Rendier (Rangifer tarandus). 1/15 v. d. ware grootte
Het Rendier was reeds bij de ouden bekend. Julius Caesar heeft er een tamelijk juiste beschrijving van gegeven. “In het Hercynische woud”, zegt hij, “treft men een Rund aan met de gestalte van een Hert; midden op het voorhoofd heeft het hoornen, veel grooter dan die, welke bij de andere voorkomen, en welker kroon zich handvormig in vele takken splitst. Het wijfje heeft net zulke horens.” Latere beschrijvingen van het Rendier bevatten een mengsel van waarheid en verdichtselen; de groote Linnaeus was de eerste, die het dier op grond van eigen onderzoek zeer nauwkeurig beschreven heeft.
Het verbreidingsgebied van het Rendier omvat de noordelijkste gewesten van de Oude Wereld (en wanneer men den Kariboe niet als een afzonderlijke soort beschouwt) ook het hooge noorden van Amerika. Men treft het aan in alle landen benoorden 60°, in vele gewesten zelfs nog op 52° N.B.; in tegenovergestelde richting ontmoet men het nog aan gene zijde van den 80en graad N.B. In ’t wild leeft het in de gebergten van Skandinavië en Lapland, in Finland, in ’t geheele noordelijke deel van Siberië, in Groenland en op de noordelijkste gebergten van het Amerikaansche vasteland. Ook op Spitsbergen komt het voor. Op IJsland, waar het ruim een eeuw geleden werd ingevoerd, is het volkomen verwilderd en heeft zich reeds in grooten getale over alle gebergten van het eiland verbreid. In Noorwegen vond ik het op den Dovrefjeld nog vrij veelvuldig. Men treft het echter ook in de hooge gebergten van het Bergensche Stift aan, waar zijn gebied zich ongetwijfeld tot 60° N.B. uitstrekt.
Evenals de Gems is het Rendier een echte bergbewoner; men vindt het slechts op de boomlooze, met mos en weinige Alpenplanten begroeide breede ruggen van de Noorsche gebergten, die de bewoners van dit land met den zoo karakteristieken naam van “Fjelds” aanduiden. In Noorwegen houdt het zich gewoonlijk op in den gordel tusschen 1600 en 2000 M. hoogte. Nooit daalt het hier tot den woudgordel af; over ’t geheel genomen vermijdt het angstvallig de bosschen. De kale bergvlakten en glooiingen, tusschen welker gesteenten enkele planten groeien, of de uitgestrekte vlakten, die schraal met rendierkorstmossen oversponnen zijn, moeten als vaste verblijfplaatsen van dit dier beschouwd worden; alleen dan, wanneer het zich van den eenen bergrug naar een anderen begeeft, trekt het door de tusschenliggende, drasse, op moerassen gelijkende, lage vlakten; ook bij deze verandering van woonplaats vermijdt het steeds angstvallig het woud. Pallas bericht, dat het in het noorden van Siberië soms in bosschen voorkomt, en Von Wrangel bevestigt deze mededeeling. Van deze beide schrijvers vernemen wij, dat het in Siberië geregeld uitgestrekte reizen onderneemt.
“Tegen het einde van Mei”, zegt Von Wrangel, “verlaat het wilde Rendier in groote kudden de wouden, waar het in den winter eenige beschutting tegen de felle koude zoekt, en trekt naar de verder noordwaarts gelegen vlakten, gedeeltelijk omdat daar (in de mossteppen) beter voedsel te vinden is, gedeeltelijk echter ook om te ontkomen aan de Vliegen en Muggen, die, zoodra de lente aanvangt, in verbazend groote zwermen de lucht verduisteren. De trek in de lente levert aan de volkstammen, die deze gewesten bewonen, geen voordeel op; want in dit jaargetijde zijn de dieren mager en door de steken van de Insecten geheel met builen en wonden bedekt; in Augustus en September echter, als de Rendieren uit de vlakten naar de wouden terugkeeren, zijn zij gezond en goed gevoed en verschaffen zij den jager een smakelijke, krachtige spijs. In gunstige jaren bestaat de rendierentrek uit verscheidene duizenden exemplaren, die, hoewel zij in kudden van 200 à 300 stuks gegroepeerd zijn, toch altijd tamelijk dicht bijeenblijven, zoodat het geheel een ontzaglijk groot leger vormt. Steeds volgen zij denzelfden weg. Voor ’t overtrekken van een rivier kiezen zij een plaats uit, waar een droge dalweg naar den oever leidt, en een zandbank hen het beklimmen van den tegenovergestelden oever gemakkelijk maakt. Hier dringen de leden van iedere kudde dicht opeen, en de geheele waterspiegel is met zwemmende dieren bedekt.” Op het vasteland van Amerika verhuizen deze dieren op soortgelijke wijze als in Siberië van de gebergten naar de kust en omgekeerd.
In Noorwegen trekken de Rendieren niet, maar verwisselen hoogstens den eenen bergrug voor den anderen. Deze gebergten zijn trouwens van zulk een aard, dat zij hun alle voordeelen verschaffen, die hunne Siberische verwanten door het trekken deelachtig worden. In den tijd van de Muggen begeven de wilde Rendieren zich omhoog naar de gletschers en sneeuwvelden; in den herfst, den winter en de lente zoeken zij lager gelegen bergstreken op. Alle wilde Rendieren houden zeer veel van gezelligheid. Hunne troepen zijn veel grooter dan die van andere Herten; eenzaam levende dieren treft men slechts zelden aan; dit zijn dan steeds oude mannetjes, die door de andere leden van den troep in de ban gedaan zijn.
