Duikerbok (Cephalolophus mergens). 1/13 v. d. ware grootte.

Duikerbok (Cephalolophus mergens). 1/13 v. d. ware grootte.

De Duikerbok is een van de eerste Antilopen, waarmede de nieuweling in het Kaapland kennis maakt, daar dit dier in de kreupelhout-wildernissen van de zeekust bijna nog talrijker is dan in de bosschen van het binnenland. Evenals alle kleine en dwergachtige Antilopen ontmoet men hem uitsluitend afzonderlijk of bij paren. Nooit vertoont hij zich buiten de hem beschuttende struiken.

“Bij het naderen van een mensch of van een anderen vijand”, zegt Drayson, “blijft hij rustig in zijn leger; bewegingloos, stijf als een beeld, kijkt hij naar de indringers, tot hij op het denkbeeld komt, dat men hem opmerkt, dan springt hij plotseling op en rent weg, maakt een aantal “scherpe haken” (volgt een zigzagvormigen weg), springt over struiken of sluipt er doorheen, “duikt” (gaat op den grond liggen) en kruipt, zoodra hij zeker meent te zijn, dat zijne vervolgers hem uit het oog verloren hebben, door het lange gras of tusschen de struiken zoo stil weg, dat het den schijn heeft, alsof hij in den grond gezonken is, of zich neergelegd heeft. Dit laatste gebeurt echter nooit, integendeel hij gaat onder de bladen steeds verder, tot hij een flinken voorsprong heeft: dan staat hij op en spoedt zich voort. Zelfs de verstandigste jager en de beste Hond worden door den Duikerbok vaak genoeg gefopt; wanneer men echter den weg, dien hij bij ’t loopen gevolgd heeft, nagaat, en de plaats, waar hij begonnen is te kruipen, ontdekken kan, is het niet moeielijk hem onder den wind te naderen. De buks kan men bijna niet gebruiken, omdat hij bij zijn onregelmatig heen en weer springen, slechts door een buitengewoon behendig schutter getroffen kan worden. Van het vel van den Duikerbok snijdt men de riemen, waarvan aan de Kaap de lange zweepen gevlochten worden, die bij het rijden met de ossenwagens noodig zijn; ook wordt van dit dier een voortreffelijke soep gekookt. Gewoonlijk is het vleesch van de Zuid-Afrikaansche dieren zeer middelmatig van kwaliteit, droog en smakeloos; alle fijnproevers kan ik echter de lever van deze kleine Antilope als een buitengewoon lekker hapje aanbevelen. De Boeren lardeeren een gevilden en schoongemaakten Duikerbok met spek van de Eland-antilope of van het Nijlpaard, en bereiden op deze wijze een hoogst smakelijk gerecht.”

*

In de groep van de Dwerg-antilopen (Neotragus) vereenigt men de kleinste soorten van de onderfamilie: buitengewoon sierlijk gebouwde diertjes, die zeer veel op elkander gelijken; alleen de mannetjes van dit geslacht dragen hoornen; deze zijn zeer klein en dun en staan overeind; bovendien zijn deze dieren gekenmerkt door den rondachtigen kop en den spits toeloopenden neus met kleinen neusspiegel. Alle bekende soorten gelijken op elkander door haar levenswijze en haar inborst, zoodat ik wel volstaan kan met een Dwerg-antilope, die ik zelf heb waargenomen, als voorbeeld te kiezen, en met deze beschrijving al wat over de andere soorten bekend is, te verbinden.

De Windhond-antilopen, welke door de bewoners van Massoea, Beni Israël (“kinderen Israëls”), door die van Tigre Edro worden genoemd (Neotragus Hemprichii), behooren tot de sierlijkste Herkauwers, die er bestaan. De bok heeft een paar kleine hoornen met 10 of 11 halve ringen aan de buitenzijde van de onderste helft, en met naar voren gebogen spitsen, die door de sterk ontwikkelde haarkuif bijna bedekt en door de zeer lange ooren geheel in de schaduw gesteld worden. De romp is gedrongen, de staart een kort, behaard stompje; de pooten zijn middelmatig lang, maar buitengewoon zwak, de hoeven lang, smal en toegespitst, de bijhoeven ternauwernood zichtbaar. Zeer fijne, tamelijk lange haren bedekken den romp. De vacht is voskleurig en blauwachtig grijs. Op den rug gaat de kleur in roodbruin over; de voorschenkels zijn dikwijls gevlekt, de onderdeelen van den romp en de binnenzijde der pooten wit; de ooren zijn met een zwartachtigen zoom omgeven; de hoornen en de hoeven zijn zwart.

In Abessinië zal men van het zeestrand tot op een hoogte van 2000 M. onze Beni Israël zelden missen in de voor hen geschikte oorden. Bijna alle Dwerg-antilopen zijn bewoners van de kreupelhoutbosschen waaraan Afrika zoo rijk is. Wildernissen, die voor andere, groote Antilopen zoo goed als ondoordringbaar zijn, verschaffen uitmuntende woonplaatsen aan deze Lilliputters. Voor haar is zelfs tusschen de dichtst opeengedrongen takken nog een weg en tusschen de ergste doornen nog een poortje te vinden. De Edro geeft duidelijk de voorkeur aan het dal boven de hoogten. Het meest houdt hij van de groene woudzoomen der regenstroombeddingen. Hier zijn prachtige schuilplaatsen te vinden. Mimosas, Christusdoornen, eenige wolfsmelkstruiken en andere groote planten zijn als ’t ware door een netwerk van slingerplanten aaneenverbonden. Men vindt er kostelijke prieeltjes en gewelven onder het struikgewas, die, van de buitenwereld geheel afgesloten, veilige woningen opleveren; voorts zijn hier smalle strooken kreupelhout over groote afstanden onafgebroken aaneengeschakeld. Dit alles komt voor in de nabijheid van de vruchtbaarheid verschaffende wateraderen. Verder op ontmoet men meer afgezonderde boschjes van struikgewas, welker omgeving vaak met groen, saprijk gras bedekt is. Hier zal men den Edro stellig aantreffen. Evenals de meeste van zijne verwanten, welker gewoonte ons bekend zijn, leven de Edro’s streng paarsgewijs, nooit in troepen, tenzij het paartje een spruit bezit, dat de moederlijke zorg nog noodig heeft. In dit geval loopt ook deze met de ouders mede.

Aanvankelijk kost het den jager moeite deze kleine diertjes te ontdekken; wanneer hij met hunne zeden en gebruiken meer vertrouwd geworden is, kan hij ze vinden, omdat hij ze op de juiste wijze heeft leeren zoeken. De kleur van het vel, welke met die van de omgeving overeenkomt en met deze volkomen ineenvloeit, draagt er veel toe bij, deze dwergachtige wezens te verbergen. “Een zeer geoefend oog”, zegt Drayson terecht, “is noodig om een Blauwbokje” (de Zuid-Afrikaansche Neotragus coerulea) “te ontdekken; zijn vel gelijkt zoo volkomen op het flauw verlichte onderhout, dat men het beestje niet bemerken zou, zonder de beweging van de takken, die het aanraakt, terwijl het loopt. Gewoonlijk is het bokje al opgestaan en weggeloopen, lang voordat de jager zich heeft kunnen vergewissen, wat hij gezien heeft. Bij voorkeur eten deze dieren de bladen van de struiken, te midden waarvan zij wonen. Waarschijnlijk krijgen de Beni Israël hun voedsel grootendeels van de mimosa’s. Behalve de gevinde bladen van deze heesters—die, naar men zou kunnen meenen, juist zoo fijn verdeeld zijn opdat zij bij deze kleine lekkerbekken in den smaak zouden vallen—, zijn ook de groene spruiten en de knoppen van hun gading.”

Over de voortplanting der Dwerg-antilopen zijn de mededeelingen tot dusver nog zeer onvolledig. Ehrenberg zegt, dat de Beni Israël in de maand Mei jongen werpen; ik heb evenwel reeds in Maart, vaker nog in April, jongen bij het paartje gezien.

De Kaffers plaatsen op den weg van de Dwergbokjes van hun vaderland strikken, die door een der pooten van het dier dichtgetrokken worden, of maken, als zij geen levenden buit verlangen, gebruik van strikken met een veerenden tak er aan, die het dier worgen, als zijn hals in de lus geraakt.

Het vleesch van de Dwerg-antilopen, hoewel tamelijk hard en taai, kan nog wel een bruikbaar gerecht opleveren; het is beter geschikt om er soep van te koken dan voor gebraad. Volgens Drayson’s raad heb ik mij hoofdzakelijk van de lever van dit wild bediend en de ervaring opgedaan, dat deze aan alle eischen voldoet.

Buiten haar vaderland bezwijken de Dwerg-antilopen weldra onder den invloed van het vreemde klimaat; het is daarom zeer moeielijk ze levend naar Europa te brengen. Alleen aan de Kaap en in andere deelen van Afrika heeft men ze een geruimen tijd binnenshuis of op het erf in ’t leven kunnen houden. Naar men zegt, toonen jong gevangen dieren zich weldra gehecht aan hun verzorger: zij luisteren naar zijn stem, laten zich gaarne aanraken, krauwen, op de armen dragen enz., kortom zij onderwerpen zich aan den wil van den mensch zonder weerstand te bieden; daarom worden hun groote goedaardigheid, zachtmoedigheid en beminnelijkheid toegeschreven.

Na den mensch is de Luipaard vermoedelijk overal de ergste vijand van de Dwerg-antilopen. Kleinere Katten zullen misschien de weerlooze dwergjes evenzeer vervolgen; hoogst waarschijnlijk neemt ook de Arend af en toe een van hen, althans een kalfje, mede. Jakhalzen, Vossen en ander gespuis behooren eveneens tot de vijanden van de Beni Israël en van hunne verwanten.

*

Alle Berg-antilopen onderscheiden zich van de overige leden der groep door haar gedrongen, krachtigen lichaamsbouw. Zij zijn betrekkelijk diklijvig en kortpootig; hare hoeven zijn zoo geplaatst, dat hun top het geheele gewicht van het dier draagt. Niet minder eigenaardig is het meer of minder dicht en stijf haarkleed van deze bewoners der koelere hoogte. In deze opzichten komen zij alle overeen; ten aanzien van de hoornen bestaat echter verschil, daar soms beide geslachten, soms alleen de mannetjes gehoornd zijn. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij de Boschgeit-antilopen (Nemorhoedus), welker hoornen op die van Geiten gelijken. Tot dusver kent men slechts weinige soorten van dit geslacht en ook deze nog niet nauwkeurig.

Buitengewoon bekwaam in het beklimmen van bergen is de Goral, (Nemorhoedus goral), die de grootte van een Geit bereikt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot den Himalaja en, wel tot den gordel, die tusschen 1000 en 2600 M. hoogte gelegen is. Volgens Kinloch leeft hij gezellig, dikwijls in groote troepen, gewoonlijk echter over een groote oppervlakte verstrooid in kleine gezelschappen, ook wel afzonderlijk en paarsgewijs. Hij bewoont zoowel de bosschen als de kale rotsen en steenachtige hellingen; het liefst echter houdt hij verblijf op steile klippen, die met ijl kreupelhout en groepen van dicht bijeengeplaatste boomen begroeid zijn. De bewoners van Nepal beschouwen hem als het snelvoetigste van alle wezens. Tot dusver is de Goral nog niet levend naar Europa overgebracht; zelfs de huiden van deze dieren behooren in de musea tot de zeldzaamheden.

*

Op deze uitheemsche Berg-antilopen kunnen wij de bevallige, fel vervolgde bewoners der Europeesche bergen, de Gemzen, laten volgen. Zij worden tot een afzonderlijk geslacht (Capella) gerekend, welks voornaamste kenteeken gelegen is in de loodrecht bovenwaarts gerichte, met de spits haakvormig naar achteren gekromde hoornen.

Gems (Capella rupicapra). 1/12 v. d. ware grootte.

Gems (Capella rupicapra). 1/12 v. d. ware grootte.

De Gems (Capella rupicapra), de eenige soort van haar geslacht, bereikt een lengte van 1.1 M., waarvan 8 cM. op den staart komen; de hoogte van de schoft bedraagt 75, die van het kruis 80 cM., het gewicht 40 à 45 KG. De hoornen zijn, volgens de kromming gemeten, ongeveer 25 cM. lang; zij staan bij den bok verder van elkander af en zijn ook dikker en sterker gekromd dan bij de Geit. Voor ’t overige gelijken het mannetje en het wijfje volkomen op elkander, hoewel de bokken in den regel iets forscher zijn dan de Geiten. Al naar het jaargetijde verschilt het haarkleed van de Gemzen. In den zomer gaat de vuil-roodbruine of roestroode hoofdkleur aan de onderzijde in lichtroodachtig geel over; over het midden van den rug loopt een zwartbruine streep; de keel is vaalgeel, de nek geelachtig wit; op de schouders, de schenkels, de borst en de flanken wordt deze kleur donkerder; een streep op de achterzijde toont een bijna op wit gelijkende nuance van geel. Van de ooren tot over de oogen loopt een smalle, zwartachtige, overlangsche streep, die bij de vale grondkleur scherp afsteekt. Gedurende den winter is de Gems van boven donkerbruin of glanzig bruinzwart, aan den buik wit; de pooten zien er van onderen lichter uit dan van boven en hebben een roodere tint; de voeten zijn geelachtig wit, evenals de kop, die op de kruin en aan den snuit een weinig donkerder van kleur is. De overlangsche streep van de spits van den snuit tot aan de ooren is donker zwartbruin. De haarwisseling heeft zoo langzaam plaats, dat het zuivere winterkleed, zoowel als het zuivere zomerkleed steeds slechts gedurende zeer korten tijd gedragen wordt. De jonge dieren zijn roodbruin en lichter van kleur in de omgeving van de oogen. Zelden ontmoet men lichtkleurige verscheidenheden of albino’s.

De Alpen zijn het eigenlijke vaderland van de Gemzen. Wel strekt haar verbreidingsgebied zich nog aanmerkelijk verder uit; daar zij ook gevonden worden in de Abruzzen, Pyreneeën, de gebergten van de kusten van Cantabrië, Dalmatië en Griekenland, de Karpathen, vooral op de toppen van den Hoogen Tatra, in de Transsylvanische Alpen, en eindelijk in den Kaukasus, in Taurië en Georgië. In de Zwitsersche Alpen is zij tegenwoordig zeldzaam, althans veel minder talrijk dan in de oostelijke Alpen, vooral in Opper-Beieren, Salzburg, Salzkammergut, Stiermarken en Karinthië, waar zij, beschermd en gespaard door welvarende en jachtkundige groote grondeigenaars of jachtpachters, in zeer grooten getale leeft. Ook zijn zij veelvuldig op de steile, ontoegankelijke hoogten van de middelste Karpathen, hoewel hier geen maatregelen ter harer bescherming genomen worden.

De algemeen verbreide meening, dat de Gems een Alpendier zou zijn in den engsten zin van het woord, d. w. z. uitsluitend boven den woudgordel, in de onmiddellijke nabijheid van de gletschers zou leven, is onjuist, daar zij eigenlijk tot de Woud-antilopen behoort. Overal waar zij ontzien wordt, bewoont zij met duidelijk merkbare voorliefde jaar in jaar uit den bovensten woudgordel. Van hier begeven deze dieren zich wel is waar in den zomer in meer of minder grooten getale naar de hoogere gedeelten van het gebergte, om weken en maanden lang in de nabijheid van de firnsneeuw en van de gletschers te blijven, en tijdelijk de hoogst gelegen weiden en boomlooze rotsen te bewonen; de meeste Gemzen van een gebied worden echter ook nog gedurende den zomer in den bovensten woudgordel aangetroffen. Zelfs zij, die in dit seizoen op de bergkammen en in het gletschergebied verblijf houden, treft men bij hevig onweder in het woud aan; vooral ook is dit het geval, wanneer zware stormen in aantocht zijn, die zij dikwijls reeds twee dagen te voren schijnen te voorzien, voorts in den na-herfst en in den winter. Steeds echter keeren zij ten spoedigste weder naar hare hoogere woonplaatsen terug, omdat de sneeuw hier bijna altijd vroeger verstuift of wegdooit dan in het dal.

De Gems is gewoon des nachts te rusten. Als de morgenschemering aanvangt, verheft zij zich van haar leger en gaat op voedsel uit, waarbij zij in den regel langzaam in benedenwaartsche richting loopt. De voormiddag-uren brengt zij herkauwend in de schaduw van overhangende rotsen of onder de takken van oude dennen door; gewoonlijk ligt zij dan op de saamgebogen pooten zoo gemakkelijk mogelijk uitgestrekt. Tegen den middag klimt zij langzaam naar boven en rust des namiddags weder eenige uren onder boomen, op vooruitstekende en gladde rotsterrassen, op firn-sneeuw en dergelijke, meestal vrije plaatsen; deze worden niet geregeld telkens weder opgezocht, maar zijn willekeurig gelegen, nu eens hier, dan weer daar. Tegen den avond gaat zij nogmaals voedsel zoeken en na het begin van de schemering legt zij zich te ruste. Naar men zegt, wijkt zij in den zomer, wanneer de maan ’s nachts helder schijnt, soms van deze tijdverdeeling af.

De Gemzen zijn zeer gezellige dieren; zij vereenigen zich tot troepen, die soms uit een zeer groot aantal individuën bestaan. Deze gezelschappen worden gevormd door de Geiten, hare jongen en de jongste bokken tot in het tweede of hoogstens derde levensjaar. De oude bokken leven buiten den paartijd afzonderlijk of vereenigingen zich misschien met een, twee of drie van huns gelijken; met deze blijven zij echter, naar het schijnt, nooit gedurenden langen tijd in innige gemeenschap. In elken troep treedt een oude ervaren geit als aanvoerster op. Deze regelt meestal de bewegingen van den troep; zij doet dit echter op lange na niet altijd, evenmin als hare gezellen zich eenig en alleen op haar waakzaamheid verlaten. Bij iederen rustenden troep merkt men geregeld een of meer dieren op, die rechtopstaan en om zich heenkijken; deze zijn het meestal, die de overige kennis geven van de nadering van een gevaarlijk wezen. Zij oefenen echter geen ambt uit, dat hun opgedragen werd, maar volgen eenvoudig een aandrift, die alle gelijkelijk beheerscht en zich op gelijke wijze openbaart. Iedere Gems, die een verdacht verschijnsel opmerkt, geeft dit te kennen door een op grooten afstand hoorbaar gefluit; zij stampt tevens met den eenen voorpoot op den grond. Zoodra de troep zich overtuigd heeft van het werkelijk bestaan van een gevaar, nemen alle onmiddellijk de vlucht.

De Gems staat bij de ons reeds bekende bergbewoners uit haar familie niet achter, wat hare bewegingen betreft. Zij klimt behendig, springt zonder haar doel te missen, kortom zij is een koene en wakkere bergbestijger, die zich snel en flink voortrept op plaatsen die zoo gevaarlijk zijn, dat geen Alpengeit het wagen zou ze te beklimmen. Als zij zich langzaam beweegt, is haar gang eenigszins log en onbeholpen en haar houding niet fraai; zoodra echter haar aandacht getrokken wordt door een dreigend gevaar en zij op de vlucht gaat, is zij als ’t ware een geheel ander dier geworden. Zij ziet er frisscher, stoutmoediger, edeler en krachtiger uit; met snelle sprongen spoedt zij zich voort en verraadt in elk harer bewegingen zoowel kracht als bevalligheid. Over haar buitengewone vaardigheid in ’t springen zijn eenige bepaalde waarnemingen gedaan: de door Von Wolten gemeten sprongwijdte van een Gems bedroeg 7 M. De genoemde onderzoeker zag een tamme Gems boven op een 4 M. hoogen muur en aan den anderen kant er weer afspringen; zij kwam juist op den rug van een boerenmeid terecht, die daar aan ’t grasmaaien was. Overal waar slechts een klein uitsteeksel zichtbaar is, kan de Gems een steunpunt vinden; in weinige sprongen bereikt zij een hoog gelegen punt, alsof zij vliegen kan; zij neemt hiertoe een aanloop en tracht in schuinsche richting op te stijgen. Zij springt gemakkelijker den berg op, dan er af; met buitengewone behoedzaamheid zet zij de bijzonder lenige voorpooten neer, opdat er geen steen zal losraken. Als zij zwaar gewond is, rent zij nog vlug over de gevaarlijkste paden voort, zelfs door het stukschieten van een poot, wordt haar geschiktheid om te vluchten slechts weinig verminderd. Hoe bekwaam en behendig de Gemzen ook zijn, gebeurt het, volgens Schinz, toch wel eens, dat zij zich begeven hebben naar plaatsen, waar zij zoomin vooruit, als achteruit kunnen komen, waar zij geen voet meer kunnen verzetten en van honger bezwijken of in den afgrond storten moeten. Tschudi vult deze mededeeling aan met de opmerking, dat de Gems ook in dergelijke gevallen het onmogelijke mogelijk tracht te maken, door in den afgrond te springen, al zou zij verpletterd beneden aankomen. “De Gems geeft nooit den moed verloren, d.i. zij blijft nooit radeloos staan zonder een uitweg te zien, zooals b.v. de Geiten, die blatend wachten, totdat de herder haar met gevaar voor zijn eigen leven komt halen. De Gems zal eerder den dood te gemoet springen. Dit zal echter vermoedelijk zeer zelden geschieden, daar het vermogen om te oordeelen bij haar veel sterker ontwikkeld is dan bij de Geit. Als zij op een smallen rotskam geraakt is, en niet verder kan komen, zal zij een oogenblik bij den afgrond staan blijven en dan pijlsnel den terugweg aanvaarden, waarbij zij dikwijls de vrees voor de haar volgende menschen overwint. Als het dier langs een bijna loodrechten rotswand naar beneden gejaagd wordt, maakt het gebruik van iedere uitstekende punt, al is deze niet grooter dan een vuist, teneinde de snelheid van den val te vertragen door althans een oogenblik stil te staan. Als het geen kans ziet, zulk een steunpunt te bereiken, begeeft het zich toch omlaag maar buigt hierbij den hals en den kop naar achteren om het gewicht van het lichaam zooveel mogelijk op de achterpooten te laten rusten, die dan sterk langs de rotsen schuren en de vaart van het dier zooveel mogelijk verminderen. Zelfs bij het naar beneden glijden toont het dier zijn tegenwoordigheid van geest, door met den romp en pooten te roeien en te werken en zoo gedurende den val een kromme lijn te beschrijven, wanneer het onderweg een redding belovend uitsteeksel heeft opgemerkt, dat het op deze wijze tracht te bereiken.”

Hoogst voorzichtig is de Gems bij het overtrekken van met sneeuw bedekte gletschers, steeds vermijdt zij zorgvuldig de met sneeuw bedekte spleten, hoewel zij deze met de oogen niet kan waarnemen. Even behoedzaam en langzaam schrijdt zij langs rotshellingen voort. Eenige leden van den troep vestigen hun aandacht op de paden, de overige speuren onverpoosd naar andere gevaren. “Wij hebben gezien,” verhaalt Tschudi, “hoe een troep Gemzen een gevaarlijke, zeer steile, met rolsteenen bedekte rotshelling overtrekken wilde, en het geduld en de schranderheid dezer dieren bewonderd. Eén hunner ging vooraan en klauterde voorzichtig naar boven; de overige wachtten tot het zijn doel volkomen bereikt had; eerst als er geen steen meer rolde, volgde het tweede, daarna het derde en zoo voort. Die, welke boven aangekomen waren, verstrooiden zich niet onmiddellijk over de weide, maar bleven op den uitkijk staan aan den rand van de helling, totdat de laatste kameraad zonder ongeval de reis volbracht had.” Haar buitengewone plaatskennis komt de Gems bij hare vermetele tochten uitmuntend te stade. Zij herinnert zich iederen weg, al heeft zij dien slechts éénmaal begaan; in haar gebied is haar bij wijze van spreken iedere steen bekend; juist hierom toont zij zich evenzeer te huis in het hooge gebergte, als zij onbeholpen schijnt, wanneer zij het verlaat. “In den zomer van 1815,” bericht Tschudi verder, “vertoonde zich plotseling, tot niet geringe verbazing der ooggetuigen, een waarschijnlijk gehitste Gemsbok op de weide bij Arbon. Zonder door vervolging hiertoe genoopt te zijn, sprong zij over alle omheiningen en daarna in het meer, waar zij lang dwalend rondzwom, en eindelijk, het verdrinken nabij, met behulp van een schuit gevangen werd. Eenige jaren te voren werd in het Rijndal een jonge Gems, die in het moeras was blijven steken, levend gevangen.”

