De voorname plaats, welke Lanceloet bekleedt onder de ridders van koning Arthur, alsook zijne verhouding tot koningin Ginevra, maken het wenschelijk, dat wij in deze inleiding een weinig dieper ingaan op de geschiedenis van dien held, dan, strikt genomen, voor een juist begrip van onderstaande legende noodzakelijk is.
De figuur van Lanceloet, die zulk eene belangrijke rol zou vervullen in den Arthur-cyclus, doet haar intrede gedurende het tweede, Fransche tijdperk der Arthur-sagen.
In de oude verhalen van Wales en in het bekende Middel-Engelsche gedicht “Brut” van Layamon, wordt Lanceloet’s naam niet genoemd; het eerst lezen wij dien in “Erec” van Chrétien de Troies, waar onze held als derde genoemd wordt onder de ridders van Arthur’s hof. In dit gedicht, alsook in het latere “Cligés”, eveneens van Chrétien’s hand, is Lanceloet slechts een naam. Opmerkelijk is het, dat het laatste gedicht tot onderwerp heeft de liefde van den held, Cligés, voor de jonge vrouw van zijn oom en vorst en dat, terwijl wij daarin veelvuldige toespelingen vinden op de sage van Tristan en Isolde, er toch met geen enkel woord wordt gerept van de verhouding tusschen Lanceloet en Ginevra! In het volgende gedicht van Chrétien de Troies, dat getiteld is: “Le Chevalier de la Charrette”1 staan wij plotseling voor eene geheel uitgewerkte en in bijzonderheden vertelde beschrijving van Lanceloet’s verhouding tot de schoone koningin. Deze verhouding, waarover in de vorige gedichten in ’t geheel niet werd gesproken, is thans een voldongen feit en levert de stof voor eindelooze beschouwingen en bespiegelingen over de liefde. In het volgende gedicht: “Yvain” vinden wij slechts één vluchtige vermelding van Lanceloet’s naam; in Chrétien’s laatste werk: “Perceval”, wordt hij in het geheel niet genoemd.
Hoe nu dit alles te verklaren?
Volgens Jessie Weston, de schrijfster van “The Legend of Sir Lancelot du Lac”, Grimms Library, vol. XIII, is de oorsprong van de Lanceloet-legende te vinden in een van die vele Bretonsche liederen, de beroemde “lais bretons”, welke de minnezangers van Wales en Bretagne in de 12e eeuw plachten te zingen in de kasteelen der Normandische en Fransche edelen en die zooveel hebben bijgedragen tot de verspreiding der Arthur-sagen. De inhoud van dit lied zou dan geweest zijn de roof van een koningszoon door eene waterfee. Dit blijkt het eenige gegeven omtrent onzen held te zijn, dat in al zijne levensbeschrijvingen voorkomt; onder welke gedaante hij ons vertoond wordt, steeds is en blijft hij “Lancelot du Lac.”
Het eerste verslag van zijne lotgevallen vinden wij in een Middel-Duitsch gedicht: “Lanzelet”, dat dagteekent uit de eerste jaren der 13e eeuw en geschreven werd door Ulrich van Zatzikhoven. Hoewel het werk van lateren datum is dan Chrétien’s gedicht, is de stof, die daarin verwerkt wordt, van veel ouderen oorsprong en moet het dus ook als ouder beschouwd worden. Uit den lossen bouw van het gedicht maakt Jessie Weston op, dat het is samengesteld uit een aantal “lais”, die elk op zichzelf een afzonderlijk geheel vormden.
De Fransche dichter was evenwel de eerste, die den naam van den held in verband heeft gebracht met dien van de schoone, jonge gemalin van koning Arthur. Zijn “Chevalier de la Charrette” werd geschreven op bevel en waarschijnlijk volgens aanwijzingen van gravin Marie de Champagne, die zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld in het letterkundige leven van haar tijd. Bovengenoemd gedicht is eene verheerlijking der hoofsche liefde, zooals zij in die dagen werd gepredikt in de galante kringen van Frankrijk. De held is in blinde aanbidding verzonken voor zijne geliefde, die door hare grillen en luimen de standvastigheid zijner gevoelens op de proef tracht te stellen. De bewondering voor zulk eene onnatuurlijke verhouding was het gevolg van de over-beschaving uit die dagen en de overdreven verheerlijking der vrouw was eene verklaarbare reactie op de geringschatting, waarmede men in de voorafgaande eeuwen op haar nederzag. Ons echter, die dergelijke toestanden ontgroeid zijn, treft bovenal het gekunstelde van zulke verhoudingen en daarom kan ons Chrétien’s gedicht, waarin deze gevoelens op de spits worden gedreven, niet werkelijk ontroeren. Hoe geheel anders worden wij getroffen door de sage van Tristan en Isolde, ongeveer in denzelfden tijd ontstaan, maar waarin, dat voelen wij terstond, van werkelijke liefde en hartstocht sprake is.