De Rendieren zijn uitmuntend geschikt om deze noordelijke landen te bewonen, die in den zomer één en al moeras, in den winter een uitgestrekt sneeuwveld zijn. Hunne beide hoeven stellen hen in staat om even goed over moerassige plaatsen en sneeuwlagen te gaan, als bij steenachtige berghellingen op en af te klauteren. De gang van het Rendier is een tamelijk snelle pas of een vlugge draf. Men hoort bij iedere beweging een eigenaardig geknetter, dat nog het meest overeenkomt met het geluid, dat een electrische vonk veroorzaakt. Dit is ook het geval, wanneer zij de pooten op den grond laten rusten en zich eenvoudig een weinig naar voren of zijwaarts buigen. Ik meen er voor te kunnen instaan, dat bij deze buigingen de bijhoeven niet tegen de ware hoeven tikken. Men hoort het gedruisch echter niet, wanneer de hoeven en bijhoeven met een lap linnen omwikkeld zijn. Van jonge Rendieren verneemt men het niet en ook niet van oude, als zij door de sneeuw waden. Deze feiten zijn in strijd met de meening van de Lappen, die dit geluid vergelijken met het bekende knappen van de vingers en dus de oorzaak hiervan in het gewricht zoeken.
Wanneer het Rendier langzaam over een moerassige vlakte gaat, breidt het zijne hoeven zoover uit, dat het hierdoor ontstaande spoor eerder op dat van een Rund dan op dat van een Hert gelijkt. Op dezelfde wijze loopt het over de sneeuw: zoodra deze een weinig beklonken is, zal het er niet meer in wegzakken. In het zwemmen zijn de Rendieren goed ervaren; zonder aarzeling trekken zij over breede stroomen. De Lappen drijven geheele kudden door de fjords van het eene eiland naar het andere.
Alle zintuigen van het Rendier zijn voortreffelijk. Het heeft een fijnen neus: ik heb mijzelf er van kunnen overtuigen, dat het op een afstand van 500 à 600 schreden de lucht van iets krijgt. Het hoort minstens even goed als het Hert, en heeft zulk een scherp gezicht, dat de jager, zelfs wanneer hij onder den wind het dier besluipt, zich wel terdege mag schuil houden. Voor de ontwikkeling van het smaakzintuig pleit de kieschkeurigheid, die het bij het grazen toont; het weet steeds de beste Alpenplanten uit te kiezen. Alle jagers, die wilde Rendieren hebben leeren kennen, schrijven hun schranderheid, ja zelfs een zekere listigheid toe: zonder eenigen twijfel zijn zij in de hoogste mate schuw en voorzichtig. Tegenover andere dieren zijn zij volstrekt niet schroomvallig: vol vertrouwen naderen zij de Runderen en Paarden, die op hunne bergen grazen; ook voegen zij zich zeer gaarne bij tamme dieren van hun soort, hoewel zij zeer goed beseffen, dat zij niet met huns gelijken te doen hebben. Hieruit blijkt, dat hunne schuwheid en vrees voor den mensch op ervaring berusten; men moet hun dus een zekere mate van verstandelijke ontwikkeling toeschrijven.
In den zomer voedt het wilde Rendier zich met saprijke Alpenkruiden, vooral met de bladen en bloemen van sneeuwranonkels, rendierzuring, boterbloemen, zwenkgrassen enz., gedurende den winter met korstmossen.
In Noorwegen vangt de bronsttijd van het Rendier tegen het einde van September aan. In het midden van April worden de jongen geboren; de drachtigheid duurt dus 30 weken. Nooit brengen de wilde Rendieren meer dan één kalf ter wereld. Dit is een fraai diertje, dat door zijn moeder liefderijk verzorgd en langen tijd gezoogd wordt.
Voor de jacht op het wilde Rendier zijn alleen hartstochtelijke liefhebbers van de jacht geschikt of echte natuuronderzoekers die niet tegen moeite en ontberingen opzien. In Noorwegen is het besluipen van het wild voor hen die hierin geoefend zijn, de beste wijze van jagen. Niet zelden is een troep Rendieren, die men beslopen heeft, na het eerste schot zoo verbijsterd, dat zij nog een geruimen tijd verwonderd blijven staan. Eerst nadat zij den jager in ’t oog gekregen hebben, nemen zij de vlucht. De Noorsche jagers weten dit en gaan daarom liefst met hun tweeën, drieën of vieren op de jacht; als zij het wild beslopen hebben, mikken zij volgens afspraak op bepaalde dieren; één hunner schiet het eerst, daarna schieten de anderen ook.—Voor vele Siberische volksstammen is de rendierenjacht een hoogst belangrijk bedrijf. “De Joekahieren en de overige bewoners van de landstreek langs de Anioej-rivier in Siberië,” zegt Von Wrangel, “hangen geheel van het Rendier af, dat hier, evenals in Lapland, bijna uitsluitend in de behoefte aan voedsel, kleeding, voertuigen en woningen voorziet. De uitslag van de rendierenjacht beslist, of bij deze stammen hongersnood of welstand zal heerschen; voor hen is het belangrijkste tijdperk van het geheele jaar dat, waarin de Rendieren trekken. Zoodra deze dieren gedurende hunne op bepaalde tijden plaats hebbende verhuizingen bij rivieren komen en gereed zijn om ze over te zwemmen, komen de jagers in hunne kleine bootjes pijlsnel van achter struiken, rotsen enz., waar zij zich tot dusver verborgen hielden, te voorschijn, omringen den zwemmenden troep en trachten hem tegen te houden, terwijl twee of drie van hen, met een korte lans gewapend, zich in hunne bootjes te midden van de Rendieren begeven en in ongeloofelijk korten tijd er een groot aantal van dooden of althans zoo zwaar wonden, dat zij hoogstens den oever kunnen bereiken, waar zij in de handen vallen van de hier wachtende vrouwen, meisjes en kinderen. Deze jacht is trouwens met groot gevaar verbonden. Te midden van het ontzaglijk gewoel van dicht bij elkander zwemmende dieren is de kleine, lichte boot ieder oogenblik op het punt van om te slaan; bovendien verweren de vervolgde dieren zich op alle mogelijke wijzen, de mannetjes met de geweien en tanden, de wijfjes meestal door met de voorpooten op den rand van de boot te springen. Als deze omslaat, is de jager gewoonlijk verloren; het is voor hem bijna onmogelijk uit het gedrang te komen.”
