Still, for all slips of hers, One of Eve's family.
De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S Handske.]
[Voetnoot 23: Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten, no. 99, 101.]
[Voetnoot 24: De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen achter JONCKBLOET'S Gesch. der Middennederl. Dichtkunst, III en verder in de Cameraars-Rekeningen, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S Gesch. van Gouda, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324 (in: Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen., IV, 114); Het Lied in de Middeleeuwen, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX der „Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des antiquités de la Flandre", p. 53. Préludes historiques sur la ghilde des Ménestrels de Bruges door DÉS. VAN DE CASTEELE.]
[Voetnoot 25: BÄUMKER'S Niederl. geist. lieder etc. in: Vierteljahrschrift für Musikwissenschaft, Leipzig, 1888, no. 63.]
[Voetnoot 26: Medegedeeld door ACQUOY in Archief voor Ned. Kerkgesch., IV, 334–6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van „Kinne Wippchen" in: Das deutsche Kinderbuch von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch voorbeeld: „Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S Nursery Rhymes, p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: „Menton d'or, bouche d'argent" etc.; vgl. SCHEFFLER'S Französische Volksdichtung, I, 239.
De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is van 1680 in het liedboekje Amsterdamse-Spinhuys, bl. 76: „Een aerdig Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat, Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.
Achtereenvolgens komen dan de oogjes (kijck-uyt), neusje (snuyt-uyt), montje (slock-op), kinnetje (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.]
[Voetnoot 27: Vgl. bl. 199 van: Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der XIVe en XVe eeuwen. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.
De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.]
[Voetnoot 28: Vgl. Horae Belgicae, X, no. 39 en Het Lied in de Midd., bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens „overslaghend" dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.]
[Voetnoot 29: Uitgeg. in den bovengenoemden bundel Oudvlaemsche Liederen enz.]
[Voetnoot 30: De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd in: Tijdschr. v. N.T. en L., IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: Het Lied in de Midd., bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, Les Epop. Franç. (2e éd.), III, 555 en A. DARMESTETER, De Floovante, p. 78: „Hodie demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift en de critiek van Dr. FRANTZEN in Taal en Letteren, 1896, afl. 3.]
[Voetnoot 31: Vgl. no. XXXVIII en CXXI.]
[Voetnoot 32: Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: „Woude mi de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet: „In 't scade van tween witten dien" enz.]
[Voetnoot 33: Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no. 45: „den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de „niders" in no. 84.]
[Voetnoot 34: no. 96, 125, 140 (opgenomen in Het Lied in de Midd., bl. 269–270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.]
[Voetnoot 35: no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.]
[Voetnoot 36: Vad. Mus., II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men: „Dits een rondeel.... Vrou met eren ... nacht. Ene ander maniere den bom" geschreven boven muzieknoten (Vad. Mus., III, 141). Bonghe, bom wordt in het Mnl. Wdb. verklaard met trom; maar in de Oudvl. Lied., no. 38 wordt van de snaren der bonghe gesproken.]
[Voetnoot 37: Vgl. Tijdschr. v. N.T. en L., XIV, 260 vlgg.]
[Voetnoot 38: Vgl. Oudvl. Lied., no. 56, 41, 45, 49.]
[Voetnoot 39: Boek III, c. 43.]
[Voetnoot 40: Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (De Gids van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: Hor. Belg., II, no. 3. Vgl. voorts Het Lied in de Midd., bl. 117 vlgg. en Middelned. Historieliederen door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S Vondel, III, 350 noot op vs. 113–114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd vgl. Het Lied in de Midd., bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734.
Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S Henrik de Groote (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van Antonis Nantoillet du Prat.]
[Voetnoot 41: De tekst o.a. Hor. Belg., XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL FRÉDÉRICQ, Onze Historische Volksliederen, bl. 16. (F. zag het eerst de beteekenis van den zonderlingen titel van cort Rozijn). Dr. V.D. GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, Gesch. der Ned. Lett., bl 453. De beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een „fier ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de stad Gent te onteeren.]
[Voetnoot 42: Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S Ned. Geschiedzangen, bl. 44 en 56.]
[Voetnoot 43: Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon (ed. C. PYNACKER HORDIJK), p. 1–3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI). Dat dit eerste deel „krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, dat de kapelaan deze geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.]
[Voetnoot 44: VERDAM in: Versl. en Meded. Kon. Akad., 4e Reeks, Dl. II, 156.]