De Lanceloet-sage komt tot voltooiing in den Franschen prozaroman: “Lancelot”, waar de geschiedenis van den held in verband wordt gebracht met de Graal-sage.2
Het handschrift van “Lancelot” dagteekent uit de 14e eeuw, maar Dr. Jonckbloet, de bewerker van den Middel-Nederlandschen “Lanceloet”, de eenige in dichtmaat geschreven vertolking van het Fransche werk, is van meening, dat de tekst van veel ouderen datum is.
Alvorens over te gaan tot eene nadere beschouwing van den oorsprong van onderstaande sage, dient hier nog een enkel woord gezegd te worden over de reeds bovengenoemde verhouding tusschen onzen held en koningin Ginevra. Reeds in de oudste Arthur-verhalen vinden wij melding van Ginevra’s ontrouw aan haren echtgenoot, maar haar medeschuldige is hier niet Lanceloet, maar Modred, die volgens sommige schrijvers de neef, volgens anderen tevens de natuurlijke zoon was van koning Arthur.
In de letterkunde van Wales, waar Lanceloet zelfs niet bij name bekend was, wordt de volle nadruk gelegd op Ginevra’s schuld en betuigen de schrijvers hunne diepe verontwaardiging over haar gedrag. Geheel anders is de houding, welke de latere Fransche schrijvers tegenover haar aannemen. In hunne werken blijft Ginevra’s zedelijk karakter geheel onaangetast door hare verhouding tot Lanceloet en in de “Quête del St.Graal”, een werk van beslist godsdienstige strekking, wordt haar naam zelfs met eerbied genoemd. Volgens Jessie Weston is de zaak aldus: de ongunstige voorstelling van Ginevra’s persoonlijkheid in de oude verhalen van Wales wijst op eene vroegere, meer primitieve, maar gezondere samenleving dan die uit den Franschen riddertijd.
De oorspronkelijke minnaar der koningin was waarschijnlijk Walewein, welke stelling door vele aanwijzingen in de oudste Keltische overleveringen gesteund en bevestigd wordt. In latere verhalen werd echter Modred als minnaar genoemd; het Christelijk-ethische element, dat zich in de Arthur-sagen begon te ontwikkelen, maakte het onmogelijk, dat Walewein anders eene eervolle plaats onder de volgelingen des konings bleef innemen. Hetzelfde bezwaar deed zich gelden voor Ginevra en wij zien haar dus allengs voorgesteld als valsch en bedriegelijk.
Een tijd lang nemen de dichters en schrijvers eene streng afkeurende houding tegenover haar aan, dan volgt er een tijdperk, dat van de Fransche proza-romans, waarin hare afdwaling van het pad der deugd wordt vergoelijkt en ten slotte geheel uit het oog verloren. In deze romans wordt zij, gelijk reeds hierboven werd vermeld, beschreven als eene deugdzame vrouw, die door sommige schrijvers3 zelfs wordt geacht hooger te staan dan haar echtgenoot.
De opvatting van 19e eeuwsche schrijvers, zooals Tennyson is begrijpelijkerwijze gegrond op overwegingen, welke geheel verschillen van die uit bovengenoemde tijden. De moderne dichters keuren Ginevra’s verhouding tot Lanceloet af, maar hunne afkeuring is vermengd met medelijden.
Hoe kwam het nu, dat Lanceloet de plaats ging innemen van den valschen, listigen Modred? Dit geschiedde om twee redenen: 1º om te voldoen aan de eischen der hoofsche liefde, 2º om zijne geschiedenis te doen gelijken op de zeer populair geworden Tristan-sage.
Reeds hebben wij er op gewezen, dat de verhouding tusschen Lanceloet en Ginevra toch altijd eene gansch andere blijft als die, welke bestaat tusschen de gelieven van Cornwall. De eerste draagt geheel het stempel van den tijd, waarin zij ontstond, het is de ware “amour courtois”, die zich uit in slaafsche aanbidding en onderdanig huldebetoon aan de zijde van den ridder en in hooghartig neerzien en heerschzuchtigen trots aan de zijde van zijne “dame”. Eene dergelijke liefde, die kenschetsend was voor de zeden en gewoonten uit dien tijd, was voorbestemd om met dien tijd te verdwijnen. De liefde van Tristan en Isolde daarentegen heeft door de eeuwen heen de menschheid weten te boeien, omdat zij eene natuurlijke uiting is van het menschelijk hart, dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven.
