Gnoe (Catoblepas gnu). 1/15 v. d. ware grootte.
De Gnoe bewoont Zuid-Afrika, doch in ’t Kaapland is hij uitgeroeid. Volgens de berichten van geloofwaardige onderzoekers trekken deze dieren ieder jaar; mijns inziens geeft gebrek aan voedsel, evenals bij andere Antilopen, aanleiding tot deze verhuizingen. Het zijn hoogst beweeglijke, dartele dieren, die uitmuntend in staat zijn om uitgestrekte vlakten te verlevendigen.
Gordon Cumming vernam, dat het Wildebeest, zelfs wanneer het door een groot aantal jagers vervolgd wordt, zijn woonplaats niet verlaat. Steeds blijven deze ruige, vreemdsoortige en woeste gestalten in kringen om hunne vervolgers heen rennen en intusschen allerlei zonderlinge sprongen maken. Terwijl eenige jagers naar hen toe rijden om er een van te schieten, zetten zij hunne kringvormige bewegingen om de ter rechter en ter linkerzijde achtergebleven menschen voort, hoewel hun weg dan leidt over plaatsen, waar hunne vervolgers weinige minuten te voren reden. Afzonderlijk en bij troepen van 4 of 5 stuks ziet men soms de oude Wildebeest-bokken op eenigen afstand van elkander den geheelen voormiddag onbeweeglijk in de vlakte staan en met starende blikken op de bewegingen van het overige wild letten; intusschen hoort men van hen aanhoudend een luid, snuivend gedruisch en een eigenaardig, kort en scherp gesnork. Verscheidene reizigers noemen den Gnoe een toonbeeld van onbegrensden vrijheidszin en beschouwen hem als een buitengewoon moedig en krachtig dier.
Zijn zonderlinge gedaante heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de fabelen, die de inboorlingen van hem verhalen, en heeft misschien ook invloed gehad op vele van Europeanen afkomstige, zonderlinge berichten. Waar is het trouwens, dat de gewoonten van den Gnoe ons niet minder raadselachtig voorkomen, dan zijn gestalte. Al zijne bewegingen zijn snel, uitgelaten wild en vurig. Bovendien is hij meer dan eenige andere Herkauwer speelsch en tot plagerij geneigd. Als er ernstige gevechten geleverd moeten worden, toonen de mannetjes evenveel moed als de wijfjes. Hun stem gelijkt op het geloei van Runderen. De Zuid-Afrikaansche boeren van Hollandsche afkomst bootsen het eigenaardige geschreeuw van de jonge dieren na door de woorden “Nonja, g’n avond!” en beweren door dit geluid dikwijls in de waan gebracht te zijn, dat zij in hun taal aangesproken werden. In gevangenschap zijn deze dieren dikwijls onhandelbaar en wild, ongevoelig voor liefkoozingen en ongeschikt om getemd te worden, maar ook tamelijk onverschillig voor het verlies van hun vrijheid. De vrouwelijke Gnoe’s brengen soms in de eene, soms in een andere maand van het jaar één jong ter wereld, dat reeds weinige dagen na de geboorte behagen schept in dezelfde sprongen en grappen als zijne ouders, en dat wegens zijn geringere grootte een nog veel potsierlijken indruk maakt dan deze. De moeder is met innige liefde aan haar kroost gehecht en stelt zich om het te verdedigen, zonder aarzelen aan gevaren bloot.
De jacht op den volwassen Gnoe biedt bezwaren aan wegens de ongeloofelijke snelheid en volharding van dit dier. De vluchtende Gnoe’s hebben een opmerkelijke overeenkomst met vervolgde Wilde Runderen. Slechts toevallig vangt men een Gnoe in een valkuil of een strik. Dieren, welke oud gevangen zijn, gedragen zich, alsof zij dol en onzinnig zijn; de jonge daarentegen worden, als men ze met koemelk voedt en zich veel met hen bemoeit, weldra zoo tam, dat men ze met de kudden kan laten weiden en hen alle vrijheden van een huisdier toestaan kan.
Het nut van den gedooden Gnoe is van denzelfden aard als dat, hetwelk andere Afrikaansche soorten van wild opleveren. Zijn vleesch wordt gegeten, omdat het sappig en malsch is; de huid wordt voor allerlei lederwerk gebruikt; van de hoornen vervaardigt men meshechten en andere voorwerpen.
Op de Holhoornigen laten wij een Herkauwer volgen, die tot in den laatsten tijd als een Antilope werd beschouwd, hoewel de eigenaardige ontwikkeling van zijne hoornen, die zich van de wapens van alle Holhoornigen onderscheiden, deze meening weerspreekt. Een wetenschappelijke beschrijving van dit merkwaardige dier, dat waarschijnlijk reeds door Hernandez (lijfarts van den Spaansche koning Philips II) onder den naam “Teutlamazane” als een bewoner van Mexico werd genoemd—had eerst in 1815 plaats. Eerst in den laatsten tijd echter werd een wetenschappelijke dwaling uit den weg geruimd, waardoor aan dit dier tot dusver een verkeerde plaats in het stelsel was aangewezen.
Het bedoelde dier, de Gaffelbok, verschilt van alle leden zijner orde, doordat zijne hoornen, welke evenals die der Holhoornigen uit hoornpit en hoornscheede bestaan, gaffelvormig vertakt zijn; zij groeien niet, zooals die der Holhoornigen, aanhoudend door, maar worden van tijd tot tijd, evenals het gewei der Herten (hoewel op een eigenaardige wijze) afgeworpen en opnieuw gevormd. Andere bijzonderheden, zooals het aanwezig zijn van zekere klieren, de vorm der hoeven, de gesteldheid van het haar enz., gaven Murie, die het dier ontleedde, aanleiding het een “kortkoppige, giraffe-hoevige, geit-klierige, schaap-harige Antilope” te noemen, een uitdrukking die niets anders kan beteekenen, dan dat de Gaffelbok geen Antilope is. Alle kenmerken van den bedoelden Herkauwer zijn zoo eigenaardig en belangrijk, dat men hem met geen der van oudsher aangenomen familiën zijner orde vereenigen kan, maar hem als vertegenwoordiger eener afzonderlijke familie, die der Gaffelhoornigen beschouwen moet.
De Gaffelbok, ook wel Gaffel-antilope, Gaffel-gems of Kabri genaamd (Antilocapra americana), heeft over ’t algemeen de gestalte van een forsche Antilope en een totale lengte van ongeveer 1.5 M., waarvan 17 à 20 cM. op den staart komen, bij een schofthoogte van 80 cM. De kop is niet fraai, maar schaapachtig en langwerpig, het oog groot, donker en vol uitdrukking, het oor middelmatig lang en toegespitst. De hals is middelmatig lang; de romp schijnt minder krachtig dan hij werkelijk is, daar hij op zeer slanke en meer dan middelmatig hooge pooten rust. Drie verschillende, meestal scherp bij elkander afstekende kleuren, roestkleurig-isabel, wit en donkerbruin, maken zijn vacht zeer bont. De hoornen en de hoeven zijn zwart. De bij beide geslachten voorkomende, doch alleen bij den bok gegaffelde, steil opstijgende en aan de spits scherp binnenwaarts en achterwaarts gebogen hoornen zijn bij den ouden bok bijna dubbel zoo breed als dik, merkwaardig oneffen en knobbelig, op sommige plaatsen onregelmatig bezet met korte, puntige uitwassen. Bij ’t mannetje worden de hoornen 25 à 30, bij ’t wijfje slechts 8 à 12 cM. hoog.
Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over het westen van Noord-Amerika, van den Saskatschewan in het noorden ongeveer tot den Rio Grande in het zuiden en van den Missouri tot aan de kusten van den Stillen Oceaan. Hij bewoont echter geenszins, zooals men meende, uitsluitend de effene vlakten; men heeft hem eveneens in de kale, hooge dalen van het Rotsgebergte tot op 2500 M. hoogte aangetroffen.
Allen, die de Gaffelbokken hebben leeren kennen, bewonderen eenstemmig hunne snelheid en behendigheid. Het moge zijn, dat enkele Antilopen in deze opzichten meer bevoorrecht zijn, de dieren der prairie staan alle bij hen achter. Licht en lenig, de hooge pooten ver vooruitplaatsend “jagen zij als de stormwind over de vlakte” en stellen bovendien ieder ander Amerikaansch Zoogdier in de schaduw door hun volharding. “Een opgeschrikte kudde van Gaffelbokken levert een onvergelijkelijk en onvergetelijk schouwspel op.” Deze dieren bewegen zich, terwijl zij over de heuvels vluchten, bergop en bergaf met dezelfde behendigheid en zekerheid als op den vlakken bodem; de voorpooten worden hierbij zoo snel achtereen verplaatst, dat men hunne verschillende deelen niet meer onderscheiden kan, evenmin als de spaken van een ronddraaiend rad. De Gaffelbokken hebben uitmuntende zintuigen: zij kunnen op grooten afstand zien, hebben een zeer fijn gehoor en krijgen de lucht van een onder den wind hen bekruipenden vijand op een afstand van verscheidene honderden schreden. Waakzaam en schuw, tot op zekere hoogte ook schrander en in allen gevalle voorzichtig, kiezen zij hunne standplaatsen—en meer bepaaldelijk die, waar zij op ’t midden van den dag gewoon zijn te herkauwen en te rusten—altijd op zulk een wijze, dat zij een vrij uitzicht hebben; ook weten zij voortreffelijk gebruik te maken van de heerschende windrichting; bovendien zetten zij opzettelijk schildwachten uit. Nederzettingen van den mensch worden met zorg door hen gemeden; daarentegen bekommeren zij zich weinig om het vee, niet eens om Paarden en Runderen, in welker nabijheid men ze dikwijls zelfs onbeschroomd ziet grazen.
Op zijn vroegst in Mei, op zijn laatst in het midden van Juni werpt het wijfje jongen, gewoonlijk twee. Evenals alle Herkauwers groeien ook de jonge Gaffelbokken betrekkelijk zeer schielijk. Reeds tegen het einde van Juli breken bij den bok evenals bij de geit de hoornen door; in den beginne zijn dit korte, stomp kegelvormige spitsen, die in December 2 à 5 cM. lang geworden zijn, van nu af echter niet verder groeien, maar hunne hoornscheeden verliezen, die door nieuwe vervangen worden. Dit verschijnsel wijkt echter zoo volkomen van de wisseling der geweien bij de Herten af, en is, ook op zich zelf beschouwd, zoo merkwaardig, dat ik het uitvoeriger beschrijven moet.
Gaffelbok (Antilocapra americana). 1/12 v. d. ware grootte
Canfield is de eerste geweest, die de hoornwisseling waargenomen en de uitkomsten van zijn onderzoek aangeteekend heeft. Daar zijn verhandeling over dit onderwerp, hoewel in September 1858 aan Baird gezonden, eerst in het jaar 1886 het licht zag, komt aan Bartlett, die in de Londensche diergaarde gevangen Gaffelbokken verzorgde, de eer toe, de wetenschap met het eerste bericht over een ongeloofelijk schijnend feit verrijkt te hebben. De onderling volkomen overeenstemmende mededeelingen der beide genoemde onderzoekers zijn in lateren tijd nog door waarnemingen van anderen bevestigd geworden.