Verscheidene Indiaansche volksstammen in Noord-Amerika leven eveneens, bijna uitsluitend, naar King bericht, van de rendierenjacht. Groote kudden van vele duizenden stuks trekken in de lente noordwaarts naar de IJszee en in den herfst weder zuidwaarts. Zij hebben dan een vetlaag van 7 à 12 cM. dikte onder de huid van den rug en van de schenkels en zijn daarom juist in dezen tijd het hoofddoel van de jacht. Men schiet het wild met vuurwapens, vangt het in strikken, doodt het met spiesen, terwijl het de rivieren overzwemt, graaft diepe valkuilen, of bouwt van takken en struiken twee schuttingen, beide met smalle openingen voorzien, die ieder een strik bevatten, drijft den troep tusschen de heiningen door zoodat de dieren, die ontsnappen willen in de strikken blijven hangen, of als zij aan het einde van de afgeschutte ruimte zijn gekomen, doodgestoken kunnen worden.
De Indianen maken een soortgelijk gebruik van de lichaamsdeelen van het wilde Rendier als de Lappen van het tamme. Van de geweien en beenderen vervaardigen zij hunne voor de vischvangst dienende speren en haken, met het overlangsch gespleten scheenbeen schaven zij de huiden af om ze te bevrijden van vleesch, vet en haar; met rendierhersenen smeren zij de huiden in om ze lenig te maken. Met het leer, dat door het blootstellen van deze huiden aan den rook van rottend hout verkregen wordt, bekleeden zij het uit palen bestaande geraamte van hun tent; de ongelooide huiden verschaffen hun koorden voor hunne bogen en netten; de pezen van den rug worden gespouwen in vezels, die als naaigaren dienst doen; de zachte, op pelzen gelijkende vellen van de kalveren leveren de grondstof voor hunne kleederen. Van ’t hoofd tot aan de voeten bekleeden zij zich met rendiervellen, leggen een ander, zachtgelooid vel op de sneeuw, dekken zich met een dergelijk vel toe, en zijn op deze wijze in staat om weerstand te bieden aan de felste koude. Geen stukje van het Rendier blijft ongebruikt, niet eens de spijsbrij in zijn maag. Nadat deze eenigen tijd bewaard geworden is en een soort van gisting ondergaan heeft, wordt zij als een zeer smakelijk gerecht beschouwd.
Het wilde Rendier heeft, behalve den mensch, nog vele andere vijanden. De gevaarlijkste van deze is de Wolf. Steeds waart hij in de nabijheid van de troepen Rendieren rond, met de meeste volharding doet hij dit echter in den winter. In Noorwegen moesten de rendierfokkerijen, die men op de gebergten van het zuiden wilde aanleggen, wegens de Wolven opgegeven worden. Ook de Veelvraat, de Los en de Beer maken jacht op de Rendieren. Naast deze groote roovers moeten eenige kleine, schijnbaar machtelooze Insecten, als de ergste vijanden van de Rendieren beschouwd worden.
Jong gevangen Rendieren worden zeer spoedig tam; men zou zich echter een verkeerde voorstelling vormen van een tam Rendier, wanneer men het, wat zijn onderworpenheid aan den mensch betreft, met onze huisdieren ging gelijkstellen. Niet eens de nakomelingen van de Rendieren, die sedert onheugelijke tijden in gevangenschap leven, zijn zoo tam als onze huisdieren, maar verkeeren nog steeds in half wilden toestand. Alleen de Lappen en hunne Honden zijn in staat om zulke kudden te leiden en te beheerschen.
Trouwens niet alleen de Lappen houden zich bezig met het fokken van Rendieren, maar ook de Finnen en vele Siberische volksstammen. Het tamme Rendier is de steun en de trots, de lust en de rijkdom, de plaag en de last van den Laplander; in zijn schatting staat hij, die zijne Rendieren bij honderden telt, op het toppunt van menschelijke gelukzaligheid. Enkele Lappen hebben er 2000 à 3000; de meesten echter hoogstens 500 stuks.
Met minachting ziet de Fjeld-Laplander, de eigenlijke rendierfokker, neer op alle zijne stamgenooten, die het nomadenleven opgegeven hebben, en zich als visschers in de nabijheid van het water vestigden, of zich zelfs als knechts bij de Skandinaviërs verhuurden; hij alleen acht zich een werkelijk vrij man; hij kent niets verheveners dan zijn “meer” (zoo noemt hij een groote rendierkudde). Alleen zijn leven komt hem bekoorlijk voor; hij meent, dat hem het beste lot op aarde ten deel gevallen is.—En hoe is nu het leven van deze menschen? Niet zij beschikken het, maar hun kudde: de Rendieren gaan, waar het hun goeddunkt; de Lappen moeten hen volgen. De Fjeld-Lap leidt een echt hondenleven. Maandenlang brengt hij het grootste deel van den dag in de vrije natuur door. ’s Zomers wordt hij gekweld en gepijnigd door de Muggen, ’s winters door de koude, waartegen hij zich niet beschermen kan. Dikwijls kan hij niet eens een vuur aanleggen, omdat op de hoogte, waar zijne kudden grazen, geen hout is; dikwijls moet hij honger lijden, omdat de kudde verder voorttrekt dan hij wil. Slecht gekleed, aan weer en wind blootgesteld, is hij door zijn levenswijze bijna aan een dier gelijk. Hij wascht zich niet; hij gebruikt als voedsel allerlei afschuwelijke spijzen, die alleen door den honger eetbaar worden; hij heeft geen ander gezelschap dan zijn trouwen Hond, met wien hij eerlijk zijn sober maal deelt. En dit alles verdraagt hij met blijdschap ter wille van zijn vee.
