POËZIE DER GEMEENTEN.

In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten der bespiegeling; in Disputatie van den Cruce zien wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, de eerste en d'ander Martijn, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen, over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom—zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste andere vervat zijn; in de Eerste Martijn, de omvangrijkste tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; d'ander Martijn, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie al is deze niet geheel afwezig.

De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche minnelyriek en de minachting van „truffen ende poëtriën", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt de Eerste Martijn van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den Roman van Troyen bekroond wordt door een AVE MARIA, en toont d'ander Martijn zulk een welbehagen in het behandelen van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en veertig tot ons spreekt.

Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in de Eerste Martijn in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: „Wapene#, Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt—de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en deugd was, tot heer boven den „dorper"—nu spannen de heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.

MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God:

God en was noit moede no mat; In 't wout en es loof no blat Buten siere hoede. Al dat es in elke stat Dat behoet hi ende besat Met godliken goede#. Al ghehinghet hi dan dat, Dat die quade ghewinnet scat Ende menne heet den vroede: So hi hoghere sit up 't rat#, So hogher val, so meere plat# In der helscher gloede Onder der duvele roede.

JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden MARTIJN.—Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf ondergaan.

Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is „menich onbescheden# swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men zegt—herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de „caritate" die God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de „cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft JACOB zijne instemming te kennen.

Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen, keert de dichter de rollen om.

MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de „Duutsche loy"# weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen. En wat den adel betreft—wat gaat het mij aan, wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de „maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en strijd?—LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de „hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde.

D'ander Martijn is in zoover eene voortzetting van den Eersten Martijn, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet—tot welke der twee moet ik mij wenden?

Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der „Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in „het schip van aventuren" had hooren behandelen.

In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan haar die mij lief heeft.

In den Verkeerden Martijn hebben wij een aardig voortbrengsel van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit den Eersten Martijn omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].

De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De Martijn's, vooral de Eerste Martijn, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.

Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den Alexander wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs is uitgebreid tot het groote werk der Naturen Bloeme; de historische overzichten uit Alexander en Merlijn tot den Spieghel Historiael.

Het oorspronkelijke Liber de Secretis Secretorum, in dezen vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten. Heimelijkheid der Heimelijkheden zou dan min of meer als een correctief van den Alexander moeten worden beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den „grammen moet" voor den Alexander van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36].

Der Naturen Bloeme en Spieghel Historiael moesten, evenals vroeger Rijmbijbel en Sinte Franciscus Leven, voorzien in de behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk De Naturis Rerum kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, „nutscap ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er iets aan toegevoegd[37].

In zijn Spieghel Historiael leverde hij populair-wetenschappelijk werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest; deze Spiegel wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men leefde.

Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het Speculum Historiale; de twee voorgaande deelen: Speculum Naturale dat over God, het heelal en den mensch handelde en het Speculum Doctrinale dat een overzicht der menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van het Speculum Historiale eer eene bewerking dan eene vertaling; hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de Historia Caroli Magni et Rolandi; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis Bouillon[39].

Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen „clerc" bewonderen om zijn helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken over de vlooien, de „clene wichten" die ons in dit aardsche tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt—doorgaans blijft hij in der Naturen Bloeme de ernstige leermeester[40].

In den ganschen Spieghel Historiael vond ik slechts een paar plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer

... grongierde# in der gebare Alse oft een leuwe ware Die sine jonge vonde vermort.

Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te vinden[41].

Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn Eerste Martijn weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken[42].

DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.

Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. Van den Lande van Oversee moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in der Kerken Claghe hooren wij den dichter zeggen:

Wat sagh ic in den spieghel claer? Mijn oude leven, mijn graeuwe haer, Hoe sterven es met mi gheboren!

Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43]. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte in ridderromans. In den roman van Lancelot toch legt een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft gezien. Wij lezen daar:

Tot u quam op dien nacht besien Die heilege kerke ende al om dien In eens droefs wijfs gelike, Die u clagede droeffelike, Datmen hare onrecht dede Ende nam hare ervechtechede. Sine quam niet gecleet met siden, None togede met den bliden; Maer si quam in groter droefheden Ende gecleet met swerten cleden Om den toren die hare kinder Daden mere ende minder; Dat sijn besondechde kerstine Dat haer kinder (sculdech) te sine, Ende gelijc hare moder hare Altoes sculdech te houdene waren[44].

Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid. In zijn Naturen Bloeme, zijn Rijmbijbel, zijn Spieghel Historiael had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren

... vor mine ogen smeker# Ende achter valsch als de verrader.

