Hoe heer Agravaine en heer Modred het geheim van de schuld der koningin aan den koning verrieden. Langzaam maar zeker was het geheim van de liefde tusschen Koningin Ginevra en Heer Lanceloet in de hofkringen bekend geworden. Hunne heimelijke bijeenkomsten, de voorkeur voor Lanceloet’s gezelschap, welken de koningin op rijtoeren en hoffeesten aan den dag legde, de teedere blikken, waarmede hij haar bij die gelegenheden placht aan te staren,—dit alles kon niet onopgemerkt blijven. Nog waren er enkele ridders, die, ondanks den kwaden schijn, volhielden, dat de koningin even rein en onschuldig was als de heilige, wier naam zij droeg, maar hun getal werd steeds kleiner. De meerderheid der hovelingen was overtuigd van haren schuld en steeds sterker werd de stem van hen, die het noodig vonden om ook den koning in te lichten over wat er aan zijn hof geschiedde.
Eindelijk was het zoover gekomen!
Een aantal ridders, met Heer Agravaine en Heer Modred aan het hoofd, verzochten hun vorst om een onderhoud, waarin zij hem in korte woorden vertelden, welk eene zondige verhouding er bestond tusschen de koningin en Heer Lanceloet.
Niemand, die van het onderhoud getuige was geweest, zou ooit de uitdrukking van vertwijfeling vergeten, waarmede de koning zijne ridders aanzag, toen de beteekenis van het gehoorde tot hem doordrong. Het was niet slechts de smart van den bedrogen echtgenoot, die op zijn gelaat te lezen stond, het was de wanhoop van den man, die, in zijne heiligste gevoelens gekwetst, voelt, dat hij de kracht mist om verder te leven, nu datgene, wat voor hem de grootste waarde bezat, hem op zulk eene ruwe wijze ontnomen werd.
Modred en Agravaine en al de andere ridders, die jaren lang met zekeren wellust naar dit oogenblik hadden uitgezien, bogen het hoofd en gingen zwijgend heen, het hart vol mededoogen voor het lijden van hun vorst.
Zoo bleef Arthur alleen met de folterende gedachte aan al het vreeselijke, dat hij zoo juist vernomen had. Toen kwam er een oogenblik, waarop zijne ziel weigerde te gelooven aan de waarheid der afschuwelijke beschuldiging, welke men tegen Ginevra had uitgesproken. Hij verlangde bewijzen, bewijzen! zoo bezwoer hij den teruggeroepen ridders, die zwijgend de schouders ophaalden en beloofden ze hem te zullen verschaffen. Daartoe moest de koning, hoewel vol inwendigen afschuw over wat hij deed, zich naar hunne plannen schikken en mede helpen om eene samenzwering tegen de beide beschuldigden op touw te zetten. Hij gaf Ginevra te kennen, dat hij voor eenige dagen op de jacht dacht te gaan, maar reeds den eersten nacht keerde hij heimelijk naar het paleis terug. Terwijl hij zich daar in een afgelegen vertrek schuil hield, ten prooi aan de folterendste zielesmart, begaven twaalf ridders, onder aanvoering van Modred, zich in alle stilte naar de vertrekken der koningin en ziet, hunne vreeselijke voorspelling werd bewaarheid, Lanceloet bevond zich bij haar. Koning Arthur werd gewaarschuwd en kwam. Eene worsteling ontstond; wel gelukte het Lanceloet te ontsnappen, maar Ginevra bleef achter in de handen van den koning en zijne ridders. Arthur liet zich geheel medesleepen door zijne gevoelens van haat en verbittering; hij zwoer bij al wat hem heilig was, dat hij de schuldigen zou straffen, dat hij Lanceloet zou opsporen en dooden en Ginevra, de trouwelooze, den onteerenden dood op den brandstapel zou doen sterven.
Van toen af aan nam het drama der wraakneming zijn vasten loop. De maatregelen voor de voltrekking van het vonnis der koningin werden genomen, alles was gereed en men stond op het punt haar in de vlammen te werpen, toen plotseling Lanceloet, gevolgd door een aantal volgelingen, ten tooneele verscheen, zijne geliefde bevrijdde uit de handen harer belagers en haar op zijn paard met zich wegvoerde. In het algemeene gevecht, dat hieraan voorafging, lieten vele dappere mannen het leven, onder hen ook Agravaine en Gaheris, twee der zonen van koning Lot. Vreeselijk was de smart van Heer Walewein over den dood zijner broeders en, bij hunne bloedige lijken neergeknield, zwoer hij een duren eed, dat hij zich wreken zou op Lanceloet voor het leed, dat door diens toedoen veroorzaakt was.
Naar alle zijden werden boden uitgezonden om te verspieden, waar de vluchtelingen zich ophielden, en weldra bleek het, dat Lanceloet zich met zijne geliefde had teruggetrokken in een zijner sterke burchten aan de grenzen van het rijk. Terstond maakte de koning zich op om met een machtig leger het beleg om dien burcht te slaan, in de hoop dat Lanceloet hem, bij een mogelijken uitval der belegerden, in handen zou vallen. Lanceloet scheen echter een treffen met zijn vorst zooveel mogelijk te willen vermijden. Het beleg zou dan ook misschien maanden geduurd hebben, indien er niet op zekeren dag in Arthur’s kamp renboden waren aangekomen, die den vorst een schrijven overhandigden van Zijne Heiligheid den paus, waarin deze hem gebood, zich met zijne gemalin te verzoenen. Stond er niet geschreven: “Wat God vereend heeft, mag de mensch niet scheiden?”
De troepen des konings slaan het beleg om Lanceloet’s burcht.
Daarop deed Arthur de koningin weten, dat zij zonder gevaar voor haar leven aan het hof kon wederkeeren. Ginevra nam dit aanbod aan, waarop de koning het beleg om den burcht opbrak. Niemand echter uit zijne omgeving, die niet wist, dat met deze schijnbare verzoening de zaak nog niet beslist was.
Toen de koning in zijne hoofdstad teruggekeerd was, bracht hij alles voor eene langdurige afwezigheid in gereedheid. Hij stelde orde op zijne zaken, hoorde zijne raadslieden over de maatregelen, welke zij voor het welzijn van zijn land moesten treffen en wees Modred aan als regent. Daarna trok hij met zijn leger over zee naar Benwick, het land van Heer Lanceloet, waarheen deze in zijne wanhoop over het verlies zijner geliefde de wijk had genomen.
Door de groote overmacht zijner vijanden gedwongen, trok Lanceloet zich terug in een zijner kasteelen en trachtte dit met alle middelen, die hem ten dienste stonden, tegen een mogelijk beleg te versterken. Wat hij verwacht had, geschiedde. Weldra naderden Arthur’s legerscharen den machtigen burcht, welken zij zóó nauw omsingelden, dat er van eenige gemeenschap tusschen de belegerden en de buitenwereld geen sprake kon zijn.
Heer Walewein was in het leger van zijn vorst mede naar Benwick getrokken. De smart over het sterven zijner broeders was overgegaan in eene toomelooze woede tegen den bewerker daarvan en hij zag reikhalzend uit naar eene gelegenheid om zich op Lanceloet te wreken. Toen het beleg geene vorderingen maakte, werd Walewein dan ook zoodanig door zijn ongeduld overmeesterd, dat hij den koning verlof vroeg om zich met een ridder uit de belegerde vesting in een tweegevecht te meten. Zoo werd er eene uitdaging naar den burcht gezonden, welke, naar Walewein heimelijk hoopte, ten gevolge zou hebben, dat Lanceloet zelve zich voor een tweekamp beschikbaar zou stellen.
Inderdaad toonde de laatste zich ook geneigd om persoonlijk op de uitdaging van Heer Walewein in te gaan. De dood in een eerlijken strijd van man tegen man scheen hem een welkom middel om te ontsnappen aan de folteringen van zijn berouw en de pijnigende onzekerheid over het toekomstig lot der koningin.
Toen hij echter zijne makkers deelgenoot maakte van zijne plannen, rustten deze niet, alvorens zij hem tot andere gedachten hadden gebracht. Hij was het zijnen volgelingen verplicht, zoo meenden zij, om niet dan in den uitersten nood het kasteel te verlaten. Indien hij viel, wat zou dan het lot zijn van hen, die tegen de bevelen des konings in, zijne partij hadden gekozen?
Het slot van de besprekingen was, dat Heer Bors, de trouwe vriend van Lanceloet, Walewein’s uitdaging aannam, maar helaas!—nog dienzelfden avond droeg men zijn lijk binnen het kasteel. Hetzelfde lot trof zijn jongeren broeder, Lionel, die zich vol geestdrift had aangeboden om den dood van Bors te wreken.
Toen was Lanceloet’s besluit genomen en reeds den volgenden morgen zond hij een bode naar het vijandelijke kamp, om Walewein tot een beslissend gevecht uit te dagen.
Tot twee maal toe streden de beide ridders, die eens zulke trouwe vrienden waren geweest, met elkander, en in beide gevechten bleef Lanceloet overwinnaar. Het ware hem gemakkelijk gevallen om zijn tegenstander te dooden, maar op het beslissende oogenblik deinsde hij telkens voor die daad terug.
Reeds was het tijdstip voor een derde treffen tusschen de beide helden bepaald, toen eene plotselinge tijding den loop der gebeurtenissen eene andere wending gaf.
Hoe koning Arthur verneemt, dat Modred zich van de heerschappij over zijn rijk had meester gemaakt. Op zekeren dag kwamen in de legerplaats des konings eenige mannen, die op dringenden toon verzochten tot hun vorst te worden toegelaten, daar zij hem eene uiterst gewichtige tijding kwamen brengen. Toen men hen bij den koning bracht, vielen zij voor Arthur op de knieën en smeekten hem onverwijld naar Brittannië terug te keeren, ten einde zijn land en volk voor een wissen ondergang te behoeden. Toen de vorst hun op ontstelden toon vroeg, wat zij hiermede zeggen wilden, vertelden zij hem, dat Modred zich gedurende zijne afwezigheid meester had gemaakt van zijn troon. Hij had het volk door valsche brieven wijsgemaakt, dat hun koning in den strijd was gevallen en hem in zijne laatste beschikkingen tot zijn opvolger had aangewezen. Dit was echter nog niet alles. De ellendige verrader had zich verstout om de koningin zijne liefde te bekennen en toen deze hem verachtelijk afwees, had hij gezworen haar te zullen dwingen, zijne vrouw te worden. Ginevra had toen de vlucht genomen in de sterke vesting van Londen en ijlboden naar Benwick gezonden om haar gemaal van den stand van zaken te verwittigen.
Er bleef Arthur geene keuze over.
In aller haast brak hij het beleg op en keerde terug naar Engeland, waar hij eenige weken later te Dover landde.
Zoodra Modred van zijne komst in kennis was gesteld, zond hij een groot leger uit, om Arthur het binnendringen in het land te beletten. In de nabijheid van Dover kwam het tusschen de twee legers tot een treffen. In dien bloedigen slag werden door beide partijen vele dappere daden volbracht, maar het einde was, dat Modred’s leger in wanorde op de vlucht sloeg. De vreugde der overwinning werd bij Arthur’s troepen alras getemperd door de mare, dat Heer Walewein, de man, die om zijne daden en deugden door een ieder werd geprezen, in den strijd gevallen was. Weenend zat Arthur bij het ontzielde lichaam van den wakkeren held, ook deze steun moest hem ontnomen worden! Wat restte hem thans nog? Zijne vrouw, zijn vriend, drie zijner dappere neven waren hem ontvallen; Merlijn, zijn trouwe raadsman in tijden van nood, had hem eveneens verlaten, De grijze toovenaar was het slachtoffer geworden van de booze fee Viviane, die hem door hare schoonheid had weggelokt uit het paleis, hem al zijne geheimen ontfutseld had en hem thans gevangen hield in hare ondergrondsche rotswoning.
Zoo het koning Arthur al droef te moede was aan het einde van den dag, welke hem toch eene overwinning had gebracht, hoeveel te grooter waren de woede en ergenis van Modred, toen hij het bericht van de nederlaag zijner troepen ontving.
Terstond vatte hij het plan op om zich persoonlijk aan het hoofd van zijn leger te stellen en reeds weinige dagen later kwam het tot een nieuwen veldslag, die onbeslist bleef.
Koning Arthur trok thans met zijne legerscharen naar het Westen, in de richting van Wallis, het land, dat zich altijd zeer trouw had betoond jegens hem en zijn vorstenhuis. Voorloopig nam hij zijn intrek in Salisbury en zond van uit die stad boden in alle richtingen, om de bewoners der omliggende streken aan te sporen, zich aan zijne zijde te scharen.
Modred volgde hem derwaarts en legerde zich met zijne troepen op eene naburige vlakte. Toen hij echter bericht ontving, dat Arthur’s leger dagelijks in sterkte toenam, begreep hij, dat langer talmen voor hem nadeelig zou zijn en zond hij daarom een boodschapper naar ’s konings legerkamp om zijn vorst uit te dagen tot een beslissenden slag, welke geleverd zou worden op den dag na het feest van Allerheiligen.
Den nacht vóór den slag had Arthur een wonderlijken droom. Hij droomde, dat hij, in een mantel van goudbrokaat gekleed en met de koningskroon op het hoofd, gezeten was op een groot rad, dat langzaam rondwentelde. Onder hem bevond zich een zwarte poel, waaruit een aantal draken hunne afschuwelijke koppen omhoog staken. Plotseling begon het rad sneller te draaien en hij werd meegesleurd naar omlaag, waar de draken hem met hunne scherpe klauwen vastgrepen.
Met een luiden schreeuw werd de koning wakker, badende in zijn zweet. Zijne bedienden kwamen hevig ontsteld aanloopen, maar Arthur stelde hen gerust, door te verklaren, dat het slechts een booze droom was geweest, die hem had doen schrikken.
Merlijn wordt door de booze fee Viviane in hare rotswoning gelokt.
Spoedig daarna viel hij weer in slaap en opnieuw had hij een droom. Ditmaal stond hij aan den oever van eene rivier en staarde over het land, toen hij plotseling de gedaante van een ridder op zich zag toetreden. Het was Walewein, die gevolgd werd door eene lange rij van engelen: dit waren al degenen, die de ridder in zijn leven met raad en daad had bijgestaan en die thans zijne beste vrienden waren. Hij verzocht, neen, hij smeekte den koning, om Modred voor te stellen, de vijandelijkheden een maand lang te staken; na afloop van dien termijn zou Lanceloet komen om zijn vorst te helpen. Na dit gezegd te hebben, verdween de gestalte van Walewein en de koning ontwaakte.
Hoe Arthur zijnen vijanden om een wapenstilstand verzocht en hoe door eene vergissing de strijd toch ontbrandde. Toen Arthur zijne ridders den volgenden morgen deelgenoot had gemaakt van zijne vreemde droomen, zagen de meesten van hen hierin een voorteeken, dat de kansen van den strijd hun voor het oogenblik niet gunstig waren en daarom rieden zij den koning aan, den raad, dien de geest van Walewein hem in zijn droom gegeven had, op te volgen. Arthur deed zulks en zond boodschappers naar Modred om hem een wapenstilstand van een maand voor te stellen. Deze weigerde echter kortaf dien toe te staan, daar hij wel begreep, dat zijne kansen door dit uitstel niet gebaat zouden zijn. De boden des konings, die een dergelijk antwoord wel verwacht hadden, kwamen nu met een tweede voorstel, waartoe zij opdracht hadden ontvangen, ingeval het eerste werd afgewezen. Zij gaven Modred in overweging, den strijd te beëindigen en Arthur in vrede te laten regeeren, dan zou deze op zijne beurt beloven, de rechten op den troon na zijn dood aan Modred af te staan. Modred had hier wel ooren naar, want hij begon in te zien, dat het volk nooit zou dulden, dat hun vorst wederrechtelijk de troon ontnomen werd. Daar hij echter ook eenig onmiddellijk voordeel uit de overeenkomst wenschte te behalen, eischte hij, dat de graafschappen Cornwallis en Kent thans reeds aan hem zouden worden afgestaan. De boden beloofden hem zijn eisch aan den koning te zullen kenbaar maken en spraken af, dat den volgenden morgen eene samenkomst zou plaats hebben tusschen Arthur en Modred, waarin de voorwaarden van den wapenstilstand nader zouden worden vastgesteld. Op verlangen van Modred zou die samenkomst plaats hebben in tegenwoordigheid der beide legers.
Zoo geschiedde het. Den volgenden dag, in den grauwen Novembermorgen, dreunden de heuvelen van Salisbury onder het hoefgetrappel van vele honderden paarden en weerklonk van alle zijden het schetterend hoorngeschal der strijdtrompetten.
Toen de beide legers in slagorde tegenover elkander stonden opgesteld, begaven de aanvoerders, elk vergezeld van een tiental ridders, zich naar een aangegeven punt in de tusschenliggende vlakte om aldaar te onderhandelen.
Arthur stelde niet veel vertrouwen in Modred’s bedoelingen; daarom had hij, alvorens zich naar de plaats der onderhandelingen te begeven, zijne ridders gewaarschuwd om op hunne hoede te zijn en scherp uit te zien, of er ook verraad dreigde. Het eerste spoor hiervan: het eerste wapen, dat getrokken werd, moesten zij beschouwen als een bevel om met alle kracht den vijand aan te vallen, zoo luidden ’s konings orders.
Modred had eveneens zijne bevelen achtergelaten en toevallig stemden deze geheel overeen met die van koning Arthur. Niet, dat hij verraad vreesde! Hij kende het karakter van zijn vorst te goed, dan dat hij daar bang voor behoefde te zijn, maar hij vreesde, dat wellicht een der ridders uit ’s konings gevolg, zich niet zou kunnen weerhouden om hem, den verrader, te dooden. Daarom deed ook hij zijnen troepen weten, dat zij bij het zien van een getrokken wapen terstond moesten aanvallen.
Helaas, weinig besefte hij, welke noodlottige gevolgen deze opdracht hebben zou!
De onderhandelingen hadden een aanvang genomen. De beide aanvoerders stonden tegenover elkaar: Arthur met zijne fiere gestalte en edel gelaat, waarin de smart diepe lijnen had gegroefd, en Modred, die tevergeefs trachtte zich eene trotsche houding te geven, terwijl zijne oogen schitterden van boosaardige voldoening.
Reeds was men het over de hoofdpunten eens geworden, toen er iets vreeselijks gebeurde.
Eén der ridders, die tot het geleide van Modred behoorden, werd door eene adder in het been gebeten en, zonder aan de beteekenis van zijne daad te denken, trok hij zijn zwaard om het dier te dooden. Dit was voor beide legers, die scherp toezagen, wat daarginds op de vlakte geschiedde, het teeken tot den aanval. Onder een donderend krijgsgeschreeuw stormden de mannen de heuvels af en stortten zich op elkander in een vreeselijken strijd zonder genade. Hier was geen tegenhouden meer mogelijk. Als wilde dieren wierpen Arthur’s manschappen zich op hunne vijanden. Maar ook Modred’s volgelingen lieten zich niet onbetuigd. Opgewonden door de schoone beloften, welke hun aanvoerder hun gedaan had, indien zij in den strijd overwinnaar bleven, zetten zij alles op het spel om de zege te behalen, ten einde al dat goede deelachtig te worden.
Den ganschen, somberen herfstdag duurde de strijd. In de mistwolken, die over de vlakte hingen, konden de strijdenden soms niet onderscheiden, of zij vriend of vijand tegenover zich hadden, maar zij vochten blindelings voort en sloegen links en rechts met hunne lange zwaarden. Het gejammer der stervenden vermengde zich met de wilde strijdkreten en het gekletter der wapenen. Groote plassen bloed drenkten den gronden het aantal krijgers werd steeds kleiner. Eindelijk bleven slechts vier mannen over, die zich, hoewel allen gewond, staande wisten te houden. Het waren Arthur met twee zijner volgelingen: Heer Lucanus en Heer Bedivere—en Modred.
Met een wenk beduidde Arthur zijnen volgelingen, zich op een afstand te houden, toen zwaaide hij zijn zwaard Excalibur hoog in de lucht en snelde op Modred toe. Een verwoed gevecht volgde. Omringd door hunne doode en stervende volgelingen streden deze beiden een wanhopigen strijd, de één om het behoud van zijn troon en zijne eer, de ander uit een natuurlijken drang tot zelfbehoud.
Een welgemikte speerstoot—en Modred tuimelde met een wilden kreet van pijn achterover; met inspanning van zijne laatste krachten richtte hij zich echter nog éénmaal overeind en wist Arthur met zijn zwaard zulk een zwaren slag toe te brengen, dat deze kreunend ineenzonk.
Van Arthur’s dood en hoe deze heer Bedivere beval zijn zwaard Excalibur in het meer te werpen. IJlings snelden de beide volgelingen des konings naderbij en droegen den stervenden vorst naar eene kleine, vervallen kapel, welke zich niet ver van het slagveld bevond. Daar legden zij hem op de trappen vóór het altaar en knielden naast hem neer. Onder het prevelen van de vurigste gebeden voor zijn behoud, maakten zij Arthur’s kleederen los en wieschen zijne wonden. Helaas! het was maar al te duidelijk, dat het einde van den held naderde; het bloed gutste hem in een breeden stroom uit zijne wonden en eene vale doodstint scheen zich reeds over zijn gelaat te verspreiden. De beide ridders waren eveneens gewond, maar zij voelden dit nauwelijks, zóózeer waren zij vervuld van het streven om het leven van hun geliefden heer zoo lang mogelijk te rekken.
Na eenige oogenblikken stelde Heer Lucanus voor om den koning naar eene plaats te brengen, waar hij de noodige verpleging kon verkrijgen. Nadat hij zijn vriend had verzocht, te zien of er mogelijk onraad dreigde, nam hij behoedzaam het lichaam van zijn vorst in zijne armen en wendde zijne schreden naar den ingang der kapel.
Nauwelijks had hij echter eenige stappen gedaan, of hij werd door eene plotselinge duizeling bevangen; de inspanning was te groot geweest! Nog vond hij de kracht om den koning op den grond neer te leggen; toen stak hij de handen omhoog en met een diepen zucht sloeg hij achterover. Toen Bedivere hevig ontsteld naderbij kwam, had Lucanus reeds den laatsten adem uitgeblazen.
Wanhopig staarde de ridder om zich heen; wat nu te beginnen? Hoe zou hij alleen, gewond en verzwakt als hij was, zijn vorst en zichzelven in veiligheid kunnen brengen? Hij peinsde en zon, wat hem te doen stond, toen hij plotseling bemerkte, dat Arthur zich uit zijne liggende houding had opgericht en de aandacht van zijn volgeling poogde te trekken. Terstond begaf deze zich naar hem toe, boog zich over hem heen en ving toen de volgende woorden op, welke de koning met gesmoorde stem tot hem sprak: “Bedivere, mijn trouwe vriend, ik ga sterven. Nog weinige uren en ik zal u moeten verlaten om mij te begeven naar een land, waar men dood noch scheiding kent. Hoor dus naar dit, mijn laatste verzoek! Neem mijn zwaard Excalibur en begeef u daarmede naar het meer, dat ginds tusschen de boomen ligt. Werp het zwaard in het meer en kom mij berichten, wat er daarna geschiedt!”
Bedivere nam het zwaard in de hand en begaf zich naar de aangewezen plek, maar toen hij onder het voortgaan het fraaie wapen eens nader bekeek, kon hij het niet over zich verkrijgen om het aldus weg te werpen.
“Het kan mij in den strijd nog goede diensten bewijzen,” dacht hij, “en wanneer ik het in het meer werp, is het niemand meer van eenig nut.” Hij verborg dus het zwaard tusschen de struiken en keerde terug naar de kapel.
“Wat zaagt gij, toen gij het zwaard in het meer wierpt?” vroeg hij terstond, en Bedivere, die op deze vraag was voorbereid, antwoordde rustig: “Sire, ik heb niets gezien dan eenige vogels, die langs het watervlak scheerden en geen ander geluid vernomen dan het kabbelen der golfjes tegen den oever.”
Een vluchtig rood overtoog ’s konings gelaat en met toornige stem riep hij uit:
“Gij hebt het zwaard hier of daar verborgen, om het voor u zelven te bewaren! Schande over u, dat gij mijn laatsten wensch niet weet te eerbiedigen. Ik herhaal u mijn bevel: ga heen en werp mijn zwaard Excalibur in het meer!”
Bedivere keerde zich berouwvol om en haalde het wapen uit zijne schuilplaats te voorschijn. Toen hij het uit de scheede trok, werd hij opnieuw getroffen door den edelen glans van het metaal. Zou hij een dergelijk meesterstuk wegwerpen? Hoe vaak had hij het zijn vorst in den strijd zien gebruiken, welke eene reeks van dappere heldendaden, door Arthur verricht, riep het hem in herinnering! Neen, het wapen moest behouden blijven, al ware het slechts als aandenken aan hem, wien het had toebehoord. Vastbesloten verborg hij het zwaard opnieuw tusschen de struiken en begaf zich met de scheede naar het meer, waarin hij deze met luiden plons deed neerkomen. Toen keerde hij naar den koning terug. Deze zag hem vorschend aan en sprak: “Hebt gij nu mijne opdracht volvoerd? Wat zaagt gij, toen het zwaard in het water viel?”
Bedivere aarzelde een oogenblik, toen sprak hij: “Heer, gij spant uwe verwachtingen te hoog. Ik heb niets gezien dan het wuiven der rietpluimen langs den waterkant en niets gehoord dan het ruischen van den avondwind door de boomen.” Ongeduldig bewoog de gewonde zich heen en weer. “Gij hebt mij opnieuw bedrogen,” riep hij uit! “Ontrouwe dienaar, die gij zijt, hoe durft gij het wagen mijne bevelen aldus te veronachtzamen? Maar ik weet wel, waarom gij zulks durft te doen! Het is, omdat ik niet langer in staat ben, mijnen woorden de noodige kracht bij te zetten. Helaas, moet dit dan mijn lot zijn: te zien, dat men mij niet langer gehoorzaamt, mij, die eens door iedereen met eerbied naar de oogen werd gezien!”
Zijne woorden sneden Bedivere door de ziel. Hij vluchtte heen, zocht het wapen weer op en snelde ermede naar het meer. Zonder zich verder een oogenblik te bedenken wierp hij het zwaard met een forschen zwaai in het water. En ziet, wat geschiedde? Op het oogenblik, dat de punt van het wapen den waterspiegel raakte, stak een arm, in wit fluweel gehuld, daaruit omhoog, vatte het bij den gouden greep, zwaaide het driemaal door de lucht en verdween er mede in de donkere diepte.
De strijd tusschen Koning Arthur en Modred.
Bedivere haastte zich terug naar de kapel en toen hij Arthur het gebeurde had medegedeeld, gleed er een glans van voldoening over’s konings gelaat en hij zeide: “Thans kan ik rustig heengaan!”
Na eenige oogenblikken verzocht hij Bedivere hem naar den oever van het meer te dragen. Deze voldeed aan zijn verzoek en ziet, toen zij aan den waterkant waren aangekomen, zagen zij een rank vaartuig, dat door de vallende schemering naar den oever kwam varen. In het vaartuig bevonden zich een aantal schoone vrouwen, die op zachten toon een weemoedig lied zongen. Eén van haar, de schoonste van allen, steeg aan land en droeg den stervenden vorst in het vaartuig. Zij waren op het punt om wederom van wal te steken, toen Bedivere, die in stomme verbazing dit wonderlijk schouwspel had gadegeslagen en nu eerst recht begon te beseffen, dat hij gansch alleen achterbleef, naar den oever snelde en smeekend uitriep:
“Sire, laat mij niet alleen, of, zoo ge mij niet met u mede kunt nemen, zeg mij dan althans, waar gij heengaat, opdat ik het uw volk kan melden.”
Hierop antwoordde Arthur met eene stem, die helder en duidelijk over het water klonk:
“Zeg aan mijn volk, dat ik voor eene wijle ben heengegaan naar het eiland Avalon, om aldaar genezing te vinden voor mijne wonden. Vaarwel!”
Nauwelijks had hij het laatste woord gesproken, of het vaartuig verdween uit het gezicht en Bedivere bevond zich alleen in de toenemende duisternis. Peinzend over de woorden van zijn vorst dwaalde hij den ganschen nacht door het woud, tot hij bij het aanbreken van den dag bij de hut van een kluizenaar kwam, die hem liefderijk opnam en verzorgde. Zóó zeer hadden de gebeurtenissen der afgeloopen weken den held aangegrepen, dat hij geen moed gevoelde om tot zijn vroeger leven terug te keeren. Hij verzocht zijn gastheer bij hem te mogen blijven en werd een kluizenaar als hij, die zijn leven wijdde aan het lezen van gebeden en het verrichten van goede werken.
Hoe koningin Ginevra haar leven eindigde in een klooster en hoe Lanceloet kwam om haar vaarwel te zeggen. Een maand na den veldslag landden een aantal schepen in Dover, bemand met gewapende krijgsknechten. Het waren de volgelingen van Heer Lanceloet, die, zoodra men hem verteld had, welk gevaar den koning naar Engeland had terug doen keeren, het plan had opgevat zijn vorst te volgen. De gevaren, die zijn geliefden meester bedreigden, hadden in Lanceloet’s hart het gevoel van vervreemding, dat hem van Arthur scheidde, doen verdwijnen om plaats te maken voor de oude gevoelens van vriendschap en eerbied.
