INLEIDING TOT DE SAGE VAN HEER GARETH.

Ornamentale leeuw.

De sage van heer Gareth, den jongsten zoon van koning Lot en koningin Morgawse, die een jaar lang als keukenjongen aan het hof van koning Arthur diende, is ontleend aan de Engelsche letterkunde, waar wij haar aantreffen in het zevende boek van de Morte d’ Arthur van Thomas Malory. Terwijl men voor alle overige verhalen, welke in genoemd standaardwerk zijn opgenomen, eene bron heeft weten te vinden, is men er tot nog toe niet in geslaagd, om te ontdekken aan welk gedicht of prozawerk de sage van “Sir Beaumains”1 zooals de held door Malory genoemd wordt, ontleend is. Dr. H. Oskar Sommer, de bewerker der beroemde critische uitgave2 van Malory’s werk, meent, dat onze sage wellicht ontstaan is uit een volksverhaal, hetwelk oorspronkelijk geen verband hield met den Arthur-cyclus, totdat Malory, of een ander, onbekend gebleven schrijver vóór hem, het overnam, waarschijnlijk uit een verloren geraakt Fransch gedicht en het in verband bracht met den persoon en het hof van koning Arthur.

Wij vinden onze sage terug onder de Konings-idyllen van Alfred Tennyson, onder den titel: “Gareth and Lynette.” In dit gedicht treffen wij enkele afwijkingen aan van den inhoud der oorspronkelijke geschiedenis: Gareth huwt niet Lyonors3 om wier wille hij zulk een gevaarlijken tocht onderneemt, maar Lynette, zijne gezellin op dien tocht, die hem eerst hoont en bespot om zijn nederigen staat, maar hem tenslotte leert liefhebben en eerbiedigen om zijn grooten moed en zijn nog grooter geduld.

De beschrijving van Gareth’s jeugd op het eenzaam slot van zijn vader en van den angst zijner moeder, dat deze jongste zoon haar evenals zijne broeders zal verlaten, heeft Tennyson waarschijnlijk ontleend aan het begin der sage van Parcival, zooals die onder den titel: “Peredur, the Son of Evrawc”, voorkomt in den Mabinogion. Hier en daar heeft de dichter nog eenige veranderingen aangebracht in den loop van het verhaal, teneinde de allegorische beteekenis daarvan te doen uitkomen, maar in hoofdzaken stemt hij met Malory overeen in zijne wedergave der sage.

In de volgende bladzijden vindt men het verhaal van den proeftijd van prins Gareth weergegeven, zooals het in de Morte d’Arthur beschreven staat, eenige onbelangrijke bekortingen daargelaten. De vóórgeschiedenis van den jongen held en de naam zijner bruid zijn ontleend aan Tennyson’s gedicht.


1 Deze spotnaam werd den jongen prins geschonken door Heer Key, den boosaardigen tafelmeester van koning Arthur.

2 Deze uitgave bestaat uit drie deelen en werd uitgegeven te Londen door David Nutt.

Het eerste deel, inhoudend den tekst der Morte d’ Arthur, verscheen in 1889, het tweede deel, hetwelk eene inleiding bevat, in 1890 en het derde, eene studie over de bronnen, in 1891.

3 Dit is de naam, welke Tennyson aan de belegerde schoone geeft en dien zij ook in de volgende bladzijden draagt. Malory noemt haar Liones, wat verwarring kan geven met den naam der landstreek Lyonesse, welke veelal verbonden wordt aan Tristan’s naam.

DE SAGE VAN HEER GARETH.

“Let be my name, until I make my name”.

(Alfred Tennyson: “Gareth and Lynette”).

Ornamentale leeuw.

Vier bomen die buigen in de wind.

Hoe de zonen van koningin Morgawse naar het hof te Camelot trokken. Lot, koning der Orcadische eilanden en zijne gemalin Morgawse hadden vijf zonen. Vier van hen: Walewein, Modred, Agravaine en Gaheris waren, zoodra zij den jongelingsleeftijd bereikt hadden, naar het hof van hun oom, koning Arthur, getrokken en keerden slechts nu en dan voor een kort verblijf naar het ouderlijk slot terug. De jongste zoon daarentegen: Gareth, was langer dan zijne broeders in het ouderlijk huis blijven vertoeven, gehoor gevend aan den dringenden wensch zijner moeder.

Met angst en vreeze in ’t hart zag koningin Morgawse den dag naderen, waarop de laatste en liefste harer zonen de wijde wereld zou intrekken en haar alleen zou achterlaten in het eenzame slot van haren gemaal, waar zij zich in de lange jaren van haar huwelijk nooit geheel thuis had gevoeld. Misschien was dit laatste toe te schrijven aan het groote verschil in landaard tusschen de bevolking uit hare geboortestreek, het Zuiden van Engeland, en die van haar nieuwe vaderland. Ginds was men gewoon het leven te genieten, hier, onder de stugge eilandbewoners, zocht men zijn geluk in het rustig volbrengen zijner dagelijksche plichten, zonder naar verstrooiing of genot te vragen. Mogelijk ook was de onvoldaanheid der koningin voor een deel te wijten aan het koude, zwijgzame karakter van haren echtgenoot, die elke uiting van uitbundige levensvreugde van de zijde zijner gemalin met koele onverschilligheid trachtte te dempen. Deze had ten slotte geleerd zichzelve te beheerschen en voor het uiterlijk de statige, trotsche vrouw te zijn, die hij zich als gemalin wenschte, maar niemand in hare omgeving kon vermoeden, hoe zij leed onder dit bedwingen van hare werkelijke persoonlijkheid. Als de kille zeedamp het eilandenrijk dagenlang met een ondoordringbaren nevelmuur omringde en het krijschen der zeemeeuwen het eenige geluid was, dat de stilte verbrak, als de vrome eilandbewoners nedergeknield lagen voor hunne heiligenbeelden en gebeden prevelden voor het welzijn van hen, die daar ginds op de baren zwalkten, zat koningin Morgawse in hare eigen vertrekken en staarde naar buiten in den grijzen mist. Dan kwam haar hart soms in opstand tegen het onverbiddelijk noodlot, dat haar, die voor vreugde en blijdschap geschapen scheen, veroordeelde om haar leven te slijten in deze sombere omgeving, waar niemand haar begreep en liefhad.

