Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela.

Straat te Honda.

Straat te Honda.

I

Den zesden Augustus 1881 vertrokken wij met de transatlantische boot Lafayette uit Saint-Nazaire en kwamen omstreeks veertien dagen later te La Guaira, de haven van Caracas, die ten gevolge van de hevige branding dikwijls zeer moeilijk te bereiken is. La Guaira, amphitheatersgewijze tegen de berghellingen gebouwd, is eene zeer schilderachtige stad met smalle onregelmatige straten, die slecht zijn geplaveid en door lage huizen omzoomd. De roode pannen der bijna platte uitstekende daken, de blauwe of groene tralies voor de vensters, de wit of geel gepleisterde muren brengen toon en kleur in de donkere massa van de in schaduw gedompelde straten. Een bergstroom, waarover zonderlinge bruggen zijn geslagen, loopt midden door de stad. Aan de zeezijde wordt La Guaira door wallen verdedigd; voorts heeft men nog een fort, op een heuvel gebouwd, dat de stad bestrijkt.

Het volgende station is Puerto-Cabello, aldus genoemd omdat, zoo als men beweert, een schip zich daar met een haar zou kunnen vastmeeren. Zooveel is zeker, dat de haven volkomen veilig en tegen alle winden gedekt is. De straten zijn hier breeder en regelmatiger dan te La Guaira. Wij maken eene wandeling door een soort van park, waarvan het onderhoud veel te wenschen overlaat.

Den zes-en-twintigsten Augustus komen wij eindelijk op de reede van Savanilla, en zien vergeefs uit naar eene veilige haven. Weldra steekt eene kleine stoomboot van wal en komt naast ons liggen om de reizigers en de goederen over te nemen. Onze bagage is niet zwaar of omvangrijk: nauwelijks weegt zij voor ons vieren driehonderd pond. Zij wordt in de boot overgeladen, en na afscheid genomen te hebben van onze medereizigers, dalen wij ook zelven in de boot af. De stoomfluit gilt: wij stoomen naar den columbiaanschen oever.

De lucht is betrokken; er broeit een onweer; het is bladstil en ondragelijk heet. Volgens een aanplakbiljet aan boord van de boot, kan men hier plaatskaartjes nemen voor den spoorweg naar Barranquilla: van welke gelegenheid wij ons haasten gebruik te maken. Welhaast bereiken wij de haven van Salgar-Savanilla; de stoomboot stopt aan den steiger, waarop rails liggen die naar het station voeren. Wij hebben niet veel tijd noodig om een kijkje te nemen van het dorp Salgar-Savanilla, eene zeehaven en het aanvangspunt van den spoorweg naar Barranquilla: het gansche dorp bestaat uit acht hutten van planken en palmbladen. De spoorweg en eene smalle strook gronds met wortelboomen bezet scheiden dit dorp van de zee. Een soort van loods of schuur dient den reizigers tot wachtkamer. Wij moeten daar eenige eindelooze uren doorbrengen, wachtende op den trein die ons naar Barranquilla zal voeren.

Onder de passagiers van de Lafayette bevindt zich een jonge Columbiaan, de heer Villavécès, met wien wij aan boord kennis hebben gemaakt. Het is iemand van een vroolijk, aangenaam humeur, beminnelijk, voorkomend, ietwat grillig, eene kunstenaarsnatuur. Hij had eenige maanden te Parijs doorgebracht, om zich daar te bekwamen in zijn vak als lithograaf; hij doet ook wat aan het schilderen en teekenen in waterverf. Hij moet de Magdalena opvaren tot Honda; en daar wij dienzelfden weg moeten volgen, nemen wij met groot genoegen zijn voorstel aan, om ons tot die stad gezelschap te houden.

Omstreeks half vijf worden de reizigers eindelijk gewaarschuwd en vertrekt de trein naar Barranquilla. De wagens zijn verre van gemakkelijk, maar op eene zoo weinig bezochte lijn kan men ook niet veel beters verwachten. Wij rijden door eene lage moerassige streek, vol plassen en poelen. De boomen, die deze plassen omringen, hebben groote, boven den grond uitstekende wortels, en vertoonen eenige gelijkenis met reusachtige spinnen, die haar pooten hoog oplichten om ze niet nat te maken. De plantengroei herinnert in het algemeen niet aan de heete luchtstreek: palmen zijn bij voorbeeld nergens te ontdekken.—De trein stopt drie of viermaal, vermoedelijk aan stations, waarvan echter geen spoor te zien is. Misschien moeten de op den grond liggende boomstammen het toekomstige stationsgebouw verbeelden. Inmiddels is de hemel al donkerder en donkerder geworden; juist als wij het station van Barranquilla binnenstoomen, begint het te weerlichten. Voor het station staan eenige lichte, open, zoogenaamde amerikaansche rijtuigjes. Nauwelijks hebben wij daarin plaats genomen, of het onweer barst los. Gelukkig zijn wij spoedig aan het hotel San-Nicolas, wel een beetje nat, maar overigens ongedeerd. Onze bagage, welke door de douane te Salgar-Savanilla is achtergehouden, zullen wij eerst morgen krijgen. Men geeft ons eene kamer met drie bedden, voor Villavécès, mijn reisgenoot Lejanne en mijn persoon. Behalve de drie bedden zijn er in de kamer nog drie waschtafels en een stoel: ziedaar het gansche ameublement.

Den volgenden morgen zijn wij reeds ten zes uren op de been: wij betalen onze rekening en haasten ons naar het station om onze bagage in ontvangst te nemen. Het douanekantoor gaat eerst om acht uren open. Op het bepaalde uur komen wij terug. Onze koffers worden niet onderzocht, maar eenvoudig gewogen; elk reiziger heeft honderd pond bagage vrij; van ieder pond daarboven moet men drie francs betalen. Onze koffers blijven beneden het bepaald gewicht: ik kan dan ook niet begrijpen, hoe men ons toch twaalf francs in rekening kan brengen. Misschien is dat een soort van entréegeld. Gelukkig blijkt het, dat men onze bagage met zorg heeft behandeld en dat niets beschadigd is.

Wij nemen nu onzen intrek in het hôtel Colombia, waar men ons eene ruime kamer geeft met eene breede veranda. Alles ziet er netjes uit, en ook het eten is goed. De tafel wordt naar landsgebruik bediend: men neemt van alle gerechten te gelijk. Lejanne kijkt wel wat vreemd, als hij op zijn bord eene aardige collectie bijeen ziet van vleesch, visch, eieren, groenten, sla, gebakken bananen. Nog meer verbaast hem het stuk kaas, dat ons, na afloop van den maaltijd, met een kop chocolade wordt toegediend.

In den namiddag gaan wij eene wandeling doen door de stad, die op een lagen vlakken bodem is gebouwd. De straten zijn vrij breed; de rijweg is met zand bestrooid en door den regen met diepe geulen doorploegd; ter wederzijde loopen vrij hooge steenen voetpaden. De huizen zijn gelukkig niet allen aan elkander gelijk. De grooteren zijn met breede veranda’s voorzien en schijnen hun pannen daken beschermend uit te strekken over hunne nederige buren, die slechts met palmbladen zijn gedekt. De kleurenwisseling van witte muren, blauwe tralies, roode pannen, maakt in de zon een aardig effect. Eene niet minder aardige vertooning zijn de waterdragers of aguadores, die het water uit de Magdalena door de stad rondventen. Men kan zich haast niets wonderlijkers denken dan hunne kleine ezels, bijna verdwijnende onder de twee vaten, ter wederzijde van het zadel bevestigd; terwijl de aguador zelf, meestal een flinke kerel, tusschen die twee vaten zit, met de beenen gekruist over den hals van het rustig voortdravende dier, dat den ganschen dag met dien zwaren arbeid bezig is. Des nachts is de ezel geheel vrij; dan mag hij, onder den regen, in de nachtelijke koelte, door de straten ronddolen en zich te slapen leggen waar het hem behaagt. Des morgens keert hij trouw naar zijn meester terug om zijn dagtaak te hervatten.