Bepalen wij thans onze aandacht tot de sage, welke in de volgende bladzijden vermeld wordt. Zij verhaalt van de noodlottige liefde, welke de jonkvrouw van Astolat voor onzen held had opgevat, toen deze op zijne reis naar het tournooi te Camelot, eenige dagen in haars vaders kasteel vertoefde. Het verhaal, zooals het hieronder is weergegeven, is ontleend aan Malory’s “Morte D’Arthur”, waar het deel uitmaakt van het achttiende boek. Gelijk ook het geval is met de andere verhalen, welke wij in Malory’s verzameling aantreffen, moeten wij den oorsprong dezer sage elders zoeken en wel in het eerste deel van den Franschen prozaroman: “Lancelot”. In dit eerste deel schildert de schrijver, Walter Map, ons het ridderleven in de daartoe geëigende bontheid van kleuren. De episode van Lanceloet’s verblijf op het kasteel Astolat valt op een tijdstip, waarin onze held reeds geheel onder den ban verkeert van zijne liefde voor koningin Ginevra.
Behalve in Thomas Malory’s werk vinden wij in de Middel-Engelsche literatuur nog eene tweede vertolking van de Sage van Lanceloet en Elaine, daar deze ook het gegeven vormt van een Middel-Engelsch gedicht uit het einde der 14e eeuw. De schrijver van dit werk is, evenals de meeste dichters uit zijn tijd, onbekend gebleven, maar uit de schrijfwijze blijkt, dat hij behoord moet hebben tot de klasse der minnezangers. Het gedicht, dat getiteld is: “Le Morte Arthur” (aangezien het voor het grootste deel gewijd is aan eene beschrijving van de gebeurtenissen, die leidden tot Arthur’s dood) is geschreven in acht-regelige coupletten; het dialect is dat van het Noordwesten van Engeland. Hoewel de letterkundige schoonheid van het gedicht niet zeer groot is, verdient het toch onze belangstelling, niet alleen om de aantrekkelijkheid van het onderwerp, maar ook om de aangename, zij het soms ietwat eentonige wijze van vertellen. Op groote oorspronkelijkheid kan de dichter niet bogen, zijne beschrijvingen vertoonen een zeker gebrek aan verbeeldingskracht, maar daar staat tegenover, dat hij ons nu en dan weet te treffen door de eenvoudige, gevoelvolle wijze, waarop hij de lotgevallen zijner heldin verhaalt. Bovendien heeft zijn werk de verdienste, de eerste Engelsche bewerking te zijn van het Lanceloet-Elaine verhaal en van de romantische sage van Arthur’s dood, al werd van deze laatste reeds eene korte aanduiding in Layamon’s “Brut” aangetroffen.
Wat nu de verhouding tusschen “Le Morte Arthur” en de vertolking onzer sage in Malory’s prozawerk betreft, zoo is door sommige geleerden de stelling opgeworpen, als zou de laatste aan het Middel-Engelsche gedicht zijn ontleend.
Latere geleerden zijn het hiermede niet eens en de algemeene meening is thans wel, dat beide afstammen van eene gemeenschappelijke bron: een verloren gegaan handschrift van den Franschen “Lancelot”, waarin de gebeurtenissen eenige afwijkingen vertoonen van die uit het bewaard gebleven manuscript.
Alfred Tennyson wijdde één zijner Koningsidyllen aan de behandeling onzer sage. Hij gebruikt als bron het Middel-Engelsche gedicht, en neemt daar dus ook uit over de ongunstige rol, welke de dichter van “Le Morte Arthur” Walewein daarin laat spelen.
Gelijk wij elders4 gelegenheid hadden te bespreken, heeft het karakter van dezen ridder, aanvankelijk een der aanzienlijkste en edelste helden van Arthur’s hof, in de latere Fransche prozaromans—dus ook in den “Lancelot”—eene opmerkelijke verandering ten kwade ondergaan en Tennyson, die de sagen in haren ouderen vorm niet schijnt gekend te hebben, beschrijft Walewein in zijne gedichten als een onbetrouwbaar en lichtzinnig man.
In Malory’s vermelding van Walewein’s bezoek op Astolat, speelt deze geen dubbele rol, daarom is ook in onderstaande wedergave der sage zijn goede naam onaangetast gebleven.
1 Een spotnaam, die Lanceloet gegeven werd, omdat hij eens, na verlies van zijn paard, op eene kar verder was gereden.
2 Zie hierover: Inleiding tot de Sage van Parcival.
3 Dit is b.v. het geval in den buitengewoon vromen Franschen Graal-roman: “Perceval Le Gallois”.
4 Zie de Inleiding tot de Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder.