De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken, van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.
Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van de Nederlandsche volkskunde.
1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. Gerhard “de sterke met de speer”, Adelbrecht, “de schitterende door adeldom”, Everhard “sterk als het everzwijn”, Wigburga “steun in den slag” enz. Van Gerhard (of Hardger) is dan Gero de verkleinnaam, de vleinaam (epicoristicon), streelnaam of kortnaam die, wat de funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch gemeengoed is.
Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie (Heribrand, Hildebrand en Hadubrand: grootvader, vader en zoon in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.
Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch, b.v. “hij moge sterk zijn als een beer”: Berinhard; maar later werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk—afgezien van de namen, die een heidensche godheid aanduidden—ook hier een Oudgermaansch gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde keeren. Slechts enkele malen vinden wij een Stephanus, Nicolaas, Johannes of Christianus, tusschen de Germaansche benamingen als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone verkorting, vanwaar de namen Otte, Huig en Koen ontstonden.
Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de namen vermeld van Jacob, Katerine, Pieter, Clare enz. naast Garbrant, Dideric en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen gevoelen. Zoo krijgen wij dan:
a. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde Dieuwer in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm Thiadewara; Guurtje is waarschijnlijk uit Gundrada ontstaan; Ermpje is kortnaam van Ermengaarde. Men denke nog aan Wendert (Windhard), Jelbout (Ethelbold), Nanning enz. Over het groot aantal voornamen in Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859, bl. 49.
b. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus Wilbert, Willebrord, Wille, Wilfried, Huibert, Huib, Hille (Hildebert en Hildegundis), Siegfried enz.
c. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn o.m. Pieter, Maarten, Trijne, Klaas, Aagje, Teunis, Nijs (Dijs, Denys, van Dionysius), Tijs. Ook Arie en Adriaan, verkort tot Janus. In België vindt men o.a. Janus, Baaf, Albrecht, Bert, Geertje (Geertrui) en Roelke (Rolendis), die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke Vlaamsche Akademie (Gent 1902).
Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum 1915): “Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn” (bl. 16).
Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem 1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids, Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 124 vlg.
2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam; maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.
Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep, van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken, vooral ten platte lande. Men noemt iemand: “Jan van Piet”, of “van Pieten”; “Klaas van Trijn”, of “van Trijntjes”; men spreekt van “Dirk den Schilder”, “Jan den Mulder”, “Willem den Slager”; men heet iemand “Klaas van den Molen”, “Jan van de Brug”; en vooral in het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door den naam der hoeve, waar hij geboren is: “Zandhof Willem”. “Kees van den Krom” is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in “Mottige Willem” dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg naar den geslachtsnaam.
Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het Germaansche achtervoegsel -ing, dat de beteekenis aannam van “behoorende tot het geslacht van.” Zoo ontstonden de namen der bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische geslachtsnamen Benning (zoon van Benno), Nolting, Budding; de Saksische Geerdink, Abbink, Eggink; de Friesche Stallinga, Idsinga, Hattinga.
De patronymica gaan uit op -zoon (-sone, -soen), -son, -sen, -se, -s: Jansen, Harmsen, Japikse, Bartels; maar ook op -en, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op -ens, een jongere vorming; deze -en wordt als tweede naamval nog gehoord in het Strand-hollandsch, waar men spreekt van “Dirken waegen”, “Krijnen dochter.” Zóó ontstonden de namen Huijgens en Huijgen. In namen als Smaassen (Maas ontstond uit Thomas) gaat de s aan den genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak het voorvoegsel ser- (des heren) en ver- (der vrouwen): Serclaes, Vertruyen.
Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft van als voorvoegsel, gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus of: Van Deventer, Van Vlijmen, Van Wamel, Van Schijndel of: Van Dijk, Van den Heuvel, Van den Berg, Van der Molen, Van der Heide. In plaats van de praepositie van vindt men niet zelden aan en in, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de Limburgsche geslachtsnamen Aangevoort, Aengenent, Ingendael ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als Van den Eerenbeemt, Van de Cleemputte, Van de Crommenacker enz. vindt men meestal in ons zuidelijk volksgebied.
Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen De Lange, De Vette, De Jong, Mooi, Blauw, De Wit, De Bruin enz., maar ook: Langbeen, Spillebeen, Crombeen e.a. Vele dezer familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: In de Swaen (De Swaen, Swaen), Van der Ploeg, Van de Wijnperse, Spillemaeckers, Brouwers, Smids enz.
Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.
Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede naamvals-suffixen -inga en -a; maar ook op -ma, d.i. man, met de beteekenis van “zoon, afstammeling, hoorige”; terwijl -stra dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te vormen, b.v. Dijkstra. Verder vertoonen sommige op algemeene wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen, als Sikkes en Doedes, andere zijn met typisch Friesche woorden samengesteld. Zoo beteekent Soepboer: karnemelkboer; Bouwfeint: knecht van een landbouwer; Skriemer: iemand die weent of schreit.
De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de geslachtsnamen op -sema: Geertsema, Ilpsema. Eigenaardig zijn de—trouwens ook Friesche—namen met den uitgang -ker, -tjer, die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden: Veenker, Woltjer (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal namen, dat uitgaat op -huis; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en niet aan personen eigen: Bolhuis, Dijksterhuis. Drente sluit zich bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt door de patronymica op -ink en de voorzetsels ten, ter, te, antwoordend op de vraag: “Waar woont gij?” B.v. Ten Bruggencate. In Overijssel ontmoet men de namen op -belt, kleine hoogten in het veen, b.v. Knottenbelt. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen, en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het monosyllabisme: Top, Pot, Pan, Pont, meestal wel teruggaande op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland, Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op -mans: Heuvelmans, Mosmans. De Westvlaamsche gaan vaak uit op -inck, -ynck, -incx, b.v. Teirlinck, Hebbelynck, Warblinckx. Op Frieschen inslag wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland weervinden.
Natuurlijk wijzen ook namen als De Smed (smid) en Temmerman (timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer Zulver (zilver) op Noord-Holland, Groenewolt, Saverkoul, Eekholt op het Oosten van het land, DʼHaese, DʼHont op België. Zie vooral het boven aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen; verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen, Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII, bl. 122.
3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5 van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem, Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude Coriovallum, en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: Edana, Adanhe (Först. 510); Edesthorpa (Först. 509); Adingamore (Först. 137), Antwerpen; verder Carambunt, Adrichem (Först. 138). Van Holland wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische volksplantingen vertoonen, b.v. Pitelinghem, Addingahem. Zie ook K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover—Berlin 1909), maar met omzichtigheid te gebruiken. In Holderʼs Altkeltischer Sprachschatz vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897), bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897, 2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen Gennep, Epe en Velp, die op het wellicht Keltische apa “water” berusten; en verder op Thuine bij Lingen, dat in ʼt jaar 1000 Dune heette.
Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij Santpoort: Sancta Porta; Kestre: Castra; en Kemenade: Caminata. Maar het overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen, vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit persoons- en familienamen ontstonden: Stevenshuis, Hendriken, den Egberink, Wesselshuis; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf: de Karsman, de Kistenmaker, de Roodververij, ter Meulen, Timmerije, Smitterije. Het Limburgsche dorp Reuver, eigenlijk Den Reuver, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk toebehoorende aan Johan de Rover. De Enkevoort, een hoeve onder Baarloo, is naar de Enckevoorts genoemd; zie Limburgʼs Jaarboek II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar, van wien men ze in pacht heeft, b.v. Sandershof.
Een huis bij de oude landweren heette Landweer, en nabij de slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam Runneboom. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als Nachtegaal, Koekoek, Snip, Pedde; maar zij kunnen ook op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als Oelenhorst en Kraaienbelt. Zoo ook Valkenborg, Bijenhof, Voskamp. Van omgeving en ligging vertellen ook Lindeboom, Eikenhof, Sparrendaal, Hageveld, Muggebroek, Hulshof, Veenendaal, Lovendaal, Leemkuil, Stuivezand; aan bepaalde gebeurtenissen herinnert wellicht een naam als Jammerdaal.
Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming uitgedrukt, vanwaar namen als Vaarzenweide, Schapenkamp, Schaapsdijk, Ossenland, Bulven d.i. het stukje land, waarop de stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd tot Bultenven. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar, waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet altijd ook van naam verwisselt: Heintjesven, Louwesakker; weer andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: Steenkamp, Muizenven, Vlietsven, Ilpakker, of worden bepaald door hun vorm: Lange Stuk, Tweebeen, Splitkamp; enkele namen zijn ook historisch, als Galgeland, Schinderskuil, Paaschweide, en eveneens Spaarpot, Koekepan, Kibbelaar of Twistgrond. Zie vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. Achterklapspolder, Boerenverdriet (waar de boeren met hun groenteschuiten lang moeten wachten), Kijfhoek, Kostverloren (als de aanleg onnoodig blijkt), Pannekoek, Schuddebeurs (die veel geld kostte), enz.; zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901), bl. 270.
Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner slechts aan Barneveld, Meerveld, Pijnakker, Franeker, d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als ʼs Heerenhoek, Zandkoek, Zuidhorn, Plorn, Uithoorn, waar horn de beteekenis heeft van “hoek”.
a. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed, van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen in de plaatsnamen.
-Dam: Amsterdam, Zaandam (uit Zaanredam), Appingedam; -dijk: Odijk, Langendijk, Dijken; -sluis: Maassluis, Nieuwersluis; -rak (strook lands langs het water gelegen): Langerak, Gouderak; -beek: Oosterbeek, Bierbeek (Zuid-Brabant), Hilvarenbeek (Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk; -meer: Diemermeer, Meerkerk, Boxmeer; -monde (Frankische vorm): IJsselmonde, Rupelmonde, Roermond, Helmond; -muiden (Saksisch-Friesche vorm): IJsselmuiden, Cellemuiden, Genemuiden, merkwaardig in het Zeeuwsche Arnemuiden en in het Westvlaamsche Dixmuiden; -broek: Lutjebroek, Oldebroek, Bennebroek, Broekhuizen; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met “ouwe” in Rijnouwe en landouw): Renooi, Wadenooien, Genooi; -waard, weerd, voord (ingedijkt land): Zandvoort, Bekevoort (Brabant), Lichtevoorde, Amersfoort, Bolsward, Valkenswaard, Weert, Stevensweert, Bredevoort, Westervoort. De namen op -voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als Heerewaarden; -vliet: Poortvliet; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat “water” beteekent): Breda; -veen: Rouveen, Venloo, Loven, Zutfen; -zijl (sluis): Delfzijl, Blokzijl; -veer: Wormerveer; -polder: Willemspolder; -brug: Brugge, Diemerbrug enz. Onnoodig hier te gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover de rivier de plaatsnamen karakteriseert.
b. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): Woudenberg, Berkenwoude, Katwoude; -wolde (Saksische vorm) Ruinerwolde, Finsterwolde; -bosch: ʼs Hertogenbosch, Oudenbosch, Neerbosch; -haag: ʼs Gravenhage, Prinsenhage; -hout: (Frankische vorm): Voorhout, Aardenhout, Oosterhout, Turnhout; -holt (Saksische vorm): Posterholt, Engelanderholt; -horst (dicht kreupelhout, struikgewas): Horst, Nederhorst, Staphorst; -veld: Meerveld, Barneveld; -akker: Pijnakker, Franeker (Vroonakker), Oostakker.
c. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats de namen op -kerk: Oudekerk, Lekkerkerk, Grijpskerke;—maar ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel (van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van “kerkgebied”): Bovenkarspel, Weesperkarspel; -parochie: Sint Annaparochie, Jacobiparochie. Groot is het aantal plaatsnamen, die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: Sint Nicolaas, Sint Truiden, Sint Anne ter Muiden, Sint Joris Winge (Z.-Brabant), Sint Odiliënberg.
d. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid: ʼs Hertogenbosch, ʼs-Gravenhage, Zierikzee (waarschijnlijk verkort uit Zierikseport, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik), Stevensweerd, ʼs Heerenberg, Hillegom, Doetinchem: huis van den zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen op -burg: Middelburg, Doesburg, Valkenburg en, met behoud van het oude, vrouwelijke woordgeslacht, Terborg.
e. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad: Katwijk, Nieuwpoort, Beek en Donk, Raamsdonk (deze soort vooral in Brabant), Noorddorp, Willemstad; -heem, heim, veelal verkort tot -hem, -em, -um, -om: Heemstede, Herdershem, Reckhem, Hattem, Woudrichem, Sassenheim, Haarlem (Heslehem), Heukelum, Heelsum, Hillegom, Bennekom (Benninchem).
f. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I, bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.
g. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen, maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging vertellen ons: Ureterp; Poppingawier, Oosterwierum, Engwier; Holwerd, Rauwerd; Gaasterland; Grootegast, Lutjegast, waar gast evenwaardig is met het Hollandsche geest, b.v. in Endegeest, Oestgeest. Ik vermeld nog: Tietjerkseradeel (tjerk beteekent kerk); Oostergo (gouw); Weststellingwerf (stelling beteekent rechterstoel); Abbega, Oudega (ga, gea is dorp); Munnekezijl, Pieterzijl; Koningsdiep (diep is een kanaal of gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.
h. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt, die met den datief is samengevallen; b.v. Venendaal, d.i. -dale, Bloemendaal, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook Nieuwersluis, Ouderkerk; en verder Den Haag, Den Helder, Den Bosch; eindelijk de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen enz., b.v. Groningen, Voorschoten, Vollenhoven, Veenhuizen, Kloosterburen, Steenbergen. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel te, de proklitsche vorm van toe (mag ik belangstellenden even wijzen op het verwante Oudlatijnsche en-do?), b.v. in Terborg, Terneuzen; ook op komt herhaaldelijk voor: Opbroek, Opmeer.
Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken, plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest, die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere plaatsnamen,—even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp, de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische, folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.
Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht, -rode: rade.
Loo is de oude vorm voor “akkermaalshout, eikenbosch”. Wij vinden het in plaatsnamen als Venloo (Veenbosch), Corbeek-Loo, Tremeloo, Baarloo; maar ook in Grolle (naast Groenloo), Wamel (uit Wameloo), Gorsel (uit Gerstloo), Pamel, Steenhuffel enz. Den uitgang -drecht vindt men in Woensdrecht = Wodani Trajectum (I, bl. 90), Papendrecht, Zwijndrecht. Somtijds beteekent het “veer, overvaart”, andermaal “drift”, d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische cht uit ft, zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche traiectum, als in Woensdrecht en eveneens in Utrecht en Maastricht, wordt beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.
Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt zijn wel de plaatsnamen samengesteld met -rode en -rade. Zij herinneren, evenals die op -woud, -holt, -loo, -horst, aan het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk land heette rode of rade. Zie over dit onderwerp vooral Gallée, Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352; Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.
Wij weten, dat de marke een grensland was, een binnen bepaalde grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit overgingen. Rode en rade drukken dus den aard der werkzaamheid uit èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer, daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen met -rade bezuiden de Uerdinger linie, dus in Ripuarisch Limburg, het meest voorkomen: Asenraai, Bingelrade, Doenrade, Vaasrade, terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den vorm -rode vertoont: Brederode, Berkenrode, Sint Oedenrode. In België vindt men, met uitzondering van Rade bij Lembeek en Rath bij Antwerpen, uitsluitend rode: Sint Pietersrode, Nieuwrode, Waanrode enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis, vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op -rade eigenlijk slechts in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant, Holland, Zeeland en Utrecht vindt men -rade zoo goed als niet (merkwaardig is echter de groep Venray, Tienray, Castenray). Ook in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op -rode en -roth verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke richting heerscht pariteit tusschen -rode en -rade, tot in Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke rode-groep.
Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat, terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.
Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent 1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek der Middelnederlandsche Geographie2, passim; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman. 1897, bl. 48.
4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de onbewuste benamingen—wat betreft het doel der naamgeving—ook de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren Langstraat, Hoogstraat, Houtstraat, Beekstraat, Nieuwstraat, Breestraat, Varkensmarkt; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit kende: Utrechtschestraat, Naamschestraat, Mechelschestraat, Haarlemmerstraat. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo b.v. Bemuurde Weerd (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden de stad. Historische namen zijn niet b.v. Waterlooplein of Plein 1813, maar wèl de Venloosche Keisersgats (steeg, vlg. Gasse), waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe behooren ook—of zullen behooren—de straatnamen, die wijzen op kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: Mariastraat, Jansstraat, Minrebroederstraat, Agnietenstraat,—ik behoef hier slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan historie! De Utrechtsche Keistraat schijnt haar naam te danken aan het huis De Krakeling, door Jonker Meyster gebouwd Achter Sint Pieter, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht; zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger Kijk-in-ʼt Jatstraat schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een zonderlingen kop, waaronder de woorden: “ick kick nog int”, dat moet worden aangevuld door: “in ʼt jat”, d.i. ik kan nog in de straat zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. rak in Damrak, met de beteekenis “strook land langs het water”, en in het Venloosche Schriksel, immers het werkwoord schrikken, Middelnederl. scricken, beteekende oorspronkelijk “met groote passen loopen”, ook “springen”, men denke aan schrikkeljaar. Het Hasseltsche schrikschoen beteekent “schaats.”
5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de Einheitsdruck genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort, en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is nu eens initiaal, dan weer finaal. Rust de klemtoon op het eerste lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over het eerste lid als ʼt ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel, dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is, dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan “in éen adem.” Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik (Leipzig 1904), bl. 175, 212.