Een rendierkudde levert een zeer eigenaardig schouwspel op. Zij gelijkt volkomen op een wandelend bosch, natuurlijk alleen dan, als de boomen hunne bladeren hebben laten vallen. De Rendieren blijven gedurende den marsch dicht bijeen, zooals de Schapen; zij loopen met vlugge, veerkrachtige schreden, sneller dan een van onze herkauwende huisdieren. Naast de kudde wandelt de herder met zijne Honden, die ijverig in de weer zijn om de dieren bijeen te houden.
Daar waar goede weidegronden in de nabijheid zijn, maken de Lappen een omheind perk, waarin zij iederen avond de Rendieren bijeendrijven om ze gemakkelijker te kunnen melken. Door hun heen en weer loopen en door hun voortdurend geblaat herinneren deze dieren aan Schapen, hoewel hun geluid eerder met het geknor van een Zwijn overeenkomt. Verreweg de meeste leden van de kudde zijn zeer klein; er zijn slechts weinige forsche exemplaren bij. Bovendien maakt de onregelmatigheid van de geweien een onaangenamen indruk. Als men de omheining nadert, hoort men in de eerste plaats een aanhoudend geblaat, en voorts, wegens de rustelooze beweging van de dieren, een geknetter, alsof daarbinnen honderden van electrische batterijen tegelijk vonken geven. In het midden van het perk liggen verscheidene groote boomstammen, waaraan de Rendieren vastgebonden worden gedurende het melken. Zonder lasso is het niet mogelijk een Rendier te melken, daarom heeft iedere Laplandsche man of vrouw er steeds een bij zich. Deze bestaat uit een langen riem of een touw, dat, in ringen opgerold aan de beide einden vastgehouden en zóó geworpen wordt, dat de lus den hals of het gewei van het dier omgeeft; dit zal genoodzaakt zijn den herder te naderen, als deze den lasso langzamerhand inpalmt en hem het dier, zoodra het in zijn onmiddellijke nabijheid is, met een schippersknoop om den bek bindt. Het op deze wijze stevig getoomde en tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gedwongen Rendier wordt aan het blok hout vastgebonden, waarna het melken begint. Intusschen doet het vee allerlei pogingen om los te komen en weg te loopen, maar de Lappen weten hiertegen wel raad; bij zeer weerspannige dieren wordt de strik om den neus zoo stevig aangehaald, dat aan alle tegenstribbeling een einde komt. Nu gaat de persoon, die met het melken belast is, dicht achter het Rendier staan, strijkt herhaaldelijk met de vlakke hand over de uier en ledigt deze. De melk heeft een aangenamen zoeten smaak en is zoo vet als room; in den regel is zij echter vol vuil en haren. Onmiddellijk na het melken wordt de omheining geopend en begeeft het vee zich weer naar de weide, onverschillig of het in den vroegen morgen of ’s avonds laat bijeengedreven werd, want het grazen gaat dag en nacht door.
Velerlei ziekten veroorzaken dikwijls een groote sterfte onder de Rendieren; bovendien draagt het gure klimaat er veel toe bij, dat de kudden niet zoo sterk aangroeien, als men met het oog op de vruchtbaarheid van het Rendier zou kunnen verwachten. Jonge en zwakke kalveren bezwijken door de koude, of hebben zooveel te lijden van de hevige sneeuwstormen, dat zij, doodelijk vermoeid, de kudde niet meer kunnen volgen. Oudere dieren kunnen, als de sneeuwlaag zeer dik is, niet genoeg voedsel vinden; de Laplander doet dan wel zijn best hen in de wouden eenig voedsel te verschaffen door boomen te vellen, die met korstmossen rijkelijk begroeid zijn, maar kan toch op deze wijze geen voldoende hulp bieden. Gevaarlijk wordt de toestand, wanneer op het met sneeuw bedekte land een enkele regenbui valt en hierdoor een harde korst op de sneeuwlaag ontstaat. Deze stelt het Rendier buiten staat om de sneeuw te verwijderen, waaronder zijne voederplanten bedolven zijn. Dan heerscht er dikwijls groote ellende onder de Lappen; menschen, die volgens de bij hen geldende maatstaf rijk heeten te zijn, worden in zulke omstandigheden dikwijls in een enkelen winter doodarm. Zij vervallen dan soms tot veediefstal en komen hierdoor in strijd met de eigenaars van rendierkudden; op heeterdaad betrapte veedieven worden zonder eenigen vorm van proces doodgeslagen. Elke eigenaar heeft een bepaald teeken, waaraan hij zijne dieren herkennen kan; dit wordt hun in de ooren gebrand. Nooit mogen twee veehouders hetzelfde teeken gebruiken. Ook mag niemand een nieuw teeken aannemen, maar moet dat van een uitgestorven kudde zien te koopen.