De critiek, welke zijn bewerking van den Rijmbijbel hem van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn Spieghel Historiael nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het „paepscap" rekening gehouden, in der Kerken Claghe spaart hij hen niet. Onversaagd springt deze strijdbare „clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen—hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid—ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig, naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken.

Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht Van den Lande van Oversee de Kerk van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen:

Die Kerke van Romen is dusdaen vraet, Si is dronken ende al sonder raet, Die hovet is van Kerstijnhede.

Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging ontglippen. In Disputatie van den Cruce had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:

Kersten man, wats di gheschiet? Slaepstu? hoe ne dienstu niet Jhesum Christum dinen here? Peins, doghedi dor di enich verdriet, Doe hi hem vanghen ende crucen liet, Int herte steken metten spere? Tlant, daer hi sijn bloet in sciet#, Gaet al te quiste, als men siet: Lacy, daer en is ghene were! Daer houdt dat Sarracijnsche diet# Die Kerke onder sinen spiet Daerneder, ende doet haer groot onnere Ende di en dunkets min no mere#!

In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt—gij leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen ... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. „Reinaerdie" speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken—de duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild „van sabel en van goude", het „lazuren" schild met de leliën op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne moeder wreekt—hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep.

Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst.

MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een „prijzer van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.

Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in den Eersten Martijn, vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.

Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.

Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke dat wij poëzie noemen.


AANTEEKENINGEN.

[Voetnoot 1: De romans van Alexander, Merlijn en Troyen zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland gesproken werd (Tijdschr. v. Ned. T. en L., XXIII, 156). De Torec schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den Lancelot (a.w. X, 173; XIX, 36).]

[Voetnoot 2: Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk boek van Prof. J. TE WINKEL: Maerlant's Werken, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk.]

[Voetnoot 3: Vgl. Nat. Bloeme (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en Inleid. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, Het Leven der Dieren (bewerking van HUIZINGA), II, 100.]

[Voetnoot 4: De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk Gheile en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S Inl. op den Alexander, XI-XII.]

[Voetnoot 5: WYBRANDS, De Abdij Bloemhof, bl. 134.]

[Voetnoot 6: Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.]

[Voetnoot 7: Vgl. X, 1530–1.]

[Voetnoot 8: Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke Inleiding, inzonderheid naar het hoofdstuk: Maerlants verhouding tot zijne bronnen.]

[Voetnoot 9: Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.]

[Voetnoot 10: T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.]

[Voetnoot 11: Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een Simon die Godgaf (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen I, 6).]

[Voetnoot 12: Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S Inleiding op zijne Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen, met name p. 17, 154–5, 181.

MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON DE PAUW.]

[Voetnoot 13: Vgl. VERDAM'S Episodes, vs. 6666–6711 met Roman de Troie, vs. 16179–16181.]

[Voetnoot 14: Vgl. Episoden, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327, 10166; 341, 10694.]

[Voetnoot 15: FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. Anzeiger f.d.A., IX, 367–8 en TE WINKEL'S Gesch. der Ned. Lett., bl. 168 noot.]

[Voetnoot 16: Vgl. Merlijn (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek.]

[Voetnoot 17: Merlijn, vs. 7639 vlgg. (7770–8, 8164, 8175-'80).]

[Voetnoot 18: Vgl. Torec (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene „Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S Conte du Graal; zie de Aant. op FRANCK'S Alexander, bl. 481). Afbeelding der Chambre de Beauté bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.]

[Voetnoot 19: Torec, vs. 869–870; 1228-'49; 3231-'51.]

[Voetnoot 20: Vgl. Alex., IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl. GAUTIER, Alex., IX, 258–260. Of M. deze vergelijking misschien uit den Lancelot heeft overgenomen, doet weinig ter zake. Episoden enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; Alex., I, 68; VERDAM'S Inl. op Episoden enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in Tijdschr. v. N.T. e. L., I, 332 vlgg.; Merlijn, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S Inl. op den Alex., L-LI; Episoden, bl. 163–4, vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke.]

[Voetnoot 21: Alex., III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook Troyen, vs. 10736.]

[Voetnoot 22: Alex., VIII, 126–9; X, 1535 vlgg.; Episoden etc. bl. 159–160. Over die riche dame te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197–8; Episod., bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht, door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne uitgaaf v.d. Roman de Troie: „Sur les manuscrits" in Deel I.]

[Voetnoot 23: Vgl. Alex., VIII, 637 vlgg.; Torec, Inl., bl. XXII vlgg.]

[Voetnoot 24: Vgl. o.a.: Rijmb., I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; Sp. Hist., I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.]

[Voetnoot 25: A.w. I, 64 vlgg.]

