bij het ontgaan van vervolging. Twee jaar geleden bracht een Afghaan zijn dochtertje bij ons voor een oog-operatie. De operatie was goed gelukt, en de dag kwam, dat het meisje kon worden ontslagen. De oogen van den Afghaan waren intusschen gevallen op mijn paard; hij bedacht, hoe bruikbaar de merrie voor hem zou zijn op zijn tochten, en den avond na zijn vertrek bemerkten wij, dat hij met een vriend was gekomen en het paard had gestolen. Ongelukkig voor het succes van de onderneming had hij een vijand, die, toen er een belooning werd uitgeloofd voor de ontdekking van den dief, dacht, dat hij zich wel kon verrijken en tegelijk een oude grief uitwisschen. De schuldige was nu al met zijn buit veilig over de afghaansche grens gekomen in Khost, en geen uitleveringswetten gelden daar. Andere leden van den stam woonden in Britsch Indië en zouden met hun gezinnen naar de bergen trekken bij het toenemen van de zomerhitte. De deputy-commissioner riep de hoofden van den stam bij elkander en deelde hun mede, dat als ze niet zorgden voor de teruggave van de merrie, hij tegen zijn zin genoodzaakt zou zijn, bevelen te geven, dat ze niet met hun gezinnen in de bergen mochten trekken. Eerst protesteerden ze, dat ze niets te zeggen hadden over den dief, dien ze zelf uit den stam hadden gezet, omdat bij een schurk was; maar toen ze merkten, dat de ambtenaar hen te goed kende, gingen ze ertoe over, iemand naar Khost te zenden, die met het paard terugkwam. De man, die door zijn tusschenkomst het dier mij terug gaf, heeft zich van dien tijd af steeds voorgedaan als mijn weldoener, en verwachtte allerlei gunsten als loon. De diefstal werd algemeen afgekeurd door den stam, maar vooral omdat de omstandigheden de mislukking hadden teweeggebracht.

Bekende dieven en misdadigers hebben vaak van het zendingshospitaal gebruik gemaakt, als ze leden aan koorts of een andere kwaal, die hen tijdelijk hinderde, maar natuurlijk kwamen ze onder andere namen en trachtten ze hun identiteit te verbergen. Het is toch maar te hopen, dat ze gebruik maken van de toespraken en den goeden raad, die hun dagelijks worden voorgehouden, terwijl ze onder behandeling zijn. Soms, zooals in het geval dat ik ga vertellen, wordt hun identiteit bekend. Eenige jaren geleden lag in “bed 26”, het Zuidzeebed, zooals het genoemd werd, Zaman, een bekende dief, die aan chronische dysenterie leed en meer dan twee maanden werd behandeld. Hij sukkelde en het ging op en neer, maar blijkbaar was hij te ver heen, toen hij werd opgenomen. Hij luisterde aandachtig naar het voorlezen uit den Bijbel en gaf soms voor, dat hij er in geloofde, maar gaf geen blijk van berouw over zijn vroeger leven. Maar toen men hem had voorgehouden, dat er geen kans op herstel was, liet hij een politieman halen, om dien de namen op te geven van zijn vroegere vrienden, hopende niet enkel, dat ze gevangen zouden worden genomen en gestraft, omdat ze hem hadden weggezonden, toen hij te ziek en te zwak was om hun slechte praktijken mee te bedrijven, maar ook om een belooning te krijgen voor de verstrekte inlichtingen. Hij ging langzamerhand achteruit en stierf onder de belijdenis van een geloof in Christus; maar alleen Hij, die het hart kent, weet wat dat beteekende. Ik denk niet, dat hij verklikker zou zijn geworden, als niet de medeplichtigen hem in zijn nood in den steek hadden gelaten.