De zinnen van de Gemzen zijn ongelijk scherp, maar volstrekt niet stomper dan bij andere haar verwante dieren. De reuk en het gehoor zijn vermoedelijk het meest, het gezicht is minder goed ontwikkeld. De voortreffelijkheid van het reukzintuig der Gemzen blijkt niet alleen hieruit, dat zij op grooten afstand den vijand opmerken, maar ook uit de geschiktheid dezer dieren om te speuren; zij kunnen een spoor vinden en het zonder af te dwalen volgen. Ieder die Gemzen nagaan of naderen wil, moet zorgvuldig op den wind letten, omdat de schuwe dieren anders stellig vluchten. Tot op welken afstand haar reukvermogen reikt, kan niet met zekerheid aangeven worden; men kan er echter van overtuigd zijn, dat deze afstand de draagwijdte van een geweer aanmerkelijk overtreft. Ongetwijfeld is de reukzin het middel, waardoor de Gemzen het eerst en het best gewaarschuwd worden voor het naderen van een gevaar, of, wat op ’t zelfde neerkomt, tot een onmiddellijke vlucht worden genoopt. Het gehoor, hoewel eveneens zeer scherp, kan veel lichter aanleiding geven tot zinsbedrog. Om het kletteren van de vallende steenen bekommert de Gems zich gewoonlijk zeer weinig; hieraan is zij in het gebergte gewoon geraakt; zelfs het knallen van een schot maakt niet altijd een bijzonderen indruk op haar. Als een Gems ondervonden heeft, wat een schot kan uitwerken, en zij den knal van het vuurwapen goed heeft leeren onderscheiden, gaat zij natuurlijk zonder eenige aarzeling op de vlucht; in vele gevallen echter blijft zij na den knal een oogenblik verwonderd staan en geeft soms den jager gelegenheid haar een tweeden kogel toe te zenden. De verklaring van dit feit is ten deele hierin gelegen, dat het in ’t gebergte voor haar, evenals voor de menschen, moeielijk is te beoordeelen, van welken kant het schot kwam, en ook zelfs, of dit geluid gehoord werd en niet de schok van een losgeraakten steen, die in de diepte neerploft. Het gezicht van de Gems beheerscht ongetwijfeld groote afstanden, maar bewijst haar geen dienst bij het herkennen van stilstaande of verborgen vijanden. Evenals de meeste dieren, herkennen zij, naar ’t schijnt, den bewegingloozen mensch niet als zoodanig; hij wordt voor haar eerst dan een reden van vrees, als hij zich beweegt.

Kort vóór den paartijd, die omstreeks het midden van November begint en tot in het begin van December duurt, komen de volwassen bokken bij de uit wijfjes en jongen bestaande troepen. Zoo stilzwijgend zij gedurende het overige gedeelte van het jaar zijn, zoo dikwijls hoort men thans hun stem: een moeielijk navolgbaar, dof en holklinkend geknor. Bij hun komst stuiven de jonge bokken verschrikt uiteen; de oude mannetjes daarentegen, die elkander bij één troep ontmoeten, houden stand en vechten met elkander; daar de volwassen bok geen tweeden bij den troep duldt, al bestaat deze uit 30 of 40 stuks. De jongen worden in de laatste dagen van Mei of in het begin van Juni geboren. De oude geiten werpen dikwijls twee, bij uitzondering zelfs drie jongen; de jongere wijfjes brengen nooit meer dan één jong ter wereld.

De jongen zijn allerliefste diertjes, die een dichte, wollige, bleek vaalroode vacht bezitten; zij volgen hun moeder overal en toonen zich reeds na verloop van een paar dagen even behendig als zij is. Minstens 6 maanden lang behandelt de geit hen met de warmste genegenheid, is zeer zorgvuldig voor hen en onderricht hen in alle noodzakelijke kundigheden. Zij bestuurt hare spruiten met een eenigszins aan ’t geblaat van een geit herinnerend geluid, leert hen klauteren en springen en doet hen soms eenige sprongen opzettelijk zoo lang voor, tot zij behendig genoeg zijn om hetzelfde waagstuk te ondernemen. De jongen zijn innig aan hun moeder gehecht en verlaten haar, zoolang zij jong zijn, zelfs niet bij haar dood. Zij groeien zeer snel, krijgen reeds in de derde levensmaand hoornen en hebben reeds in het derde levensjaar de volle grootte van het oude dier bereikt. Hun levensduur wordt op 20 à 25 jaren geschat; ’t is moeielijk na te gaan, of dit terecht of te onrecht geschiedt.

In weerwil van de velerlei gevaren, waaraan zij blootstaan, vermenigvuldigen de Gemzen zich buitengemeen snel daar, waar zij ontzien worden en men de jacht op deze dieren door verstandige maatregelen beperkt heeft; zij zijn, zooals de zeer ervaren Von Kobell zegt, het eenige wild, dat van de strenge winters betrekkelijk weinig te lijden heeft. Op de steile hellingen, van welke de sneeuw meestal door den wind wordt weggejaagd, of onder de rotsen en dennen, die de sneeuw eenigszins tegenhouden, vinden zij nog altijd voedsel, terwijl de Herten en Reeën zich naar het dal moeten begeven en zonder kunstmatige voedering dikwijls om ’t leven komen.

Gedurende den zomer voedt de Gems zich met de beste, saprijkste en lekkerste Alpenplanten, vooral met die, welke in de nabijheid van de sneeuwgrens groeien, bovendien met de jonge twijgen en de wortelspruiten van de op deze hoogten groeiende houtige planten, onverschillig hoe groot zij zijn, zoowel die van het Alpenroosje als die van de naaldboomen. In het laatste gedeelte van den herfst en in den winter moet zij zich daarentegen tevreden stellen met het lange gras, dat boven de sneeuw uitsteekt, en met allerlei mossen en korstmossen. Zout schijnt voor haar, evenals voor de meeste Herkauwers, onontbeerlijk te zijn. Drinkwater heeft zij echter niet noodig; waarschijnlijk stilt zij haar dorst op voldoende wijze door het aflikken van de met dauw bedekte bladen. Zij is een lekkerbek, wanneer zij in de gelegenheid is om het te zijn, en stelt geen hooge eischen, wanneer zij in minder gunstige omstandigheden verkeert. Bij goede voeding wordt zij vet en neemt zeer sterk in omvang en gewicht toe; bij armoedige kost daarentegen vermagert zij schielijk weder. Om de hooischelven, die men in sommige Alpengewesten in de vrije natuur opstapelt, verzamelen zich dikwijls troepen van Gemzen; deze vreten langzamerhand zulke diepe gaten in den hooibult, dat zij van deze ook gebruik kunnen maken als schuilplaats tegen stormen. Op andere plaatsen daarentegen, waar zulke hooischelven niet voorkomen, nemen zij zelfs in den strengsten winter geen voedsel van den mensch aan; zij lijden daar gebrek en vermageren.

De winter is voor de Gemzen echter een tijd niet alleen van gebrek maar ook van gevaar; soms worden geheele troepen van deze dieren door sneeuwlawinen bedolven. Hoewel zij dit gevaar kennen, en plaatsen opzoeken, waar zij er het meest tegen beveiligd zijn, kunnen zij zich er niet altijd tegen vrijwaren. Ook worden verscheidene van haar gedood door rollende steenen en neerstortende rotsblokken. Besmettelijke en andere ziekten richten onder dit wild verwoestingen aan; tal van vijanden, hoofdzakelijk Los, Wolf, Beer en Arend, zitten het steeds op de hielen. De Lossen beloeren het des winters in de wouden, en richten er soms een groote slachting onder aan; de Wolven vervolgen het vooral, als er een dikke sneeuwlaag ligt; de Beren boezemen het op zijn minst genomen grooten angst in. In Engadin moet een Beer een Gems eens nageloopen zijn tot in een dorp, waar het vervolgde dier zich in een houtloods wist te redden. De Arenden brengen het leven van de Gems niet minder in gevaar, daar zij, als een bliksemstraal uit den helderen hemel, zich op haar werpen, jonge dieren zonder eenig bezwaar van den bodem opnemen, en oudere, ondanks de tegenweer die zij bieden, in den afgrond trachten te stooten. Bij deze vijanden, die bijna uitgeroeid zijn in de gewesten, waar men de Gemzen beschermt, komt nog als allergevaarlijkste vijand de mensch, overal waar geen vaste jachtwetten of jachtgebruiken een geregelde bescherming van het edele wild trachten te bewerken en werkelijk te verschaffen.

Van oudsher werd de gemzenjacht beschouwd als een vermaak, dat den edelsten man betaamt. Maximiliaan, de groote Duitsche Keizer, schiep er behagen in de verblijfplaatsen van de kinderen der Alpen te beklimmen en volgde hen zelfs op zulke gevaarlijke hoogten, dat er, naar de overlevering bericht, een wonder noodig was, om hem weder naar beneden in de voor menschen geschikte vlakte te brengen. Weinige Duitsche vorsten waren even hartstochtelijke liefhebbers van de gemzenjacht als hij. De aartsbisschoppen hielden zich met deze jacht bezig en vaardigden wetten uit tot bescherming en instandhouding van het reeds in dien tijd zeldzamer wordende wild. Het bezoar-bijgeloof gaf aanleiding tot onbarmhartige vervolgingen van deze dieren. Daarop volgde een tijdperk van bijna 100 jaren, waarin de gemzenjacht als ’t ware uit de mode was. Onder de grooten der aarde greep Aartshertog Johan van Oostenrijk voor ’t eerst weer naar de buks, hem volgden de Koningen van Beieren en eenige van de Duitsche Hertogen. Tegenwoordig is deze jacht een vorstelijk vermaak geworden. De jachtdistricten, die het rijkst zijn aan Gemzen, behooren aan den Keizer van Oostenrijk, aan den Koning van Beieren, aan verscheidene Aartshertogen van het keizerlijke huis en aan rijke edelen van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Daar het wild onder toezicht staat van ervarene, meestal in het midden van deze districten wonende jagers, is hier ieder jaar gelegenheid tot het houden van jachtpartijen, die niet minder aantrekkelijk dan voordeelig zijn.

“Over de gemzenjacht,” zegt Franz von Kobell, “is zeer veel geschreven. Dikwijls heeft iemand, die hoogstens een paar jachttochten bijwoonde, de pen opgevat en—al naar de stemming waarin hij verkeerde, of de bijzonderheden, die de tocht, waarvan hij getuige was, opleverde—deze jacht voorgesteld als de gevaarlijkste van alle, of den lezer in den waan trachten te brengen, dat zij niet veel meer te beteekenen heeft dan een drijf jacht op Reeën en Hazen. Dat deze jacht romantischer is dan de meeste andere, ligt aan den aard van het gebied, waarop zij plaats heeft; wat echter de gevaren betreft, die de jager loopt, deze hangen af van de wijze van jagen en van de omstandigheden, waaronder men jaagt. Ook hem, die vele malen Gemzen heeft nagespoord, zal waarschijnlijk wel een rilling door de leden zijn gegaan, als hij bij het beklimmen van een bergwand of bij het doortrekken van een kloof plotseling het gekletter hoorde van de door vluchtende Gemzen losgemaakte en vallende steenen, en ter nauwernood het lijf kon bergen onder een vooruitstekende rots, of als hij, bij ’t achternaklimmen van een aangeschoten Gems, onverwachts op plaatsen kwam; waar de gevolgen van het mislukken van een stap of sprong, die toch noodzakelijk gedaan moest worden, hem wat al te duidelijk voor den geest kwam.... Men moet zich trouwens ook al weer niet voorstellen, dat de gemzenjagers altijd, als Vliegen aan den muur, langs rotswanden moeten op- en neerkrabbelen. De plaats is dikwijls zoo gunstig gelegen, dat men zonder bijzondere kunst en moeite zijn buit verwerft, vooral bij een drijfjacht, wanneer b. v. de wissels over een Alpenweg gaan, of door een lagen woudrand, of zelfs door het dal. Er is bijna geen jacht te bedenken, waarbij deze omstandigheden meer uiteen kunnen loopen.

“Een flinken bok te bekruipen totdat men hem kan schieten, heeft stellig bezwaren in; maar het toeval, dat deze wijze van jagen niet zelden doet mislukken, begunstigt haar ook weder in vele andere gevallen. Dikwijls komt de jager gedurende zijne vele omzwervingen in de gelegenheid om een schot te doen op een plaats, waar hij dit buitenkansje in ’t geheel niet verwachtte.... De wijze waarop de Gemzen komen aanrennen, als zij door de drijvers zijn opgejaagd, is zeer verschillend en levert een groote verscheidenheid van tafereelen op: want de hellingen, kloven en ravijnen wisselen op allerlei wijzen af. Langs steile wanden volgen de Gemzen, als zij niet beschoten worden, bijna altijd denzelfden weg; over een kloof springt de eene na de andere; bij een helling gaan de dieren dikwijls, zonder op te houden, volgens een zigzaglijn naar beneden. In de kromhoutdennen verbergen zij zich gaarne; het is moeielijk te begrijpen, hoe zij zoo snel vooruit kunnen komen tusschen de weerbarstige en in bonte verwarring door elkander heengroeien de stammen en takken van dit gewas. Als de wind gunstig is, kunnen zij in den regel gemakkelijk voorwaarts gedreven worden; een hoofdzaak blijft het echter, dat zij den drijver zien; want, hoewel steenworpen hen doen opschrikken, wanneer de steenen dicht bij haar neerploffen, boezemen zij haar in den regel niet veel zorg in. Zij weten zeer goed, of de steenen haar kwaad kunnen doen of niet; wanneer zij dus door een vooruitstekende rots gedekt zijn, blijven zij in weerwil van de hagelbui van steenen, die vandaar naar beneden valt, rustig staan. Als er een nevel hangt, kan de gemzenjacht alleen dan gelukken, wanneer de drijvers zeer talrijk zijn en goed aaneengesloten kunnen blijven. Bij het naderen van een troep Gemzen, kan men niet zelden het genoegen smaken op te merken, dat deze dieren lichtzinnig van aard zijn. De hoofdtroep laat n.l. de zorg voor haar veiligheid geheel aan de als gids dienende geit over; terwijl deze stilstaat om te luisteren en rond te kijken, stooten en bevechten de overige elkander dikwijls, tenzij de drijvers zeer dicht bij haar zijn gekomen.

“Bij het schatten van den afstand waarop het wild zich bevindt, kan men zich licht vergissen, vooral wanneer men over een kloof heenziet; menige Gems wordt om deze reden gemist. Als regel geldt, dat de afstand voor ’t schieten te groot is, als men de hoornen niet meer kan zien. Het beste schot is natuurlijk een bladschot (door het schouderblad, het hart en de longen); dikwijls komen echter weidewondschoten voor (waardoor alleen de onderbuiksingewanden getroffen worden). Een op de laatstgenoemde wijze getroffen geit gaat wel is waar spoedig liggen; maar, als men haar nadert, of den Hond op haar afstuurt, gaat zij weg en beklimt meestal een rotswand, waar de Hond haar niet volgen kan; men moet dan zoo dicht mogelijk bij haar zien te komen, en haar door een schot van den wand naar beneden doen tuimelen. In het steilere gebergte kan men geen Hond gebruiken; in den regel zijn de bloedsporen hier echter gemakkelijk zichtbaar op het grijze gesteente. Soms is het echter voor den jager onmogelijk door te dringen tot de plaats, waar de Gems om ’t leven kwam, zoodat deze verloren gaat.”

Het vleesch van de Gems behoeft, wat smakelijkheid betreft, voor geen ander wildbraad onder te doen; het overtreft mijns inziens zelfs nog zeer dat van onze Ree—waaraan, zooals men weet, onder de inheemsche soorten van wild wegens malschheid en smakelijkheid de eereplaats wordt toegekend—; daar het zich door een pikante, met niets te vergelijken bijsmaak onderscheidt. Bijna even hoog als het vleesch wordt de huid geschat, die tot uitmuntend wildleder wordt verwerkt. Ook de hoornen worden op velerlei wijzen gebruikt; met de haren uit den kam van den rug eindelijk versiert zoowel de jager van beroep als de jachtlustige zondagsjager zich den hoed.

De Gems speelt in de volksliederen der Alpenbewoners dezelfde rol als door de Oosterlingen aan de Gazelle wordt toegekend. Honderden van gedichten schilderden haar en haar jacht op even treffende als bevallige wijze; velerlei sagen zijn verbonden aan haar natuurlijke geschiedenis, voor zoover deze tot het volk doordrong. Een algemeen verbreid bijgeloof noopt den jager het hart van het pas gedoode wild te openen en het hierin nog aanwezige bloed te drinken, in de verwachting dat hij hierdoor zijne spieren stalen, zijne zinnen scherpen en de gevreesde duizelingen verdrijven zal. Een ander volksgeloof beschut een witte Gems voor het doodend lood, omdat, naar men beweert, ieder die zulk een dier om ’t leven brengt, zijn leven door een val in den afgrond verliezen zal.

Jong gevangen Gemzen kunnen getemd worden. Men voedt ze met geitenmelk, met malsche grassen en kruiden, met kool, rapen en brood. Als men goedaardige Geiten heeft, kan men dezen het pleegouderschap over de kleine, wakkere bergbewoners toevertrouwen, die er des te beter om zullen gedijen. Vroolijk spelen zij met de sikjes, moedig en flink met den Hond; vertrouwelijk volgen zij hun verzorger, vriendschappelijk komen zij hem om voedsel vragen. Steeds voert een natuurdrift hen naar het hoogste punt dat zij bereiken kunnen. Steenklompen op het erf, muurkappen en andere verhevenheden zijn hunne meest geliefde standplaatsen. Daar staan zij soms uren achtereen. Hoewel zij nooit zoo forsch worden als de in vrijheid levende Gemzen, bekomt haar de gevangenschap toch zeer goed. Bij sommige breekt op lateren leeftijd ook een zekere wildheid door; dan maken zij dikwijls een flink gebruik van hare hoorntjes. Daar zij niet veeleischend zijn, valt haar de gevangenschap gemakkelijk. Op lateren leeftijd toonen zij zich nog minder kieschkeurig ten aanzien van haar voedsel dan in de jeugd. Gehard zijn zij van de geboorte af. In den winter zijn zij tevreden met een weinig stroo onder een open afdak. Het verblijf in een stal bevalt haar niet; ruimte om zich te bewegen en frisch water moeten zij volstrekt hebben. Oud gevangen Gemzen blijven altijd vreesachtig en schuw.

Zelden planten de Gemzen zich in de gevangenschap voort. In het jaar 1863 had Schöpff het genoegen dit verschijnsel bij een zijner gevangenen waar te nemen; den 30en Juni kwam een jonge, gezonde bok ter wereld. Het diertje kreeg een Geit tot pleegmoeder en groeide zoo voorspoedig op, dat het reeds na 1½ jaar bijna even groot was als de oude Gems. Deze bleef één jaar lang geit, maar wierp in ’t volgend jaar weder een jong. In Schönbrunn heeft men eveneens Gemzen gefokt.

*

Van alle bekende Antilopen wijkt de Saïga of Steppen-antilope (Colus tataricus, Antilope saiga), die in het noordoosten van ons werelddeel veelvuldig voorkomt, door belangrijke eigenaardigheden zoo sterk af, dat men haar terecht als vertegenwoordiger van een bijzonder geslacht aanziet. Zij herinnert door haar gestalte en haar aard aan het Schaap, in sommige opzichten echter ook weder aan het Rendier. Haar gestalte is zeer plomp, het vel buitengewoon langharig en de beharing zoo dicht, dat zij op een gladde wollen deken gelijkt. Meer dan door eenig ander kenmerk onderscheidt zich de Saïga echter door den vorm van haar bovenkaak en meer bepaaldelijk van den neus. Gene steekt voorbij de onderkaak uit, deze is door een overlangsche groeve in tweeën verdeeld en met een kraakbeenige huid bekleed; hij kan samengetrokken worden, zoodat de huid rimpels verkrijgt, en is dus zeer beweeglijk; het geheel vormt een echte slurf; men zou dus aan deze groep den naam van “Slurf-antilopen” kunnen geven. De hoornen, die alleen bij den bok voorkomen, staan eenigszins verwijderd van elkander, zijn liervormig, bleek van kleur en doorschijnend. De rug en de zijden zijn in den zomer grijsgeelachtig, de ledematen onder de knie donkerder, de zijden van den hals, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de pooten wit, het voorhoofd en de kruin geelgrijs of aschgrauwachtig; een lancetvormige rugvlek in de kruisstreek, die met grovere en langere haren bezet is, heeft een zwartachtig bruine kleur. Tegen den winter wordt de vacht lichter van kleur, het dier krijgt dan een grijsgeelachtig, aan de buitenzijde witachtig haarkleed. De lengte van den volwassen bok bedraagt 1.3 M., waarvan 11 cM. op den staart komen, de hoogte van de schoft ternauwernood 80 cM.; de hoornen van den volwassen bok langs de kromming gemeten zijn 25 à 30 cM. lang.

Saïga (Colus tataricus). 1/12 v. d. ware grootte.

Saïga (Colus tataricus). 1/12 v. d. ware grootte.

De Saïga bewoont de steppen van Oost-Europa en van Siberië, van de Poolsche grens tot aan den Altaï. Van de landstreken ten zuiden van den Donau en van de Karpathen af ontmoet men haar in de steppen van het zuidoosten van Polen, in Klein-Rusland, langs de Zwarte Zee, om de Kaukasische gebergten, de Kaspische Zee en het Meer van Aral tot aan den Irtisch en den Ob, noordwaarts tot 55° N.B. Zij leeft steeds in gezelschappen, die zich echter in ’t begin van den herfst vereenigen tot kudden van verscheidene duizenden individuën, die tamelijk regelmatig trekken en eerst tegen de lente bij troepen naar hunne vroegere standplaatsen terugkeeren. Uiterst zelden ziet men een Steppen-antilope afzonderlijk, want ook gedurende den zomer blijven de oude bokken bij de kudde. Men merkt bij deze dieren geen groote behendigheid, geen bijzonder scherp zintuigelijk waarnemingsvermogen en slechts geringe geestesgaven op. De volwassenen loopen wel is waar zoo snel, dat zoomin Paarden als Windhonden ze inhalen kunnen; de jongere dieren geraken echter spoedig buiten adem; ook de oudere vallen spoedig ten buit aan de vereenigde inspanning van Roofdieren die in benden jagen, b.v. van Wolven. Zij verzetten hunne pooten bij ’t gaan overkruis en hebben daarbij geen bevallige houding, daar zij den hals ver vooruitsteken en den kop laten hangen. Hoewel zij tamelijk ver springen kunnen, geschiedt ook deze beweging veel minder sierlijk dan bij de overige Antilopen, maar veeleer plomp en onbeholpen.

Het voedsel van de Saïga bestaat hoofdzakelijk uit de zouthoudende kruiden, die de zonnige, dorre, dikwijls met zoutwaterbronnen afwisselende Tataarsche steppen op sommige plaatsen in verbazend groote hoeveelheid bedekken. De paartijd begint tegen het einde van November; gewoonlijk is hij gekenmerkt door de hevige gevechten, die de bokken elkander leveren. De wijfjes werpen in Mei, in den regel reeds vóór het midden van deze maand, één enkel, aanvankelijk zeer hulpbehoevend jong.

Hoewel de Saïga’s een slecht wildbraad opleveren, zijn de steppenbewoners hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op deze dieren. Zij worden te paard en met Honden vervolgd en in den regel ingehaald, wanneer zij ver vluchten moeten. Ook de Wolven richten een groote slachting onder hen aan en vreten de gedoode dieren geheel op met uitzondering van den schedel en de hoornen. De hoornen worden dan door de Kirgiezen of Kozakken ingezameld en voor geringen prijs aan de Chineezen verkocht.

*

De Gnoe’s (Catoblepas) zijn wel de meest in ’t oog vallende leden van de onderfamilie der Antilopen; zij houden als ’t ware het midden tusschen de Antilopen, het Rund en het Paard, en zijn echte caricaturen van de edele en sierlijke gestalten harer verwanten. Als men voor de eerste maal een Gnoe aanschouwt, verkeert men in twijfel over de plaats, die dit dier in ’t stelsel moet innemen. Het ziet er uit als een Paard met gespleten hoeven en een stierenkop; ook door zijne handelingen doet het aan zulk een bastaardvorm denken. Onmogelijk kan men den Gnoe een fraai dier noemen, hoe sierlijk ook de bouw van verscheidene zijner lichaamsdeelen is.

Het geslacht der Gnoe’s omvat weinige soorten, welke de volgende kenmerken met elkander gemeen hebben: De romp rust op matig hooge pooten en is kort en dik, de kop bijna vierhoekig, de neusspiegel breed, elk neusgat als ’t ware met een deksel voorzien. De oogen, ieder door een krans van stervormig uitstralende witte borstels kringvormig omgeven, hebben een woeste en boosaardige uitdrukking. De hoornen, die bij beide geslachten voorkomen, zijn op de voorhoofdslijst ingeplant, platgedrukt, zeer breed en met de spitsen naar boven gebogen. De staart eindigt in een langen kwast, evenals die van een Paard; de kruin van het aangezicht, de hals, de rug, de keel en de wangen zijn met lange manen voorzien; voor het overige bestaat het haarkleed uit glad aanliggende haren.

De Gnoe, het Wildebeest der Zuid-Afrikaansche Boeren (Catoblepas gnu), bereikt een totale lengte van 2.8 M., met inbegrip van den staart, die onbehaard 50 cM., met de haren echter 80 à 90 cM. lang is; de schofthoogte bedraagt 1.2 M. De kleur is over ’t geheel genomen donkergrijsbruin, op sommige plaatsen lichter, op andere donkerder van tint, nu eens naar geel en rood, dan weer naar zwart zweemend. Het wijfje is kleiner, hare hoornen zijn zwakker; haar kleur is volkomen gelijk aan die van het mannetje.