Bartlett bericht, dat de door hem verzorgde Gaffelbok kleine hoornen had, die sedert het midden van October plotseling snel schenen te groeien; zij namen niet alleen in lengte toe, maar weken tevens ook verder uiteen. In den morgen van den 7en November kwam de oppasser niet zonder ontroering vertellen, dat de Gaffelbok één van zijne hoornen verloren had; Bartlett begaf zich naar aanleiding van dit bericht naar den stal en zag bij zijn komst, dat ook de tweede hoorn afgevallen was. Tot zijn niet geringe verbazing bemerkte hij bij nader onderzoek van het dier twee nieuwe hoornen op de plaats van de oude; zij bestonden ieder uit een zeer kort, met een hoornachtige huid bedekt uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, en waren met lange, sluike zachte haren bekleed. Van een bloeding, zooals altijd plaats heeft bij het verlies van echte holle hoornen of bij het afwerpen van geweien, was hier niets te bemerken. De nieuwe hoornen schenen dikker te zijn dan de holte van de oude, welk feit hierin zijn verklaring vindt, dat de dicht bijeenstaande haren aan den voet der horens het afwerpen van de oude hoornscheeden, dat door den groei van de huid tusschen hoornpit en hoornscheede allengs veroorzaakt wordt, verborgen hadden gehouden. Uit den snellen groei van de nieuwe hoornen kon men met zekerheid afleiden, dat de hoornwisseling een volkomen natuurlijk, geen abnormaal verschijnsel is. Deze onderstelling werd volkomen bevestigd door de mededeelingen van Canfield, die tengevolge van het bericht van Bartlett gepubliceerd werden. Een door den genoemden Amerikaan verzorgde Gaffelbok bereikte een ouderdom van bijna 3 jaren en wierp in dezen tijd ieder jaar geregeld zijne hoornen af, zoodat niet alleen de wisseling der hoornen, maar ook hun verdere ontwikkeling tweemalen waargenomen kon worden. De hoornen van het derde jaar hadden in zooverre een vormsverandering ondergaan, dat zij op de dwarse doorsnede niet meer rond, maar eivormig waren en dat de gaffelplaat zich begon te vormen. Er ontstaat n.l. aan den wortel van iedere hoornpit, aanvankelijk gescheiden van deze, een tweede knobbel op het voorhoofdsbeen, dus als ’t ware een tweede paar hoornpitten; deze vereenigen zich echter zeer schielijk en voor goed met de oudere hoornpitten en dienen voortaan alleen tot ontwikkeling van het gaffelvormig uitsteeksel. In het nu volgende jaar (van Juni tot Juni) ontstaat de volledige hoorn, die voortaan na iedere wisseling in hoofdzaak denzelfden vorm behoudt, maar iets grooter wordt. Men onderstelt, dat de nieuwe hoornmassa voortgebracht wordt door versmelting van haren, die uit haarkiemen van de huid tusschen de hoornpit en de hoornscheede voortkomen; omdat deze haarkiemen zich op den bedoelden tijd sterk beginnen te ontwikkelen, zullen zij de oude hoornen wegschuiven. Van November tot Januari is een scherpe grens tusschen de beharing en den eigenlijken hoorn niet merkbaar; de geheele, nieuwe hoorn is dan dicht bedekt met een bast van haren, die niet “geveegd” wordt, zooals bij de Herten, maar bij het aangroeien van de hoornmassa langzamerhand afvalt. In den zomer is de grens tusschen het haar en den hoorn zeer duidelijk te zien.
Oud gevangen Gaffelbokken geraken, naar het schijnt, niet gewoon aan het verlies van hun vrijheid. Die, welke men in den winter, als er veel sneeuw ligt, vangen kon, toonden zich bijzonder goedaardig, ja zelfs vertrouwelijk, toen zij in een omheinde ruimte vrijgelaten werden; deze gemoedstoestand duurde echter slechts zoolang als de toestand van afmatting en krachteloosheid, waarin zij aanvankelijk verkeerden, aanhield. Zoodra de hongersnood voorbij was, werd het verlangen naar onbeperkte vrijheid opnieuw levendig en openbaarden zij weder hun oorspronkelijke wildheid. Zij renden en sprongen, alsof zij onzinnig waren, tegen de omheining van hun perk en gingen geweldig te keer, totdat zij zich doodelijk gewond hadden. Ook de kalveren, die kort na hun geboorte opgenomen worden, sterven gewoonlijk na een korte gevangenschap, wanneer men ze niet met bijzondere zorg behandelt.
Voor 20 à 25 jaren werd van de jacht op den Gaffelbok nog niet veel werk gemaakt, “slechts ingeval van nood, als men geen vleesch van Bisons kon krijgen,” bericht de Prins Von Wied. In dien tijd was de Indiaan nog de ergste vijand van het dier, tegenwoordig heeft hij op vele plaatsen reeds moeten wijken voor den Europeeschen jager.
Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Hoewel vele lieden van het hierdoor verkregen wildbraad een afkeer hebben wegens de sterke lucht die het verbreidt, vinden de meeste Europeanen, dat het een uiterst fijnen wildsmaak heeft, geheel verschillend van die onzer Herten en Reeën, en daarom terecht onder de uitmuntendste gerechten van het westen gerekend wordt. Van het lichte en zachte, maar weinig duurzame vel maken de Indianen zich hemden; de Europeanen vervaardigen er handschoenen van.
Geen enkele Familie van de geheele orde kan zoo gemakkelijk in korte woorden omschreven worden als die der Herten (Cervidae). Door ze Geweidragende Herkauwers te noemen heeft men ze nauwkeurig genoeg aangeduid; alle overige eigenaardigheden kunnen in vergelijking met deze als bijzaken beschouwd worden.
De geweien komen meestal alleen bij de mannetjes voor. Het zijn parige, uit been samengestelde, vertakte hoornen, die telken jare afgeworpen en opnieuw gevormd worden. Reeds vóór de geboorte van het Hert is de plaats, die het gewei zal dragen, door een sterkere verbeening van den schedel aangeduid. In de 6e à 8e levensmaand ontstaat op elk voorhoofdsbeen een beenige knobbel, die de daarboven liggende huid opheft. Deze knobbel, “rozenstok” genaamd, blijft gedurende het geheele leven bestaan; hij dient als voetstuk voor het gewei. In den beginne zijn de geweien slechts éénspitsig, later vertakken zij zich hoe langer hoe meer; daar van de hoofdstang takken uitgaan, welker aantal stijgen kan tot twaalf aan iedere stang. “Bij toenemenden leeftijd,” zegt Blasius, “komt er in de geweien der Herten een zeer groote verandering tot stand. De eerste, voor iedereen duidelijk merkbare verandering is die der rozenstokken; deze uitsteeksels van het voorhoofdsbeen vergrooten zich ieder jaar, naderen hierdoor meer en meer het midden van het voorhoofd en komen dus dichter bij elkander; op gelijke wijze vermindert met het naar boven groeien van de voorhoofdslijst de afstand tusschen den rozenstok en den schedel in ieder jaar. Nog opmerkelijker zijn echter de veranderingen in den vorm der “stangen” en het aantal harer vertakkingen: de “enden” of “spitsen” van het gewei. De nieuwe geweien, in welker eerste begin van ontwikkeling de oorzaak voor het afwerpen der oude gelegen is, zijn aanvankelijk omgeven door een behaarde, vele bloedvaten bevattende huid, zij eindigen dan nog stomp en zijn week en buigzaam. Eerst groeien de lager geplaatste, daarna de hoogere “enden” van de hoofdstang uit; nadat alle “enden” hun definitieve grootte hebben bereikt en puntig geworden zijn, houdt de omloop van het bloed in het gewei op: nu gevoelt het Hert behoefte om huid of “bast” van het gewei, die nu ook van zelf begint los te geraken, te verwijderen, te “vegen”.