Het voordeel, dat de tamme Rendieren aan hun eigenaar opleveren, is buitengewoon groot. Al wat het dier voortbrengt, wordt gebruikt: niet alleen de melk, de hiervan bereide smakelijke kaas, het vleesch en het bloed, maar ook ieder ander deel van zijn lichaam. De geweien worden, zoolang zij nog kraakbeenig zijn, even graag gegeten als de nog jeugdige geweien van den Eland; de zachte vellen van de rendierkalveren dienen ter vervaardiging van kleedingstukken; de van het wolhaar gesponnen draden worden tot stoffen samengeweven; van de beenderen maakt de bewoner der poolgewesten allerlei werktuigen; de pezen doen als garen dienst. Bovendien moet het dier ook nog, vooral gedurende den winter, de geheele familie, met have en goed, van de eene plaats naar de andere vervoeren. In Lapland dient het Rendier vooral voor het trekken van de slede, minder tot het dragen van lasten, omdat deze arbeid voor het dier te zwaar is, wegens de zwakheid van zijn kruis. De Toengoesen en Korjaken gebruiken evenwel de sterkste mannelijke Rendieren ook om er op te rijden; hiertoe wordt een klein zadel vlak boven de schouderbladen geplaatst; om de beweging van de voorpooten niet te bemoeilijken, zit de ruiter met zijwaarts gerichte beenen op zijn vreemdsoortig rijdier. In Lapland rijdt niemand op Rendieren; hier worden alleen de sterkste bokken—de “renossen”, zooals de Noren ze noemen—voor het trekken van de sleden gebruikt. Voor goede trekdieren betaalt men gaarne 18 à 20 gulden; de gewone Rendieren kosten 7 à 11 gulden. Het Rendier wordt niet opzettelijk voor het trekken afgericht; zonder eenige voorbereiding wordt het eene of het andere sterke dier uit de kudde genomen, en voor een hoogst doelmatige slede gespannen, die aan den toestand van het land en den aard van het Rendier volkomen geëvenredigd is. Deze slede verschilt trouwens aanmerkelijk van die, welke bij ons gebruikt wordt; zij gelijkt veeleer op een boot van zeer dunne, berken planken, die in den vorm van bootplanken gekromd, aan een breeden kiel en aan elkaar gespijkerd worden, en zoo een soort van trog vormen, waarvan het voorste gedeelte bedekt is. Het spreekt van zelf, dat slechts één persoon in zulk een bootvormige slede kan zitten. Voor het vervoeren van huisraad en handelswaren dienen sleden, die van boven met schuifdeksels gesloten kunnen worden, maar overigens volkomen op de andere gelijken. Een goed Rendier kan met een slede van 120 à 140 K.G. in 1 uur ongeveer 10 K.M. afleggen; gewoonlijk heeft het echter een veel minder zware last te trekken. In den zomer gebruikt men het in Noorwegen niet voor ’t trekken van de slede. Als men sterke, goed doorvoede Rendieren geen te zwaren arbeid laat verrichten—ze alleen gedurende den morgen en den avond eenige uren trekken, des namiddags en des nachts echter grazen laat—kan men met hem een buitengewoon lange reis doen, zonder dat zij zich overwerken.
Een enge gevangenschap bevalt het rendier zeer slecht; toch verdraagt dit dier het verblijf in onze diergaarden zeer goed, zoolang het behoorlijk behandeld wordt; ook plant het zich voort in ons klimaat. De bij ons in ’t laagland heerschende zomerwarmte is voor dit vee niet gunstig. Daar het Rendier volkomen onverschillig is voor de felste winterkoude, zou het meer dan eenig ander uitheemsch Hert geschikt zijn om geacclimatiseerd te worden op de boomlooze hoogvlakten van alle gebergten, waar rendier-korstmossen groeien. Hier zou het zeer goed gedijen, in korten tijd aan de verandering van woonplaats gewoon raken en zich voortplanten; de jacht op dit wild zou voordeelig en aangenaam zijn. Reeds voor jaren heb ik hierop gewezen en mijn best gedaan de overtuiging te vestigen, dat het Rendier op de hooge gebergten van Middel-Europa goed gedijen zal. Hoewel de proefnemingen in deze richting mijne wenschen niet bevredigden, hebben zij mijn onderstelling bevestigd. Wanneer met de noodige ernst en de vereischte kennis van zaken nieuwe proeven worden genomen, zal het gewenschte gevolg niet uitblijven.
Het smakelijk wildbraad van het Rendier is ook in Duitschland niet onbekend; het wordt daar in het gunstige jaargetijde geregeld van uit Skandinavië ter markt gebracht.
*
Op grond van hun verwantschap moeten wij op het Rendier de Damherten (Dama) laten volgen. De kenteekenen van dit geslacht zijn gelegen in de van onderen ronde, twee takken dragende geweistangen, die zich van boven verbreeden tot een langwerpig, plat gedeelte met randspruiten, die naar boven en naar achteren gericht zijn.
De Damherten houden meer van gematigde dan van koude gewesten, en zijn hierom in de kustlanden van de Middellandsche Zee van oudsher veelvuldig geweest. Hun verbreidingsgebied strekt zich zuidwaarts uit tot aan den noordrand van de Sahara, noordwaarts tot in het zuiden van Zweden en Noorwegen. Cuvier kreeg een wild Damhert uit de wouden ten zuiden van Tunis; Belon vond het op de Grieksche Eilanden; op Sardinië is het, naar men meent, van oudsher veelvuldig geweest. Reeds de oude schrijvers maken melding van dit dier als standvastig bewoner van hun vaderland; Aristoteles noemt het Prox, Plinius Platyceros. Tegenwoordig is dit wild in Midden-Europa, waar het werd ingevoerd, misschien nog overvloediger dan in Spanje, Frankrijk en Italië; het meest algemeen is het waarschijnlijk in Engeland, waar het in de parken van de groote grondeigenaars in menigte geteeld wordt. Heuvelachtige gewesten, waar zacht glooiende dalen met geringe verheffingen van het terrein afwisselen, landstreken met boomgroepen, akkermaalshout en bosschen van breedgebladerde boomen, waar de bodem met kort gras begroeid is, vallen bijzonder in den smaak van de Damherten. Zij zijn voor de hertenparken als ’t ware geschapen; groote plantsoenen kunnen trouwens bezwaarlijk op een meer doeltreffende wijze verfraaid worden dan door het houden van deze dieren, die, naar men zegt, hun naam hieraan ontleenen, dat zij het wild van de dames zijn.