[Voetnoot 26: Vgl. o.a.: Rijmb., I, 2755; Sinte Franc., 9–10; 51–40. Het verhaal van den „coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook in het Latijn.]

[Voetnoot 27: Vgl. o.a. den Proloog van der Nat. Bloeme, vs. 108–116; TE WINKEL, Maerlant's Werken, p. 368; waai heidsliefde o.a.: Rijmb., I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: Nat. Bl., I, 486-'93; IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; Sp. Hist., I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.]

[Voetnoot 28: Vgl. TE WINKEL'S Gesch. der Ned. Lett., bl. 337–9.]

[Voetnoot 29: Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:

Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel, Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.

In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: „firmavit faciem suam ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven:

Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, die lieve gast#, Te Jherusalem te gane.]

[Voetnoot 30: Zoo b.v. vs. 7811-'14:

Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.

Het Latijn heeft hier (in de bewerking van Bonaventura Vulcanius): „Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."]

[Voetnoot 31: Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen op de uitgave der Strophische Gedichten door FRANCK en VERDAM.]

[Voetnoot 32: Vgl. over den dialoog: Inleid. der Stroph. Ged., LXXX; EBERT, Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt., II, 16; JEANROY, Les Origines de la poésie lyrique, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER, Trouvères Belges o.a. I, 6–7, 137, 139, 141.]

[Voetnoot 33: In sommige handschriften heet dit gedicht De derde Martijn.]

[Voetnoot 34: Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den kerkvader HIERONYMUS. Zie Inleiding, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' Ethica. Vgl. BURCKHARDT, Die Cultur der Renaissance, II, 90. Vgl. ook Heim. der Heim (ed. CLARISSE), vs. 1831–2; in het Latijn: „quia Deus creavit aequales."]

[Voetnoot 35: FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie Inleiding, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.

Nagevolgd werd de Eerste Martijn door een dichter die in 1299 den Vierden Martijn dichtte (uitgeg. door SERRURE in Vad. Mus., IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het dichten „op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter verzen dan deze dichter.]

[Voetnoot 36: Heim. der Heim. (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S Denkmäler, III, 289 vlgg.]

[Voetnoot 37: Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.

Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de Inleiding in VERWIJS' uitgave.]

[Voetnoot 38: Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den Sp. Hist. en TE WINKEL t.a.p. het Achtste Hoofdstuk.]

[Voetnoot 39: Vgl. Sp. Hist., III, p. 170, 204; TE WINKEL, Maerlant's Werken, p. 422–5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5–11.]

[Voetnoot 40: Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.]

[Voetnoot 41: Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, Lib. 24, c. 20): „Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore magno."]

[Voetnoot 42: Zie: Inleiding, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: hove || verscrove.]

[Voetnoot 43: Vgl. v.d. L. v. O., vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.]

[Voetnoot 44: Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.]

[Voetnoot 45: Vgl. Nat. Bl., II, 469-'76; 680 vlgg.; Rijmb., I, 78 vlgg.; 5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485–7; Sp. Hist., I, bl. 16, vs. 80 vlgg.]


DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.

Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse van het publiek kwamen.

Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.

Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of „clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT, de dichters van Rinclus, Van den Levene ons Heren, van den Dietschen Catoen, Esopet en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche „clercken" die minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner bewijzen. De bewerker der Disticha Catonis namelijk verhaalt ons in zijn proloog:

Als ic die minne sach, ic louch; Nu haticse al in minen sinne Die minne draghen entie minne Ende hebbe ghekeert minen moet An die ghenen die siin vroet.

Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij menestrelen noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn Spieghel Historiael gewijd aan „'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op de „menestrele", die dus ook door hem als de dichters der ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de menestrelen als van „logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde „clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:

Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].

Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn „gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was „te pipen ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in der Naturen Bloeme naar aanleiding van den vogel Garrulus[3]. Het „pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.

Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem verwerven—MAERLANT zegt het ons—daarnaar streefden de meeste ridders:

Want die ridder niet gheroet#, Hine verslijt vleesch ende bloet, Updat sijn prijs mere.

En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen wij eveneens uit zijne woorden:

... der idelre gloriën cleet, Daer menestraudië met omme gheet[4].

In zijn Spieghel Historiael laat hij nog eens een waarschuwing hooren tegen de „smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking van den Aiol. In eene opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des menestreels jegens zijn publiek te zien[6].

Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld, kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de met hen eenigszins verwante „yrauden" (herauten). Meer dan eens worden „menestrele ende yraude" of—wat hetzelfde is—„yraude ende spelmanne" in één adem genoemd[7].