De verandering of, zooals men ook mag zeggen, de verdere ontwikkeling van het gewei, heeft nu op de volgende wijze plaats: Reeds voordat het Hert één jaar oud geworden is, ontstaan als onmiddellijke voortzettingen van de rozenstokken “stangen”. Bij sommige soorten van de familie worden de stangen wel afgeworpen, maar altijd op dezelfde wijze weder vervangen. Bij de meeste Herten echter wordt de plaats van de stangen van het eerste jaar—van de zoogenaamde “spiesen”—in de lente van het tweede jaar ingenomen door een paar stangen, die ieder met één tak (soms ook met twee takken) voorzien zijn, en het gewei van het tweede jaar vormen. In de lente van het derde jaar herhaalt zich hetzelfde verschijnsel: de stang, die zich dan in het verlengde van den rozenstok ontwikkelt, heeft echter één tak meer dan die van het vorig jaar. Op deze wijze gaat het voort, totdat het dier zijne grootst mogelijke ontwikkeling bereikt heeft. Ziekten of slechte voeding brengen soms teruggang teweeg: de in zulk een tijdperk gevormde stangen hebben 1 of 2 takken minder dan die, waarvoor zij in plaats komen. Daarentegen kan de ontwikkeling van het gewei bespoedigd worden door een rijkelijke voeding en een rustige, zorgenvrije levenswijze.
Het gewei is op den rozenstok bevestigd, doordat beide op de plaats, waar zij met elkander in aanraking zijn, een zeer oneffene oppervlakte hebben; de uitsteeksels van het gewei passen in de holten van den rozenstok en omgekeerd.
Bij de meeste Herten merkt men eenige dagen vóór het afwerpen van het gewei een opzwelling op van de huidstrook, die de plaats van verbinding van gewei en rozenstok omgeeft; het Hert mijdt dan het stooten met het gewei en toont hierdoor, dat het een ongewoon gevoel heeft op de plaats waar het aangehecht is.
Het afwerpen zelf geschiedt ten gevolge van de zwaarte van het gewei; een geringe schok van buiten geeft er dikwijls aanleiding toe. Hoogst zelden worden de beide stangen tegelijk afgeworpen; in den regel verloopt er tusschen het loslaten van de eene en van de andere stang een tijdruimte van verschillenden duur, die soms eenige weinige minuten, soms verscheidene dagen omvat. Door zijn geheele voorkomen, vooral echter door de houding van zijn kop en het laten hangen der ooren, toont het Hert, dat het afwerpen van het gewei, een pijnlijke verrichting is, of althans met een onaangenaam gevoel gepaard gaat. Reeds verscheidene dagen van te voren, stoot de bok niet meer, maar verweert zich, evenals de hinde, door met de voorpooten te slaan. Na het afwerpen van de eene stang wordt hij door het grootere gewicht van de eene helft van den kop genoopt om den kop scheef te houden; hij schudt hem dikwijls, alsof hij op deze wijze de andere stang eveneens wil verwijderen.
Reeds in den voortijd waren de Herten over een groot deel van de aardoppervlakte verbreid. Tegenwoordig bewonen zij, met uitzondering van het Ethiopische rijk en van Australië, alle werelddeelen en nagenoeg alle klimaten, de vlakten zoowel als de gebergten, de open terreinen zoowel als de wouden. Alle Herten zijn levendige, vreesachtige en spoedig vluchtende dieren, snel en behendig in hunne bewegingen, met uitnemende zintuigen uitgerust, doch met tamelijk geringe geestesgaven bedeeld. Hun stem bestaat uit kort afgebroken, doffe geluiden bij het mannetje en uit een soort van geblaat bij het wijfje.
Als voedsel gebruiken de Herten uitsluitend plantaardige stoffen; het is althans volstrekt nog niet uitgemaakt, dat de Rendieren, zooals men beweerd heeft, ook wel Lemmingen eten. Grassen, kruiden, bloemen, bladen en naalden, knoppen, jonge spruiten en takken, graan, bessen en andere vruchten, schors, mossen, korstmossen, en zwammen vormen de voornaamste bestanddeelen van hun voedsel. Zout is voor hen een lekkernij, water een behoefte.
Het wijfje werpt 1 of 2, in enkele gevallen 3 jongen, die volkomen ontwikkeld ter wereld komen en reeds na verloop van weinige dagen hun moeder volgen. Bij eenige soorten toont ook de vader genegenheid voor zijn kroost. De Kalfjes scheppen veel behagen in de liefkoozingen van hun moeder; deze verzorgt ze zorgvuldig en beschermt ze ook tegen de gevaren, die hen bedreigen.
In gewesten waar de landbouw en de boschbouw volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd uitgeoefend worden, kunnen de Herten niet meer geduld worden. De schade die deze fraaie dieren aanrichten, overtreft in dit geval het geringe voordeel dat zij opleveren. Ongelukkig genoeg is hun bestaan in strijd met een goede exploitatie van den bodem. Als de jacht er niet was, die terecht als een der edelste en mannelijkste uitspanningen wordt beschouwd, zouden alle Herten bij ons reeds sinds lang uitgeroeid zijn. Nog is het niet zoo ver gekomen; maar toch gaan alle in ons midden wonende leden van deze in zoovele opzichten uitmuntende familie met rassche schreden hun ondergang te gemoet; zij zullen waarschijnlijk reeds na verloop van korten tijd alleen in wildparken en diergaarden te vinden zijn.
Het is niet zoo gemakkelijk Herten te temmen, als men gewoonlijk onderstelt. Wel is waar gedragen al deze dieren, als zij vroegtijdig in gevangenschap gekomen en aan den mensch gewoon geraakt zijn, zich in hun jeugd zeer lieftallig, vertrouwelijk en aanhankelijk; naarmate zij ouder worden verdwijnen deze eigenschappen hoe langer hoe meer; bijna alle oude Herten zijn driftige, boosaardige en twistzieke wezens. Hierop vormt ook de eenige, reeds sedert langen tijd in gevangenschap levende soort, het Rendier, geen uitzondering. Zij kan te dezen aanzien volstrekt niet op één lijn gesteld worden met het Rund en andere soorten van Herkauwers, die huisdieren geworden zijn; het temmen is bij haar slechts ten deele gelukt.
In de eerste plaats zullen wij de reusachtigste leden dezer familie behandelen. De Elanden (Alces), die tegenwoordig nog slechts één enkele vertegenwoordiger hebben, of twee, indien men den Amerikaanschen Eland als een afzonderlijke soort beschouwt, zijn kolossale, plomp gebouwde, hoogpootige dieren met bladvormig uitgebreide, vingervormig ingesneden, sterk getakte geweien: zij hebben kleine traansleuven, haarlokken aan de binnenzijde van den voetwortel en klauwklieren, maar geen hoektanden. De kop is leelijk, de behaarde bovenlip hangt over de onderlip heen; de oogen zijn klein, de ooren lang en breed; de staart is zeer kort.
Reeds sedert oude tijden is de Elk of Eland (Alces palmatus) hoog beroemd. Over den oorsprong van den naam verkeert men nog in ’t onzekere: Sommigen beweren, dat hij van het oude woord “elend” of “elent” is afgeleid, en “sterk” beteekent, anderen nemen aan dat hij uit het Slavische woord “jelen” (= “hert”) ontstaan is. Reeds de oude Romeinsche schrijvers kennen den Eland als een Germaansch dier. “In het Hercynische Woud”, zegt Julius Caesar, “leven de Alces, dieren, die in gestalte en verscheidenheid van kleur op Geiten gelijken, hoewel grooter en zonder hoornen, de voeten zonder gewrichten. Zij gaan ook niet liggen om te rusten, en kunnen niet opstaan, als zij gevallen zijn. Om te slapen leunen zij tegen boomen; daarom worden deze door de jagers uitgegraven en zoo afgehouwen, dat zij licht omvallen, zoodra het dier er tegen leunt.” In de Middeleeuwen wordt dit dier dikwijls genoemd, o.a. ook in het Nibelungen-lied, waar het onder den naam “Elk” voorkomt. Als de sage waarheid behelst, moet in dezen tijd de Eland in geheel Duitschland en Nederland tot aan het uiterste westen geleefd hebben, want bij de beschrijving van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
“Daarna versloeg hij weder een Wisent en een Elk,
Vier sterke Auers en een boosaardigen Schelk”.
Een verordening van Keizer Otto den Grooten van het jaar 943 houdt in, dat niemand zonder verlof van den bisschop in de bosschen van Drente aan den Neder-Rijn, Herten, Beren, Reeën, Evers en de wilde dieren die in de Duitsche taal Elo of Schelo heeten, zou mogen jagen.
In de laatste eeuwen is het aantal Elanden in Europa overal zeer snel afgenomen. Nog in de 17e en misschien zelfs nog in de 18e eeuw kwam de Eland hier en daar in Saksen en Silezië voor. In Saksen werd de laatste Eland in het jaar 1746, in Silezië de laatste in het jaar 1776 gedood. In het woud Ibenhorst bij Tilsit is dit wild, door koninklijke voorschriften beschermd, tot in onzen tijd blijven bestaan. Wel was het aantal exemplaren in het jaar der jachtvrijheid 1848 ook hier tot op 16 stuks en in het volgende jaar zelf tot op 11 stuks verminderd; strenge beschermende maatregelen en het invoeren van Zweedsche Elanden in het begin van de jaren 1860–1870 hebben echter den wildstand weder uitgebreid, zoodat hij thans tot nagenoeg 100 stuks is toegenomen. Bovendien bevinden zich in de bosschen van het regeeringsdistrict Koningsbergen nog 70 à 80 stuks Elanden. Derhalve mogen wij ook thans nog deze soort van Herten tot de Duitsche dieren rekenen.
Behalve in deze onder zeer streng toezicht geplaatste wildparken vindt men den Eland in alle op hoogeren breedtegraad gelegen, boschrijke landen van Europa en Azië. In ons werelddeel is hij beperkt tot de Baltische laaglanden, derhalve tot Oost-Pruisen, Littauen, Koerland en Lijfland, en bewoont bovendien Zweden en Noorwegen en eenige streken van Rusland. Men treft hen aan in de oostelijke provinciën van het zuiden van Noorwegen en in de hieraan grenzende westelijke provinciën van Zweden, met andere woorden in de ontzaglijke wouden, die het Kjölengebergte bedekken. Veel overvloediger dan in Europa komt de Eland in Azië voor. Hij bewoont hier het geheele noorden boven den 59en graad N.B. tot aan den Amoer en wordt overal gevonden, waar uitgestrekte wouden zijn.
De Eland is een buitengewoon groot dier. De lichaamslengte van een volwassen exemplaar bedraagt 2.6 à 2.9 M., de lengte van den staart ongeveer 10 cM., de schofthoogte 1.9 M. Zeer oude dieren kunnen een gewicht van 500 KG. bereiken; als hun gemiddeld gewicht kan men echter 300 à 400 KG. rekenen. De Eland heeft een betrekkelijk korten en dikken romp; hij is breed aan de borst, hoog, bijna bultig van schoft, recht van rug, laag in het kruis. Hij rust op zeer hooge en forsche pooten van gelijke lengte, welker hoeven smal, recht, diep gespleten en door een rekbaar spanvlies verbonden zijn; de bijhoeven komen licht met den bodem in aanraking. De korte, forsche en krachtige hals draagt den grooten, langwerpigen kop, die vóór de oogen versmald is, en in een langen, dikken, gezwollen, van voren zeer breed afgeknotten snuit eindigt. Het gewei van het volwassen mannetje bestaat uit een groote, enkelvoudige, zeer uitgebreide, driehoekige, platte, schopvormige, gegroefde plaat (“de kroon”), die aan haar buitenrand met talrijke takken bezet is en door korte, dikke, afgeronde, met weinige knobbeltjes (“paarlen”) bezette stangen gedragen wordt; deze rusten op korte rozenstokken en zijn van hun oorsprong af zijwaarts gebogen. Het gewei kan wel 20 KG. zwaar worden. Het wijfje is slechts weinig kleiner, maar heeft geen gewei.