Bij woorden als bloémkrans, áchterdeur, uítpakken, in tegenstelling met burgemeéster, volvoéren, misbruíken, verpákken is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door Prof. Niermeijer over “De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen” in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.
Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt; zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf, òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op voldoende wijze bepaalt.
Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal duiden. Men zegt: Kérkstraat, Maásstraat, Vleéschstraat enz.; maar Maaspoórt, Keulschepoórt, Gelderschepoórt, Roermondschepoórt, en eveneens Oude-márkt, Ariënsplaáts, Hakkesplaáts. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: “die of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats”, welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg onmogelijk te zeggen: “hij woont in de straat”. Zoo kan men ook best zeggen: “hij woont op het Schriksel”, en daarom draagt bij samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling niet het initiale accent: Maasschríksel, Helschríksel. Slechts als antwoord op de vraag: “Op wèlk Schriksel?” zal het antwoord luiden: “Op het Maásschriksel” of “op het Hélschriksel”. Maar waarom dan Moésmarkt (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het eerste lid tot het voornaamste maakt.
Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd: Heerengrácht, Prinsengrácht, Martelaarsgrácht;—Torensluís, Weteringscháns, Nieuwendíjk, Zeedíjk, Muiderpoórt, Weesperpoórt, Waterloopleín, Marinierspleín, Nieuwmárt. Het meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het accent. Maar: Heérenstraat, Prínsenstraat, Kálverstraat, waar straat ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel geworden is; en eveneens: Bótermarkt, Áppelenmarkt. Schijnbare uitzonderingen zijn Utrechtschestraát, Leidschestraát (evenals te Leiden Haarlemmerstraát), omdat straat daar oorspronkelijk de beteekenis had van “straatweg”. Ook het initiale accent op Káttenburg en Wíttenburg is goed verklaarbaar, omdat -burg alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het accent op de samenstellingen met steeg betreft, dat hangt af van een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt men het met gracht, plein op éene lijn te stellen, en zoo spreekt de Amsterdammer dan ook van Halvemaansteég, Torensteég, Balkinhetoogsteég, Heintjeshoeksteég; te Rotterdam daarentegen schijnt men te accentueeren: Mólsteeg, Hoófdsteeg.
Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: “Hij woont op den Dam, in de Meer”, vandaar: Amsterdám, Watergraafsmeér, Enkhuízen, Blokzíjl; maar: Voórburg, Veénendaal, en eveneens Vénloo, Óploo, Héngeloo, Zwíjndrecht, Dórdrecht, Sássenheim, Núnhem, Aúdergem (Brabant), Sint Oédenrode.
Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent, veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest, afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen hun woonplaats b.v. Genemuíden, omdat de naam voor hen tot simpele aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden, om de plaats van andere op -muiden te onderscheiden, en dus zeggen: Génemuiden.
6. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks- en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen aanleiding gaf.
Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als Leeuwarder Galgelappers en als Dokkumer Garnaten hoort uitschelden, en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de namen van Koeketers en Muggen toevoegden,—men moet ook open oog hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen, dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.
De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winklerʼs Studiën in Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de Friesche en Vlaamsche gewesten.
Friesland. Leeuwarden: Speknekken en Galgelappers. “De Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van Leeuwarder Galgelappers tot ʼe dag fan fandaag toe.”
Harlingen: Tobbedounsers, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger stoffenverwer als ʼt ware te dansen stond in de tobbe.
Sneek: Dúmkefretters. Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak in vorm en groote als een mansduim.
Bolsward: Oaljekoeken (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).
Hallum: Koekefretters.
Dokkum: Garnaten (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.
Franeker: Klokkedieven, omdat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater, Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen dezen naam.
Ameland: Balkedieven, immers hun wapenschild vertoont op de eene helft drie balken; verder Schalken en Guiten.
Workum: Brijbekken, hetzij van brij, hetzij van het eigenaardig rollen der r, dat de Hollander brouwen heet. Men zegt dit ook van de Zwollenaars.
Hindeloopen: Tjeunken, oorsprong onbekend; ook wel Uilen.
Staveren: Ribbekliuwers, van het eigenaardige, snel-vorderende schaatsenrijden (ribben wijst op een overoud gebruik van te rijden op koeribben), dat men “klauwen” noemt.
Berlikum: Hounefretters (Hondevreters), wellicht naar aanleiding van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.
Peasum: Hountsjes (Hondjes).
Wierum: Katsjes (Katjes).
Winaldum en Baard: Katten.
Midlum: Rotten.
Warga: Brêgebidlers (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.
Ureterp: Oanbreide Hoasen (Aangebreide Kousen).
Warns: Skiepeloarten (Schapekeutels).
Winsum: Spinsekken (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.
Irnsum: Kattekneppelders (Kattenknuppelaars), een naam, die met het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).
Rinsumageest: Hounewippers (Hondewippers), van een soortgelijk kermisvermaak.
Sint-Anna-Parochie: Raapkoppen.
Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: Wortelkoppen.
Oldeboorn: Toermjitters (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van
Tzum: Lyntjesniders (Lijntjesnijders).
Grouw: Tsjiisfordounsers (Kaasverdansers). Een groepje lustige Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.
Akkrum: Skytstoelen. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het rijmpje, dat er op geschilderd staat:
In ʼt jaer 1710
Werd ick voor het eerst gesien,
Ick was versierd al nae behooren
Als kackstoel voor den eerstgeboren
Uyt de houwlickstrou
Van Geert Ackrum en syn vrouw.
Makkum: Strânjutten (Strandroovers). Daarentegen is Miigen een eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord, dat “magen, bloedverwanten”, in ʼt bijzonder “neven, kleinzonen” beteekent, nog in eere houden.
Lollum: Stippers. Door stip wordt een mager sausje aangeduid.
Molkwerum: Tsjoensters (Heksen) heeten de vrouwen.
Birdaard: Skiepekoppen (Schapekoppen).
Wirdum: Toerkefretters (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak verkochten.
IJlst (Drylst): Kjipmantsjes (Koopmannetjes), een soort moppen.
Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra t.a.p. I. bl. 288–294.
Groningen. Groningen: Molboonen (Kindersnoeperij), Kluunkoppen (Kluun is een bijzonder soort bier), Klaereproevers.
Delfzijl: Klokkedieven, Krabben. Men beweert, dat de bewoners een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een Delfsylster in den hemel. Maar een Damster (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen: “Een schip in nood!” Aldus geschiedt, en ziedaar, bij ʼt hooren van dien kreet snelt de Delfsylster naar buiten, zoo hard hij loopen kan.
Wagenborgen: Aardappeldoggen.
Ter Munten: Koedieven.
Zuidlaren: Witmakers.
Uskwerd: Metworsten.
Meeden: Ketelschijters.
Grijpskerk: Smalruggen.
Garnwerd: Gortvreters.
Bafloo: Koarschoevers (Kaarschuivers).
Winsum: Gladhakken.
Bedum: Geutslikkers.
Ezinge en Sauwert: Koevreters.
Onderdendam en Niehove: Poepen.
Den Andel: Turken.
Drente. Meppel: Muggespuiters of Muggen. Een groote muggenzwerm omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en Middelburg. Een anderen naam, de Kloeten, danken zij aan de groote kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.
Grolloo: Knollen.
Anderen: Moeshappers,
Elp: Koekoeken.
Annen: Oelen.
Assen: Straatslipers, Tellerlikkers en Biggen.
Borger: Schöttellikkers.
Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): Stalpoalen.
Buinen: Poepen.
Duurse: Geldbeurzen en Boksen.
Dwingeloo: Doeven.
Eelde: Hekkenspringers en Geelgatten.
Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.
Overijssel. Zwolle: Blauwvingers. In 1682 viel te Zwolle de toren van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden, waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.
Kampen: Steuren. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal, dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade, hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in ʼt water tuurt, of de steur er soms nog is, want: “Je kunt het toch maar nooit weten.”—Ik maak hier de opmerking, dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid, bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over het hoofd ziet.
Blankenham: Brijhappers.
Blokzijl: Katten.
Genemuiden: Rudekikkers en Ruusvorens.
De Kuinder: Kroggen.
Zwartsluis: Bleien of Bleisteerten.
Hengeloo: Windmakers.
Delden: Kwekkeschudders.
Oldenzaal: Gruppendrieters, d.i. die hun behoefte doen in een greppel.
Deventer: Stokvisschen, Poepen en Geutendrieters.
Borne: Meelvreters.
Over de benaming Tukker voor Twentenaar is veel geredetwist. De waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van tukker, een vogeltje, dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders draagt het den naam van heikneutje of robijntje. Naar dezen vogel zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak Heettukkers: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII, bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: “Ij kommt oet ʼt land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr “Doe” neumt.”
Gelderland. Nijmegen: Knotsendragers.
Zutfen: Metworsten.
Lochem: Koolhazen.
Enspijk: Hanenknippers. Deze benaming zou het gevolg zijn van een artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als “Enspiksche Hanenknippers” werden begroet. Men zou daar nl. hebben voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874 tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan, tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De Navorscher XXVI, bl. 264.
Nunspeet: Knutten en Huibasten. Hieronder verstaat men personen, die veel wei of hui in hun “bast” drinken.
Driel: Vleescheters. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk Archief I, bl. 176, III, bl. 469.
Elburg: Pepernoten.
Harderwijk: Bokkingkoppen.
Uddel: Heugters.
Haaften: Kraaien.
Ek en Ingen: Kladden.
Zoelen: Kozakken. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd, die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.
Utrecht. Amersfoort: Keisleepers of Keitrekkers. De bewoners vonden nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt (1661).
IJsselstein: Apenluiders, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.
Limburg. Weert: Rogstekers. Men verhaalt, dat er oudtijds een vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend naar het stadje mee.
Nederweert: Pinstekers.
Venloo: Wannevliegers. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook van Venloosche Moppen. Door de Blerikschen worden de Venlonaars Reubeslikkers (Raapslikkers) genoemd.
Blerik: Wortelepinnen, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.
Venraay, Horst enz.: Peelhazen.
Helden: Kuzen.
Sittard: Laammekers. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen vermaken.
Noord-Brabant. Heusden: Wieldraaiers. Het stadje voert een wiel in zijn wapen.
Os: Dubbeltjessnijders.
Werkendam: Brijbroeken.
Woudrichem: Mosterdpotten.
Schijndel: Hopbellen.
Uden: Kaaieschijters.
Sint-Oedenrode: Papbuiken.
Zeeland. Cadzand: Peren. Dit pere is het Fransche père en wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in de vertrouwlijke omgangstaal.
Middelburg: Maanblusschers. Het schijnen van de maan op den toren werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook Schavotbranders.
Vlissingen: Flesschedieven, van de flesch op het wapenschild.
Goes: Ganzekoppen, van de gans in het wapen.
Zierikzee: Koedieven, Steenkoopers, Torenkruiers.
Axel: Aardappelkapers.
Zaamslag: Strooplikkers.
Sluis: Windmakers.
Noord-Holland. Schagen: Roodjes. Naar men beweert hebben vele Schagenaars rossig haar.
Alkmaar: Gortzakken, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook Ketelkruipers.
Schermerhorn: Mollen, naar den mol in het wapen.
Langendijk: Koolstruiken, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk vormen, kool de hoofdteelt is.
Egmond aan Zee: Vischteven, men denke aan de Tsjoensters van Molkwerum.
Groot Schermer: Wildjes, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.
Oostzaan: Kooleters.—Men noemt ze ook het Volk van Klaas Kompaan, een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, bl. 488.
Zaandam: Galgezagers. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen: Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.
Amsterdam: Koeketers, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp heeten Moppen.
Texel: Kwallen.
Den Helder: Traanbokken.
Enkhuizen: Vijgen.
Hoorn: Krentebollen.
Heiloo: Rapenplukkers.
Ursem: Langslapers.
Monnikendam: Monnikentroeters.
Purmerland: Platpooten.
Zaandijk: Krentekakkers.
Westzaan: Kroosduikers.
Wormer: Boonpeulen, Steenegooiers, Uilen.
Wormerveer: Gladooren.
Broek-in-Waterland: Vinken.
Beverwijk: Klapbessen.
Assendelft: Kiplanders, Spanjaarden.
Haarlem: Muggen.
Naarden: Kalven.
Zuid-Holland. Leiden: Peueraars, Blauwmutsen, Hondendooders en Sleuteldragers, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.
Delft: Kalfschieters. In ʼt jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun, toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III, bl. 373.
Gouderak: Rakkers, berustend op volksetymologie.
Schiedam: Toovenaars. Men zegt: “Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren.”
Hillegom: Hangkousen.
Den Haag: Ooievaars (naar het wapen), Waterkijkers, Bluffers.
Gouda: Gapers.
Oudewater: Klokkedieven, vgl. Franeker, Delfzijl enz.
Rotterdam: Kielschieters, omdat zij een bootje, dat met de kiel naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij hun geweren afvuurden.
Dordrecht: Schapedieven.
Den Briel: Zeelepers en Puiers.
De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.
West-Vlaanderen. Brugge: Zotten.
Kortrijk: Pastei-eters.
Diksmuiden: Boterkoppen.
Meenen: Taartenbakkers en Wagenwielvangers.
Poperingen: Keikoppen en Gekken.
Heist-op-Zee: Keuns (Konijnen).