Dat de verhouding tusschen de beide echtgenooten te wenschen overliet, was geen geheim voor hunne omgeving en de hovelingen, die hunnen vorst met groote trouw aanhingen, weten dit geheel aan de koningin, die zich zoo moeilijk had weten aan te passen aan hare nieuwe omgeving. Men beschuldigde haar van lichtzinnigheid, ja zelfs van ergere dingen, want toen kort nadat de koningin van eene reis naar haar geboorteland was teruggekeerd, haar tweede zoon Modred geboren werd, ging er een gerucht, dat deze geen kind van koning Lot was, maar dat hij gesproten was uit eene onwettige verbintenis, welke de vorstin daarginds in het Zuiden gesloten had. De juistheid van dit vermoeden werd nooit met stelligheid bevestigd, maar een feit bleek het, dat Modred, toen hij opgroeide, zoowel uiterlijk als innerlijk geheel verschilde van zijne broeders.

Het scheen aanvankelijk, of koningin Morgawse in hare kinderen vergoeding zou vinden voor wat zij in den omgang met haren echtgenoot te kort kwam. Zij had hen allen zonder onderscheid hartstochtelijk lief; hoe zwaar moest het haar dus vallen, om hen, zoodra zij tot jongeling waren gerijpt, te moeten afstaan en hen te zien heentrekken naar het hof van haren broeder.

Alleen Gareth, die met zijne oudere broeders aanmerkelijk in leeftijd verschilde en daardoor langer kind was gebleven dan zij, restte haar nu nog van het vroolijke vijftal, dat de zalen van het oude kasteel had doen daveren van zijn wilde spelen. En ziet—nu werd ook die jongste zoon onrustig en sprak den laatsten tijd van niets anders dan van zijn plan om zich op zijne beurt naar het hof te Camelot te begeven en aldaar het volle leven te leeren kennen. Hoe zijne moeder hem ook bad en smeekte, het mocht niet baten; zijn hart was daarginds, bij zijne broeders en hij had geen rust, vóór hij de toestemming van zijne ouders had ontvangen, om zich bij hen te voegen.

Eindelijk was de koningin wel gedwongen, hem die te geven, maar—slechts onder ééne voorwaarde; en deze, zoo meende zij, was van dien aard, dat zij den jongeling eens voor al van zijn voornemen zou terugbrengen. Zij eischte namelijk van Gareth, dat hij, aan het hof gekomen, een jaar lang als keukenjongen in ’s konings dienst zou treden en al dien tijd zijn naam en afkomst voor zijne omgeving geheim zou houden. Den trotschen aard van haar zoon kennend, meende koningin Morgawse, dat deze voorwaarde hem onuitvoerbaar zou toeschijnen en dat hij dus, hoe ongaarne ook, zijne reis naar het hof zou opgeven. Maar neen! Sterker nog dan zijn gevoel van eigenwaarde was de lust naar avontuur in het hart van den jongeling en na zich eene wijle bedacht te hebben, stemde hij toe in den eisch zijner moeder. Van dat oogenblik af moest de koningin met leede oogen toezien, hoe Gareth zich beijverde om de toebereidselen voor zijn vertrek in den kortst mogelijken tijd te treffen en weldra brak dan ook de gevreesde dag aan, waarop de reis naar Camelot bepaald was.

Vergezeld door twee zijner dienaren, ging Gareth vervuld van de schoonste verwachtingen voor de toekomst, op weg. Wel lachte het denkbeeld om een jaar in de keuken van het koninklijk paleis te moeten dienen, hem niet bepaald toe, maar—zoo redeneerde hij met jeugdige zorgeloosheid,—twaalf maanden zijn gauw voorbij! Hij had nu toch zijn zin; hij ging naar Camelot, waar de ridders woonden, van wier heldendaden hij zooveel had hooren vertellen, waar de groote tournooien werden gehouden, waar men op de jacht ging naar herten en zwijnen, waar de vreemde speellieden hunne liederen kwamen zingen, kortom: waar men het leven in al zijne rijkdom en heerlijkheid kon leeren kennen! Wat deed het er dan toe, of hij voorloopig slechts toeschouwer mocht zijn bij al dat schoons? Honderd-, neen duizendmaal liever was hij een eenvoudige keukenjongen in Camelot dan een prins in zijns vaders koninkrijk.

Na lange dagen reizens kwam het kleine gezelschap voor de poorten van Camelot aan. Naar het uiterlijk schenen zij drie eenvoudige landlieden, die van verre gekomen waren, om hun vorst te begroeten. Gareth had zorg gedragen, dat zijne kleeding in geen enkel opzicht afweek van die zijner reismakkers.

Gezicht.

Hoe Gareth als keukenjongen bij koning Arthur in dienst trad en hoe hij door Key gehoond werd. Zonder eenige moeite slaagde het drietal erin om tot de tegenwoordigheid des konings te worden toegelaten, daar deze zich steeds op dezen tijd van den dag beschikbaar placht te stellen voor een ieder, die zich met eenig verzoek tot hem wenschte te richten. Gareth en zijne volgelingen werden dan ook terstond door een der paleisdienaren door een doolhof van gangen en portalen naar de groote slotzaal geleid, waar de koning, omringd door zijne gansche hofhouding, zitting hield om de wenschen en klachten van zijn volk aan te hooren. Lieden van allerlei slag knielden neer voor zijn troon en nooit gebeurde het, dat zij onvoldaan huiswaarts moesten keeren.

Terwijl Gareth zijne beurt afwachtte, liet hij zijne blikken dwalen door de ruime zaal, waarvan de wanden bedekt waren met eene bonte reeks van geschilderde tafereelen, welke een overzicht gaven van Arthurs krijgstochten tegen de heidenen. Meer echter nog dan door de fraaie wandschilderingen werd zijne aandacht geboeid door de personen, die zich in de zaal bevonden. Allereerst bleef zijn blik rusten op de vorstelijke gestalte des konings, zooals hij daar in fiere houding op zijn troon gezeten was, de linkerhand aan de greep van een glinsterend zwaard, dat met de punt op den grond rustte, de rechter steunend op de leuning van zijn zetel. Met eene uitdrukking van vriendelijke belangstelling luisterde hij naar het relaas eener arme weduwe, die zijne hulp kwam inroepen om het erfdeel van haren echtgenoot, dat men haar ontstolen had, te herwinnen. Vol bewondering hoorde Gareth toe, op welk eene welwillende en oordeelkundige wijze de vorst de weenende vrouw te woord stond en het hart van den jongeling klopte luide van ontroering, toen hij de ongelukkige haren dank hoorde stamelen. Daarna zag hij verder om zich heen en tuurde langs de rijen der hovelingen, of hij onder hen ook zijne broeders kon ontdekken. Weldra vond hij hen, die hij zocht: de kloeke, mannelijke gestalte van Walewein, die in de onmiddellijke nabijheid des konings was gezeten; het donkere gelaat van Modred, dat steeds eene uitdrukking van arglistig wantrouwen droeg, daarnaast, als gewoonlijk, de tengere gestalte van Agravaine, die zijn ouderen broeder als een schaduw placht te volgen, en eindelijk, onder de jongere edellieden, zijn vierden broeder: Gaheris. Gareth kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij bedacht, hoe verbaasd zijne broeders zouden zijn, indien zij wisten, wie de eenvoudig gekleede jongeling was, die zich onder de wachtende menigte bevond, maar hij behoefde geen vrees te hebben dat zij hem zouden herkennen, zóó lang was het geleden, sinds zij hem de laatste maal in hun vaderlijk slot gezien hadden.