Eland (Alces palmatus). 1/24 v. d. ware grootte.
De Eland is met lange en stijve haren dicht bekleed. De kleur van de vacht is tamelijk gelijkmatig roodachtig bruin, gaat aan de manen en de zijden van den kop in glanzig donker zwartbruin, aan het voorhoofd in roodachtig bruin en aan het einde van den snuit in grijs over; de pooten zijn witachtig aschgrauw, de oogringen grijs.
Wilde, eenzame bosschen, die rijk zijn aan broekland en ontoegankelijke moerassen, bij voorkeur die, welke wilgen, berken, espen en andere breedgebladerde boomen bevatten, leveren geschikte woonplaatsen voor den Eland. Moerassen en venen schijnen volstrekt noodig te zijn voor zijn leven en welvaren. Het plompe dier houdt zich gedurende den zomer in de lager gelegen, natte gewesten op, in den winter in de hoogere, die niet onderhevig zijn aan overstroomingen en niet met ijs bedekt worden. Bij helder weer houdt hij zich het liefst in bosschen van loofboomen, bij regen, sneeuw en nevel daarentegen in dichte naaldboomwouden op. Bij gebrek aan rust of schaarschte van voedsel verandert hij licht van woonplaats.
De levenswijze van de Elanden wijkt in vele opzichten van die van de Edelherten af. Evenals deze vereenigen gene zich tot meer of minder talrijke troepen en eerst tegen den werptijd scheiden de oude mannetjes zich af, en vormen gewoonlijk afzonderlijke gezelschappen.
Meer nog dan de overige Herten heeft de Eland een innigen hekel aan stoornissen van allerlei aard. Hij verlangt een volstrekte rust en verlaat een streek, waar hij herhaaldelijk lastig gevallen werd. Op plaatsen, waar hij verzekerd is niet gestoord te zullen worden, slaapt hij, korte rustpauzen misschien uitgezonderd, niet anders dan in de vóór- en namiddaguren en zwerft eerst na 4 uur ’s namiddags gedurende den avond en in de eerste uren van den nacht, van den ochtend en van den morgen rond; in ’t tegenovergestelde geval gebruikt hij den nacht om te laveien. Zijn voedsel bestaat uit bladen en spruiten van de rozemarijnbladige wilg, van berken, esschen, espen, lijsterbessen, van spitsbladige eschdoornen, van linden, eiken, dennen, sparren, uit heide, jong riet en jonge zeggen, uit jonge graangewassen en vlas. Bij ’t schillen van een boom slaat hij zijne snijtanden als een beitel in de schors, maakt hiervan een stukje los, pakt dit met de tanden en lippen aan en scheurt dan in bovenwaartsche richting lange strooken schors af; hij doet dit zoo goed, dat hij niet zelden zelfs zeer dikke espen nog volledig ontschorst. Sommige stammen buigt hij met den kop naar beneden en breekt dan de kroon er af. Zooals licht te begrijpen is, geeft hij bij het ontschorsen de voorkeur aan alle boomen en struiken met saprijke schors, zooals espen, esschen, wilgen en populieren.
De bewegingen van den Eland zijn veel minder evenredig en licht dan die van het Edelhert. Hij is niet in staat tot langdurig hollen, maar maakt zich toch zeer snel en met ongeloofelijke volharding uit de voeten; sommige schrijvers beweren, dat hij in één dag 30 mijlen kan afleggen.
Een hoogst zonderlinge bewegingswijze in waterrijke veengronden wordt door Wangenheim beschreven. De Eland buigt daar, waar de bodem hem niet meer dragen kan, de achterpooten op zulk een wijze, dat de geheele achtervoet recht uitgestrekt op den grond rust, schuift het lichaam naar voren door met de voorhoeven te trekken, en met de sterke pezen der achterpooten te duwen en glijdt zoo over de slijkerige vlakte. Daar waar de bodem geheel en al week is, gaat hij zelfs op zijde liggen en werkt zich vooruit door met de pooten te slaan en te schoppen. In het zwemmen is de Eland een meester. Hij gaat te water, ook wanneer hij er niet door den nood toe gedrongen is; hij doet dit, evenals vele Rundersoorten, uit eigen aandrift, voor zijn genoegen, om te baden en zich te verfrisschen; in Oost-Siberië zoekt hij zelfs de diepste bergkloven op, waarin de sneeuw lang liggen blijft, om zich hierop rond te wentelen. Op glad ijs, dat niet met sneeuw bedekt is, kan hij niet lang gaan; als hij op de spiegelgladde baan gevallen is, komt hij niet gemakkelijk weer op de pooten. Gedurende het loopen merkt men een hoorbaar tikken van de bijhoeven tegen de hoefballen op; dit gedruisch noemt de jager “schellen”. Een Eland, die eenmaal aan den loop is, laat zich door niets van den weg afbrengen, zoomin door de wildernissen van het woud, als door de rivieren, meren of moerassen, die hij ontmoet.
De Eland kan uitstekend hooren; voor ’t kijken, speuren en de lucht van iets krijgen zijn zijne zintuigen echter minder geschikt. Zijne geestvermogens logenstraffen zijn dom en plomp uiterlijk niet. Uit zijne handelingen kan men afleiden, dat zijn verstand gering is. Hij is niet bijzonder schuw en nog minder voorzichtig; ternauwernood leert hij werkelijk bestaande gevaren van denkbeeldige onderscheiden. Van een band tusschen de leden van den troep bemerkt men niets: ieder individu handelt naar eigen inzicht; het kalf alleen volgt zijn moeder, niet echter de geheele troep een aanvoerder, zooals bij de meeste andere Herten het geval is. De paartijd vangt in de Oostzeelanden tegen het einde van Augustus aan, in Aziatisch Rusland in September of October. Omstreeks dezen tijd zijn de mannetjes in de hoogste mate opgewonden, zij dagen alle concurrenten die zij ontmoeten, tot een tweestrijd uit en bevechten hen met woede en kwaadaardigheid; zij vallen dikwijls ook menschen aan; rusteloos en zonder bepaald doel loopen zij rond, over dag zoowel als ’s nachts. Zeer groot is de gehechtheid en de liefde van de moeder voor hare jongen. Zij verdedigt ze zelfs na hun dood en dwaalt, wanneer zij haar ontroofd zijn, dikwijls nog dagen lang op de plaats van het onheil rond, om ze te zoeken.
Behalve van den mensch, heeft de Eland, in weerwil van zijn lichaamskracht, van verscheidene andere vijanden gevaar te vreezen: vooral van den Wolf, den Los, den Beer en den Veelvraat. De Wolf overmeestert den Eland gewoonlijk in den winter, als er veel sneeuw ligt; de Beer besluipt gewoonlijk slechts alleenloopende dieren en valt een troep niet aan. De Los en soms ook de Veelvraat bespringen een onder hen doorloopenden Eland van boven af, slaan hem de klauwen in den hals en bijten hem de slagaders door. Zij kunnen als de gevaarlijkste vijanden van dit weerbare wild aangemerkt worden; de Wolven en Beren daarentegen mogen wel voorzichtig zijn, want de Elanden kunnen, zelfs wanneer zij geen gewei hebben, met goed gevolg voor hun verdediging gebruik maken van de harde en scherpe hoeven der voorpooten.
De Elanden worden tam, als zij jong gevangen zijn en kunnen dan zelfs zonder bezwaar losloopen; bij ons blijven zij in de gevangenschap echter niet lang leven. In Zweden heeft men zeer jonge gevangen dieren wel eens zoo goed afgericht, dat men ze voor het trekken der sleden kon gebruiken; het gebruik van zulke trekdieren werd echter bij de wet verboden, “omdat hunne snelheid en onvermoeidheid de vervolging van misdadigers onmogelijk zou kunnen maken.” Latere pogingen, om Elanden tot huisdieren op te voeden zijn mislukt. Wel scheen het, dat de jongen in den beginne goed opgroeiden, later vermagerden zij echter hoe langer hoe meer en stierven in den regel kort daarna.
De omheining van het perk, waarin men een Eland houdt, moet hoog zijn; want in weerwil van de plompheid van al zijn bewegingen, springt hij zonder moeite over een staketsel van 2 M. hoogte; het is hiervoor niet eens noodig, dat hij een aanloop neemt. Hij loopt bedaard naar de bedoelde omheining, gaat plotseling op de achterpooten staan, steekt de voorpooten, na ze gebogen te hebben, over het hek heen, springt vervolgens naar voren, terwijl hij intusschen het achterstel opheft en de lange achterpooten bijtrekt. Tegen andere dieren toont de gevangen Eland zich zeer onverschillig; hij bekommert zich volstrekt niet om de Honden, hoewel andere Herten door het zien van deze dieren zeer opgewonden worden. Met Runderen kan hij zeer goed overweg, misschien omdat hun rustige aard hem bevalt. Daarentegen kan hij de vlugge en dartele soorten van Herten niet lijden; hij tracht ze te slaan en duldt hen zonder bewijzen van vijandschap te geven eerst, nadat hij zich overtuigd heeft van de nutteloosheid zijner pogingen om ze te verjagen.
Het voordeel dat een gedoode Eland den mensch kan opleveren, is belangrijk. Het vleesch, het vel en de geweien worden op gelijke wijze gebruikt als die van het Edelhert. Het vleesch is taaier, het vel echter vaster en beter. Elandsleer werd vooral in de Middeleeuwen hooggeschat en duur betaald. Al het nut echter, dat de Eland kan opleveren, is echter op lange na niet voldoende tot vergoeding van de schade, die hij aanricht. Hij is een echte boomenvernieler en wordt voor bosschen, die op een geregelde wijze geëxploiteerd worden, zoo nadeelig, dat hij nergens beschermd en eigenlijk niet eens tijdelijk gespaard mag worden, daar waar de boschkultuur volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd beoefend wordt.
De Amerikaansche Eland—door de Engelschen Moosedeer, door de Amerikanen van Franschen afkomst Orignal genoemd (Alces americanus)—onderscheidt zich van den Gewonen hoofdzakelijk doordat de oogspitsen duidelijk gescheiden zijn van de diep ingesneden, platte geweikroon, door den zwak behaarden kossem aan de keel en door de donkerder kleur van het vel. Nog zijn de dierkundigen het er niet over eens, of hij als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd, hoewel sommigen niet alleen aan het vel, maar zelfs aan de gerookte achterbouten van het dier verschil meenen te bespeuren. De geweien van het “Moshert” zijn forscher en zwaarder dan die van onzen Eland; zij bereiken zelfs een gewicht van 30 à 40 KG.
Tegenwoordig wordt deze Eland nog gevonden in het noorden van Noord-Amerika, vooral in Canada, Nieuw-Brunswijk en aan de Fundy-baai. Franklin vond hem aan den mond van de Mackenzie-rivier en verder oostwaarts nog bij de Kopermijn-rivier op 65° N.B. Mackenzie trof hem ook aan in het Rotsgebergte en bij de bronnen van de Elk-rivier. De Amerikaansche Eland werpt het gewei eerder af dan de Europeesche, gewoonlijk in Januari en Februari, in strenge winters echter eerst in Maart. Zijn voedsel is waarschijnlijk hetzelfde als dat van onzen Eland.
De wilden maken ijverig jacht op het “Moshert” en doen dit op verschillende wijzen. Eén daarvan is, dat zij het wild in het water drijven, waar zij het met hunne booten telijf gaan en zonder groote moeite doodslaan kunnen. Jonge dieren kunnen gemakkelijk getemd worden, leeren in weinige dagen hun oppasser kennen en volgen dezen dan met groot vertrouwen. Op lateren leeftijd worden ook zij echter wild, oploopend en gevaarlijk.
*
Bij de Rendieren (Rangifer) dragen beide geslachten geweien, die van de korte rozenstokken af boogvormig van achteren naar voren gekromd, aan hunne einden bladvormig uitgebreid, vingervormig ingesneden en zwak gevoord zijn. Deze Herten onderscheiden zich bovendien door breede hoeven en langwerpige, maar stomp toegespitste bijhoeven. Hun gestalte is tamelijk plomp, vooral de kop is niet bijzonder fraai; de pooten zijn betrekkelijk kort, de staart is zeer kort. Alleen de oude mannetjes hebben in de bovenkaak kleine hoektanden, hoewel deze ook wel eens ontbreken.
Het Rendier mag men het belangrijkste van alle Herten noemen. Geheele volken hebben aan dit dier hun levensonderhoud te danken; zij zouden zonder dit (tamelijk vreemd gekozen) huisdier niet kunnen bestaan. Voor de Lappen en Finnen is het Rendier veel noodzakelijker dan het Rund of het Paard voor ons, dan het Kameel of de Geit voor den Arabier, want het moet dezelfde diensten bewijzen als bijna alle overige huisdieren te zamen genomen. Het tamme Rendier geeft vleesch en vel, beenderen en pezen om zijn geweldenaar te kleeden en te voeden; het levert melk, laat zich als lastdier gebruiken en sleept op de lichte slede het gezin en het huisraad van de eene plaats naar de andere; kortom: het Rendier is voor het nomadische leven van de noordelijke volken onontbeerlijk.
Mij is geen tweede dier bekend, waaraan de last der dienstbaarheid, de vloek der slavernij, zoo duidelijk zichtbaar is als aan het Rendier. Zonder eenigen twijfel is de thans nog in het wild voorkomende “Renn” van de Skandinaviërs de stamvader van dit huisdier. Tamme Rendieren, die niet meer onder de hoede van den mensch leven, verwilderen in zeer korten tijd en worden reeds na eenige geslachten weder volkomen gelijk aan de wilde. Er kunnen echter moeielijk twee wezens aangewezen worden, die zoo innig verwant zijn en toch in gestalte en aard zoo buitengewoon veel van elkander verschillen als het Tamme Rendier en het Wilde. Gene is een ellendige slaaf van een armen, ellendigen meester, deze een fiere heerscher in het hooge gebergte, een Hert, dat als een Gems leeft, met alle adel, dien dit schoone wild bezit. Hij, die vrij levend “Renn”-wild in troepen en tam Rendieren-vee in kudden gezien heeft en beide vergelijkenderwijs nagaat, kan bijna niet gelooven, dat zoowel het eene dier als het andere kinderen zijn van denzelfden stam.
Het Rendier (Rangifer tarandus) is een statig dier, wel zoo groot, maar niet zoo hoog als een Edel-hert. Zijn lengte bedraagt 1.7 à 2 M., de lengte van den staart 13 cM., de schofthoogte 1.08 M. Hoewel zijn gewei bij dat van ’t Edelhert achterstaat wat grootte en meer nog wat schoonheid betreft, is het toch wel degelijk een indrukwekkend kopsieraad. De romp van het Rendier verschilt van dien van ’t Edelhert misschien alleen door de grootere breedte van het achterdeel; de hals en de kop zijn echter veel plomper en minder fraai gebouwd, de pooten aanmerkelijk korter, de hoeven veel leelijker. Ook mist het Rendier in alle omstandigheden de fiere houding van het Edelhert; zijn houding is veel minder schoon dan die van dit prachtige wezen. De hals is ongeveer zoo lang als de kop, hij is forsch en zijdelings samengedrukt, nagenoeg niet bovenwaarts gebogen. De kop wordt naar voren slechts weinig smaller en heeft een plompen snuit, o. a. wegens het rechte beloop van den rug van den neus. De ooren zijn korter dan bij het Edelhert, maar van soortgelijken vorm, de oogen groot en fraai, de traansleuven klein en met bosjes haar bedekt. De schenkels zijn dik, de pooten forsch en tevens kort, de hoeven zeer groot, breed, platgedrukt en diep vaneengescheiden; de bijhoeven reiken tot op den bodem. Bij de tamme Rendieren is de breedte van de hoeven zooveel grooter dan bij de wilde, dat men, alleen op dit lichaamsdeel lettend, voldoende reden zou hebben om deze beide vormen als verschillende soorten te beschouwen. Over ’t geheel genomen is de lichaamsbouw van de wilde Rendieren veel sierlijker en bevalliger dan die van de tamme; met gene vergeleken wekken deze den indruk van misvorming.
De vacht is dichter dan bij eenigen anderen Geweidrager. Aan de voorzijde van den hals bevinden zich manen, die soms tot op de borst afhangen; ook aan de wangen komen langere haren voor. In den winter worden de haren overal minstens 6 cM. lang; zij vormen dan wegens hun dicht opeengedrongen plaatsing een laag van minstens 4 cM. dikte, waardoor het zeer verklaarbaar wordt, dat het Rendier gemakkelijk een zeer lage temperatuur verdragen kan. De algemeene kleur verschilt in verband met de woonplaats en is in nog hoogere mate afhankelijk van het jaargetijde. Bij de wilde Rendieren hebben de haarwisseling en de hiermede gepaard gaande kleursverandering tamelijk geregeld tweemaal ’s jaars plaats. In het begin van de lente valt het dichte winterhaar uit en wordt vervangen door korte, effen grijze haren; hiertusschen komen langzamerhand andere haren te voorschijn, welker witte spitsen het grijze haar meer en meer verdringen, totdat eindelijk het geheele dier witachtig grijs, bijna vaal, geworden is, en zijn kleur in hooge mate overeenkomt met die van vuile sneeuw bij dooiweder. Het tamme Rendier is ’s zomers donkerbruin. In den winter verdwijnt de bruine kleur, waarna ook hier het witte haar meer op den voorgrond treedt; er zijn echter ook vele Rendieren, welker wintervacht alleen door de grootere lengte der haren van de zomervacht verschilt, maar in kleur er niet van afwijkt. Het gewei van het wijfje is kleiner en minder getakt dan dat van het mannetje.
Eenige dierkundigen beschouwen de in Amerika voorkomende Rendieren als een afzonderlijke soort en voeren tot steun voor hun meening aan, dat ook het Europeesche Rendier in Amerika voorkomt en zich door grootte, kleur en levenswijze van zijn naamgenoot onderscheidt. Volgens hen is deze—de Kariboe (Rangifer caribu)—grooter en donkerder van kleur dan het Rendier; hij heeft kleinere geweien en leeft meer afgezonderd, bij voorkeur in wouden.