Het Damhert (Dama vulgaris) is aanmerkelijk kleiner dan het Edelhert. Met inbegrip van den 16 à 19 cM. langen staart bereikt het eene totale lengte van ongeveer 1.6 M., een schouderhoogte van 85 à 90 cM. en een kruishoogte van 90 à 95 cM.; zijn gewicht zal zelden meer dan 100 à 120 K.G. bedragen. Het wijfje is kleiner. Door gestalte en beweging herinnert het Damhert aan de Geit; van het Edelhert onderscheidt het zich door de kortere en minder forsche pooten, het naar verhouding forschere lichaam, den korteren hals, de kortere ooren en den langeren staart, bovendien door de kleur. Geen van de hier te lande in ’t wild of in parken voorkomende Herten biedt zoovele, deels van het jaargetijde, deels van den leeftijd afhangende kleursverscheidenheden aan als het Damhert. In den zomer zijn de bovendeelen, de schenkels en de spits van den staart roodachtig bruin, de zijden van het lichaam met witachtige vlekken bedekt, de onderdeelen en de binnenzijde van de pooten daarentegen wit; zwartachtige ringen omranden den mond en de oogen. Ieder haar van den rug is van onderen witachtig, roodbruin in ’t midden en zwart aan de spits. In den winter hebben de bovenzijde van den kop, de bovenhals en de ooren een bruingrijze kleur; de rug en de zijden zijn dan zwartachtig, bijna zonder vlekken; de onderzijde is aschgrauw, dikwijls met roodachtige tint. Zuiver witte exemplaren, die in geen der jaargetijden van kleur veranderen en zich in den winter slechts door hun langere beharing onderscheiden, zijn niet bijzonder zeldzaam. Verscheidene mannetjesherten hebben in de jeugd een geelachtige vacht; zeldzamer treft men zwarte exemplaren aan.
De levenswijze en de bewegingen van het Damhert komen in vele opzichten met die van het Edelhert overeen. De zintuigen van beide dieren staat op nagenoeg gelijken ontwikkelingstrap, ook de geestvermogens zijn ongeveer dezelfde. Het Damhert is echter minder schuw en voorzichtig dan zijn edele stamgenoot; het krijgt op minder grooten afstand (ongeveer 300 schreden) de lucht van den mensch; dikwijls houdt het op klaarlichten dag verblijf op open plekken in het woud; van hier verwijdert het zich minder geregeld en minder ver dan het Edelhert. Het Damhert beweegt zich minder snel en behendig en kan minder goed springen; bij ’t loopen licht het de pooten hooger op. Zoolang het bij het vluchten nog niet de grootst mogelijke snelheid ontwikkelt, maakt het evenals de Geiten korte sprongen; alle vier pooten zijn dan tegelijk boven den grond en de staart is omhoog gericht. Het kan over hindernissen van ongeveer 2 M. hoogte “heen vliegen”. Ook kan het, zoo noodig, goed zwemmen; nooit wentelt het zich echter in het water zooals het Edelhert. Beide soorten gebruiken hetzelfde voedsel; het Damhert maakt echter meer gebruik van schors, en wordt vooral hierdoor schadelijk. Zeer opmerkelijk is het, dat dit dier soms vergiftige planten eet en zich hierdoor den dood op den hals haalt.
De Damherten zijn ongeduriger en onrustiger dan de Edelherten. Te dezen aanzien bestaat tusschen de beide soorten ongeveer hetzelfde verschil als tusschen het Konijn en de Haas. Toch zijn de Damherten over ’t algemeen meer gehecht aan hun standplaats; zij volgen trouwer hunne gewone paden; ook vereenigen zij zich gewoonlijk tot grootere troepen.
Het Damhert draagt 8 maanden en kalft meestal in Juni; het aantal jongen is in den regel één, zelden twee. Het jong is in de eerste dagen van zijn leven zeer hulpbehoevend; het moet daarom door de oude dieren zorgvuldig beschermd en behoed worden. Door slagen met de voorpooten verdrijft de moeder kleine Roofdieren, die zich belust toonen op het bonte kalf; groote Roofdieren lokt zij weg van de plaats, waar haar kind zich schuil houdt, door langzaam voor hen langs te gaan en vervolgens snel te vluchten, om ten slotte met tallooze haken en schijngangen naar de oude plaats terug te keeren. Als het damhertkalf 6 maanden oud is, worden bij het mannetje verhevenheden op den rozenstok zichtbaar, waaruit zich tegen het einde van de eerstvolgende Februari-maand de “spiesen” ontwikkelen, die tot aan het “vegen”, in Augustus, groeien. Nu heet het kalf een Spiesbok of Spitser, in het tweede levensjaar wordt het een Gaffelbok of Gaffeler. Eerst in het vijfde jaar begint de vorming van het platte gedeelte van het gewei, dat mettertijd niet slechts in grootte toeneemt, maar ook meer randspruiten verkrijgt. Zulke Herten worden onderscheiden naar de grootte van dit deel van het gewei. Een kalf van het vrouwelijk geslacht heet, als het één jaar oud is, een Smaldier, na de eerste paring een Ouddier; een wijfjes-hert wordt door den jager in ’t algemeen Dier genoemd. De oude Herten werpen in Mei, de spitsers in Juni hun gewei af; in den regel verliezen zij niet beide stangen te gelijk; maar het eene 2 à 3 dagen na het andere. In Augustus of September is het nieuwe gewei volkomen ontwikkeld.
Het Damhert wordt op groote drijfjachten of door bekruipen gejaagd: daar het zeer nauwgezet zijne “wissels” volgt, kan ook het “op den aanstand” (op de loer) jagen een goede uitkomst opleveren. De huid wordt wegens hare lenigheid en zachtheid hooger geschat dan die van het Edelhert. Het Damhert levert een uitmuntend wildbraad op, vooral van Juni tot in het midden van September, omdat de bok dan veel vet vormt.
Dit wild is beter dan eenige andere soort van Herten geschikt om in hertenparken gehouden te worden; het wordt zeer mak, staat ook over dag op open ruimten, is vroolijk, zelfs speelsch en zeer geneigd tot grappen. In een opzicht kan het ook als weerprofeet dienst doen; als het zeer onrustig en ongedurig is, kan men er tamelijk goed op aan, dat er guur, vooral stormachtig weer in aantocht is. Het Damhert geraakt ook aan de opsluiting in een meer beperkte ruimte gewoon en behoudt ook dan zijn vroolijkheid. Naar het schijnt, houdt het bijzonder veel van muziek; zelfs het in de vrije natuur levende dier komt, als het op den hoorn hoort blazen, al nader en nader om te luisteren.