In den roman van Torec zien wij den held in de wapenrusting van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:

Doe riepsi ende dyraude mede: „Ha ha! Myduel, Myduel! „Hi heeft den prijs ende niemen el; „Hi es die beste van den velde: „Hi es genindech#, coene ende melde"#[8].

Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in zijn Rijmbijbel[9]. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een „scriver", die doorgaans wel een „clerc" zal zijn geweest. In de Heimelycheit der Heimelychede lezen wij:

Nu betaemt wel elken heere Die bewaren wille sine eere, Dat hi scrivers met hem houde, Vroede liede, jonghe ende oude, Die scone ende wel connen dichten, Ende met sconen worden verlichten Connen dat sijn heere wille. ... Want ghelijc dat smenscen lede Scoonre sijn ghecleedt dan naect, Also eist dat men een dicht maect, Daer men der wareit niet ut en gheet Ende ment met scone worden cleet.

MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een dichtwerk door een „clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman mede:

Dese historie van den Grale Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, Den Heer van Vorne, wael met rechte; Want hoge liede met hoger historie Menechfouden zoecken hoer glorie Ende korten daer mede hoer tijt.

En in de opdracht van zijn Spieghel Historiael lezen wij:

Grave Florens, coninc Willems sone, Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone Die mi dit dede anevaen.

Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door „clercken". De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het Roelandslied en over den roman van Walewein ligt, die misschien ook in de Lorreinen te zien valt, geeft tot dit vermoeden wel eenigen grond[11].

In ontwikkeling zullen de „clercken" over het algemeen wel boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den Partonopeüs b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met het oog op eene reeds vermelde plaats uit den Spieghel Historiael. MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de wereldsche „clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer „petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:

Dese setten al haer doen (Om) haer surcoet# ende haer caproen, Hoe hare gescoyte# ten besten staet; Om specie ende mossceliaet#, Dat si wel rieken van den crude; Nuwe scoen met behagelen hude, T'haer gelu enten crooc#, Met vingerlinen verciert ooc: Si gaen rechts of si pleyen# souden.

Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met het vers:

Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.

Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den Willem van Oringen door MAERLANT: „Claes ver Brechten zone" wordt genoemd, geeft ons daarvan geen voorbeeld, want ver wordt in de 13de eeuw reeds van burgervrouwen gebezigd[13].

Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel—zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer, als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders. Ook die „gezeten" menestrelen zullen wel eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE „die speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: „menestrele || Die altoes zijn onghestade"[15].

Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de „speelman" en het „speelwijf", waarvan de bewerker van den Partonopeus (niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook „alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der Rose genoemd worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].

Dat onze voorouders bij het woord menestreel in de eerste plaats dachten aan een muzikant, een „speelman" zooals zij zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S Alexander. Een paar verzen der Alexandreïs waarin over mimi gesproken wordt, geeft hij aldus weer:

Die menestrele quamer mede Vor dien coninc in die stede Ende loofdene met haren sanghe. Daer was menich trompe langhe, Vedelen, haerpen ende sijmphonien, Cystolen die wel leren vrien, Salterien, orghelen ende sciven[17].

Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:

Men speelder met sweerden ende met kniven

dan zien wij hoe rekbaar het begrip speelman was en dat het in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie Karlmeinet die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de kunsten van

Hundert mynistrere De wir nennen speleman.

Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].

Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de Romeinsche „mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen Bere Wisselau, misschien ook de reize van Sente Brandaen hebben vervaardigd.

Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen als: „Nu hoort....", „dat u te hoorne dunket zoete", „hoort er naer", „nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: „gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: „gi vrouwen ende heren"[20]. Soms wordt deze benaming afgewisseld met: „gi goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: „een goet man" is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van Floris ende Blancefloer spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling[21]. Het Leven van Sinte Lutgart richt zich nu eens tot „heren ende vrouwen", dan weer tot „closterliede", „grote ende clene", „man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: „die hier te ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om den voordrager heen zat.

Iets gemoedelijks ligt er in het „kinder" of „lieve kinder", waarmede MAERLANT in zijn Merlijn en de bewerkers van het Roelands-lied en van het gedicht Van den Levene ons Heren soms hun publiek aanspreken[22].

Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.

Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten (Moriaen, Carel en Elegast, Levene ons Heren, Seven Vroeden) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde persoon te zijn geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later voordrager dat ic kon behouden. In andere werken (Floris en Blancefloer, S. Frandscus, Walewein, Troyen, Merlijn) begint de dichter wel met ic, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde komt voor: de dichter van den Reinaert begint met: „WILLEM, die ... hem ... hi" en spreekt later van zich zelven met ic; hetzelfde geval treffen wij aan in der Naturen Bloeme en den Rinclus. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang van oratio indirecta tot directa, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.

Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in Heimelijcheid der Heimelijcheden gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken:

Ende men brinct soeten sanc te voren, Ende men moet dan geesten# horen Die ghenouchlijc sijn int vertellen Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].

Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen.

Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard, dan verzocht hij een „ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman van Lancelot:

Hi tymperde die harpe eer iet lanc, Ende begonste harpen enen sanc[25].

Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend voorgedragen werden.

Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence een speelman: contrafazedor, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een menschenstem nabootsen?[26]

Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de Vlaamsche gaai moet „een der meest begaafde en onderhoudende inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster, de stem van den spreeuw ... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai boven zich zag[27].

Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van der Naturen Bloeme nu lezen wij van de gaai:

Wat so bi hem lijt# ooc mede, Ist man, ist voghel, ist enich dier, Bespot dit voghelkijn al hier, Ende conterfaet alrehande luut ... ... Gheplumt ist van menigher ghedane ... ... Garrulus dit dinct mi vele Bedieden some menestrele, Die altoes sijn onghestade, Ende callende vroe ende spade Vele boerden, vele lueghen, Ende conterfeiten dien si moeghen, Bede riddere ende papen, Porters, vrouwen ende knapen, Daer si scone sijn omme gheplumet.

Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn opgetreden.

Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van lesen sprake is in den zin van voorlezen[28]. In verband daarmede wordt, ten minste in Sinte Lutgarts Leven, de voordracht zelve lesse genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking „singen no lesen" of „lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche singen und sagen herinnert[30].

Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.

Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den Karlmeinet, dat er menestrelen waren

De van mynnen ind leve# Sprachen sunder breve[31].

Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan het dreigend „te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als: „Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit Floris en Blancefloer:

Het soude u allen dinken te lanc, Noemdic u die gherechten alle[32].

Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: „Hoort hier wonder groot!", „Hoort hier ontfermelike dinc!" of:

Nu alre irst so mogedi horen Utenemende aventuren.

Ook klinkt het wel overredend:

Maer wildi vort met lesen duren, Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].

Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het Leven van Sinte Lutgart zal wel in verscheidene „lessen" en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed juist tot gedeeltelijke voordracht.

De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne „lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd[35]?

Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht.

In den grooten roman der Lorreinen die waarschijnlijk uit een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener „lesse" schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den Walewein en den Reinaert. In de Lorreinen leest men b.v. (na de gewone opwekking tot aandacht: „Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting:

Gi hebt hier voren wel gehort, Hoe van Bordeas der port Was gereden her Garijn enz.

Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van het voorafgaande:

Gi hebt hier voren verstaen wel, Hoe Gelloen die ridder fel enz.

Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote geschilderde hoofdletter[36].

Zoo ook in den Walewein:

Nu latic hier of die tale, Ic salre weder toe keren wale. Ghi hebt wel ghehort hier voren Hoe Walewein die ridder uutvercoren Jeghen den roden ridder vacht Die....

Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: „Ic wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat men het gedicht Van den Vos Reinaerde, bijna 3500 verzen, in ééne „zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:

nu moet hi pleghen siere sele Reinaert bi Grimbeerts rade, ende ghinc te hove up ghenade.

om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:

Nu es die biechte ghedaen.

Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs. 1962. Wij lezen daar:

Nu waren die drie heren gereet, die Reinaerde waren te wreet. dat was de wulf ende Tibeert ende her Bruun die hadde gheleert honich stelen te sinen scaden.

Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne „lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: „Eensklaps weergalmde een schot!" of: „De doodstraf nam een aanvang"?

Behalve de mogelijkheid dat men den Reinaert in zijn geheel of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding (vs. 1–464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043–1356); zending van Grimbaert (vs. 1357–1750); Reinaert ten hove (1751–3018; misschien met een rust vóór vs. 2551: „Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's wraak (3019–3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, „lessen".

Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht geeft ons o.a. de roman van Limborch. Dit verhaal is verdeeld in een aantal boeken, welke—evenals in de Lorreinen—door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van 1000–1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig onderdeel een „amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].

Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid van den voordrager?

Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons verhaal kunnen besluiten.

Alle poëzie—zeiden wij vroeger—en het grootste deel van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.

Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht Van der Drievoudecheide:

Als ic dit lese ende spelle Maghic leren, als ic vertelle, Mijn ghelove al bloot.

In den proloog van Sinte Lutgarts Leven lezen wij:

Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte, Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen[40].

En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet gelooft aan:

Dat hi die vite van der maget ... Of selve lese, ochte imene el Hem lesen doe[41].

In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der Historie van Troyen voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood: