INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

Ornamentale leeuw.

De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den Arthur-cyclus. Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden, toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element, anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke werk zich heeft schuldig gemaakt.

En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor wie heeft geleerd den held—want er is feitelijk slechts één hoofdpersoon: Balin—naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en tekortkomingen—misschien juist ter wille van deze—bevat het tragische verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons, dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders, die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.

Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet, dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt, en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne zaak verloren.

Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk, slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was, door elkanders hand sterven.

Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?

Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld, de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat—zooals wij lezen—hem geen ander wapen ter verdediging overblijft.

Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op, welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.

Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.

De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot beheerschen en hem ten val brengen.1

Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote sprongen voort te bewegen.

Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze, waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold, offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin, op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van eene somtijds ontroerende schoonheid.

Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier vermeld, dat John Rhys in zijn “Studies in the Arthurian Legend” tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het derde boek van Geoffrey of Monmouth’s “Historia Regum Brittanniae” verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen, die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het tweede boek van zijne “Morte d’ Arthur”, dat waarschijnlijk in 1469 geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd, eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel die, welke onder den titel van “Merlin” is bewaard gebleven in een handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den algemeen bekenden “Merlin” van Robert de Borron, wordt hij veelal aangeduid met den naam: “Suite de Merlin”.

In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage, één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman, getiteld: “El baladro del Sabio Merlin”, die in 1498 te Burgos gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te Toledo verscheen onder den titel: “Demanda del sancto Grial con les maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo.”

Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in den dichtbundel “Tiresias and other Poems”, een gedicht, dat onder den titel “Balin and Balan” aan den kring van Tennyson’s Koningsidyllen werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk van Thomas Malory, maar—dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te worden—wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde voeren van de allegorie in zijn werk.

Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles Swinburne in zijn “Tale of Balen”, dat in 1896 verscheen. Zijne bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed, den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en waartegen niet te strijden valt.

Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent tot deze aanpassing aan Swinburne’s levensopvatting en dat het wezen der sage er niet door geschaad wordt.

De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de “Morte d’Arthur” van Thomas Malory.

Ridder voor boom.


1 Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit vóór-Christelijke tijden.

DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

....“two brethren of Northumberland,

in life and death good knights.”

(Swinburne: “The Tale of Balen.”)

Ornamentale leeuw.

Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe de eerste tot ballingschap veroordeeld werd. Onder de ridders van koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder, vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht, hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur, trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te laten meesleepen door zijne booze driften.

Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!

Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.

Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden onder ’s konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het, of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning, die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen, waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente, en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in de velden bij Camelot. ’s Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof, die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten, die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht, schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.

Vechtende griffioenen.

Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw. Eens op een dag, toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij: “Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken, mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te vinden!” Daarop antwoordde de koning trotsch: “Indien gij een ridder zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen, want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!” Nadat hij deze woorden gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard, dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht, tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.

Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen aan hare zijde vastgeklonken.

Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon: “Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!”

Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal, vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders, die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu—na dezen wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst—voelde hij plotseling dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten, hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: “Wat nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp, vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over aan uwe meerderen!” “Schoone jonkvrouw”, antwoordde Balin, “meerdere waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen.”

Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: “Heer koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven, waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!” Maar vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend tusschenbeide en sprak tot Balin: “Heer ridder! groot is mijn dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag, geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal u ongeluk aanbrengen—geloof mij—ik smeek er u om!” Maar wat zij ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van het noodlot het hoofd te bieden. “Geef mij het zwaard terug,” smeekte de jonkvrouw nog eens, “het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag, want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het te laat is!” Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet afstaan. “Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal,” zoo sprak hij ernstig, “dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand.”

Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor zijn vertrek.

Opvliegende zwaan.

Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde. Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar, die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had, toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: “Sire! gij herinnert u, hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken heb?” “Ik herinner het mij zeer goed”, antwoordde de koning, “en zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne macht ligt.” “Welnu dan”, hernam zij, “ik vraag van u het hoofd der jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den ridder die haar bevrijdde.” Het gelaat van den koning betrok. “Dat kan ik u niet geven”, sprak hij, “elken anderen eisch, dien gij mij stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen.” Maar de Meervrouwe schudde het hoofd. “Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik,” sprak zij, “dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het aan uwe eer verplicht.” Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd, dat hij ten slotte uitriep: “Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!” en met een enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.

Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame en nog wel ééne, die onder ’s Konings hooge bescherming stond, onder zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: “Heer Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u door mijne daden te bewijzen!”

Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem: “Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld vergeven.” Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder, de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was, gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht en de hoop van ’s konings vijand te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien—de zon scheen zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.

Rennende hond.

Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen. Eenige uren nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden de geruchten van Balin’s heldendaden, die zelfs tot aan het hof van zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak: “Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan, op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen, zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!”

De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt, gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar, tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen, zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was, zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden, “want”, zoo voegde hij aan zijne woorden toe, “hij, die het zwaard uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven.”

De geliefde van Prins Launceor verwijt Balin haar minnaar gedood te hebben.

De geliefde van Prins Launceor verwijt Balin haar minnaar gedood te hebben.

Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien hij zocht en wat zijn verlangen was. “Wat mijn verlangen is?” riep Launceor spottend: “dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht op leven en dood!”

“Zoo zij het!” sprak Balin, “al gevoel ik geen berouw over wat ik deed, toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!” Met gevelde lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde, de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan, zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde, stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven, tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen.

Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu, zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee gelieven. Maar Balan troostte hem: “Wat gij deedt, deedt gij omdat ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht, naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw goeden naam bij koning Arthur herstellen.”

Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen, hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: “Helaas! wat hebt gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe, teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!” Toen Balin hem antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: “Desalniettemin zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw gedompeld worden.” “Helaas”, riep Balin uit, “indien uwe voorspelling waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats van Launceor!” Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde dit naast het zijne aan zijnen gordel.

Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden, kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. “Waar voert uw weg heen, edele heeren?” zeide hij met bevende stem. “Wie zijt gij en waarom vraagt gij ons dit?” was het antwoord. “Wie ik ben, kan ik u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven, want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience van Wallis te zoeken en hem te dooden.” “Indien gij dat weet,” sprak Balin, “kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden.”

“Welnu dan,” sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, “luistert! Gij zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde, de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem dooden.” De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.

Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud, dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen, sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus gekneveld herwaarts had gevoerd. “Sire”, antwoordde koning Rience, “ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden.”

“De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder”, herhaalde de koning, “die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders zijn geweest!” “Sire”, sprak toen Merlijn, “vergun mij, dat ik u hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben, om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven, want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero, den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!”

En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters, dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van ’t gevecht, op de gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: “Zoo ik u om een dienst mag verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij.”

“Sire, gij hebt slechts te bevelen”, antwoordde Balin, sprong in het zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht, op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener jonkvrouw, in eene houding, welke de diepste smart en wanhoop scheen uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over, maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid, stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde, wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans, door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht, waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon, een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken.

Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer, dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den listigen sluipmoordenaar gevonden en hem de straf toegebracht hadden, welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven, uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin de Mountbeliard levenloos ter aarde.

Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit, gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten, die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: “Heer! het ligt niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet onderwerpen.” Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij ten antwoord: “Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere jonkvrouw, die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze Vrouwe nog steeds niet gebaat.” “Als dat zoo is”, sprak Balin, “dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar bloed te offeren”, en spoedig daarna traden allen het slot binnen, waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij, die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen, er in slagen de krankheid van haar weg te nemen.

Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was, tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag, om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde.

“Wanneer dit inderdaad uw voornemen is”, sprak de slotheer, “dan kan ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig man, die onder zijne voorvaderen den vromen Jozef van Arimathea telt, van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan, kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen.”

Ornamentale planten.

Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en van zijn bezoek aan het slot van dien vorst. Balin behoefde geene verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten; tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid, toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen, welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem, dien hij zocht.

Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze, eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend voor zich uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden, terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem: “Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!” Bij het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van: “Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!” rende hij op Garlon toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon, terwijl hij uitriep: “Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord, dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!”

Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer, dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud, rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo onverwachts geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend.

Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht, was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden, de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid van Balin met woorden: “Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander niet meer zien!”

Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam, zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten.

Kasteel.

Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug te keeren. Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: “Laat hij, die alleen is, het niet wagen verder te gaan!”

Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde, verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het geboomte langs den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: “Hoor! daar blaast men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!” Met deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette, die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel, waar hij rijkelijk onthaald werd. ’s Avonds bleef men in vroolijke stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de slotvrouwe tot Balin: “Edele heer! morgen bij het aanbreken van den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden, alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen.” “Voorwaar eene vreemde gewoonte”, antwoordde Balin, “om uwen gasten zulk een dwang op te leggen, maar het zij zoo!” En den volgenden morgen bij het krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der aanwezige ridders zeide tot hem: “Heer ridder! Sta mij toe, u mijn schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in den strijd goede diensten bewijzen.” Getroffen door dit vriendelijk aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van dank dat van den vreemden ridder aan.

Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd, en roeide zichzelven en zijn paard naar den overkant. Daar ontmoette hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: “Helaas, edele ridder, waarom liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val.” Het was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag, zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: “Wat ik op mij genomen heb, zal ik volbrengen!” en reed het bosch binnen, waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden, één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug, dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld, waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen.

Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen, alvorens het gevecht opnieuw te beginnen.

Toen vroeg Balin hem, wie hij was en vanwaar hij kwam, want nog nooit had hij zulk een hardnekkigen tegenstand ondervonden als in dezen kamp. Balan sloeg het vizier van zijn helm op en sprak: “Mijn naam is Balan; ik ben een broeder van den grooten Balin, van wien gij wel hebt hooren spreken.” Toen nu Balin hoorde, dat hij gestreden had tegen zijn eigen broeder, die hem van alle menschen het dierbaarst op aarde was, wierp hij zijn zwaard van zich af, hief de handen ten hemel en stortte ter aarde. Balan, die geheel uitgeput was door het hevige bloedverlies, kroop op handen en voeten naar hem toe en beproefde zijn helm los te gespen. Toen hij het geliefde gelaat daaronder zag, haast onherkenbaar door het bloed en de stof, die eraan kleefden, barstte hij in luid snikken uit. Te zamen beweenden zij het noodlot, dat hen aldus had samengevoerd; Balin verwenschte den ridder, die hem het vreemde schild had gegeven, waardoor hij voor zijn broeder onherkenbaar was geworden, en het toeval, dat hem in de nabijheid van het kasteel gevoerd had. Toen de slotvrouwe met haar gevolg op het eiland was gekomen, om den afloop van den strijd te zien, waren allen diep getroffen door het treurige schouwspel, dat hun daar geboden werd, en zelfs de hartelooze vrouwe kon hare tranen niet bedwingen. Balin smeekte haar, om hen beiden in één graf te leggen, zoodat zij in den dood vereenigd zouden zijn en verzocht haar om op dat graf hunne droeve geschiedenis te vermelden, zoodat een ieder, die het zag, voor hunne zielen zou bidden. Zij beloofde zulks te zullen doen en alle aanwezigen snikten luide, zóózeer waren zij van medelijden vervuld bij het zien van dit droevig tooneel. Balan stierf spoedig daarop, maar de oudere broeder bleef nog dien ganschen dag in leven. Terwijl hij daar zoo lag en het leven langzaam uit zich voelde wegvloeien, trokken de verschillende gebeurtenissen uit zijn kortstondig leven aan het oog zijner verbeelding voorbij. Zijne gedachten gingen terug naar zijne zonnige jeugd in het land zijner vaderen, naar zijn ouderlijk huis, waar hij zoo gelukkig en onbezorgd leefde. Hij herdacht de lange tochten langs de rotsige kust en door de dichte bosschen, welke hij met zijn vader en broeder gewoon was te doen. Daarna doorleefde hij opnieuw zijne jongelingsjaren, het genot van den eersten jachtrit, dien hij meemaakte, de trots in zijne toenemende kracht en behendigheid. Vervolgens verwijlden zijne gedachten bij den tijd, waarin hij droomde van macht en roem, en het plechtig oogenblik, waarop hij door zijn vader tot ridder geslagen werd. Toen had hij zichzelf gezworen, om steeds te strijden voor het goede en schoone, om de zwakken te helpen en de boozen te verslaan. Kort daarop was hij aan het hof van koning Arthur gekomen en na dien tijd scheen zijn leven hem één strijd geweest te zijn tegen de onverbiddelijke macht van het Noodlot, hetwelk zich verbonden had met de kwade hartstochten in zijn binnenste en hem gedwongen had tot eene reeks van daden, die zijn ondergang ten gevolge hadden gehad. Nu was het met strijden gedaan en lag hij te sterven, maar zijne ziel kwam niet in opstand tegen dezen vroegtijdigen dood. Toen de zon onderging en de schemering langzaam over de aarde daalde, strekte Balin zich uit met een zucht en stierf met een glimlach op de lippen, als een kind dat slapen gaat. Den volgenden dag kwam Merlijn en vond de beide broeders slapend in elkanders armen en nadat zij begraven waren, schreef de oude toovenaar hunne namen met gouden letters op hun graf en ging toen peinzend heen om de droeve tijding aan koning Arthur te melden.

Ridderduel in bos.