Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1
Author: Multatuli
Editor: Jeanette van den Bergh van Eysinga-Elias
Release date: December 10, 2007 [eBook #23796]
Most recently updated: January 28, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende landgenooten in heftige beroering gebracht: door de Max Havelaar, door zijn geschrift Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië en door zijne Minnebrieven wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid.
Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne Ideen uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den Javaan werd verruimd tot een “strijd tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen”: “Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is”, verklaart M. in I. 403.
En dit deed hij—schrijvende naar den indruk van het oogenblik—in kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend scherp van toon.
M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet: “Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walglyks òm my.” (I. 360–361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij van ’t goede, schoone en ware.
Een zeer eigenaardig sprookje is de geschiedenis van Woutertje Pieterse: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid, zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van Multatuli’s eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust gestreden heeft.
Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.’s autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed, de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren zijn er in geteekend. Maar niet zijn ouderlijk huis, niet zijn moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith, en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun “buiten”, Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model diende),—dat alles is min of meer historisch.
De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de Woutergeschiedenis.
Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn Emile, Bernardin de St. Pierre met Paul et Virginie, von Sallet in Contraste und Paradoxe hebben gedaan, dat deed Multatuli op zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche schrijvers plaatsen hun kinderen buiten de werkelijkheid. Maar Multatuli plaatst Wouter midden in het leven. Hij laat Wouter opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: “begrippen van deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest van de ruimte waarin men zich bewoog”, en “er bestaat ’n zeer innige verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo’n omnibus-bedstede. Alles is in alles.” (I. 401.)
Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open, daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt Fancy geboren.
De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: ’t huis Pieterse en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma’s.
In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet.
Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware menschelijkheid te hebben gevonden.
En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere kroeg Wouter Mein Bruder noemt: want als zusterzielen zoeken beiden naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan de eigene.
Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma, Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we Multatuli’s eigen denkbeelden terug.
Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding, zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande thuis, op school, in den handel.—dat alles wordt in fijn gevoelde, humoristische tafreeltjes geschetst.
De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli’s plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning in zijn gemoed.
En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede voornemens—maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli er aan toe.
En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om eigen domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van hare domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen.
Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen.
De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms dijen ze uit tot lange vertoogen.
Zoo vinden we hoofdstukken mèt en hoofdstukken zònder ideen, ook wel eens Ideen zonder hoofdstuk, herhaaldelijk hoofdstukken met zijsprongen op ’t gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid, politiek of literaire kritiek.
Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden, kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om redeneerend, afbrekend en opbouwend aan hare beelden zijne ideen te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen.
Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met de Ideen verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy’s sprookje ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken van de Ideen opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet, en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke uitgave, dan in de Ideen zelve.
Wegens den innigen samenhang met de Ideen echter is Multatuli nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten.
In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten, dan in die van Multatuli’s weduwe. De eenheid en samenhang dezer kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest, doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de Ideen weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen, leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de Ideen.
Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze Ideen verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven.
Dat thans eene geïllustreerde uitgave verschijnt is geheel in den geest van den schrijver; dat vaderlandsche kunstenaars zich niet geroepen voelden Wouter in zijn pittoresk milieu uit te beelden, was hem steeds een grievende teleurstelling.1
Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker—Hamminck Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend.
Dat een en ander hare goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg, dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht doet komen.
J. van den Bergh van Eijsinga-Elias.
1 Zie de noot van 1872 bij Idee 512.
N.B. Alle noten zijn van de hand van ondergeteekende, behalve die noten, welke (M.) geteekend zijn: deze voegde Multatuli zelf aan zijn werk toe.