[Voetnoot 45: Mnl. Gedichten (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat Onser Vrouwen Claghe uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1–185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst slordig overgeleverd.]
[Voetnoot 46: A.w. I, 56, 332-'4.]
[Voetnoot 47: A.w. I, 245.]
[Voetnoot 48: VERDAM t.a.p. bl. 170.
Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de genoemde werken en de Oudvlaemsche Lied. en Ged., bl. 1 vlgg.]
[Voetnoot 49: Vgl. Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT, Oudvl. Ged., II, 116, vs. 175–6; 119, vs. 179–182; 120, vs. 137–140.]
[Voetnoot 50: Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.]
[Voetnoot 51: Vgl. BLOMMAERT, Theophilus, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S Bibliographie i.v. In het Fransch bestaat eene „Desputaison du corps et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209–210. Voorts Romania, IX, 311; XX, 1–55, 513–578 en Zeitschr. f. rom. phil., IV, 74–80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen bepalen.]
[Voetnoot 52: Vgl. D. War., II, 352; III, 242; Belg. Mus., II, 237. Indien men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan ééne).]
[Voetnoot 53: De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: D. War, VII, 377; IX, 6, 142; Vad. Mus., II, 151; Oudvl. Lied. en Ged., bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; Versl. en Meded. der Kon. Akad., 3e Reeks, Deel XII.]
[Voetnoot 54: De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in Vad. Mus., I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, Denkmäler, III, 94 vlgg.; Tijdschr. v. N.T. en L., III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg.
Vogel-spreuken vindt men behalve Vad. Mus., I, 319–321, ook nog in het Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig bundeltje, getiteld: „Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
Vgl. voorts nog: Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung, no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend VERDAM).]
[Voetnoot 55: Zie deze stukken in Tijdschr. v. N.T. en L., XI, 210, 289 en D. War., I, 134.]
[Voetnoot 56: Vad. Mus., I, 82, 86, 322, 324.]
[Voetnoot 57: Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S Oudvl. Ged., II en III.]
[Voetnoot 58: Tijdschr. v. N.T. en L., XII, 103.]
[Voetnoot 59: Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' Van Vrouwen ende van Minne, p. 1, 8, 40, 42; Vad. Mus., I, bl. 80, 318; KAUSLER, Denkm., III, 162; BLOMMAERT, Oudvl. Ged., II, 111–120; Tijdschr. v. N.T. en L., XI, 286, vs. 15; XII, 103.
In Achte Persone Wenschen, vs. 20 te lezen 't Gelach in plaats van 't Gelaet dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs. 179–180.]
[Voetnoot 60: In de Oudvl. Lied. en Ged., bl. 233 vlgg. De invloed van den roman van de Roos op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er een, getiteld Li Mireoirs as Dames (eerste helft der 14e eeuw). Vgl. Dits de Watriquet de Couvin.... par A. SCHELER, p. 1 suivv.]
[Voetnoot 61: Vgl. o.a.: Van Vrouw. e.v. Minne, bl. 37 vlgg.; Belg. Mus., VII, 229; X, 84; Vad. Mus., I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; Tijdschr. v. N.T. en L., XIX, 269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); Oudvl. Lied. en Ged., bl. 314 vlgg.]
[Voetnoot 62: Vad. Mus., I, 366–369, 387–391. Voorts: Die gereimten Liebesbriefe des deutschen Mittelalters.... von ERNST MEYER. (Marburg. 1899). Op bl. 88–92 behandelt de S. in „Die niederländischen Liebesbriefe", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend heeft.]
[Voetnoot 63: Vad. Mus., I, 369.]
[Voetnoot 64: Vad. Mus., I, 393.]
[Voetnoot 65: Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.]
[Voetnoot 66: Goede Boerden, no. VIII en no. VII.]
a. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
b. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
c. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel, trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden wij den heraut HOPEZOMER in de Cameraars-rekeningen vermeld[1]. Nog altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de „menistreylen" die in 1364 te Middelburg „vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het toenmalig woord vedelsage# zien wij dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in overeenstemming daarmede het woord vedelaar gebruikt om een dichter (misschien een liederdichter) aan te duiden[2].
Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van „des heren hyraut ende sengher van Gaesbeke"; een „mynstreel", maar ook van „Jan Dyllen den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een meistreel tot den ander doet zeggen:
En condi geen reinaerdie, Smeken#, no leckeberden#, Men sal segghen: „gaet uwer verden#, Hier en es u nu niet te doene#."[3]
Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden. De een, die zich „ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van zijne kunst leven—maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar—zegt hij—ik eet zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met weinig moeite aan kom, dat ik de „wandelinghe" niet kan laten.—Met hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN#, die allen op hunne tochten het leven hebben verloren. Welnu—is het antwoord—die kregen hun verdiende loon, en dan, ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!
Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem aantreffen. Nog in 1396 worden „piperen, heralden, ministrelen" in één adem genoemd met de „varende lude"; onder deze "varende lude" vond men de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters „van suptilen drachten"#, gasten die een levend „hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals zekere Brabander, „die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere# men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan wien wij de gewilde dwaasheid van „de frenesie" te danken hebben[5].
Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder den naam van sprekers of zeggers. Velen hunner zijn, evenals vroeger de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", „enen spreker die den here van Lymburch toebehoorde", „enen spreker toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van „enen vreemden spreker sonder wapen".
De burgerij volgde ook hier den adel na en nam „stadssprekers" aan; zoo vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; „Meyster PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", „den spreker van Monickedam". Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS VAN DORDT, „Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe", „GODEKIJN, de spreker van Tricht", „meester JAN VAN MACHELEN", „DAEM, de seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen, verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken „voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van zich zelven zeggen:
Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen Te sijn pleecht.
Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. „twee segghers ut Brabant", „twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den spreker, SNELRYEM den spreker, „den Jonchere van der minnen", „JANNES DEN COSTER" en zoo menig ander.
Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT—indien deze tot de sprekers gerekend mag worden—kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.
Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen wij een „blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van „Beem" (Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker „die men hiet Ghetuose" en „enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: „CUDELIER, des conincs spreker van Vrancrike"[6].
Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn, zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent, Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een paar kousen, een paar laarzen met sporen om er „mijns heren zomer# mede te riden", mag ook hier als type zijner soort gelden.
Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke sprekers te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:
Omme 't ghebrec van goeden lone Blijft menich rijm te makene scone Van den dichters openbaer Die lustelic te hoorne waer[7].
In een allegorisch gedicht over een burcht, die Vaste Hoede heet, deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem een onderwerp voor een gedicht te geven, „want ic met dichtene mi ghenerde". Met het voordragen van boerden vielen kostelijke kleeren te verdienen; „constenaers", die in een herberg een „nieuwen zanc" ten gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].
Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een beroep—dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen hadden tot dichten.
Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De auteur van den Grimbergschen Oorlog berispt de „consteneren die hem met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in den Spieghel der Sonden worden speellieden en goochelaars genoemd in één adem met degenen, die „valsche rime visieren"#; in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de „smekende# menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne Teestije laat hij zich minachtend uit over hen:
Die asaghen# ende tureluren# Dichten vander avonturen.
Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen, meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door „knechten en boeven" gegeven wordt! En in zijn Lekenspieghel klinkt het nog eens schamper: zoo zijn de „yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het elders gratis kunnen krijgen[10].
Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn Nieuwen Doctrinael schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als dichter van Sinte Amands Leven kennen wij den jongen geestelijke GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met zijn werk geen „winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is angst voor de „ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen. Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit „groote vreeze", blijkbaar voor de vergelding die den zondaar wacht. Het Vagevier van Sinte Patricius dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers kwijtschelding van zonden[11].
Is ook de liefelijke sproke van Beatrijs te beschouwen als een soort van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter (dichteres?) vangt zijn werk aan met:
Van dichten comt mi cleine bate; Die liede raden mi dat ict late Ende minen sin niet en vertare
Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze „bate" al dan niet geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven.
Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne „stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN schreef eene „bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft; de samensteller van die Cracht der Mane heette HEINRIC VAN HOLLANT. Als dichter van den Seghelyn van Jeruzalem noemt zich LOY LATEWAERT, dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was hij misschien een „clerck", verbonden aan den dienst van een edelman? Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons het verhaal Van den borchgrave van Couchi naliet; bij den Malegijs en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen misschien eer aan meistreelen dan aan „clercken" moeten denken.
In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen. Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den geestelijken roman Van Jonitas en Rosafiere? BOUDEWIJN VAN DER LORE noemt zich als auteur van Achte Persone Wenschen; doch wie schreef de overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:
Egidius, waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn! Du coors# die doot, du liets mi tleven. Dat was gheselscap goed ende fijn, Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].
Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger naar gelang van de poëzie en van den voordrager.
Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het „heren en cnapen", waarmede zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in de Mantel van eren het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens lof hier was verkondigd: „van lazure // met twee ramshorne van goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: „gi goede liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven van Sint Amand, doch afgewisseld door: „ghi lieden alle ghemeene ... knapen, joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt meer zekerheid door een aanvang als: „Alle swighet ende hoert," of:
Ghi goede liede, hoort na mi! Selke boerde en hoerdi nie Als ic u hier sal vertellen.
Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw, die „vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele heeren of vrouwen, doch tot „alle ... eist wijf of man", en aan het slot van een notabel lezen wij: „Secht „amen" die hier zijn omtrent[14]."
Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje als die Cracht der Mane; ook een prozawerk als het Leven van Jezus richt zich tot degenen „die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde van Heile van Berseele ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd in verband met „vedelen en singhen" en „somtijd spelen metter harpen". De taverne zal wel—wij hoorden het reeds van den zwervenden meistreel—de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen. Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij „te wine" of „te biere" zit:
Ende hoor daer singen ende boerden spreken.
Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der zedenschets van den man die gherne dranc—een dorstige stof—klinkt het:
Nu, gheeft mi drincken metter vaert Want drincken dat es al mijn aert[15].
Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang tevens hoorders.
Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der 14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht. Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn „notarius" geweest was, Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van een afschrift[16].
Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den „segger", „want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker van Monickedam „die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee „nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen: jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen „enen nuwen boexkine" ten geschenke, „daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van Godefroi de Bullion, van Merlin en de contes du Barisiel; een Henegouwsch edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine boekenverzameling: le message Carlemaigne, de geschiedenissen d'Aëlis et l'Empereur et du roy Ingres, van Atis et Prophelias, van Sidraach, van Mainnet, de Aventures d'Oultremer en den Veus dou Paon.
Lezen de Leliaerts Fransch—de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.
Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE BEERE heeft een Bestiaris, een Lucidarius, een (Wapene) Martin, een boek van den Landsheren en Evangeliën in vlaems. WILLEM VAN DEN PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den „Spieghel Ystoriaelle in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES, waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een Barlaäm, een „cleennen" Spieghel" en „een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars heeft ook hij een „Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke werken over de Passie, over Adam en Eva, van der Zielen en van der ghuldene baghe; ridderromans van Ogier, Seghelijn, Isenbaert[19]; zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, „Pietagoras bloume", Jans Testye, een paar „doctrinaelen", een Bestiaris, Melibeus, een Wapene Martijn; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over astronomie en medicijnen. Ook "een bouc van Reynaerde" ontbreekt niet[20].
Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:
Alse ghi den tijt corten wilt, In u camere ghi u sluten silt Ende roepen uwen sceppre an; Oft ghi selt boeke hebben dan Van Gode oft van goeden zeden Ende niet van idelheden Ende selse lesen oft doen lesen[21].
De Melibeus spreekt niet alleen van lezen maar ook van overlezen en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van RUUSBROECK'S Tabernakel ook meeningen van anderen op, opdat "een subtijl ende verlicht lesere yet orberlics# daer uut moghe mediteren"[22].
Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages, die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
Dat si souden al ghemeen Studeren, peinsen, nacht ende dach, Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].
Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te vergaderen „op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].
Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek langzamerhand ontwikkelen.
De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard, temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden wij die klachten over het „beniden", de „niders" en de „nidechede" onder degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van Der Mannen ende der Vrouwen Heimelycheit klagen over de „beniders" evenals hunne voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan ijverzucht of afgunst.
In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
Predict een cleerc die waerheit Of toecht een zijn meesterie, Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit, Of spel toecht of melodye, Ezels ende rude saeftiere# Die der consten niet en weten een haer, Sullen bi ombekender maniere# Haestelic vinden daer an een „maer"[26].
Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de literaire critiek zich richten.
De samenstellers van Sinte Amands Leven en van de Tien Plaghen beseffen wel dat zij geene „meesters" in de kunst zijn, dat „diepheit van dichtene" en „sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De bewerker van den Spieghel der Sonden is zich ook wel van iets dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: „de rime" moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de Spiegel maar helder is[27]?