De inwoners vertoonen zich weinig op straat, uitgezonderd de kleurlingen, wier aantal vrij groot is. Tegen den avond echter worden de voetpaden langs de tuinen met stoelen bezet, waarop koperkleurige vrouwen met lange gitzwarte hairen plaats nemen. In de veranda’s ziet men, in gemakkelijke houdingen, meer aanzienlijke dames, wier matbleeke kleur en zwarte mantilles hare spaansche afkomst bewijzen. De mannen zijn mager, beenig, gebruind door de zon, ondanks hunne groote panamahoeden. Bijna allen dragen den poncho. In den laatsten tijd hebben zich eenige vreemdelingen te Barranquilla gevestigd; de handel is voornamelijk in handen van Engelschen en Duitschers; de hier woonachtige Franschen zijn voor het meerendeel kappers.

Den negen-en-twintigsten Augustus nemen wij plaats op de stoomboot Jose Maria Pino, die ons naar Honda, op driehonderd-zestig mijlen afstand van Barranquilla, moet brengen. Van daar zullen wij ons vermoedelijk naar Bogota begeven. De Jose Maria Pino is eene raderboot, met een diepgang van vijf voet: hetgeen veel is voor de vaart op deze rivier, welke op een aantal plaatsen aan diepte verliest wat zij aan breedte wint, en wier bedding bezaaid is met hoog liggende zandplaten, welke zich voortdurend verplaatsen. De vuren worden met hout gestookt. De boeren langs de oevers stapelen op geschikte punten het hout op, dat de booten, die er langs varen, medenemen. De vaartuigen varen niet anders dan bij dag, ten einde de zandbanken en de door den stroom medegevoerde boomen te vermijden. De meeste gezagvoerders dezer booten zijn Engelschen; een “contador” of hofmeester is belast met de zorg voor de koopwaren en voor het voedsel der reizigers. De bemanning mag een kort begrip van de bevolking des lands worden genoemd: zij bestaat uit eenige blanken, en voorts uit mestiezen en mulatten. De maaltijden zijn aldus geregeld. Bij het opstaan biedt men u een kop koffie met melk aan. Tegen tien uren wordt er geluid voor het ontbijt. De kapitein zit op de eerste plaats, aan het hoogereind der tafel; de contador zit aan het andere einde. De passagiers zetten zich naar welgevallen. Eerst dient men u een bord sancocho, eene nationale soep, gemaakt met gedroogd vleesch, bananen en rijst. De verschillende schotels worden midden op tafel gezet, ten dienste van iedereen. Slechts de biefstuk en het rundvleesch maken eene uitzondering: zij staan bij den gezagvoerder en bij den contador, die al de gasten daarvan bedienen. De tafel is overvloedig voorzien: het menu bevat bovendien nog eieren, visch, gebakken bananen, aardappelen, gekookte yuccas en uien. Het maal wordt besloten met de onvermijdelijke kop chocolade en het daarbij behoorende stuk kaas. Het tafellaken dient tevens tot servet. In plaats van wijn drinkt men het water uit de rivier, dat eerst in groote steenen potten wordt gefiltreerd. De kapitein wacht tot allen hunne chocolade gedronken hebben; dan staat hij op, welk voorbeeld aanstonds door alle passagiers wordt gevolgd. Tegen den avond zet men zich op nieuw aan tafel; het menu is ongeveer hetzelfde. Er wordt weinig wijn gedronken in Columbia; hetgeen niet te verwonderen is, als men denkt aan de hooge invoerrechten. Aan boord van de Lafayette hebben wij een kist met wijn en uitgezochte likeuren laten vullen, die vrij is binnengekomen, omdat niemand onze bagage heeft onderzocht.

Omstreeks half een in den namiddag van den negen-en-twintigsten Augustus zette de Jose Maria Pino zich langzaam in beweging. Wij hebben een half uur noodig om uit het kleine kanaal te komen, dat Barranquilla met de Magdalena verbindt: juist ten een uur stoomen wij de rivier op. Er gaat een sterke stroom, want de rivier is zeer gewassen. De Magdalena is hier zeer breed; de oevers zijn laag en vlak. In den omtrek van Barranquilla zien wij eenige sporen van bebouwing: weiland met hoog opgeschoten gras, eenige velden met maïs, suikerriet, bananen en palmen. Talrijke kokosboomen verheffen hunne bladerkronen, waaronder de groote gele noten hangen, hoog in de lucht.

Den volgenden morgen word ik reeds vroegtijdig gewekt: de boot, die gedurende den nacht had stil gelegen, zet zich weer in beweging. Ten zeven ure kwamen wij te Calamar, aan den ingang van het kanaal naar Carthagena; wij houden hier een uur stil. De donkerkleurige inwoners volgen, van den oever, met nieuwsgierige blikken de vaart van de boot.—Negen dagen lang varen wij nu de rivier op, zonder eenige merkwaardige ontmoeting. Ik zal mijne lezers dan ook niet vermoeien met een verslag, dat geen recht zou hebben op hunne belangstelling; slechts enkele bijzonderheden verdienen meer opzettelijke vermelding. In de eerste dagen voeren wij langs een groot aantal eilanden, die pas waren gevormd of waarvan de vorming zelfs nog niet voltooid was; andere eilanden, door den stroom aan de eene zijde afgeknaagd, breiden zich aan de andere, door de nederzetting van slib, voortdurend uit; zij veranderen niet alleen van gedaante, maar ook van plaats. Deze vervorming is aan allerlei wisselvalligheden onderhevig: een plotselinge sterke was verandert de richting van den stroom en vernietigt in enkele uren den arbeid van vele jaren. Deze platen of eilanden zijn eerst met gras begroeid, dat vervolgens door biezen vervangen wordt; eerst later vertoonen zich, in bepaalde volgorde, struiken en boomen.

Hoe verder wij komen, des te talrijker worden de kaimans; somwijlen zag ik er twintig en meer bijeen op eene enkele zandbank. Hun lange staart heeft ter wederzijde donkere strepen, even als de huid van een tijger. Weinig minder talrijk zijn de urubus, een soort van gieren, die meestal in troepen bij elkander leven, waarvan, naar men mij verhaalt, een der sterkste gieren het hoofd is; deze aanvoerder zou van elke prooi eerst zijn deel mogen nemen, waarna de anderen zich te goed doen aan hetgeen overblijft.—Langzamerhand wordt de rivier smaller: de eilanden worden zeldzamer en de oevers hooger. Hier en daar vertoonen zich enkele rotsen. Ook de flora verandert van karakter: wij varen door prachtige tropische bosschen, waarin reusachtige boomen hunne door lianen omslingerde stammen opheffen.

Eindelijk, den zevenden September, komen wij aan de haven van Nare; het dorp zelf van dien naam ligt een half uur van den oever verwijderd.

De Jose Maria Pino moet hier hare lading lossen, en kiest eene ligplaats vlak bij eene andere stoomboot, de General Trujillo, die aan eene andere maatschappij behoort, en die, hoewel eerst twee dagen na ons van Barranquilla vertrokken, ons evenwel reeds heeft ingehaald. Deze boot heeft slechts een diepgang van drie voet, en heeft dus bijna nooit hinder van laag water. Zij zal den tienden te Honda zijn. Daar de Jose Maria Pino waarschijnlijk eerst veel later daar komen zal, besluit ik op de General Trujillo over te gaan. De voorwaarden, die men ons stelt, zijn bezwarend genoeg: ik moet voor de geheele reis van Barranquilla tot Honda betalen; maar op reis offer ik altijd, zoo veel ik kan, geld op om tijd te winnen. Aan boord van de nieuwe boot leeren wij bij ondervinding den bitteren naijver kennen tusschen de beide maatschappijen, wier booten de Magdalena bevaren: men kan het ons niet vergeven, dat wij ons eerst met de andere maatschappij hebben ingelaten. De contador weigert ons zelfs de hulp van matrozen om onze bagage over te brengen.

Gezicht op La Guaira.

Gezicht op La Guaira.

Den tienden September bereiken wij de eerste watervallen of liever stroomversnellingen van de Magdalena, wier bedding steeds smaller en wier verval steeds grooter is geworden. Daar zijn drie zulke stroomversnellingen, zeer dicht bij elkaar, beneden Caraccoli, die voor de stoombooten zeer bezwaarlijk zijn. Onze boot arbeidt met volle kracht; hijgend, snuivend, stampend, sidderend in al hare leden, komt zij, na herhaalde inspanning, den slagboom te boven. De gezagvoerder heeft op dit gevaarlijk punt reeds twee booten verloren.—Zonder ongeval komen wij te Caraccoli, waar de stoomvaart op de Beneden-Magdalena ophoudt. Honda ligt op den linkeroever, op den afstand van ongeveer drie kilometers. Om Bogota, dat aan den rechteroever ligt, te bereiken, moet men een tocht van drie dagen door het gebergte doen.

II

Te Honda worden wij met de meest voorkomende vriendelijkheid ontvangen door den heer Whitney, die kamers tot onze beschikking stelt en ons in kennis brengt met de te Honda gevestigde Engelschen, zijne landgenooten, die ons mede zeer hartelijk ontvangen.

Honda is een van de oudste steden van Columbia. Door hare ligging was zij volkomen beveiligd tegen invallen van de Indianen, want zij was voor zulke vijanden zoo goed als ongenaakbaar. De stad is namelijk op een heuvel gebouwd, omringd door de Magdalena, die vlak voor de stad eene sterke stroomversnelling vormt, en verder door twee beken of bergstroomen, die zich hier in de rivier uitstorten. De stad is dus bijna geheel omgeven door onstuimige snelvlietende wateren, wier aanhoudend geruisch de lucht vervult. De muren der huizen zien er, aan de zijde van de Magdalena, als oude vestingwerken uit. Twee bruggen, waarvan eene ijzeren, eerst onlangs gebouwd, voeren over de Guari, eene van de twee zoo evengenoemde beken, en vormen de verbinding van de stad met den weg naar Caraccoli. Ten zuidwesten verheffen zich kale en steile bergen, wier naakte wanden reusachtige muren schijnen. Andere bergen vormen bijna een krans om den heuvel, waarop Honda is gebouwd, dat alzoo in eene soort van kuil schijnt te liggen. Dankt de stad daaraan haar naam, welke diep beteekent, of aan de ravijnen, welke haar omgeven?

Aanlegplaats bij Nare.

Aanlegplaats bij Nare.

Den volgenden dag begeven wij ons naar Caraccoli, waar wij den president Nuñez zullen ontmoeten, voor wien de heer de Lesseps mij een aanbevelingsbrief heeft mede gegeven. Een aantal caballeros zijn gekomen om den president te begroeten, allen gekleed met den nationalen poncho, den grooten sombrero of panamahoed en wijde losse broekspijpen, die tot de knie reiken en die zij uittrekken als zij van het paard stijgen. Zoodra de president verschijnt, snellen zij aan boord van de Montoya, om hem hunne hulde te brengen. Daar worden geweren afgeschoten en vuurpijlen opgelaten, terwijl een muziekkorps het volkslied speelt. Nadat de eerste drukte een weinig bedaard was, laten wij gehoor verzoeken. De president ontvangt ons zeer vriendelijk en belooft ons een brief van aanbeveling voor de verschillende ambtenaren en voor zijne persoonlijke vrienden.

Sedert eenigen tijd is er eene maatschappij opgericht voor de stoomvaart op de Boven-Magdalena. Zij bezit nog slechts eene enkele boot, de Tolima, die haar derde reis gaat doen. De aanlegplaats bevindt zich boven de onoverkomelijke stroomversnelling van Honda. De rivier heeft op dat punt eene breedte van twee-en-negentig el.

Wij vertrekken den zeventienden September. Het landschap draagt hier een geheel ander karakter dan langs de Beneden-Magdalena. Bergen verrijzen ter hoogte van vier- of vijfhonderd el; daartusschen strekken zich zoogenoemde llanos of open vlakten uit, waardoor de stroom zich een bed heeft gegraven. De hellingen der bergen, waarop de oude bosschen zijn uitgeroeid, zijn met hoog opgeschoten gras bedekt.

Onze stoomboot is even als de Trujillo ingericht; zij heeft slechts een rad aan den achtersteven en een diepgang van niet meer dan drie voet. De kapitein en de contador zijn zeer vriendelijk en voorkomend. De passagiers der eerste klasse zijn tamelijk gemengd. Wij ontmoeten daar een afgevaardigde, den heer Mutis, een zeer ontwikkeld jongmensch; voorts kolonel Blanco, doktor Lombana, een photograaf, en een goochelaar, die, zoo ik mij niet bedrieg, met het geld dat hij aan boord ophaalt zijn overtocht moet betalen. Hij stelt zich voor, vertooningen te geven in de steden en dorpen langs den oever, en zoo, door middel van zijne ontvangsten de kosten der reis bestrijdende, Neiva te bereiken.

Den volgenden dag komen wij, tegen den avond, te Ambalema. Blijkbaar zag men daar met zekere spanning de komst van de boot te gemoet, die, daar zij eerst hare derde reis volbrengt, nog een voorwerp van nieuwsgierigheid is voor de bewoners van het stedeke. Toen wij aankwamen, stond bijna de geheele bevolking langs den oever geschaard. Ambalema is niet meer dan een dorp, op een lagen heuvel gebouwd. Een vrij ruim vierkant plein, dat den top van dien heuvel inneemt, is door enkele vrij steile, slecht geplaveide straten met de rivier verbonden.

Omstreeks twee uren in den namiddag van den twintigsten September bereiken wij den salto del Gallinaso, dien wij niet zonder moeite en eerst na herhaalde vruchtelooze pogingen kunnen passeeren. Terwijl wij daarmede bezig waren, hadden de bewoners der omliggende hoeven en boerderijen zich langs de oevers verzameld, en sloegen ons met stomme verbazing gade. Vooral werd onze aandacht getrokken door eene breedgeschouderde indiaansche vrouw, die zich bijzonder druk maakte. Een laag uitgesneden hemd zonder mouwen, van blauwe stof, dat tot de knieën reikt, is haar eenige kleedingstuk. Wij hebben den val reeds achter den rug, en nog altijd loopt zij, als eene bezetene, langs den oever de boot na, haar lange zwarte haren en haar kleed fladderende in den wind.

Het verval wordt voortdurend sterker; het land rijst meer en meer, doch het landschap blijft in hoofdzaak onveranderd. De eilanden en de lage aangespoelde oevers zijn bedekt met weelderige plantsoenen van bananen of plataneros. De bananen vormen een hoofdbestanddeel van de volksvoeding: van onrijpe maakt men sancocho; de rijpe vruchten worden gebakken of als beignets gegeten: zij zijn dan ook een belangrijk handelsartikel. De bezitters van plataneros maken van de stammen van bananen vlotten, waarop zij zich met hun produkten inschepen, om ze in het naburige dorp te gaan verkoopen. Even boven Purification zien wij zulk een vlot, waarop zich een gezin met een klein kind bevindt. Een ezel, achter op het vlot aan een paal vastgebonden, kijkt met droomerigen blik naar het geelachtige water in de rivier, dat voor zijne voeten wegstroomt, en schijnt in het minste niet verbaasd over deze wijze van beweging.

Langs de oevers ziet men nog enkele boschjes van bamboe. De overblijfselen der oude bosschen, die nog hier en daar de berghellingen bekleedden, verminderen en verdwijnen met den dag. De inboorlingen schijnen het er op gesteld te hebben, tot den laatsten boom te verbranden, om weilanden aan te leggen. Overal stijgen reusachtige rookwolken in de lucht, hetgeen vooral des nachts een zonderling effect maakt. De hemel is rood gekleurd door deze tallooze branden. Indien dit uitroeien der bosschen ongehinderd wordt voortgezet, is het dan niet te vreezen, dat de regen zal ophouden en dit heerlijke land in eene woestijn worden herschapen? Maar de onmetelijke wouden van de reusachtige Andesketen zijn niet zoo gemakkelijk uit te roeien. De temperatuur is zeer hoog in deze vallei van de Boven-Magdalena: elken namiddag teekent de thermometer in mijne kamer vijf-en-dertig graden.—Wij maken eenige uitstapjes in den omtrek en bezoeken verschillende dorpen, die allen op elkander gelijken. De woningen of hutten zijn overal naar hetzelfde model gebouwd, en ook de kleederdracht is overal dezelfde. De mannen dragen voor het meerendeel kleederen van fransch maaksel; in plaats van een vest en een jacquette dragen zij echter den nationalen poncho. Hunne bloote voeten steken in eene soort van schoenen, bestaande uit een lederen zool en twee lappen doek, die den voet en den hiel omvatten. De vrouwen dragen hetzelfde schoeisel, een jurk van dun katoen en een dikken shawl. Op haar hoofd dragen zij een puntigen panamahoed, met breede randen, waarvan het breede lint van voren met een gesp of een strik is versierd. Dit is de gewone kleeding van de muchachos, de vrouwen en meisjes uit de volksklasse, die er over het algemeen niet onaardig uitzien. De boerinnen met haar platte hoeden zien er niet minder aardig uit. De vrouwen van meer gegoeden stand zijn op europeesche wijze gekleed, met uitzondering van den hoed.