*
De Herten in de meest beperkte beteekenis van het woord—de Edelherten—komen voor in de beide noordelijke faunistische rijken; ook bij deze groep dragen alleen de mannetjes geweien; deze hebben ronde stangen. Van de meer of minder talrijke spitsen—“enden” of takken—zijn er minstens drie naar voren gericht; de oogspits en de middelspits zijn steeds aanwezig, de ijsspits komt minder standvastig tot ontwikkeling. Aan de buitenzijde van den middelvoet bevinden zich haarbosjes. De traangroeven zijn duidelijk. Bij oude mannetjes (zeldzamer ook bij zeer oude wijfjes) steken de hoektanden in de bovenkaak ver beneden de andere uit.
Een der statigste en edelste vormen van dit ondergeslacht—voor ons de belangrijkste van alle soorten—is het Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). Hoewel slank, is het toch krachtig en fraai gebouwd; zijn houding is zoo edel en fier, dat het zijn naam met het volste recht draagt. Zijn grootte wisselt zeer af, al naar het gewest, waar het inheemsch is. Het bereikt een totale lengte van 1.85 à 2.15 M. (waarvan ongeveer 15 cM. op den staart komen), een schouderhoogte van 1.2 à 1.5 M. en een totaal gewicht van 160 à 270 KG.; soms treft men buitengewoon forsche Herten aan, die 300 KG. of meer wegen. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook anders van kleur. In grootte staat ons Hert alleen bij den Wapiti en het Perzische Hert achter; het overtreft alle andere bekende soorten van zijn geslacht te dezen aanzien. Het heeft een gestrekten, in de flanken ingetrokken romp met breede borst en sterk naar buiten tredende schouders, een rechten en platten rug, die in de schoft een weinig verheven, aan het kruis bol afgerond is, een langen, slanken, zijdelings samengedrukten hals, een langen, aan ’t achterhoofd hoogen en breeden, naar voren sterk versmalden kop, met een vlak, tusschen de oogen uitgehold voorhoofd, en een rechten neusrug. De oogen zijn middelmatig groot en levendig, en hebben een langwerpig ronde pupil. De tamelijk groote traangroeven zijn schuins benedenwaarts naar de mondhoeken gericht; het zijn smalle, langwerpige sleuven, door welker binnenwand een vette, brijachtige massa wordt afgescheiden, die het dier later door wrijving tegen boomstammen er uit veegt. Middelmatig hooge, slanke, maar toch krachtige pooten dragen den romp; de teenen zijn met rechte, spitse, smalle en slanke hoeven voorzien; de bijhoeven zijn langwerpig rond, aan de spits plat afgeknot en hangen recht naar beneden; zij raken den bodem niet. De staart is kegelvormig en wordt naar de spits smaller. De romp is bedekt met fijn wolhaar en grof bovenhaar; de vacht ligt tamelijk dicht tegen de huid aan; alleen aan ’t voorste deel van den hals komen langere haren voor. De stijve, niet overhangende bovenlip draagt drie reeksen van dunne, lange borstels; dergelijke haren staan ook boven de oogen. De kleur van het Gewone Hert—dat ook wel namen draagt, die “Roodhert” en “Roodwild” beteekenen—is verschillend al naar het jaargetijde, het geslacht en den leeftijd. De borstelharen zijn bruin, in den winter meer grijsachtig, in den zomer meer roodachtig; het wolhaar is aschgrauw met bruinachtige spitsen. Alleen bij de kalveren komen in de eerste maanden witte vlekken op de roodbruine grondkleur voor.
Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). 1/20 v. d. ware grootte.
Het gewei rust op een korten rozenstok (“gewas”); het is enkelvoudig vertakt, heeft vele spitsen en staat rechtop. De stangen maken van haar oorsprong af een tamelijk sterke bocht, in dezelfde richting als het voorhoofd, naar achteren en naar buiten; van boven krommen zij zich weder in een flauwe bocht naar binnen, zoodat de uiteinden eenigszins naar elkander toegekeerd zijn. Van onderen ontspringt aan de voorzijde, van de stang de “oogspits”, die eerst naar voren en verder op naar boven gericht is; hierboven, nu eens wat naderbij, dan weer wat verder af, komt de “ijsspits” te voorschijn; van het midden van de stang gaat de “middelspits” uit; aan het einde bevindt zich de “kroon”, uit verscheidene spitsen bestaande, welker plaatsing en grootte op verschillenden leeftijd en ook wel bij individuën van gelijken ouderdom veel verscheidenheid aanbiedt. De stangen zijn rond, maar oneffen, met meer of minder knobbeltjes (parels) bezet (vooral aan de onderste gedeelten) en met talrijke, deels rechte, deels gekronkelde, overlangsche groeven voorzien. De toppen der spitsen zijn glad afgeslepen en vuil wit of geelachtig van kleur; terwijl het gewei overigens—al naar de plantensappen waarmede het in aanraking kwam—allerlei tinten van bruin, van licht runkleurig tot zwartbruin, kan vertoonen. Een flink gewei weegt 5 à 8 KG.; bij uitzondering worden ook thans nog geweien gevonden, die een gewicht van 10 à 12 KG. hebben, of zelfs nog zwaarder zijn. De stangen kunnen, langs de krommingen gemeten, 80 à 120 cM. lang worden, in zeer zeldzame gevallen nog langer.
In de jagerstaal worden de volgende uitdrukkingen gebruikt: Het mannelijke Hert heet Hert, Edelhert of Roodhert; voor het wijfje gelden de bij het Damhert genoemde namen; ook noemt men het wel Rooddier of Hinde; het jong heet Kalf, al naar het geslacht echter Hertkalf of Hindekalf. Het Hertkalf wordt, als het één jaar oud geworden is, Spieshert of Spitser genoemd, in het tweede jaar krijgt het den naam Gaffelhert of Gaffeler in het derde heet het Zesender enz., naar het aantal spitsen van beide stangen te zamen. Als het gewei volkomen regelmatig ontwikkeld is, noemt men het Hert een even-ender,—als de eene stang van de andere verschilt, oneven-ender (mismaakt gewei). In sommige gewesten wordt volgens jagersgebruik reeds de acht-ender, in andere eerst de tien-ender een “jaagbaar” Hert genoemd.