Blankenberge: Geernaarts, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam der Dokkumers.
Nieuwkerke: Schapen.
Yperen: Kinders. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is, volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. “Het zijn onze kinders van Yperen”, zou Margaretha gezegd hebben, “die ons dit bewijs van liefde hebben gegeven.” Zie Belgisch Museum I, bl. 270.
Oost-Vlaanderen. Gent: Heeren en Stroppedragers; zie Volkskunde XXIII, bl. 242.
Dendermonde: Knaptanden.
Baasroode: Kalefaters.
Opdorp: Platte Keesboeren.
Ninove: Wortels.
Ronse: Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers.
Oudenaarde: Boonenknoopers. Men noemt ze ook Kiekefreters.
Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens, om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze hen dit te beletten en voegden hun toe: “Wij kunnen zelf onze kiekens wel opvreten”; zie Belgisch Museum V, bl. 440.
Geeraartsbergen: Bergkruipers.
Onkerzele: Tooverheksen, vgl. de Toovenaars van Schiedam.
Mendonk: Palingstroopers.
Wachttebeke: Zotten.
Moerbeke: Smeerkoeketers.
Exaarde: Blauwbuiken.
Aalst: Witvoeten, Draaiers en Ajuinen.
Akkergem: Koolkappers.
Limburg. Neerpelt: Torenblusschers.
Peer: Muggeblusschers, vgl. de Muggespuiters van Meppel.
Hasselt: Beekrotten (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek wonen, vgl. bl. 15).
Antwerpen. Antwerpen: Sinjoren. In dezen naam schuilt een herinnering aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den Spaanschen titel van Señor droegen.
Mechelen: Maneblusschers, zie Volkskunde XXI, bl. 236.
Turnhout: Muggeblusschers, vgl. Peer en Meppel.
Lier: Schapekoppen.
Rethy: Kortooren.
Ramsel: Poteerddabbers.
Huigene: Eters.
Meerhout: Katten en Knikkers.
Arendonk: Gorteters, Tjokkers en Pinnekenmakers.
Poppel: Janhagelmannen.
Liezele: Pieren.
Breendonk: Meutes (nuchtere kalven).
Wilrijk: Geitekoppen.
Bornhem: Boschkrabbers.
Gierle: Schijters.
Hove: Keeskoppen.
Loenhout: Pezerikken en Moeszakken.
Oost-Halle: Joden.
West-Halle: Smousen.
Willebroek: Vaartkapoenen.
Hoogstraten: Speelzakken.
Brecht: Struiven, Halfhouten en Mastendoppen.
St. Amands: Gipsheeren.
Zoersel: Drijvers en Kluppelaars.
Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden ontleend.
Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen; voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197–241 en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles, 1904), passim.
Beersel: Keesboeren en Boterdieven.
Bertem: Tuischers (paardenkooplui).
Boschvoorde: Bessembinders.
Brussel: Kiekefretters. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.
Zij heeten verder: Apendrillers. Eens betrokken twee bejaarde burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat) de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht—voor een aap, zooals naderhand bleek.
Diest: Mostaardschijters; zie Ons Volksleven IX, bl. 102.
Dormaal: Weerwolven en Vuurmannen.
Elsene: Hondenknagers; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden van hongersnood.
Esschene: Patattenboeren.
Gooik: Telloorlekkers.
Hal: Vaantjesboeren, van wege de processievaantjes.
Leuven: Peetermannen. Sint Pieter is de patroonheilige van de stad. Men noemt ze ook de Koeischieters, omdat naar verluidt, de Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V, bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.
Linkebeek: Moeliedauwers. Zij duwden eens iemand uit scherts in een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.
Messelbroek: Kalotten.
Molenbeek: Vaartkapoenen; vgl. Willebroek.
Schaarbeek: Ezels. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars, die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel was een ezelkarretje.
Scherpenheuvel: Keerskatten, naar de processiekaarsjes, die zij aan de pelgrims verkoopen.
Sichem: Heeren. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant, dat aldus aanhief: “Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten.” Waarop geantwoord werd:
“Als gij sijt Heeren en wij lieden,
Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden.”
Den spotnaam van Heeren draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.
St. Gillis: Koolkappers.
Tienen: Kwêkers. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.
Men noemt ze ook Maneblusschers en Boterpotten, omdat ze in 1830 hun veste met boterpotten verdedigden.
Ukkel: Kersenkrakers.
Vilvoorde: Peerdefretters.
Vorst-bij-Brussel: Hondenfretters.
Wambeek: Klaverboeren.