En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde. MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als „een constenare fijn."
Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren maken van
Die meerkeren ende de wijsen Die de grote cunste prisen[28].
Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.
Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.
Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat „een leeck dichter" en een „clerck" zich onderhouden over „dichten ende const". JAN VAN HULST (of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig te beschrijven.
Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.
In den proloog van zijne Teestye doet hij ons reeds eenige bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie. Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt zich met deze „reyne onlede"# bezig te houden, zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].
Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het derde Boek van der Leken Spieghel.
Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de „clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want: „dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de woorden te voegen „elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten, voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit alles, de kunst der „gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.
Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen: historische feiten en de Bijbel. „Eere wien eere toekomt", dat zij de leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst doen de waarheid vaak verzwijgen—maar men bedenke, dat leugen de ziele doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is JACOB VAN MAERLANT, „die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is „ten Zeven Tommen"#. Alles leugens! Zulken leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja, men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God zelf sprak immers ook in parabelen!
Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort; want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid is.
Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den Bijbel vertaald heeft—allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was eerzaam, zooals een dichter past.
Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze handvesten en onze geschiedenis—alles zou verloren zijn gegaan, hadden de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.
Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander om geld—maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit winstbejag, zonder natuurlijke aandrift
Een rechte dichtere, God weet, Al waer hi in enen woude, Dat hi nemmermeer en soude Van dichtene hebben danc, Nochtan soude hi herde onlanc# Sonder dichten daer gheduren, Want het hoort te sire naturen: Hi en mochts niet laten, al woude hi. Dichten moet uut herten vri Comen ende uut claren zinne, Daer God behoude inne Elken dichter die waerheit mint.
Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der meistreelen en „clercken" overging in die der burgerij; en daar de dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip waarheid hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht. Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne Defence of Poetry deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.
Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, „al zong hij zichzelve' alleen"[30].
BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve maatregelen[31]. In het verhaal van den borchgrave van Couchi wordt een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].
Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van Sinte Amands Leven en van Theophilus vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is van „ydelre gloriën"[33].
Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.
In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen, hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.
[Voetnoot 1: Vgl. Mr. S. MULLER FZ., De Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis (ed. HAMAKER), III, p. 49, 92 vlgg.; Cameraars-rekeningen (ed. VAN DOORNINCK), I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III1, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).]
[Voetnoot 2: Vgl. Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg (ao 1364), uitgeg. door het Historisch Genootschap in Codex Diplom. Neerl., 1853, II, p. 5, 6. Oudvl. Lied. en Ged., p. 267 en Versl. en Med. Kon. Akad., 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.]
[Voetnoot 3: Vgl. Dits et Contes de Baudouin de Condé.... par AUG. SCHELER, I, 153: Li Contes des Hiraus; I, 448 een citaat uit de Hist. Litt. de la France, XXIII, 272; „A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts etc."
In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst lecken berden. VERDAM wil hiervoor lezen: leckeberden in den zin van flikflooien. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te komen (Mnl. Wdb. i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor mij. Wat beteekent bert hier? In de beteekenis schotel schijnt het niet voor te komen. Kan het misschien (wapen)bord beteekenen? Zoo ja, dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.]
[Voetnoot 4: Belg. Mus., VII, 318.]
[Voetnoot 5: Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen, bl. 63; Cam. Reken., III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369); Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis, III, 385; Goede Boerden, p. 37 vlgg.]
[Voetnoot 6: Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der Grafelijkheids-rekeningen achter JONCKBLOET'S Mnl. Dichtk., Deel III. COLPAERT in Vad. Mus., I, 50. De Holsteinsche Hopezomer wordt ao 1392-'3 jong genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn naamgenoot de heraut.]
[Voetnoot 7: KAUSLER, Denkmäler, III, 114.]
[Voetnoot 8: Vad. Mus., I, 335, vs. 44 vlgg.; Vierde Martijn, vs. 789–791; Van den Borchgrave van Couchi, I, 94 vlgg.]
[Voetnoot 9: Die naamdichten (voor Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in D. War., I, 542) in Oudvl. Lied. en Ged.]
[Voetnoot 10: Grimb. Oorlog, I, 12–21; Sp. der Zonden, vs. 7739-'40; Oudvl. Ged. (ed. BLOMMAERT), III, 115; Teestije, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.; Lekensp., III, c. 4, 190–2. Misschien zouden wij in dit verband ook de zonderlinge Tweespraak van Scalc ende Clerc moeten behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.]