Den vier-en-twintigsten September komen wij op de hoogte van Natagaima, waar wij hout innemen. Overigens heeft de boot hier noch reizigers, noch goederen op te nemen of af te zetten, zoodat wij onze vaart vervolgen naar Aipé, het voorlaatste station van eenige beteekenis. Wij hadden geene gelegenheid om het dorp te bezoeken, dat op eenigen afstand van de rivier ligt, aan den voet van een steilen berg, de piek van Pacandé, die op grooten afstand langs de rivier zichtbaar is.—De vaart wordt uitermate bezwaarlijk; elk oogenblik raken wij aan den grond. Wij maken gebruik van den minsten was, om eenige kilometers vooruit te komen, en telkens stuiten wij op nieuwe hinderpalen, hetzij rotsen, die de bedding versperren, hetzij stroomversnellingen.

Te Aipé, waar wij den derden October aankomen, huren wij muilezels en begeven wij ons over land naar Neiva, een afstand van zestig kilometers. De weg is een zeer oneffen, moeielijk pad, dat onophoudelijk rijst en daalt. Onze bagage volgt in eene prauw, onder opzicht van onzen bediende Apatou. Ten tien uren des avonds komen wij te Neiva.

Wie eene stad van Columbia heeft gezien,—met uitzondering van de hoofdstad, waarvan ik niets zeggen kan,—kent al de andere. Het eenige verschil bestaat in de meerdere of mindere oneffenheid van den grond en in den meerderen of minderen welstand der woningen. De vorm der huizen en der openbare gebouwen is steeds dezelfde. Eigenlijk zien allen er even ellendig uit, en missen gelijkelijk alles wat, uit een historisch of uit een artistiek oogpunt, eenig belang zou kunnen inboezemen.—De bevolking van Neiva bedraagt tusschen de drie- en vierduizend zielen. Melaatschheid is hier zeer algemeen, en kropgezwellen komen zoo veelvuldig voor, dat het schijnt als of de meerderheid der inwoners door die afschuwelijke ziekte is aangetast. Naar het mij voorkomt, zijn de vrouwen daaraan meer onderhevig dan de mannen.—De stad en het omliggende land is zeer arm, hoewel er eene groote menigte panamahoeden worden vervaardigd en in den handel gebracht.

De Magdalena heeft voor de stad eene breedte van honderd-negen-en-twintig el en eene gemiddelde diepte van drie el; de gemiddelde snelheid van den stroom bedraagt twee el honderd-vijf-en-vijftig streep. Neiva ligt vijfhonderd-zes-en-vijftig el boven de zee.

De gouverneur van Neiva raadt mij af, om de bronnen van de rio Uaupes te gaan opsporen. Naar zijn zeggen, liggen die bronnen op grooten afstand van de Andes, en zijn zij bij de Indianen onbekend. Ik weet dat de vaart op deze rio, ten gevolge van de watervallen, zeer moeielijk is en dat de rivier voor een deel is onderzocht; maar de Goyabero of Guaviare is nog nimmer onderzocht. Te Columbia zal men ons omtrent deze rivier nadere inlichtingen kunnen geven: wij moeten dus naar Columbia gaan.

Den zesden October, des morgens te elf uren, vertrekken wij van Neiva. Het is reeds donker als wij te Union aankomen; onze arrieros brengen ons naar hutten, waar wij een onderkomen vinden voor den nacht.

Den volgenden morgen trekken wij het gebergte in; wij volgen steenachtige, ongebaande paden, die onze arrieros met den weidschen titel van cumineos reales, koninklijke wegen, aanduidden. Wij moeten ons een weg banen door zware bosschen, waar de boomen zoo dicht op elkander staan, dat onze kleederen aan de takken blijven haken. Voortdurend zitten wij voorovergebogen op onze zadels, of wel richten wij ons op in de stijgbeugels, om bij het afdalen langs loodrechte hellingen ons evenwicht niet te verliezen. Na een rit van elf uren, komen wij ten zeven uren des avonds te Las Aminas, eene boerderij toebehoorende aan den generaal Lucio Restrepo, directeur van de exploitatie-maatschappij van Colombia, voor wien wij een aanbevelingsbrief bij ons hebben. De generaal heeft op deze boerderij omstreeks vijfhonderd prachtige runderen.

Hij geeft last om voor onze muildieren te zorgen en een maaltijd voor ons gereed te maken; vervolgens neemt hij kennis van onzen brief. De generaal is een man van tusschen de vijf-en-dertig en veertig jaren, met een zeer innemend voorkomen. Nadat wij hem met ons voornemen hadden bekend gemaakt, verklaart hij zich bereid om ons naar vermogen behulpzaam te zijn. Hij stelt ons voor, den nacht bij hem door te brengen en den volgenden dag naar Colombia te gaan.

Den volgenden morgen ten zeven uren zijn wij dus op weg naar Colombia, steeds langs steile en moeielijke paden. Omstreeks twee uren in den namiddag krijgen wij het dorp in het gezicht, waarvan de woningen verspreid liggen op een soort van plateau, dat ongeveer tien el boven de rivier ligt. Met uitzondering van het huis, waarin het kantoor van de maatschappij is gevestigd en de woning van den directeur, zien alle overige hutten er even armoedig uit; gelukkig is het er zindelijk. Leemen, wit gepleisterde muren dragen het rieten dak, dat vooruitsteekt en eene soort van veranda vormt, die op eenige palen rust. Alle woningen zijn naar hetzelfde model gebouwd. De inwoners zijn allen in dienst van de maatschappij; zij zijn sterk en krachtig en zien er veel gezonder uit dan de bewoners van de Magdalena-vallei.

Colombia ligt zevenhonderd-tachtig el boven de zee; onweders, met hevige stormen gepaard, komen hier veelvuldig voor.

Straat te Calamar.

Straat te Calamar.

Don Lucio komt ons den volgenden dag bezoeken. Hij zegt dat wij langs twee wegen de Goyabero (Guaviare) kunnen bereiken: vooreerst kunnen wij de Areare afzakken, een van de zijrivieren van de Guaviare, die te San-Juan de los Llanos ontspringt. Wij hebben zes dagen noodig om deze rivier te bereiken, en nog vijf om aan hare uitmonding in de Guaviare te komen. Deze laatste rivier is nog door niemand bevaren; wij kunnen haar in drie dagen bereiken. Verdere inlichtingen kan men ons niet geven. Don Lucio weet alleen, dat zich even voor de samenvloeiing van de Goyabero met de Areare, een raudal, een gevaarlijke plaats, bevindt, waaromtrent hij ons echter geene verdere bijzonderheden kan mededeelen. Wij hebben dus tusschen twee wegen te kiezen, waarvan de een betrekkelijk gemakkelijk, de andere volslagen onbekend is: zonder aarzelen kiezen wij den laatsten.

Wij zullen de Goyabero afzakken, en als wij slagen in onze onderneming, zullen wij aan deze rivier den naam geven van rio de Lesseps, ter eere van onzen doorluchtigen landgenoot, wiens aanbeveling ons alle deuren heeft geopend in Columbia, waar zijn naam even bekend is als die van den bevrijder Bolivar.

Wij moeten ons nu bezig houden met de toebereidselen voor onze reis. Don Lucio bewijst ons een wezenlijken dienst, door ons muilezels en zadels te bezorgen, benevens de peons of drijvers, die wij noodig hebben. Zonder zijne tusschenkomst zouden wij er waarschijnlijk niet in zijn geslaagd, muildieren te krijgen om over de Andes te trekken. De wegen zijn bij uitnemendheid slecht, en men is niet zeer bereid om de dieren af te staan voor een tocht, die hen voor goed kan bederven. De generaal zendt ook boodschappers vooruit om als het ware kwartier voor ons te maken. Te Duda zullen wij levensmiddelen vinden en mannen, die ons den weg zullen wijzen van Yavia tot de Goyabero.

Tegen den middag van den twaalfden October bezorgt men ons acht muildieren, waarvan vier bestemd zijn om door ons en onze bedienden bereden te worden, en vier de bagage moeten dragen. De twee péons, die bij de muildieren behooren, dragen aan hun lederen gordel een machete, een soort van hakmes of bijl, en een cuchillo, een dolkmes. Een uur later begeven wij ons op weg naar Totuma, waar wij zullen overnachten.

Den volgenden morgen hervatten wij den tocht. Eene vrij bouwvallige brug voert ons over de rio Blanco, en wij trekken het gebergte in. Welk eene prachtige natuur, welk een rijkdom van planten van allerlei soort, van reusachtige boomen, van struiken en heesters, van orchideeën, bromeliaceeën, lianen, varens; welk een schat van bloemen en weelde van vormen. Bij de heerlijkheid der plantenwereld komt het bijna volslagen gemis aan dieren te meer uit: bijna nooit vernemen wij eenig ander geluid dan het gekraak van verdorde takken die afbreken, of den zwaren, doffen slag van eeuwenoude boomen, die soms met donderend gerucht ter aarde storten.

Eene onaangename verrassing. (Blz. 270.)

Eene onaangename verrassing. (Blz. 270.)

In de laatste vallei, die wij doortrekken eer wij te San-Pedro komen, vinden wij eene brug over een bergstroom, die nu bijna geheel droog is en waarvan de bedding met geweldige rotsblokken is bezaaid. Aan de overzijde zien wij een kamp, bewoond door een landmeter en zijne helpers, die, naar ik meen, de grenzen moeten bepalen van het territoir, dat aan de maatschappij van Colombia ter exploitatie is afgestaan. Wij praten eenigen tijd met hen en koopen van hen een hond, naar men zegt een brak van echt ras, die ons op onze reis zal volgen. Hij zal voor ons op de jacht gaan, als hij kan, en zal ons van dreigende gevaren verwittigen, als hij durft. Hij ontvangt den naam van Toutou.

Na nog een berg te zijn overgetrokken, komen wij aan eene open plek in het woud en bespeuren den rancho waar wij den nacht zullen doorbrengen. Wij bevinden ons op eene hoogte van dertienhonderd-zestig el. De rancho van San-Pedro bestaat uit eenige houten palen, die een dak van palmbladeren dragen. Andere palen, in de binnenruimte aangebracht, geven gelegenheid tot het bevestigen van hangmatten.

Met het krieken van den dag begeven wij ons den volgenden dag weer op weg. De wegen, als men ze zoo noemen mag, worden al slechter en onbegaanbaarder; op sommige punten is er een begin van plaveisel, dat geheel los is geraakt. Nu en dan zien wij langs den weg het geraamte van een rund, overblijfsel van opgebroken kampementen van de Kineros-Indianen.

Tegen den middag bereiken wij de kam van de Cordillera; de beken, die wij nu verder zullen ontmoeten, nemen haar weg naar den Orinoco. Wij bevinden ons op eene hoogte van negentienhonderd-tien el. Naar het oosten is het, zoo ver we zien kunnen, eene aaneenschakeling van met bosch begroeide bergen, die zich beneden ons in dichte rijen scharen. Ter linkerhand verrijzen eenige hoogere toppen, waarom witte wolken drijven. Wij gebruiken hier het middagmaal en beginnen daarna te dalen.

Omstreeks twee uren komen wij aan de hacienda del Tigre, waar men van onze komst verwittigd is. Wij nemen een bad in de rio Tigre, die ongeveer een kilometer van de hacienda verwijderd is; het water, dat van de bergen afdaalt, is heerlijk koel. De hoeve ligt op eene hoogte van duizend el.

In den morgen van den vijftienden gaan wij op weg naar Yavia, en moeten verschillende beken en stroompjes oversteken, die wel niet diep zijn, maar vrij breed en waarin een sterke stroom gaat. Sommigen kunnen wij op onze muilezels zittende doorwaden; anderen moeten wij overvaren. Wederom bestijgen wij eene hoogte, van waar wij een prachtig uitzicht hebben, aan de eene zijde op de keten der Andes, aan de andere op de golvende, met bosschen bedekte, door een heuvelreeks doorsneden vlakte. Eindelijk komen wij aan de boerderij van Yavia, waar wij niemand aantreffen dan eene zieke vrouw en een bediende. Het overige personeel is op de boerderij van Duda, waar wij de ons toegezegde mondbehoeften vinden en de noodige inkoopen doen.

III

De afstand van Yavia tot de Goyabero bedraagt niet meer dan zes mijlen. Het pad, dat op last van don Lucio, eenige jaren geleden gebaand werd, om de hoeve met de rivier te verbinden, is sedert lang weer toegegroeid. Wij zenden eenige manschappen van Duda vooruit, ten einde ons met hunne messen een pad te openen. Den negentienden October kwam een hunner ons berichten, dat wij ons den volgenden morgen op weg konden begeven, en dat wij het pad tot aan de rivier gebaand zouden vinden.

Op het bepaalde uur stijgen wij in het zadel en slaan het zoogenoemde pad in. De tocht gaat met groote moeielijkheden gepaard: nu eens staan de boomen te dicht bij elkaar, zoodat onze muildieren met de bagage niet passeeren kunnen en een omweg moeten maken; dan weder worden wij opgehouden door lianen, die men vergeten heeft weg te kappen, en die onze peons moeten opruimen. Enkele malen moeten wij beken met hooge steile oevers doorwaden, hetgeen mede niet zonder bezwaren gaat. Omstreeks den middag barst een hevig onweder los; felle donderslagen knetteren boven onze hoofden, en de regen valt bij stroomen neder. Lejanne en ik zijn tegen dien zondvloed beschermd door twee ponchos van waterdichte stof, de eenigen van die soort, welke wij te Neiva konden vinden. Eindelijk, na over een met dicht bosch bedekt plateau te zijn getrokken, bereiken wij tegen vier uur de lage, met hoog gras begroeide vlakte, waardoor de rivier stroomt; het gras is zoo hoog dat het boven onze hoofden uitsteekt. Wij rijden door een drassigen poel, waarin onze beesten tot aan den buik wegzinken, en komen eenige oogenblikken daarna aan den rancho, die nog in goeden staat verkeert, maar te klein is voor ons gezelschap en bovendien zeer duf, vochtig en bedompt. Wij komen tot het besluit, dat het vóór alles noodig is, een anderen rancho te maken op eene meer geschikte plaats, want in dit hooge gras wemelt het waarschijnlijk van roofdieren en slangen. Wij laten een smal pad openhakken in de richting van de rivier, en bereiken na eenig tasten den oever, die zich ongeveer twintig el boven het water verheft en zeer steil is. Wij staan voor een arm van de rivier, die thans droog is.

Bij onderzoek van het terrein bleek het, dat een eiland, ter lengte van ongeveer een kilometer, ons van den hoofdstroom scheidde. Dit eiland, dat maar even boven het water uitsteekt, is met struiken en heesters begroeid. Wij besluiten, hier ons kamp op te slaan; morgen ochtend zal een rancho worden getimmerd en eene tent opgeslagen, waarvoor wij het noodige doek te Duda hebben gekocht, en die ons als beveiliging tegen de zon en den regen te pas zal komen. Tevens zal Apatou met een der manschappen een boom uitzoeken en vellen, waarvan eene prauw kan worden gemaakt, ruim genoeg voor vier personen. De noodige gereedschappen voor dit werk ontbreken ons niet: wij hebben bijlen en messen en sabels, die nevens andere snuisterijen ons later van dienst zullen zijn als ruilmiddel bij de Indianen. De andere manschappen zullen van boomstammen en lianen een vlot samenstellen.

In den morgen van den twee-en-twintigsten is onze nieuwe rancho gereed; twee dagen later worden de boomstammen, voor den bouw van het vlot noodig, behoorlijk op de bepaalde grootte gezaagd, naar de punt van het eiland gebracht, waar zij moeten drogen. De prauw is geheel uitgehold; zij wordt boven een groot vuur geplaatst en met bladeren bedekt. Nu wijkt de stam vaneen, en zoo ontstaat eene mooie prauw, vijf-en-dertig duim breed, zes el lang en omstreeks dertig duim diep.

Op den middag van den vijf-en-twintigsten is alles gereed: de prauw is naar den oever gebracht; boven het vlot wordt, over gebogen bamboestengels, de tent uitgespannen. Wij gaan afscheid nemen van deze plek, ons laatste station in de zoogenaamde beschaafde wereld, waar wij, van ’s morgens vroeg tot na zonsondergang, gruwelijk zijn mishandeld geworden door legioenen van pions, een insekt kleiner dan een muskiet, dat zich op alle ontbloote deelen van het lichaam hecht, het bloed uitzuigt en een wondje achterlaat dat weldra tot ontsteking overgaat. Op den vijfden dag waren het gelaat en de handen van Lejanne geheel gezwollen en ontstoken; Burban kan nauwelijks zijne oogen openen. Behalve door de pions, werden wij nog geplaagd door zwermen van gele wespen en groote groene vliegen, die ons het leven ondragelijk hadden gemaakt. Gelukkig werden wij ’s nachts met rust gelaten: waar de pions zoo talrijk zijn, vindt men geen muskieten.

De bagage wordt op het vlot gedragen, dat gelukkig niet te diep zinkt: slechts de onderste der twee rijen balken duikt onder; maar het vlot is niet breed genoeg en schijnt ook niet zeer stevig. Naarmate het oogenblik van het vertrek nadert, staren onze helpers ons met toenemende verbazing aan. Zij beschouwen ons als krankzinnigen en weigeren standvastig elk aanbod, dat wij doen om hen te bewegen met ons te gaan. De Goyabero is voor hen het onbekende, en dus iets verschrikkelijks. Volgens hun zeggen, heeft reeds vroeger iemand beproefd, de rivier af te zakken: reeds tegen den avond van den eersten dag keerde hij halfdood van schrik terug, na eene ontmoeting met woeste, bloeddorstige Indianen. En dan loopt er een verhaal, dat ergens in deze onbekende streken eene geheimzinnige stad ligt, omtrent wier bewoners men allerlei zonderlinge dingen vertelt....

Ik heb bepaald, dat op het oogenblik van ons vertrek, als wij in de boot zullen stappen, wij onze laatste flesch champagne zullen ledigen en de rivier doopen. De flesch wordt tusschen twee steenen op den grond gelegd, in afwachting van het plechtige oogenblik. Ik doe eene laatste waarneming met het kompas, en stoot bij ongeluk met den voet tegen de flesch. O ramp! zij breekt, en het kostbare vocht vloeit over het zand om daarin spoorloos te verdwijnen. Aan den berg, die de onschuldige oorzaak van dit ongeluk is, geven wij met algemeene stemmen den naam van Champagneberg. Ik houd mij overtuigd, dat onze helpers in deze gebroken flesch eene ernstige waarschuwing voor ons zien: als wij op het vlot plaats nemen, vullen hunne oogen zich met tranen; wij zijn met elkander vrienden geworden, en gaarne zouden zij ons van deze noodlottige reis terughouden. Wij deelen hun angst volstrekt niet; en toch is het niet zonder aandoening, dat wij den strijd beginnen, waarin het inderdaad geldt, sterven of zegevieren.

Het is twintig minuten over twaalven. Met Lejanne heb ik plaats genomen op den voorsteven, gezeten op onze kist met snuisterijen. Apatou staat voor ons, met eene lange pagaai in de hand; François staat evenzoo aan het andere einde; Toutou ligt rustig op de bagage. Een der helpers gooit het touw los. Wij roepen dezen braven lieden een laatst vaarwel toe, en beginnen den tocht. Weldra wordt het vlot door den stroom aangegrepen, en onze beide metgezellen hebben alle moeite om het recht te houden.—Wij komen aan de eerste stroomversnelling: het water stroomt met ongehoorde snelheid en kracht; de steentjes op den bodem rollen en botsen tegen elkander als noten in een zak. Wij kunnen het vlot, dat zich omdraait, niet meer sturen; wij bereiken weer een betrekkelijk kalm vaarwater; dan volgt weer een stroomversnelling; de rivier splitst zich en wij worden medegevoerd in den arm langs den rechter oever. Er is hier geene voldoende diepte; het water spat schuimend en kokend uiteen op de groote steenblokken; ons vlot raakt aan den grond; de lianen worden voor een deel verscheurd; twee balken raken los en worden medegevoerd; de aan het vlot bevestigde prauw staat hetzelfde lot te wachten. Wij springen allen in het water en duwen de ontredderde overblijfselen van onze flottille naar de zandbank ter linkerhand. Toutou bereikt het eerst den oever; men had hem met geweld op het vlot moeten drijven. Dit is een ramp: wij zullen het vlot weer in orde moeten brengen.

Apatou kapt eenige nieuwe boomen op het eiland en op den rechter oever, dien hij ondanks den fellen stroom zonder moeite bereikt, uithoofde van de weinige diepte van het water. Tegen den avond moeten die nieuwe balken nog slechts van de schors ontdaan en stevig met de andere verbonden worden. Daar de zon de kim nadert, wordt deze arbeid tot den volgenden dag uitgesteld. Gelukkig heeft de ramp zich bepaald tot het nat worden van onze bagage en het verlies van enkele kleedingstukken; overigens is er niets van eenig belang verloren of ook maar beschadigd.

Den volgenden dag houden wij ons onledig met de herstelling van het vlot: wij mogen ons vleien, dat het thans steviger in elkander zit dan bij ons vertrek. Omstreeks twee uren wordt de bagage, die wij in de zon hebben laten drogen, weer op het vlot geplaatst en steken wij van wal. Zonder ongelukken varen wij langs het eiland; wij vliegen over het onbegrijpelijk snelvlietende water, en stooten nu en dan tegen gestrande boomen. Het vlot draait, maar vervolgt zijn weg.

Den zeven-en-twintigsten hervatten wij de reis, zoodra de zon den top van een naburigen heuvel verlicht. Wederom is het eene aaneenschakeling van stroomversnellingen en meer of minder belangrijke watervallen, nu en dan afgewisseld door versperringen van rotsen in de rivier. Dat de vaart dus met groote moeielijkheden gepaard gaat en ons vlot een en ander maal aan den grond raakt, behoef ik niet te zeggen. Omstreeks vijf uren zijn de meeste lianen, die de balken van het vlot samenhouden, gescheurd; alleen de middelsten bieden nog weerstand. Wij bevinden ons in een smal kanaal, waar een zeer sterke stroom gaat, maar kunnen niet vorderen, uithoofde van de tallooze hinderpalen. Wij worden eindelijk tegengehouden door een dam van verwarde, half met zand overdekte boomstammen en bamboestengels, en vreezen elk oogenblik de laatste koorden van het vlot te zien breken. De balken maken allerlei verdachte bewegingen; een daarvan steekt aan de achterzijde bijna over de geheele lengte buiten het vlot. Morgen zullen wij voor andere lianen hebben te zorgen.

Wij brengen op den naburigen oever een slechten nacht door. De half onder het zand bedolven steenen en steentjes, waarmede de geheele oever is bedekt, vormen nu juist niet de aangenaamste rustplaats voor vermoeide reizigers.

28 October.—Bij het krieken van den dag keert Apatou, langs denzelfden weg van gister avond, naar het woud terug, en komt weldra terug met een goeden voorraad buigbare lianen. François tijgt aan den arbeid om de balken met nieuwe lianen zoo stevig mogelijk te verbinden, waarbij ook van de nog beschikbare touwen wordt gebruik gemaakt. Om een uur gaan wij aan boord. Nauwelijks hebben wij honderd el afgelegd, of de stroom richt zich met groote hevigheid naar den linker oever. Vlak bij den kant steekt een reusachtige boom halverwege uit het kokende en wielende water. Met onweerstaanbaar geweld worden wij naar dien boomstam heengevoerd: onze prauw, welke juist aan die zijde is vastgemaakt, laat een hevig gekraak hooren en loopt vol water: zij is verbrijzeld. Apatou maakt haar haastig los en geeft haar aan den stroom over. Dit is voor ons een groot verlies; hoe zal het ons nu mogelijk zijn, als wij aan een gevaarlijken val komen, eene lijn aan den oever uit te brengen om het vlot te kunnen tegenhouden? Wij kunnen inderdaad ons vlot zoo weinig besturen, dat wij soms verscheidene mijlen afleggen, zonder den oever te kunnen naderen. Zou het niet geraden zijn, eene andere prauw te vervaardigen?

De oevers van de Goyabero.

De oevers van de Goyabero.

De bamboes worden buitengewoon talrijk en vormen een wal langs de beide oevers; telkens en telkens moeten wij oppassen om niet in aanraking te komen met hunne over de rivier gebogen stengels, zoo zwaar en dik als ik ze nog nooit gezien heb. Lejanne verzekert mij, dat de bamboes van Cochinchina, hoewel even hoog als dezen, daarbij niet in vergelijking komen wat den omvang betreft. Op zeker punt wordt de stroom buitengewoon sterk. Een dezer monsterachtige bamboestengels steekt dwars over de rivier, omstreeks zestig duim boven het water. Het vlot moet onder door schieten: onze bagage zal ongetwijfeld tegen den hinderpaal stooten. Bezig met eene waarneming, let ik niet op het gevaar. Ik hoor een waarschuwend geroep, en voel op het eigen oogenblik eene geweldige drukking; gedurende eene minuut kan ik mij geen rekenschap geven van hetgeen er gebeurd is. De bamboestengel heeft mij tegen de bagage aangedrukt. Mijn borst en mijn kin zijn min of meer gekneusd, en mijn neus bloedt. Mijne reisgezellen zijn ongedeerd gebleven. Apatou is over den stengel heen gesprongen; Lejanne heeft zich achter de bagage verscholen, en François is te water gegaan en heeft zich aan het vlot vastgeklemd. Ook stuiten wij telkens op gestrande boomen, wier takken in wilde wanorde boven de schuimende wateren uitsteken.

Afvaart van het vlot. (Blz. 267.)

Afvaart van het vlot. (Blz. 267.)

Omstreeks vier uren komen wij aan een vlakken oever, waarop eenige dorre boomstammen liggen, die ons van het noodige hout kunnen voorzien voor ons vuur, van palen voor onze hangmatten en ook tevens zullen dienen om ons vlot aan vast te leggen. Het is ook hoog noodig, eenig wild te schieten, want sedert twee dagen eten wij, bij onze rijst, niets dan corned beef, waarmede wij zuinig moeten zijn. Wij houden stil. Lejanne gaat op jacht; als het hem gelukt een stuk wild te vellen, zullen wij versch vleesch hebben en tevens aas voor onze hengels.

Hij ziet op het zand de nog versche sporen van eene ree, die hij volgt tot aan het boschje, dat het open strand aan de landzijde begrenst. De hond is niet met hem gillen gaan. Hij treedt het boschje binnen, in de eene hand zijn geweer houdende, en met de andere zoo zacht mogelijk de takken verwijderende. Eensklaps voelt hij op zijne hand, waarmede hij het geweer vasthoudt, iets vochtigs en kouds: in de gedachte dat eene slang zijne hand heeft aangeraakt, laat hij onwillekeurig een uitroep hooren. Het was geen slang, maar de neus van Toutou, die ten slotte tot het besluit is gekomen om hem te volgen. Intusschen is de ree, door dien kreet verschrikt, opgesprongen en vlucht haastig door het kreupelhout. Hij wil nu den hond aansporen om het wild te vervolgen, maar Toutou kijkt hem verbaasd aan, en loopt zoo hard hij kan naar het vlot. Kort daarop doodt Lejanne een zwarten arend, dien de Bonis pagani noemen. De ingewanden worden aan een haak bevestigd, die aan een stevig koord is vastgemaakt. François legt die lijn in het water, in de hoop dat wij den volgenden morgen daaraan een mapourito zullen vinden, een visch zonder schubben, en een eenigszins platten kop en zes vinnen. Wij allen vinden dien visch uitmuntend, behalve Apatou, die er een afschuw van heeft: vermoedelijk is dit een vooroordeel van zijn stam.

Den volgenden morgen ten acht uur hervatten wij den tocht. Een uur later zien wij aan den oever een troepje cabiais, die rustig zich aan het hooge gras te goed doen; het gezelschap bestaat uit vier personen, vader, moeder en twee jongen. De cabiai is een knaagdier, ongeveer zoo groot als een varken, maar minder langwerpig van lijf. Zijn hair is lang, zeer dik en bruinachtig grijs; zijne ooren zijn klein en rond; zijn staart is zeer kort. Het is een volkomen weerloos dier, dat niemand kwaad doet, en uitmuntend zwemt en duikt. Het blanke en vette vleesch is voor Apatou eene uitgezochte lekkernij. Lejanne mikt op een der jongen: het dier valt getroffen neer, maar tracht nog het water te bereiken; een tweede schot doodt hem voor goed. De drie anderen zijn aanstonds onder gedoken, en na verloop van eenige oogenblikken, zien wij hunne koppen aan den anderen oever boven het water uitsteken.

Wij spannen al onze krachten in om den oever te bereiken; het gelukt ons eerst tweehonderd ellen lager. François springt haastig aan wal, en bindt de lijn aan eenige jonge takken vast; maar door de hevigheid van den stroom breken de takken af, en worden wij medegevoerd, terwijl onze makker achter blijft. Eerst vijfhonderd el verder komen wij langs eenige struiken, die zich over de rivier heenbuigen en die wij uit alle macht aangrijpen. Eindelijk slaagt Apatou er in, de lijn vast te maken; maar het water stroomt over het vlot en maakt de bagage nat. De lijn is aan de voorzijde van het vlot vastgemaakt, en ik vrees dat de lianen daar zullen scheuren. Lejanne, die hetzelfde vreest, heeft zich naar achteren begeven, om eenige takken te grijpen, waaraan ook een touw kan worden bevestigd, om alzoo de spanning te verdeelen. Hij heeft zich achter de bagage neergezet, waartegen hij zijne voeten steunt om meer kracht te kunnen uitoefenen. Apatou, die aan land is gesprongen, hem niet langer ziende, denkt dat hij in het water gevallen is. In een oogwenk heeft hij de lijn losgegooid en is hij op het vlot gesprongen om hem te helpen. Als hij zijne vergissing bemerkt, is het reeds te laat: het vlot drijft weer met snelheid af, en eerst anderhalve kilometer verder kunnen wij voor goed stoppen. Links en rechts hebben wij zijtakken van de rivier achter ons gelaten, die ons van François scheiden. Deze doorleefde een bang oogenblik, toen hij met den gedooden cabiai terugkeerende, niets meer van het vlot bespeurde. Hij bevindt zich op een eiland; ten gevolge van den stroom kan hij alleen den linker oever bereiken; hij begeeft zich te water om daarheen te zwemmen, en loopt groot gevaar van te verdrinken. Hij bekomt een weinig van zijn schrik bij het zien van een hemd, dat Lejanne aan een stok bevestigd heeft, en waaruit hem blijkt, dat zijne makkers niet verre kunnen zijn. Intusschen is hij van ons gescheiden door twee zeer snelvlietende riviertakken; om weder bij ons te komen, schiet er niet anders over dan langs den oever te gaan tot hij benedenwaarts het punt bereikt, waar de ongedeelde rivier weder de geheele bedding vult. Wij zullen doen wat mogelijk is, om hem zoo dicht te naderen dat wij hem een lijn kunnen toewerpen. Het bedoelde punt is gelukkig niet meer dan twee- of driehonderd el verwijderd van de plaats waar wij ons bevinden. Wij wijzen het hem aan, zoo goed wij kunnen; en hij begeeft zich op weg, dwars door het ondoordringbaar kreupelhout langs den oever. Hij zal ons toeroepen en een teeken geven, zoodra hij ter bestemder plaatse is aangekomen. Daarmede zullen echter eenige uren van een uiterst vermoeienden marsch gemoeid zijn.