Intusschen was de beurt aan hem gekomen om den koning zijne verlangens kenbaar te maken. Eerbiedig viel hij voor Arthur op de knieën, daarna richtte hij het gebogen hoofd op, zag den vorst frank en vrij in de oogen en sprak:

“Sire, mijne beide makkers en ik zijn uit verre streken hierheen gekomen om u te huldigen en te dienen. Daar ik vernomen heb, dat gij elkeen, die hier binnentreedt, veroorlooft, om u zijne verlangens mede te deelen, zoo durf ik het wagen, u mijne wenschen voor te dragen. Sire! sta mij toe, dat ik u om drie gunsten vraag; geloof mij, al klinkt mijn verzoek wellicht onbescheiden, de gunsten, die ik bedoel, zijn van dien aard, dat, indien gij wilt, gij ze zonder bezwaar kunt inwilligen. De eerste wilde ik u thans vragen, de beide andere daarentegen zou ik u eerst na verloop van een jaar wenschen mede te deelen. Vergeef mij, indien ik te veel van uwe goedheid verg!”

Hier zweeg prins Gareth en zag den koning met eenige beschroomdheid aan. Arthur had met welgevallen naar de woorden van den jongeling geluisterd, wiens innemende verschijning en aangenaam, bescheiden optreden het hart van den vorst voor zich gewonnen hadden. Toen hij zweeg, aarzelde de koning dan ook niet lang, hoe hij zijn verzoek zou opnemen en sprak vriendelijk: “Welnu dan, vriend, welke zijn die gunsten, die ge mij wildet vragen. Ik beloof u vooruit, ze te zullen inwilligen, indien zij tenminste de grenzen van het betamelijke niet overschrijden. Spreek, wat verlangt ge van mij?”

“Sire”, antwoordde Gareth, “ik zou u willen vragen, mij gedurende een jaar eene plaats in te ruimen onder uwe keukenbedienden. Als zoodanig wilde ik u twaalf maanden dienen en eerst na verloop van mijn diensttijd hoop ik u mijne beide andere wenschen voor te leggen.”

Verbaasd en eenigszins teleurgesteld zag koning Arthur hem aan, zulk een verzoek had hij allerminst verwacht uit den mond van dien kloeken, rijzigen jongeling. Toch klonk zijne stem welwillend als altijd, toen hij Gareth ten antwoord gaf:

“Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik van u een gansch anderen wensch verwacht had. Het verbaast mij, dat een jong, krachtig man als gij, geene hoogere eerzucht kent, dan eene plaats te verkrijgen onder mijne bedienden. Ik doe evenwel mijn woord gestand. Aan uw wensch zal worden voldaan en Heer Key, onze opperhofmeester, zal u uw nieuwen werkkring aanwijzen.” Dit zeggend, wenkte de vorst een der ridders uit zijne naaste omgeving, een somber uitziend man, en droeg hem op, om den jongeling eene plaats te geven onder het personeel van de hofkeuken.

Heer Key zag den knaap minachtend aan en gelastte hem op ruwen toon hem te volgen. In de ruime keuken van het paleis aangekomen, wees hij hem, welk werk hem te doen viel. Het bestond hierin, dat hij zich ten allen tijde gereed moest houden om de koks bij hun arbeid behulpzaam te zijn. Den overigen tijd moest hij besteden met het spoelen van vaatwerk en het poetsen en schuren der keukengereedschappen. Eene ongewone bezigheid voor een prins van den bloede! Geen wonder dan ook, dat het bloed Gareth naar de wangen steeg bij de gedachte, dat dit zijn werk zou zijn en dat hij een geheel jaar in deze omgeving zou moeten doorbrengen. Maar meer nog dan dit vooruitzicht ergerde hem de onheusche toon, waarop Heer Key tot hem sprak. Wel was hij zoo verstandig, met geen enkel woord te antwoorden op de norsche bevelen, die hem als ’t ware naar het hoofd werden geslingerd, maar uit zijne saamgeknepen lippen sprak duidelijk genoeg zijne nauwelijks te verkroppen ergernis. Key scheen die ook te bemerken; hij besloot althans zijne opdrachten met de woorden: “En pas op, dat ik geenerlei klachten ontvang over uw optreden tegenover uwe meerderen! Alles, wat u opgedragen wordt, ook al is het werk niet geheel naar uw zin, zult gij stipt ten uitvoer brengen. Bij het eerste woord van tegenspraak, dat mij ter oore komt, zullen wij elkander nader spreken. Weet wel, met mijne ongenade valt niet te spotten. En nu vooruit, aan het werk! en vlug ook!”

“Key, Key!” zoo klonk eene diepe, bedarende stem, “wat vaart gij toch uit tegen een knaap, die u tot dusverre niets misdaan heeft! Kunt ge dan niet zien, dat het werk, hetwelk gij hem opdraagt, nieuw voor hem is en dat hij allerminst gewend is, om op zulk een toon toegesproken te worden? Matig u toch, zulk een optreden strekt u niet tot eer!”

“Eer, eer!” gaf Key den binnengetreden ridder ten antwoord: “wat bazelt gij over eer, Heer Lanceloet! Zou ik niet het recht hebben, om een ellendigen keukenjongen, een deugniet, die waarschijnlijk het ouderlijk huis ontvlucht is, op zijne plichten te wijzen? Ik raad u aan, mij voortaan met rust te laten en eerst eens na te gaan, hoe het met uwe eigen eer gesteld is!” Dit zeggend, verliet hij met een sarrend hoongelach het vertrek, op den voet gevolgd door den vreemden ridder, wiens gelaat, zooals Gareth nog juist gelegenheid had om op te merken, bij Key’s laatste woorden met een diep hoogrood overtogen werd.

Onze jongeling bleef achter in een toestand van verwarring. Eene bonte mengeling van indrukken beklemde zijne ziel, maar alle werden overheerscht door een gevoel van vereering en dankbaarheid voor den man, die zooeven zijne partij gekozen had. Dat was dus de groote Lanceloet, over wien hij zijne broeders zooveel had hooren spreken, welnu, zij hadden niet te veel gezegd van hun held! Welk een edel gelaat, welk eene nobele gestalte en bovenal: welke eene vriendelijke gedachte van zulk een hooggeplaatst ridder om voor een armen koksjongen in de bres te springen! Vol jeugdig vuur nam Gareth zich voor, om in alles den grooten Lanceloet tot voorbeeld te nemen, daarna begaf hij zich met een zucht aan zijn werk.

Een jaar verliep en gedurende al dien tijd diende onze held in de keukens van het vorstelijk paleis. Het was een harde proeftijd voor den jongen prins, want het werk viel hem ongewoon zwaar en de behandeling was somtijds verre van zacht. Toch duurde het niet lang, of Gareth had zich in zijne nieuwe omgeving vele vrienden gemaakt. De koks prezen zijne nauwlettendheid en ijver en werden het liefst door hem gediend, maar ook de andere koksjongens mochten hem gaarne lijden, daar hij altijd vroolijk was en steeds bereid, hen te helpen. Wanneer hunne dagtaak ten einde liep en het keukenpersoneel zich in een wijden kring om den schouw had verzameld, placht Gareth zijne ruwe makkers te vertellen van het leven in zijn vaderland. Hij beschreef de nachten, waarin de schippers uitvoeren ter vischvangst, en de stormen en gevaren, waarmede zij te kampen hadden. Dan luisterden zijne toehoorders, die voor het meerendeel de zee nooit gezien hadden, met open mond naar zijne levendige beschrijvingen, tot hij, het praten moede, hun op zijne beurt tot vertellen drong. Dan kwamen de verhalen los over de groote tournooien, over de gastmalen en hoffeesten, welke in het paleis te Camelot gegeven werden en nu was het Gareth, die gretig toehoorde en niet ophield met vragen. Soms gingen die vragen boven het bereik zijner eenvoudige vertellers en kreeg hij dus geen bevredigend antwoord.

Zoo leerde Gareth van uit zijn nederigen schuilhoek de hofwereld kennen. Uit de opmerkingen en verhalen der bedienden kreeg hij een helder inzicht in de karakters der verschillende ridders, nog vóór hij hen persoonlijk had leeren kennen. Hij hoorde van hunne vriendschappen en kibbelpartijen, hij wist nauwkeurig te zeggen, wie van hen de sterksten in het strijdperk en wie de vroolijksten aan den disch waren. Ook andere, minder gunstige dingen hoorde hij van hen vertellen. Soms staken de koksjongens de hoofden bijeen en fluisterden den naam eener schoone, aan wie een der ridders een nachtelijk bezoek had gebracht. Wanneer zij dan echter Gareth in hun gesprek wilden betrekken, wilde deze nimmer naar hen luisteren. Hij begon dan een vroolijk lied te zingen of een lustig deuntje te fluiten. Aanvankelijk werd hij hierom door zijne makkers gehoond, maar ten slotte kregen zij eerbied voor zijn optreden en verloren zelf den lust tot dergelijken lasterpraat.

De eenige, die Gareth een kwaad hart toedroeg, was Heer Key. Of hij onwillekeurig gevoelde, dat de knaap zijn meerdere was in afkomst en beschaving, of het was, dat hij zich ergerde over het onverstoorbaar goed humeur, waarmede Gareth zijne schimpscheuten verdroeg, zeker is het, dat hij nooit naliet, den jongeling, waar hij maar kon, te hinderen. Hij droeg hem het zwaarste en vuilste werk op, had steeds aanmerkingen op al wat hij deed, kortom, hij scheen het er op aan te leggen, om Gareth zijn geduld te doen verliezen en een twist met hem uit te lokken, die hem eene reden zou geven, zich over hem bij den koning te beklagen. Maar Gareth hield zich goed. Al kookte hij ook inwendig van woede over Key’s onheusche houding en al snakte hij er naar om hem zijne verachting in het gezicht te slingeren, toch wist hij zijne uiterlijke kalmte te bewaren. Daarbij besefte hij zeker niet, hoezeer deze moeilijke les in zelfbeheersching hem later ten goede zou komen.

Twee pauwen onder boom.

Hoe eene jonkvrouw naar het paleis te Camelot kwam en hoe Gareth gelegenheid had den koning zijne beide andere gunsten te vragen. Eindelijk liepen de twaalf lange maanden ten einde en Gareth zag den dag naderen, waarop hij de hem toekomende plaats aan het hof zou kunnen innemen. Toen gebeurde het, dat op een fraaien lentemorgen eene jonkvrouw de poorten van het vorstelijk paleis binnenreed en den toegesnelden dienaren beval, haar terstond naar koning Arthur te geleiden, daar zij den vorst over eene dringende aangelegenheid wenschte te spreken.

Het was een der laatste dagen van Gareth’s diensttijd en onze held was bezig met eenig huiswerk in de groote slotzaal, toen de deuren wijd werden geopend om de vreemde bezoekster binnen te laten. Deze liep terstond naar den hoek van het vertrek, waar koning Arthur in gezelschap van eenigen zijner ridders zich bevond en viel luid jammerend voor den vorst op de knieën.

Ontsteld boog deze zich voorover om het weenende meisje te doen opstaan en liet haar plaats nemen op een zetel aan zijne zijde. Eindelijk had de jonkvrouw zich in zooverre hersteld, dat zij kon spreken en onder tranen en snikken zeide zij als volgt:

“Sire! ik ben herwaarts gekomen om de hulp van één uwer ridders in te roepen voor mijne zuster, Vrouwe Lyonors, die sinds maanden in haar kasteel belegerd wordt door een boozen roofridder, die bekend staat als de Ridder der Roode Vlakte. Deze woestaard, die een wanhopigen hartstocht voor mijne zuster heeft opgevat, zweert dat zij de zijne zal worden, al moest het beleg jaren duren. Velen van onze ridders hebben hem tot een tweegevecht uitgedaagd, maar helaas! hij heeft hen allen verslagen en hunne lijken op de gruwelijkste wijze verminkt. Thans gaat de mare door het land, dat hij zich wenscht te meten met een uwer ridders, zij het Lanceloet of Lamorak of een ander, en dat, wanneer hij er in geslaagd is hem te verslaan, hij zich met geweld een toegang zal verschaffen tot het kasteel en wat er dan met mijne arme zuster geschieden zal....” hier brak hare stem en de aandoening belette haar verder te gaan.

Diep ontroerd hadden allen naar deze droeve mare geluisterd; onder hen ook Gareth. Ontzet poogde hij zich den gemoedstoestand in te denken van die vrouw daarginds, die zich omringd wist door vijanden en bedreigd door de booze lusten van een ellendeling. Hij zag hoe de ridders, onder den indruk van het verhaal, onthutst stilzwegen, dit bracht hem op een denkbeeld, dat hem het bloed naar de wangen joeg en hem plotseling deed opspringen. Hij snelde naar den koning toe en riep met luide stem:

“Heer koning! mijn diensttijd is op enkele dagen na verstreken! Sta mij toe, dat ik u thans om de beide andere gunsten verzoek, welke gij mij beloofd hebt!”

In spanning wachtte hij op het antwoord van zijn vorst en wie beschrijft zijne blijdschap, toen Arthur sprak:

“Ik herinner mij onze afspraak. Spreek, wat wenscht gij?”

“Sire”, hernam Gareth, “sta mij toe, deze jonkvrouw te volgen naar het kasteel harer zuster en de eer uwer ridders hoog te houden tegenover dien wellusteling, die de veiligheid van Vrouwe Lyonors bedreigt. Als tweede gunst verzoek ik u, dat ik tot ridder geslagen mag worden en wel door de hand van den edelsten onder uwe edelen, Heer Lanceloet. Wanneer deze mij op mijn tocht vergezellen wil, zal er zich wellicht eene gelegenheid voordoen, om mij die hooge onderscheiding waardig te keuren.”

Koning Arthur had onder het spreken met welgevallen neergezien op het gelaat van den jonkman, dat straalde van ijver en edele geestdrift voor de zware taak, welke hij geheel vrijwillig op zich nam. In het afgeloopen jaar had de vorst zich nu en dan doen inlichten over het optreden van den jongen vreemdeling in zijne nederige omgeving en wat hem daarvan ter oore was gekomen had er niet weinig toe bijgedragen om den gunstigen indruk, welken hij op het eerste gezicht van den knaap had gekregen, nog te versterken. Hij was ervan overtuigd, dat de eenvoudige kleedij, waarin Gareth naar het hof was gekomen, slechts eene vermomming was en dat er aan zijn verschijnen aldaar een geheim was verbonden, dat te rechter tijd zou worden opgehelderd. Zonder aarzelen gaf hij Gareth daarom ten antwoord: “Wanneer gij ten volle den omvang beseft van de verplichtingen, welke gij door dit verzoek op u neemt, zoo wil ik u mijne toestemming niet onthouden. Ga daarom heen, om u voor de reis gereed te maken en moge God u behouden tot ons doen wederkeeren!”

Verheugd en dankbaar drukte Gareth een eerbiedigen kus op de hand, welke Arthur hem toestak, daarop ijlde hij heen, maar nog vóór hij het vertrek had verlaten, klonk hem een doordringende kreet in de ooren. Het was de jonkvrouw, die daarin uiting gaf aan hare gevoelens van afschuw over de handelwijze des konings. Verontwaardigd riep zij uit:

“Wat hoor ik, Sire? Wilt gij een knecht, een armzaligen keukenjongen de taak opdragen, waartoe ik den edelsten onder uwe ridders kwam oproepen? Is dat uwe hooggeroemde hulpvaardigheid? Beseft gij dan niet, dat gij mij nog beter zonder hulp kondt wegsturen, dan mij zulk een geleider mede te geven? O, wat zal die ellendeling daarginds mij hoonen, wanneer hij hoort, wie de ridder is, die komt om hem te bestrijden! Mijne arme zuster! Een keukenjongen, gewend om het braadspit te draaien! Het is te erg! Ik ga heen, vóórdat hij mij met zijne tegenwoordigheid kan lastig vallen en nooit, nooit keer ik hier terug!” Dit zeggend, snelde zij met opgeheven handen de zaal uit. Gareth had niets van dit alles vernomen. Zonder zich te storen aan wat er achter hem geschiedde, had hij de zaal verlaten om afscheid te nemen van zijne makkers en zich voor de reis gereed te maken. Zijn hart was vol dankbaarheid jegens zijn vorst, welke nog toenam, toen hij bij zijn terugkeer uit de keukens op het voorplein een gezadeld strijdros en eene volledige wapenrusting vond, die de koning hem als loon voor zijne trouwe diensten ten geschenke bood.

Met welk een welgevallen wierp Gareth de donkere kleederen van zich af, die hem alle vernederingen van het afgeloopen jaar in herinnering brachten en met welk een schuchteren eerbied kleedde hij zich in zijne wapenrusting, de eerste, die hij ooit gedragen had. Thans was hij gereed en onder de juichkreten van zijne vroegere metgezellen reed hij de slotbrug over.

Griffioen.

Van Gareth’s eerste wapenfeiten en hoe hij tot ridder geslagen werd. Tevergeefs had Gareth bij het verlaten van het paleis uitgezien naar de jonkvrouw, wie hij zijne hulp had toegezegd. Thans, nu hij den weg opreed, welke naar het aangrenzende woud voerde, ontwaarde hij in de verte hare vluchtende gestalte. Hij drukte zijn paard de sporen in de zijden en het duurde niet lang, of hij had haar ingehaald. Vóór hij echter den mond tot spreken kon openen, hief zij met een afwerend gebaar de hand op en riep uit:

“Wat ik u bidden mag, zwijg en beleedig mijne ooren niet met uwe platte taal. Laat het u genoeg zijn, dat ge mij uw onwelkom gezelschap opdringt, maar spaar mij uwe gesprekken!”

Gareth was op het punt haar een heftig antwoord te geven, maar hij bedacht zich nog juist bijtijds. Hoe kon de jonkvrouw ook weten, dat hij niet inderdaad was, die hij scheen, en hoe zou het hem in hare plaats te moede zijn, indien hem in stede van een hooggeboren en dapper ridder een arme keukenjongen als geleide werd medegegeven?

Op dit oogenblik weerklonk het geluid van naderende hoefslagen en omziend bemerkte hij een ridder, die in gestrekten draf vanuit de richting van het paleis hem achterop kwam rijden. Het was Heer Key. Toen hij de plek genaderd was, waar Gareth hem in alle kalmte opwachtte, riep hij uit: “Wat beteekent het, dat gij u op dit uur buiten het paleis bevindt? Weet gij dan niet, dat binnen enkele uren het middagmaal in de groote zaal moet worden opgediend? Terug, naar de keuken, daar is uwe plaats, niet hier, in gezelschap eener edele jonkvrouw!”

Onder het hooren van deze woorden, brak zich bij Gareth al de ergernis baan, welke hij een jaar lang had moeten verkroppen. Hij gevoelde een plotselingen aandrang, om zich thans, nu de gelegenheid daartoe schoon was, te wreken over al de beleedigingen, welke hij in de afgeloopen maanden had moeten verdragen. Met gevelde lans stoof hij Heer Key tegemoet, terwijl hij hem met luider stem toeriep: “Mijn diensttijd is voorbij, zooals gij zeer wel weet! Van nu af aan erken ik u niet langer als mijn meerdere, integendeel, ik beschouw u als den onwellevendsten ridder aan het gansche hof. Wanneer gij met die beschouwing geen genoegen neemt, laat dan de wapenen beslissen, wie van ons beiden gelijk heeft.”

Woedend over dezen uitval trok Heer Key zijn zwaard, om den jongeling voor zijn overmoed te straffen, maar Gareth was hem vóór en eer Key wist, wat er geschiedde, werd hij uit het zadel gelicht en lag hij languit op den grond.

Terwijl Gareth vol voldoening op hem neerzag, trad er iemand tusschen de struiken te voorschijn. Het was Heer Lanceloet, die van daar uit het gevecht had gadegeslagen. “Flink zoo! wakkere vriend!” riep hij uit, “die zege hebt gij ruimschoots verdiend, en voor Heer Key zal het eene les zijn, die hem heugen zal! Van den koning vernam ik, dat gij door mij tot ridder wenscht geslagen te worden. Wat dunkt u, is het thans geene geschikte gelegenheid, om tot die plechtigheid over te gaan? Door uw koenen durf van zooeven, maar nog meer door uwe maandenlange zelfbeheersching en plichtsbetrachting hebt ge die onderscheiding ten volle verdiend!”

Het is te begrijpen, dat onze jonge held vol vreugde het voorstel van Heer Lanceloet aannam en weinige oogenblikken daarna legde hij in de koele stilte van het woud de plechtige gelofte af, waardoor hij zich verbond, de drie ridderdeugden: mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid onder alle omstandigheden des levens getrouw te zullen betrachten.

Niemand hoorde zijne getuigenis, behalve Heer Lanceloet en de jonkvrouw, welke laatste hem op eenigen afstand met minachting gadesloeg, maar voor onzen held was zijne gelofte desondanks even heilig en bindend als wanneer hij ze in eene volle zaal, ten aanhoore der gansche hofhouding, had afgelegd.

Toen Lanceloet hem met de punt van zijn zwaard tot ridder geslagen had en de plechtigheid hierdoor was beëindigd, nam hij afscheid van onzen held en keerde naar het paleis terug.

Gareth wendde zich tot de jonkvrouw en verzocht haar hem de richting te wijzen, welke zij moesten volgen, maar bij het eerste woord, dat hij tot haar richtte, hield ze spottend hare vingers in de ooren, terwijl zij uitriep:

“Zwijg, Heer keukenridder! Heb ik u niet verzocht om mij niet lastig te vallen met uwe gesprekken? Meent gij, dat gij thans, nu Heer Lanceloet u tot ridder heeft geslagen, mijn gelijke zijt geworden? Vlei u niet, in mijne oogen blijft gij, die gij waart, een keukenjongen, die thuis behoort onder koks en hunne maats!”

Gareth zweeg, maar hij moest zich op de lippen bijten om zijn geduld niet te verliezen. Toch gelukte het hem kalm te blijven en onder een drukkend stilzwijgen vervolgden de beiden hunne reis.

Tegen den middag kwamen zij aan eene open plek in het bosch, waar een bloeiende haagdoorn groeide. Tusschen de bloesems hing een zwart schild en daarnaast wapperde een zwarte banier. Tegen den stam leunde eene scherpgepunte speer en achter den boom bemerkte Gareth een groot zwart paard, dat in onbewegelijke houding stond te wachten. Vol verbazing zag onze held naar dit alles, maar plotseling deinsde hij verschrikt achteruit, toen daar uit het struikgewas de gestalte van een reusachtigen ridder te voorschijn sprong. Deze was van het hoofd tot de voeten in eene dof-zwarte wapenrusting gekleed, ongetwijfeld behoorden de wapenen daar ginds bij den boom hem toe. In een oogwenk was de Zwarte Ridder op het paard gesprongen, had het schild en de speer ter hand genomen en kwam in dreigende houding op Gareth af. Nog vóór hij hem echter bereiken kon, stuurde de jonkvrouw haar paard tusschen de beide ridders in en riep den vreemdeling toe:

“Bezin u wel, Heer ridder, alvorens gij u met dezen knaap in het gevecht begeeft! Zeker meent gij in hem een ridder der Tafel Ronde te zien! Welnu dan, ik zeg u, dat hij niet waard is, door u bestreden te worden, want hij is niets meer dan een armzalige koksjongen uit de keukens van het koninklijk paleis!”

De vreemde ridder barstte uit in een spottenden schaterlach. “Een mooi geleide voorwaar!” riep hij uit, “voor eene jonkvrouw als gij! Als gij mijn raad wilt aannemen, keer dan terug naar het hof en haal u een anderen metgezel. Wat dezen knaap betreft, ik zal mij vergenoegen met hem te ontwapenen. Het ware jammer, om den koks van koning Arthur zulk een wakkeren steun te ontnemen!”

Thans was het gedaan met de zelfbeheersching van onzen held. Het bloed kookte hem in de aderen van woede en schaamte over den hoon, die hem werd aangedaan. Met vaste hand greep hij zijn zwaard, rende op den Zwarten Ridder toe en nog vóór de lach op diens lippen bestorven was, had onze held hem met een geweldigen zwaardslag den schedel doorkliefd.

Toen steeg hij van zijn paard, ontdeed zijn vijand van diens wapenrusting en verwisselde die met de zijne. Daarna sprong hij opnieuw in het zadel en beduidde de jonkvrouw met een kort handgebaar om haren weg te vervolgen.

Deze had stilzwijgend het gebeurde gadegeslagen; de uitdrukking van trotsche minachting op haar gelaat had plaats gemaakt voor een blik van ontzetting over het vreeselijk einde van den Zwarten Ridder; tevens kon zij een gevoel van bewondering voor den koenen moed van den jongeling nauwelijks onderdrukken. Dit gevoel duurde echter niet lang en vóór zij verder reden, voegde zij Gareth op smalenden toon toe:

“Gij meent zeker, thans aanspraak te kunnen maken op den naam van held, nu gij den Zwarten Ridder bij verrassing verslagen hebt! Maar dit zeg ik u, er wachten u nog gansch andere gevaren! Deze ridder, dien gij op zulk eene wreede wijze overrompeld hebt, heeft twee broeders: één van hen is de ridder, die mijne zuster in haar kasteel belegert; in den strijd met hem zult gij stellig het onderspit delven! De vraag is echter of gij het ooit zoover brengen zult, dat gij u met hem in het gevecht begeeft, want de andere broeder, de Groene Ridder, doolt hier in den omtrek rond en zal den dood van zijn broeder niet ongewroken laten. Daarom raad ik u aan, alsnog naar het hof terug te keeren en uw vroeger bedrijf weer op te vatten!”

“Vrouwe”, antwoordde Gareth, “uwe woorden kunnen mij niet deren! Zij gelijken op een zwerm kwade vliegen, die zich neerzetten op den rug van mijn paard en het trachten te steken, maar die het dier met eene enkele beweging van zich afslaat. Op dergelijke wijze schud ik uwe booze woorden van mij af. In uw hart weet gij, dat ge mij onrecht aandoet door zoo te spreken en eens zal er een oogenblik komen, dat gij spijt zult gevoelen, mij zoo behandeld te hebben. Thans bid ik u, voort te rijden en mij den weg te toonen naar het slot uwer zuster.”

Opnieuw reden zij eenigen tijd zonder spreken naast elkander voort, tot zij bij het vallen van den avond bij eene kromming van den weg werden staande gehouden door een ridder te paard, die geheel in het groen was gekleed. Toen hij Gareth in zijne zwarte wapenrusting bemerkte, wilde hij vol vreugde op hem toe ijlen, denkend, dat het zijn broeder was, maar Lynette, zoo heette de jonkvrouw, stak waarschuwend hare hand omhoog en riep uit:

“Vergis u niet, edele Heer! De man, dien ge vóór u ziet, heeft uw broeder, den Zwarten Ridder, gedood en zich in diens wapenrusting gestoken om uwe wraak te ontkomen. Spaar hem niet, bedenk, dat hij uw broeders moordenaar is!”

De Groene Ridder had geen verdere aansporing noodig. Met een kreet van toorn stormde hij op Gareth los, maar deze was op zijn aanval voorbereid en wist met eene behendige zwenking van zijn paard zijn zwaardslag te ontwijken. Daarop viel hij op zijne beurt aan en weldra waren de beiden in een heet gevecht gewikkeld.

Na een langen strijd gelukte het Gareth zijn tegenstander diens wapenen uit de hand te slaan. De Groene Ridder stak beide handen omhoog en smeekte om genade, maar Gareth, die opgewonden was door den gunstigen afloop van het gevecht, riep uit:

“Slechts onder ééne voorwaarde wil ik u het leven schenken en die is, dat de jonkvrouw Lynette mij dit als eene gunst verzoekt. Weigert zij zulks te doen, dan zijt gij een kind des doods.”

Lynette ontstak in hevige verontwaardiging. “Ik u iets verzoeken?” riep zij uit; “nimmer zal ik dat doen! Alles wil ik doen, om het leven van dezen ridder te sparen, maar dat nooit, neen nooit!” Maar toen zij zag, dat het Gareth ernst was met wat hij zeide en dat hij zijn zwaard reeds omhoog hief om den Groenen Ridder den genadeslag toe te brengen, kreeg haar gevoel van medelijden de overhand boven haar trots en sprak zij:

“Welnu dan, het zij zoo! Ik verzoek u als eene persoonlijke gunst het leven van dezen ridder te sparen.” Na deze woorden gesproken te hebben, wendde zij zich af en verborg het schaamrood gelaat in hare handen.

Vol vreugde over zijne redding dankte de Groene Ridder Gareth voor zijne genade en verzocht hem en zijne gezellin den nacht in zijn kasteel door te brengen. Gaarne namen zij zijne uitnoodiging aan en na een verkwikkenden slaap begaven zij zich den volgenden morgen versterkt en uitgerust op weg. Het kasteel van Vrouwe Lyonors was nu nog slechts eene dagreis verwijderd van de plaats, waar zij zich bevonden, en zij hadden hoop het reeds den daaropvolgenden morgen te kunnen bereiken.

De dag verliep zonder verdere avonturen en toen de avond begon te vallen betraden zij het gebied van Lyonors.

Op aanraden van Lynette zochten zij een onderkomen in de woning van een kluizenaar, wien Lyonors een ruimen voorraad spijzen en dranken had doen toekomen om haren bevrijder, indien hij mocht komen, te laven en voor den komenden strijd te sterken.

Het vooruitzicht van den op handen zijnden strijd belette Gareth om lang te slapen en reeds vóór het krieken van den dag was hij bezig, zijne wapenen na te zien, of alles voor het gevecht in orde was. Ook de jonkvrouw was vroeg uit de veeren en na een haastig ontbijt verlieten de beiden de eenzame kluis.

Na eenige uren rijdens rezen de tinnen van een statig ridderslot op eenigen afstand voor hen op en weldra betraden zij de vlakte, welke zich aan den voet van het slot uitstrekte. Daar trof een vreeselijk schouwspel hun oog.

In de vlakte waren vele tenten opgeslagen, welke tot huisvesting moesten dienen aan het leger van den Rooden Ridder en aan de boomen, die daar omheen groeiden, hingen—O schrik!—de afschuwelijk verminkte lijken van een aantal ridders.

Vol ontzetting vroeg Gareth de jonkvrouw naar de beteekenis van dit afgrijselijk schouwspel, waarop Lynette hem op half spottenden, half medelijdenden toon ten antwoord gaf:

“Heer, het zijn de lijken van uwe voorgangers, ridders, die, evenals gij, getracht hebben om mijne zuster te bevrijden. Ge ziet, hoe het hun daarbij vergaan is. Wat dunkt u, hebt ge nog moed om uwe kans te wagen?”

Gareth aarzelde geen oogenblik, maar vroeg zijne gezellin kortaf om hem te wijzen, waar de Roode Ridder zich bevond. Toen bracht Lynette hem naar een wilden vijgeboom, in welks knoestige takken een reusachtige hoorn hing, en verzocht hem hierop te blazen.

De slachtoffers van den Rooden Ridder.

De slachtoffers van den Rooden Ridder.

Gareth deed zulks en reeds bij den eersten hoornstoot vulden de wallen van het kasteel zich met vrouwen en ridders, die in angstige spanning omlaag zagen, om den nieuwen strijder voor hunne bevrijding te aanschouwen. In een der hoofdtorens van het kasteel werd een venster geopend en op een kreet van Lynette richtte Gareth zijne oogen daarheen. En ziet—voor het venster vertoonde zich eene vrouwengestalte, die zich in blijkbare spanning vooroverboog en Gareth recht in het gezicht zag. Bij het aanschouwen van dit bekoorlijk gelaat maakte eene ongekende ontroering zich van Gareth meester. Al zijne vernederingen en krenkingen waren vergeten, hij staarde en staarde naar dit lieflijk gelaat, en kon zich maar niet verzadigen aan den aanblik van die schoone oogen, die hem zoo angstig smeekend aanzagen. Plotseling werd hij zich met een schok bewust, dat dit de geliefde moest zijn uit zijne jongelingsdroomen, die zijne wenschen naar liefde en geluk zou verwezenlijken en die datgene, wat hem tot nu toe slechts in vage, zoete droomen had voorgezweefd, tot wonderschoone werkelijkheid zou maken. Zóózeer was de jongeling verdiept in de aanschouwing der schoone vrouwe, dat hij geheel vergat, welk een zware strijd hem wachtte, alvorens hij zich tot haar kon begeven. Een luide uitroep van Lynette riep hem tot de werkelijkheid terug en zich omwendend zag hij uit een der tenten een ridder te voorschijn treden, gekleed in eene bloedroode wapenrusting en voorzien van een schild en speer van diezelfde kleur. De ridder daagde hem op ruwen toon uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar gebood hem, zich vooraf bekend te maken.

Toen was het lang verbeide oogenblik gekomen, dat Gareth zich in zijne ware gedaante mocht vertoonen. Zijn blik gleed langs het gelaat van Lynette, waarop de hem bekende uitdrukking van minachting zetelde, toen zag hij omhoog naar Lyonors en riep met luider stem, zoodat ook de slotbewoners het hooren konden:

“Mijn naam is Gareth, ik ben de zoon van koning Lot, die heerscher is over de Orcadische eilanden. Ik ben herwaarts gekomen om Vrouwe Lyonors te bevrijden, daar het de plicht is van ieder ridder om de zwakken in den nood bij te staan. Ik beschuldig u van verzaking uwer ridderplichten en bedreiging van vrouweneer. Die beschuldiging zal ik met kracht van wapenen staven!”

Hierop begon het gevecht, dat in hevigheid alle voorgaande gevechten, welke de Roode Ridder gevoerd had, overtrof. Met al de kracht van zijne frissche jeugd wierp Gareth zich op zijn tegenstander en, mocht deze hem al in lichaamsgrootte en kracht overtreffen, zoo behaalde onze held menig voordeel door zijne meerdere vlugheid. Daarbij was het gevoel, onder de oogen zijner geliefde te strijden, hem eene aansporing te meer om zich tot het uiterste in te spannen en de gedachte aan het lot, dat haar bedreigde, wanneer hij in den strijd het onderspit zou delven, schonk hem eene schier bovenmenschelijke kracht.

Toen het gevecht eenigen tijd had geduurd, begon de Roode Ridder teekenen van vermoeidheid te vertoonenen zoodra Gareth dit bemerkte, verdubbelde hij zijne krachtsinspanning. Toen zijn tegenstander kort daarop zijn schild ophief om een zwaardslag van Gareth, welke op zijn hoofd gericht was, af te weren, maakte onze held hiervan gebruik om hem met de linkerhand zijne scherpe speerpunt in de zijde te drukken. Met een kreet van pijn liet de Roode Ridder zijn schild uit de hand vallen en verklaarde zich overwonnen.

Welk eene vreugde! Van de muren van het kasteel schalden de juichkreten, de poorten werden geopend, de breede slotbrug werd neergelaten en eene blijde menigte volks kwam Gareth tegemoet, toen hij zich aan de hand van Lynette naar den ingang van het slot begaf. Het jonge meisje had hem onder een stortvloed van tranen haar leedwezen betuigd over haar gedrag en hem gesmeekt haar te willen vergeven, maar onze held luisterde nauwelijks naar wat zij zeide.

Bevend van spanning verzocht hij haar hem naar hare zuster te brengen en zoo gingen zij te zamen de brug en het slotplein over en naderden de hoofddeur van het kasteel. Daar werden de wijde vleugeldeuren geopend en naar buiten trad de schoone slotvrouwe, die met betraande oogen en uitgestrekte handen op Gareth toekwam. Toen zij hem zag in al den bloei zijner mannelijke schoonheid en in zijne oogen de bewondering las, die hij voor haar gevoelde, ontvlamde wederkeerig in haar hart de liefde voor dezen jongen held, die haar door zijne dapperheid voor een vreeselijk lot bewaard had.

Vrouwe Lyonors treedt Gareth tegemoet.

Vrouwe Lyonors treedt Gareth tegemoet.

Eenige dagen later werd hunne verloving gevierd en te zamen keerden zij kort daarop terug naar het hof des konings. De laatste had intusschen uit een schrijven van zijne zuster, koningin Morgawse, vernomen, wie de jongeling was, die hem in de afgeloopen maanden zoo trouw had gediend. Geen wonder dus, dat de terugkomst van onzen held met spanning door het gansche hof werd verbeid.

Toen hij als overwinnaar terugkeerde en nog wel met eene schoone bruid aan zijne zijde, kende de algemeene vreugde geene grenzen.

Weldra werd het huwelijk tusschen het jonge paar voltrokken en op dienzelfden dag werd Gareth plechtig opgenomen onder de ridders der Tafel Ronde. Thans waren zijne stoutste droomen verwezenlijkt: liefde en eer, geluk en aanzien waren zijn deel geworden. Lange jaren brachten hij en zijne schoone gemalin in vrede en voorspoed door aan het hof van koning Arthur. Hij bewees zijn vorst in den loop der jaren vele en gewichtige diensten, onderscheidde zich in menig gevaarvol avontuur, maar nooit vergat hij zijn proeftijd aan het hof, noch zijn eersten tocht als ridder naar het kasteel van Lyonors.

Kasteel.