[Voetnoot 11: Vgl. N. Doct., vs. 19 vlgg.; Leven Van S. Amand, 1379 vlgg.; Theoph., 28–29; Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 12; Vaghevier van S. Patr., 24–26; Bed. der Missen aan het slot; Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 41 vlgg.; S. Kerstine's Leven, vs. 151–3; Der Ystor. Bloeme, 36–40, 725 vlgg.]
[Voetnoot 12: Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. Lied in de Midd., bl. 587; maar vooral: VANDER STRAETEN'S Les Ménestrels aux Pays-Bas, p. 88 suivv. OTTE VAN ORLEIEN, Vad. Mus., II, 394; de hand van een geestelijke of clerck meen ik te zien in Couchi, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in Belg. Mus., V, 104 vlgg.; het groot aantal assoneerende rijmen in Jonitas en Rosafiere (zeker een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van ARNOLD in D. Warande, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de Oudvlaemsche Lied. en Ged. Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de „kerels". Vgl. ook bl. 311–312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.
Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter; juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der Oudvl. Lied. en Ged.; op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts Tijdschr. v. Ned. T. en L., XI, bl. 286–7, 289–292.]
[Voetnoot 13: Belg. Mus., X, 69.]
[Voetnoot 14: Vgl. Tijdschr. v. N.T. en L., XXIII, 46; Leven van S. Amand, I, 676, 2807, 3920; Goede Boerden, p. 4; Belg. Mus., X, 69; KAUSLER, Denkm., III, 109, 203.]
[Voetnoot 15: De plaatsen over het hooren van poëzie zijn, na de vroeger vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden. Vgl. overigens: Vad. Mus., I, 337; Belg. Mus., X, 57.]
[Voetnoot 16: Vgl. Werken (ed. DAVID), I, bl. IX.]
[Voetnoot 17: Het Leven van S. Kerstine ondernomen op verzoek der geestelijke jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting van den Sp. Hist. op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de Brabantsche Yeesten werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de Grimb. Oorlog werd „beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); Tondalus Visioen voor een „edele Jonfer".
De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S Gesch. der Mnl. Dichtkunst, III, 618, 611.]
[Voetnoot 18: DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, Geschied. van Gouda, I, 187 (omstreeks 1387).]
[Voetnoot 19: Vgl. over dien roman Middelned. Ep. Fragmenten, bl. 263–4; voorts Das Epos von Isembard und Gormond.... von Dr. R. ZENKER, Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, Isembart et Gormond (Züricher Diss., 1895); Romania, Avril, 1897, Janv. 1898.]
[Voetnoot 20: Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in Ned. Museum, 1879.]
[Voetnoot 21: Lekensp., B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.]
[Voetnoot 22: Melib., 55–58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S Bijdragen, bl. 15. Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van lezen in onze beteekenis, zijn: Jans Teesteye, vs. 812-'4; Vlaamsche Rijmkroniek (in KAUSLER'S Denkmäler), vs. 4124-'5; Tondalus Visioen in den aanvang (ed. BLOMMAERT, II, 31: „So wie datter neerenstelic in wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.]
[Voetnoot 23: Oudvl. Lied. en andere Ged., bl. 268.]
[Voetnoot 24: DE VREESE, a.w. bl. 24.]
[Voetnoot 25: Alex., vs. 6, 29; Merlijn, 6 vlgg.; Troyen, 24–26; Rijmb., I, 73 vlgg.]
[Voetnoot 26: Proloog v.d. Lekensp.; M.e.V. Heim., vs. 25 vlgg.; KAUSLER, Denkm., III, bl. 215.]
[Voetnoot 27: S. Amand, II, 5333 vlgg.; Tien Plaghen, 30–33; Sp. der Zond. I, p. 218.]
[Voetnoot 28: Oudvl. Ged., III, 105; Tien Plaghen, vs. 43–44.]
[Voetnoot 29: A.w. vs. 64 vlgg.]
[Voetnoot 30: Licht en Schaduw door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.]
[Voetnoot 31: A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40–151.]
[Voetnoot 32: A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: Oudvl. Lied. en Ged., bl. 270 en Brab. Yeesten, V, 3181 vlgg.]
[Voetnoot 33: DE VREESE, t.a.p. bl. 13.]