Ontzetting greep hem aan, toen hij bij zijne landing vernam, wat er geschied was. Het land verkeerde in een staat van hopelooze verwarring. Het leger van den koning was vernietigd, zijne raadslieden hadden naar alle hoeken van het land de vlucht genomen, koningin Ginevra vertoefde in het klooster van Almesbury en scheen geheel verslagen te zijn van smart en droefheid en de koning zelve—omtrent hem deden de zonderlingste geruchten de ronde. Volgens sommigen was hij gesneuveld op het veld van eer, volgens anderen leefde hij nog en hield hij zich schuil in het bergland van Wallis, waar hij trachtte de bevolking op te wekken tot eene poging om de orde in het rijk te herstellen. Een ander gerucht zeide, dat hij stervende was weggevoerd in een boot naar het eiland Avalon, vanwaar hij eens zou wederkeeren om zijn land en volk tot nieuwen bloei te brengen. Dit laatste gerucht won allengs veld, één der ridders van koning Arthur, zoo heette het, had met eigen oogen gezien, hoe een vaartuig, waarin vele schoone vrouwen waren gezeten, den koning had medegenomen. Wie die ridder was en waar hij vertoefde, kon niemand met juistheid zeggen, wel wist men te vertellen, dat hij de wereld had vaarwel gezegd en in vrome afzondering zijn leven wenschte te eindigen.
Dit alles vernam Lanceloet bij zijne aankomst in Brittannië; terstond was zijn plan gemaakt: hij wilde vóór alles Ginevra spreken.
Eenzaam reed hij door de kale vlakten van Engeland, terwijl de herfststormen om hem heen gierden en de kille nevels over de velden trokken. Dood en verwoesting grijnsden hem tegen in de dorpen en steden: de ruwe krijgsbenden van Modred hadden op hun weg mensch noch dier gespaard en bij het doortrekken hadden zij vaak de dorpen in brand gestoken, ten einde hunne wandaden onder de rookende puinhoopen te verbergen. De enkele dorpelingen, die niet gevlucht waren, liepen met eene uitdrukking van wanhoop op het gelaat tusschen de bouwvallen rond en smeekten Heer Lanceloet, om hen te helpen bij het zoeken naar hunne verloren eigendommen. Maar deze gunde zich geen rust, alvorens hij de poorten van het nonnenklooster had bereikt, waarin koningin Ginevra de wijk had genomen. Het duurde geruimen tijd, eer hij de vorstin kon doen bewegen, hem te ontvangen, maar eindelijk verklaarde zij zich bereid hem een kort onderhoud toe te staan.
Daar stonden zij tegenover elkander—de twee, die door hunne liefde zooveel onheil hadden te weeg gebracht. Zij zagen elkander aan en in dien langen blik proefden zij opnieuw het bitterzoete van hunnen hartstocht, dien zij niet hadden weten te overwinnen. Eindelijk begon Ginevra te spreken. De handen wringend onder de donkere plooien van haar kleed, smeekte zij Lanceloet om terug te keeren naar zijn land en haar te vergeten. Zij wilde gedurende den tijd van haar leven, die haar nog restte, trachten om door berouw en zelfverloochening vergeving te vinden voor hare zonde. Dit zou haar echter gemakkelijker vallen, indien zij de overtuiging bezat, dat Lanceloet niet in hare nabijheid vertoefde en ginds in zijn eigen land zich een nieuw leven trachtte te scheppen. Toen zij ophield met spreken en Lanceloet smeekend aanzag, bewaarde hij een oogenblik het zwijgen en boog het hoofd als een teeken van eerbiedige instemming met haren wensch.
Toen begon hij te spreken. Een nieuw leven te beginnen, was hem, zoo zeide hij, onmogelijk na alles wat hij had doorgemaakt, maar evenals zij gevoelde hij eene dringende behoefte om boete te doen voor zijn zondig leven. Hij wenschte dus niets liever dan zich in de eenzaamheid terug te trekken en te trachten zich door vurige gebeden met God te verzoenen.
Toen scheidden zij. Ginevra keerde terug naar de nonnen, die haar met schuchteren eerbied bejegenden; Lanceloet begaf zich naar buiten en besteeg opnieuw zijn paard, dat hem met tragen stap in de donkere schemering henen droeg.
Dit was het einde van Arthur’s leven en van dat zijner getrouwen: in de sombere herfstnevels werd de koning weggevoerd naar het geheimzinnige rijk der Vrouwe van Avalon, voor langen tijd, voor altijd misschien—wie zal het zeggen? Rouw en droefenis, schrik en verwarring liet hij achter, maar gelijk eene heldere ster kan lichten aan den duisteren horizon, zoo straalde in het hart der Britten de hoop, dat hij eens zou wederkeeren, om zijn volk te regeeren en zijn rijk te brengen tot nieuwen, nooit gekenden bloei.
1 Voor de overleveringen aangaande Arthur’s dood, zie Algemeene Inleiding.