Geen beschrijving van het leven der Afghanen zou volledig wezen, als men niet sprak over de openbare danspartijen. Ze hebben plaats ter viering van een stamovereenkomst of van het ophouden van vijandelijkheden tusschen twee stammen of afdeelingen. Men kan ze alleen in optima forma zien over de grens, want in Britsch Indië zijn die danspartijen door de meer vreedzame vermaken van het volk en het ontbreken van de benoodigde vuurwapens in onbruik geraakt. Aan de andere zijde van de grens wordt een vlak terrein uitgekozen, en in het midden wordt een post geplaatst. De mannen gaan in al wijder kringen rondom dit middelpunt staan en draaien er omheen, steeds het middelpunt aan hun linkerhand houdend, en zwaaiend met hun zwaarden. De oudste en minst vlugge van de krijgers vormen de middenkringen; meer naar buiten ziet men de jongelui, die met verbazende vlugheid ronddansen, vaak met een geweer in de eene en een zwaard in de andere hand, of ook wel een zwaard in iedere hand, welke wapens ze beurtelings boven hun hoofd zwaaien. Meer aan den buitenkant bevinden zich de kringen van de ruiters, die tegelijk hun vlugheid te paard en hun behendigheid met zwaard of geweer aan den dag leggen. Aan den eenen kant staan de dorpsmusici, die door trommen en fluiten voor de begeleiding zorgen. Ze beginnen langzaam, en men ziet alle kringen zich bewegen met afgemeten tred; daarna wordt de muziek al vlugger, de dansers worden meer en meer opgewonden, en wie toekijkt krijgt den indruk van een warrelende massa sabels en geweren. De geweren zijn vaak geladen en worden nu en dan afgeschoten, waarna de wendingen van de ruiters drukker worden, zoodat men zich verwondert, dat er geen hoofden en armen worden afgeslagen door de overal flikkerende sabels. Plotseling zwijgt de muziek, en allen houden stil, om weer op adem te komen, maar beginnen dadelijk weer, tot ze uitgeput zijn. De opwinding en de ingewikkelde figuren worden vaak precies gelijk aan den werkelijken oorlog, en de geschiedenis eindigt dan ook soms met bloedvergieten. Bij een zekere gelegenheid viel een man neer, en onder het vallen liet hij zijn geweer afgaan met het noodlottige gevolg, dat een andere danser getroffen werd. De moordenaar zonder opzet zou op hetzelfde oogenblik en op de plaats gedood zijn, als zijn vrienden hem niet haastig naar huis hadden gebracht, al vechtende onder het vluchten. Op die manier wordt er soms aanleiding gegeven tot het ontstaan van een bloedveete, die een dorp in twee partijen verdeelt, en die niet eindigt eer enkele van de dapperste bewoners gevallen zijn als slachtoffers.

Bij een andere gelegenheid zat ik met eenige Afghanen in een huis in het dorp Peiwar in het Koeramdal. De meeste huizen stonden aan weerszijde van een lange straat, die in de lengte door het dorp liep, en ik merkte op, dat er tusschen de huizen aan elke zijde van de straat kleine deurtjes waren gemaakt. Toen ik naar het doel daarvan onderzoek deed, werd mij verteld, dat er eenigen tijd geleden een groote strijd in het dorp was gevoerd. De eene kant van de straat stond aan den eenen en de andere zijde aan den anderen kant van de strijdende partijen, en nu lagen ze voortdurend op de loer, om op elkander te schieten over de straat. De eenige manier, om naar de rivier te gaan, was van het eene huis door het andere te loopen naar het benedeneind van de straat, en om dat te kunnen doen zonder te worden opgemerkt, had men deuren gemaakt, terwijl buitendien bij afspraak bepaald was, dat er niet geschoten zou worden, als men naar beneden naar de rivier ging. Mijn gastheer kon mij verscheiden gaten laten zien in zijn deur en de houten kozijnen van de vensters, die gemaakt waren door de kogels van zijn buren aan den anderen kant van de straat, en zei: “Achter dit gat in de deur werd mijn oom doodgeschoten; die opening in het raam werd gemaakt door den kogel, die mijn broeder trof.”

Wijzend op een anderen Afghaan, die in de kamer was gekomen en op het bed was gaan zitten, zei hij: “Dat is de man, die mijn broer doodschoot.” Toen ik een opmerking maakte over de vriendelijkheid en eensgezindheid, die er tusschen hen scheen te heerschen op dat oogenblik, zei hij: “Ja, wij zijn nu goede vrienden, omdat de schuld aan beide zijden gewroken is. Ik heb hetzelfde aantal leden van zijn familie gedood.” Na een strijd van dezen aard worden de noodlottige gevallen aan weerszijden opgeteld, en als ze even groot zijn, voelt men aan weerskanten, dat men vrede kan sluiten zonder de izzat of eer op te offeren, en de vriendschappelijke verhouding wordt hersteld, terwijl het onnoodig wordt geacht, een onderzoek in te stellen naar de opruiers of de moordenaars. Indien echter de eene partij zich nog gegriefd acht of nog niet het volle aantal slachtoffers heeft gemaakt, dat de wet der wrake eischt, kan de strijd tot in het oneindige worden voortgezet, tot geheele families bijna uitgeroeid zijn. De wreker zal blijven uitzien naar een gelegenheid maanden en jaren lang; maar vergeten zal hij niet, en evenmin zal een ander den gejaagden blik, de schuwe uitdrukking in de oogen en het zenuwachtig hanteeren van de revolver vergeten, waardoor zich de man onderscheidt, die weet dat één of meer zulke wrekers op hem loeren.

Oude vrouw, die vertelt van bloedwraak in haar familie.

Oude vrouw, die vertelt van bloedwraak in haar familie.

Een civiel bestuurder in het Koeramdal bezocht eens een hoofd in het dorp Shlozan, iemand die, als alle hoofden, een hoogen toren bezat, waar hij voor zijn vijanden zich veilig kon voelen. Zijn gastheer nam hem mee naar den toren, na nauwkeurig te hebben onderzocht, of het venster van de bovenverdieping gesloten was. De ambtenaar, die meende, dat de man naar het landschap buiten wou kijken, ging heen om het venster te openen, maar werd haastig en dringend teruggeduwd door het hoofd, die hem vertelde, dat zijn neef dat raam maanden lang had bespied in de hoop op een gelegenheid, om hem daar dood te schieten. De ambtenaar deed geen verdere pogingen, maar eenige maanden later hoorde hij, dat zijn vriend, het dorpshoofd, de onvoorzichtigheid had gehad, naar het open venster te gaan, en dat hij er door zijn neef was doodgeschoten.

De vijandigheid tusschen neven is zoo groot in Afghanistan, dat er een spreekwijze is ontstaan, waarin wordt gezegd, dat iemand “een even erge vijand is als een neef”. Dat is een gevolg van het feit, dat de oorzaken van zulke veeten juist dikwijls ontstaan tusschen menschen, die in familiebetrekking tot elkander staan. Want de aanleidingen van negentig percent van die twisten worden door de Afghanen gebracht onder drie rubrieken: zan, zar, en zamin, dat zijn de drie perzische woorden voor vrouwen, geld en land. Op al die punten zullen neven eerder met elkander in botsing komen dan vreemdelingen.

Wat de afkomst der Afghanen betreft, wordt er nog al eens gestreden over de vraag, of ze eigenlijk Joden zijn of niet. Er zijn twee groepen, de een neemt het als een vaststaand historisch feit aan, dat ze afstammen van de verloren tien stammen van Israël, en de andere verwerpt alle israëlietische afstamming, maar neemt wel aan, dat de Afghanen met het Mohammedanisme ook enkele joodsche eigenaardigheden hebben overgenomen. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de gelaatstrekken van de Afghanen iets sterk Joodsch hebben, en als wij zoo kijken naar de bezoekers van onze ziekenafdeeling, zien we vaak een of anderen ouden grijsaard van zuiver afghaansche afkomst, die iemand onwillekeurig zou doen uitroepen: “Die man zou uitstekend kunnen doorgaan voor een van de oude patriarchen van de Israëlieten, uit de bijbelsche geschiedenis tot ons gekomen!”

Alle mohammedaansche volken moeten naar de herkomst van hun godsdienst veel gebruiken en plichten hebben, die joodsch zijn, want Mohammed zelf nam die aan van de Joden om hem heen; maar er zijn er minstens twee, onder Afghanen algemeen en niet bij mohammedaansche volken in de buurt, die sterk herinneren aan een joodschen oorsprong. Het eerste hier bedoelde gebruik, dat heel algemeen is, is het offeren van een dier, meestal een schaap of een geit, in geval van ziekte, waarbij het bloed van het dier tegen de deurposten wordt gesprenkeld van den patiënt, zoodat de engel des doods wordt afgeschrikt.

Groep patiënten in het hospitaal te Bannoe.

Groep patiënten in het hospitaal te Bannoe.

Het andere gebruik, dat niet zoo algemeen is en schijnt te verdwijnen, is het beladen van een bok met de zonden van het volk en het uitdrijven van het dier in de woestijn. Bovendien hebben de Afghanen meer dan ieder ander volk een liefhebberij voor joodsche namen, namelijk bijbelsche, en David, Salomo, Abraham, Job, Jacob en veel andere patriarchen komen dagelijks voor op de lijsten van onze hospitaal-patiënten. Namen uit het Nieuwe Testament, zooals Mihtar Esa, dat is koning Jezus, en Simon komen ook wel voor.

Groep buitenpatiënten in het zendingshospitaal.

Groep buitenpatiënten in het zendingshospitaal.

Maar een sterk bewijs tegen de joodsche afkomst is het zoo goed als afwezig zijn van hebreeuwsche woorden in hun taalschat, wat echter ook voor een deel verklaard kan worden door de vermenging eerst met chaldeeuwsche en later met arabische elementen. De Waziri’s hebben een overlevering omtrent hun afkomst, die, al mag de gelijkenis met den bijbel toevallig wezen, wel interessant is, nu men ze aantreft bij zulk een wild en barbaarsch volk.

Die overlevering is, dat een zekere voorvader twee zoons had, Issa en Missa, waarschijnlijk Jezus en Mozes, van wie de laatste een herder was, die eens, toen hij zijn kudden hoedde op de heuvels, een lam had verloren, dat afgedwaald was en niet kon worden teruggevonden. Missa liet zijn andere schapen in den steek en ging het verloren schaap zoeken. Drie dagen en nachten zwierf hij rond in de jungle, zonder het dier te kunnen vinden. Op den morgen van den vierden dag trof hij het aan in een afgelegen dal, en in plaats van er boos op te zijn, nam hij het in zijn armen, kuste het en bracht het veilig bij de kudde terug. Om die daad van liefde zegende God hem en liet hem stamvader worden van den stam der Waziri’s. Ofschoon het ons waarschijnlijker in de ooren zou klinken, als de daad aan Issa was toegeschreven dan aan Missa, toch heeft deze overlevering mij vaak den tekst geleverd voor de uitlegging van het bijbelverhaal, als ik de menschen van dit primitieve volk toesprak.

Groep van melaatschen bij een ziarat of offerplaats in Hazara.

Groep van melaatschen bij een ziarat of offerplaats in Hazara.

Ofschoon de Afghanen vol ijver zijn in het belijden van hun godsdienst, zijn er toch velen onder hen, zoo onwetend op het punt van de leer, dat de meer beschaafde Mohammedanen er bezwaar tegen hebben, hun een plaats toe te kennen in de rijen der geloovigen. De Waziri’s bij voorbeeld, die altijd bereid zouden zijn, deel te nemen aan een godsdienstoorlog, weten niet alleen heel weinig van de grondwaarheden van het Mohammedanisme, maar hebben eigenlijk van den godsdienst niets anders overgenomen dan de vereering voor heiligen en graven. De Afridi’s zijn in dat opzicht al niet veel verder, en er wordt verteld, dat een afdeeling van dien stam, toen een andere stam hun verwijten deed, omdat ze geen graf van een heilige hadden, ertoe overging, een Seyed, die beroemd en hoog in aanzien was en die hun land bezocht, om het leven te brengen, hem te begraven en tot op den dag van heden er een eer in te stellen, op zijn graf te bidden.

De bergen aan de grens zijn vaak kaal en hebben geen velden en woningen te vertoonen, maar men kan niet ver gaan, of men komt bij een ziarat of heiligengraf, waar de vromen bidden en geloften afleggen. Zoo’n heiligdom ligt dikwijls op een ontoegankelijke plaats op een bergtop of op een klip. Rondom het graf zijn afgeknotte boomen, en aan de takken daarvan hangen een massa lappen en lapjes gekleurd katoen, want ieder pelgrim, die een gelofte aflegt en met een smeekbede komt, moet een lap bij, de andere voegen, als uiterlijk teeken van zijn gelofte. Wij geven de afbeelding van een beroemd heiligdom op het Soeleimangebergte. Ondanks de ontoegankelijkheid bezoeken jaarlijks honderden bedevaartgangers de plek, en zieken worden in hun bedden omhoog gedragen in de hoop, dat de zegen van den heilige hen moge genezen. Zulke patiënten worden soms met hun bed op kameelen gebonden of worden op de schouders van hun vrienden meer dan honderd mijlen ver naar de een of andere ziarat gedragen. In sommige gevallen kan het best zijn, dat de verandering van lucht en de verwisseling van de muffe ziekenkamer, die donker en ongeventileerd is, voor de open lucht, tegelijk met den prikkel van verandering van klimaat en omgeving, hun aandeel hebben in de genezing, die nu en dan ontwijfelbaar volgt.

Een andere eigenaardigheid van die heiligengraven is, dat hun heiligheid en onaantastbaarheid zoo algemeen worden erkend, dat voorwerpen van persoonlijk bezit er gerust door de eigenaars langen tijd onbewaakt kunnen worden achtergelaten in het volste vertrouwen, dat ze de voorwerpen bij hun terugkomst onbeschadigd terug zullen zien. Dit is te meer opmerkelijk, als men bedenkt, dat deze stammen dieven van professie zijn en volstrekt geen misdaad zien in rooverij. De inwoners van een bergdorp kunnen naar de vlakte trekken in de wintermaanden en hun bedden, potten en pannen en ander huisraad onder de boomen van een naburig heiligengraf achterlaten, en bijna zeker vinden ze alles bij hun terugkomst eenige maanden later precies in orde weer op dezelfde plaats. Een bepaald voordeel van die heilige plaatsen is nog, dat het een zonde is, hout te kappen van een van de hen omringende boomen. Zoo zijn vaak die graven de eenige groene plekjes tusschen de heuvels en bergen, waar het onverschillige vandalisme van de stammen alle boomen en struikgewas al lang heeft uitgeroeid.

Graven hebben altijd een bijzondere heiligheid in de oogen der Afghanen, grooter nog dan bij andere mohammedaansche volken, en veelal zult ge een Afghaan, die voorbij een kerkhof rijdt, zien afstijgen en, gaande naar het een of ander in het oog vallend graf, dat het stoffelijk overblijfsel van een heilig man moet bevatten, houdt hij zijn handen omhoog in de houding van den biddenden Mohammedaan en roept den zegen van den heilige in voor zijn reis, om dan over zijn baard te strijken, zooals de Mohammedanen gewoonlijk doen als besluit van hun gebeden. Er zijn weinig kerkhoven, die niet een of ander heilig man herbergen of een fakir. Heel dikwijls is zelfs de aanwezigheid van zulk een heilige eenvoudig de reden, waardoor op een afgelegen plaats een kerkhof is ontstaan, omdat allen in den omtrek hun graf willen hebben dichtbij het zijne, in het geloof, dat op den dag der opstanding zijn heiligheid hun zonden en tekortkomingen zal goedmaken en hun stellig en zeker tot de zaligheid zal doen ingaan.

De graven liggen altijd in noord-zuidelijke richting, en als men een gat heeft gegraven, meer of minder diep in overeenstemming met den aard van den grond, wordt er aan eenen kant een nis uitgehold, gewoonlijk aan de westzijde, en het lijk wordt gelegd in de nis, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Er worden dan steenen om den rand van de nis gelegd, zoodat als de aarde in de opening wordt geworpen, er niets op het lijk komt, dat enkel is gewikkeld in een laken, daar doodkisten nooit worden gebruikt.

Er worden allerlei wonderen verteld van de graven van heiligen, en wel het algemeenst is het geloof, dat ze in lengte kunnen toenemen, en dat die toeneming een bewijs is voor de aanneming van de gebeden van den gestorvene door den Almachtige. Naast het zendingshuis in Peshawer was zulk een graf, dat ieder jaar een voet langer werd. Toen het zeven-en-twintig voet lang was geworden, was het vooruitgedrongen tot aan den openbaren weg, en eerst nadat er een officiëele order was uitgevaardigd door de districtsautoriteiten, dat de verdere groei van den heiligen man moest ophouden, hield het graf met groeien op. Dat graf is in den omtrek nog bekend als het Negenellengraf en wordt door een groot aantal geloovigen ieder jaar bezocht in de hoop, dat het hun voordeel zal aanbrengen.

Het gebruik van toovermiddel en of amuletten is algemeen. De kinderen van de rijken kan men zien met colliers van amuletten, geborgen in kleine zilveren doosjes, om den hals, terwijl zelfs de armste arbeider een amulet heeft, gewikkeld in een stukje leêr en gedragen om den hals of om den arm gebonden. Die amuletten zijn meestal verzen uit den Koran, overgeschreven door den een of anderen beroemden mollah en door hem gezegend; andere zijn kabbalistische zinnen of woorden, terwijl weer andere gewone lapjes zijn of stukjes papier, die door een heilig man gezegend zijn.

Bij meer dan één gelegenheid heb ik mijn recepten tot amuletten verheven gezien, omdat de zieke meende, dat dit meer zou helpen, dan te gebruiken wat het hospitaal hem aan geneesmiddelen meegaf. Een patiënt verzekerde mij, dat hij nooit meer last van rheumatiek had gehad, waar hij vroeger zooveel aan had geleden, nadat hij een recept, waarin ik hem wat salicyl had voorgeschreven, om den arm had gebonden, ofschoon hij nooit het drankje had ingenomen. Bij een andere gelegenheid bevond ik, dat een man, die grijze poeders had gekregen met een aanwijzing, hoe hij ze moest innemen, ze in plaats daarvan met papier en al in een pakje had gebonden, dat hij in leêr had genaaid en om den hals had gehangen met, naar hij mij verzekerde, de gunstigste uitwerking.

Hieruit kan men vrijwel afleiden, dat mollahs en fakirs, die beweren, dat ze het vermogen bezitten, om amuletten te maken voor alle bekende kwalen en die dingen in het groot aan de menschen verkoopen, zich vaak heel wat sneller verrijken dan een dokter, die de zieken op de gewone wijze behandelt. Eens toen ik in het kamp was, ontmoette ik een goochelaar, die op die manier schatten verdiende. Hij had een groot deel van Zuidwest Azië bereisd, maar bleef nergens lang, daar zijn behandeling spoedig haar kracht zou verliezen, als hij de eerste dagen van het nieuwtje liet voorbijgaan. Een van zijn verrichtingen was, door een vuur te loopen, zoogenaamd door de tooverkracht van de mohammedaansche kalima. Er werd een gat gegraven in den grond en gevuld met houtskool en hout, dat werd aangestoken. Nadat het vuur wat was gaan luwen, werd de nog gloeiende asch met stokken gebluscht, maar terwijl ze nog een beetje gloeide, liep de fakir onder het zingen van de kalima er kalmweg overheen, waarna hij de stoutmoedigsten onder zijn geloovig publiek uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen, hun verzekerende, dat, als ze de geloofsformule met hetzelfde vuur als hij opzeiden, hun geen leed zou geschieden. Enkelen deden de proef zonder noemenswaardig nadeel; anderen kregen wonden aan de voeten. Die ongelukkigen werden uitgelachen door de anderen en beschuldigd, geen echte Mohammedanen te zijn, zoodat hun de immuniteit was onthouden, toen ze de formule opzeiden.

Elken morgen en elken namiddag maakte de fakir zich gereed, om de patiënten te ontvangen, die in massa toestroomden, toen ze van zijn roem hoorden. Elke zieke moest den assistent een sommetje betalen en werd dan naar den fakir gebracht, die op een mat bleef zitten. De fakir vroeg hem een paar dingen over den aard van zijn ziekte, schreef de amulet voor en ging over tot den volgenden patiënt. Drie- of vierhonderd menschen konden bij één zitting worden behandeld, wat als resultaat van een dag werkens voor den fakir een som van ongeveer veertig gulden meebracht. Nu gingen er natuurlijk dagen met reizen heen, en ze waren niet alle even voordeelig, maar zijn uitrusting en zijn manier van reizen bewezen wel, dat het geen onvoordeelig zaakje was.

Hij at bij ons in het kamp en toen het eten bijna was afgeloopen, kwam een assistent bij hem en zei, dat er veel menschen buiten stonden, die om amuletten vroegen. Met een verontschuldiging tot mij voor de storing, nam hij een stukje papier, scheurde het in vierkante stukjes en gaf die aan den assistent, om mee te werken. In sommige gevallen, vooral bij rheumatiek of verouderde kwalen of verstuikingen, deed hij aan massage en wrijven, waardoor stellig de uitwerking van de amulet krachtiger werd.

De medische en chirurgische behandeling van de fakirs is verschrikkelijk ruw. Soms komen wel kruidkundigen uit Indië in Afghanistan en beoefenen een soort van hippocratische geneeskunde; maar de inlandsche, geneesheeren weten heel weinig van de medische wetenschap. Hun twee gewone behandelingen zijn de dzan en de dam. Dzan is een behandeling, die gewoonlijk wordt toegepast in geval van koorts, zoowel acute als chronische, en bestaat daarin, dat men den patiënt uitkleedt en naakt op bed legt. Een schaap of een geit wordt dan geslacht en vlug gevild. De zieke wordt in de huid gewikkeld en dan met een aantal dekens nog bedekt. Als ze uitwerking heeft, werkt deze behandeling door het opwekken van een heftige transpiratie, en als de bedekking wordt weggenomen, wat geschiedt op den tweeden dag in den zomer en op den derden in den winter, treft men den patiënt vaak zonder koorts aan maar verzwakt en uitgeput door het vele zweeten. Als de eerste toepassing niet helpt, mag men de behandeling verscheiden keeren herhalen.