Met het oog op de beletselen, die wij voortdurend op onze vaart ondervinden, hebben wij al onze bagage, stevig vastgebonden, onder de tent laten bergen. Een enkel geweer is uitgezonderd, dat van Lejanne; de anderen zijn uit elkaar genomen en met onze cartouches geborgen in onze snuisterijenkist.

Daar wij den tijd hadden en de lucht helder was, deed ik eene meteorologische waarneming. Lejanne volgt aandachtig de bewegingen van François. Toutou zit bij mij; hij heeft zoo even, voor het eerst, geblaft. Het hoofd omwendende om mijn chronometer te raadplegen, zie ik een luipaard, die zich welbehagelijk in het heete zand wentelt, op ongeveer dertig meters afstands. “Lejanne, een tijger!” fluister ik hem toe. Lejanne neemt zijn geweer; hij heeft nog maar eene enkele cartouche, de anderen zijn in de kist en er is geen tijd meer om ze te gaan halen; hij gaat op het dier af: ik volg hem, gewapend met eene machete, terwijl Apatou zich van een grooten steen voorziet. Op tien el afstand, staat Lejanne stil: hij mikt op den schouder van het onvoorzichtige dier en geeft vuur. De luipaard maakt eene beweging om te springen, en valt daarna op zijde. Wij gaan voorzichtig verder: de luipaard, of liever de jaguar, is dood. Het is een mannetje, wiens tanden van ouderdom afgesleten zijn. De Indianen van Guyana noemen dit dier macaraï.

Omstreeks kwart over twaalven heeft François de plaats bereikt, die wij hem hebben aangewezen. Wij trachten met kracht van riemen den tegenovergestelden oever te bereiken, en hebben de lijn aan een zwaren steen vastgebonden. Apatou werpt den steen: bij ongeluk raakt de lijn los, en valt slechts de steen op den oever neer. Het is een kritiek oogenblik. François begeeft zich te water; hij heeft het geluk de riem te grijpen, die Apatou hem toesteekt, en is weldra met ons op het vlot, na eene scheiding van drie uren.

Een half uur later komen wij aan de monding eener niet onbelangrijke rivier, die zich hier in de Goyabero uitstort. Dit moet de Unilla zijn, wier wateren groenachtiger van kleur zijn dan die van de Goyabero. Volgens den barometer bevinden wij ons op eene hoogte van driehonderd-zeventig meters boven de zee. In zestien en een half uur zijn wij dus tweehonderd-tachtig el gedaald: men kan daarnaar de geweldige snelheid van den stroom afmeten.

Tweehonderd el beneden de uitmonding van de Unilla, vindt men aan den rechter oever van de rio eene kleine vlakte, waarvan de achtergrond door een boschje van bamboe wordt ingenomen, dat ons eene verkwikkelijke schaduw biedt. De stroom hier is veel minder snel. Wij hebben allen honger, en zijn recht in onzen schik dat wij aan de gevaren van dezen morgen zoo gelukkig zijn ontsnapt. Wij hebben allen grond om te verwachten, dat de grootste moeielijkheden nu overwonnen zijn, en dat de vaart voortaan minder bezwaar zal opleveren. Na op ons gemak en in zeer pleizierige stemming ontbeten te hebben, hervatten wij den tocht. Zoo als wij verwacht hadden, wordt de rivier kalmer. De beide oevers zijn met dichte, ondoordringbare wouden bedekt; reusachtige stammen scharen zich ter wederzijde in dichte gelederen, waarboven de palmen hunne gevederde kruinen verheffen. Honderde lianen slingeren zich om de takken en stammen dezer koningen van het woud en ontplooien tot hoog in den top haar bloemen en vruchten. Dorre boomstammen, wegstervende van ouderdom, verdwijnen onder een woud van woekerplanten. Tallooze papegaaien verbergen zich in het dichte gebladerte. Prachtige aras vliegen bij paren boven onze hoofden en laten haar wanluidend geschreeuw hooren. Met haar rood en blauw gevederte, haar langen staart, schitterende in het zonnelicht, herinneren zij eenigszins aan de verschijning eener komeet. Toucans schijnen ons te vervolgen met hun eigenaardig geluid, dat het best bij het keffen van een jongen hond is te vergelijken. Somwijlen beproeven zij het over de rivier te vliegen; en lettende op hun moeielijke en zware vlucht, begin ik te gelooven, wat Apatou zegt, dat zij dikwijls in de rivier vallen.

Omstreeks half vijf komen wij aan eene zandbank, waar wij den nacht zullen doorbrengen. Dit is eene oude bedding van de rivier; het zand heeft nog de indrukken bewaard van de schubben en nagels van een menigte kaaimans; ook de sporen van herten, van tapirs, van tallooze vogels zijn gemakkelijk te herkennen. Terwijl ik vuur aanleg, halen François en Apatou de hangmatten, de dekens en het keukengereedschap van het vlot. Lejanne neemt zijn geweer, en volgt de versche sporen van een tapir. Weldra hoor ik een schot, en even daarna keert onze vriend terug met een prachtigen eendvogel.

31 October.—De rivier is breed en diep, de stroom gematigd. Wij hebben ons bijna niet meer bezig te houden met het vlot, dat wij gerust met den stroom kunnen laten afdrijven. Op den linker oever zien wij eenige cabiais; zoodra wij aanleggen, verschuilen zij zich tusschen het hout. Apatou zet ze na; er vallen twee schoten; en François wordt geroepen om het wild te helpen vervoeren. De jager keert terug met een cabiai van middelbare grootte, die ongeveer dertig pond zal wegen.—Ook ontmoeten wij eenige kaimans, die evenwel in het minst geene vijandelijke gezindheid aan den dag leggen.

De zon is reeds vrij laag gedaald, en de hemel tooit zich met de rijke kleurenpracht van den avond, toen wij aan eene zandbank aanleggen, waar wij den nacht zullen doorbrengen. De cabiai is spoedig gevild; de kop en de ribben worden weggeworpen. Apatou laat de vier dijen boven het vuur drogen; en François bakt biefstuk van het vleesch van den buik. Terwijl wij ons maal nuttigen, hooren wij—noodlottig voorteeken!—het gegons van muskieten.

Wij strekken ons uit in onze hangmatten: de afschuwelijke insekten worden van oogenblik tot oogenblik talrijker. Wij zijn te loom om op te staan, maar wij kunnen geen oog toedoen. Eindelijk kunnen wij het niet langer uithouden: wij nemen een brandend stuk hout en begeven ons naar het vlot, waar wij de toevlucht nemen achter onze muskietenschermen en weldra rustig slapen.

Ontmoeting met een jaguar. (Blz. 271.)

Ontmoeting met een jaguar. (Blz. 271.)

1 November.—Des morgens ten half zeven zijn wij weer op weg. Voor ons strekt zich eene heuvelketen uit, wier omtrekken zich helder blauw afteekenen tegen het donkergroen van den oever: zij gelijken wel wallen met bosschen bedekt. Wij zijn niet ver van de heuvelreeks verwijderd, want wij kunnen duidelijk de begroeide plekken onderscheiden. De rivier maakt geweldige kronkelingen: wij houden den geheelen dag die heuvels in het gezicht, nu eens aan deze, dan weer aan die zijde. Zouden wij hier ook misschien de randal hebben, die zich dicht bij de monding van de Areare bevindt en waarvan men ons gesproken heeft? Zoo ja, dan is het kritieke oogenblik gekomen, waarop wij al onzen moed zullen noodig hebben. Als wij maar iets wisten van de plaatselijke gesteldheid en van den aard van het gevaar dat ons dreigt. Maar zullen wij vooraf niet nog andere hinderpalen ontmoeten? Niemand kan het ons zeggen, want wij volgen een door niemand betreden weg. Mijne reisgezellen zijn vol moed, even als ik zelf, en vast besloten om het gevaar, wat het dan ook wezen moge, kalm onder de oogen te zien. Toch schijnt de Goyabero nu eene fatsoenlijke, bezadigde rivier, die met de dolle kuren en buitensporigheden harer ontstuimige jeugd heeft afgerekend. Zij vloeit rustig in haar bedding voort en de stroom is niet buitengewoon sterk. Maar het spreekwoord zegt niet zonder recht: Stille waters hebben diepe gronden.

De hoeve Yavia.

De hoeve Yavia.