Ook thans nog bewoont het Hert bijna geheel Europa, met uitzondering van de allernoordelijkste landstreken; na verwante soorten bewonen een groot deel van Azië. In Europa reikt de noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied tot 65, in Azië tot 55° N.B.; zuidwaarts reikt het tot aan Kaukasus en tot aan de gebergten van Mandsjoerije. In alle dicht bevolkte landen is het aantal Herten zeer verminderd of zijn zij geheel uitgeroeid, b.v. in Zwitserland en in vele deelen van Duitschland en Nederland. Volgens Van Bemmelen waren zij “vroeger in vele deelen van ons land menigvuldig, bijv. in de dicht begroeide duinstreken; onder anderen kwamen zij in zeer groote menigte voor tusschen ’s Gravenhage en Egmond, waar men er nu sedert een eeuw geen enkel meer vindt; tegenwoordig zijn zij bijna geheel beperkt tot één streek, namelijk de lange rij van bosschen, die zich van Sonsbeek af tot aan de Soerensche wouden uitstrekt; nu en dan loopen evenwel enkele naar de naburige bosschen over.”—“In vroegere tijden schijnt ook de Eland ons land bewoond te hebben, hoogst onwaarschijnlijk is dit van het Rendier.”
Het veelvuldigst komt het Hert nog voor in Polen, Galicië, Bohemen, Moravië, Hongarije, Zevenburgen, Karinthië, Stiermarken en Tirol; veel algemeener dan in, deze landen treft men het echter aan in Azië, vooral in den Kaukasus en in het boschrijke zuiden van Siberië. Het Edelwild houdt meer van bergachtige dan van vlakke gewesten; het geeft de voorkeur aan groote, samenhangende wouden, vooral aan wouden van loofboomen. Hier vereenigen de Herten zich tot meer of minder groote troepen, waarin zij naar ouderdom en geslacht gesorteerd zijn: de “oude dieren”, kalveren, spitsers, gaffelers en smaldieren blijven gewoonlijk met elkander vereenigd; de forschere “herten” vormen kleine afzonderlijke troepen; de grootste mannetjes (“kapitale herten”) leven tot aan den bronsttijd meestal eenzaam. In den winter keert het Hert van de bergen naar lagere landstreken terug, in den zomer stijgt het tot de hoogste toppen van de Middelgebergten; over ’t algemeen echter blijft het, zoolang het ongestoord leven kan, aan zijn woonplaats getrouw; alleen in den bronsttijd of bij het “opzetten” van de nieuwe geweien of eindelijk bij gebrek aan voedsel verlaat het vrijwillig zijn oorspronkelijk gebied.
Alle bewegingen van het Hert zijn licht en sierlijk, maar tevens fier en waardig; vooral het mannetje onderscheidt zich door zijn edele houding. Reeds bij het begin van de vlucht beweegt het zich zeer snel; als de nood dringt, verplaatst het zich echter met bijna ongeloofelijken spoed. Verbazend groote sprongen doet het met gemak als ’t ware spelenderwijs; hindernissen van allerlei aard komt het zonder oponthoud te boven, in tijden van gevaar zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen, ja zelfs (in Noorwegen niet zelden) over zeearmen. Reeds in den ouden tijd heeft men alle verschijnselen, die ons het Hert doen kennen, nauwkeurig waargenomen. De ervaren jager kan na een kortstondig onderzoek van het spoor van het Hert met onfeilbare gewisheid zeggen, of het van een mannetje, dan wel van een wijfje afkomstig is, en bepaalt hiernaar zelfs tamelijk juist den leeftijd. De kenteekenen van het spoor worden “deugdelijk” genoemd, als zij tot geen vergissing aanleiding kunnen geven; naar hen regelt de jager zijne handelingen. Onze voorouders kenden 72 zulke teekens; Dietrich aus dem Winckell is echter van oordeel, dat men ze tot 27 zou kunnen verminderen. Voor den ongeoefende is het geen gemakkelijke zaak om de sporen van het mannetje en van het oude wijfje, zelfs wanneer hij ze kort te voren naast elkander heeft gezien, een paar schreden verder weder te onderscheiden.
Onder de zintuigen van het Edelhert zijn het gehoor, de reuk en het gezicht uitmuntend ontwikkeld. Tot op een afstand van 600 schreden krijgt het de lucht van een mensch. Ook het gehoor is buitengewoon scherp; niet het geringste gedruisch dat in het woud voorkomt, ontsnapt er aan. Over den aard en de geestvermogens van het Edelhert loopen de meeningen tamelijk ver uiteen. Volgens de waarnemingen uit den laatsten tijd is dit dier niet schranderder of beminnelijker dan andere in ’t wild levende Herkauwers. Het is zeer angstig en schuw, maar niet loos en verstandig. Zijn geheugen schijnt zwak, zijn bevattingsvermogen gering te zijn. Langzamerhand doet ook dit dier ervaringen op en maakt er geen ongeschikt gebruik van; als zijne hartstochten opgewekt zijn, vergeet het dikwijls de zorg voor zijn veiligheid, die in andere gevallen altijd in de eerste plaats zijn aandacht in beslag neemt.
Het lijdt geen twijfel, dat de vreesachtigheid van het Hert een gevolg is van de ervaring, dat de mensch zijn gevaarlijkste vijand en in hooge mate te vreezen is. Op plaatsen waar het Hert zich volkomen veilig kan achten, wordt het zeer mak. In het Prater bij Weenen stonden vroeger groote troepen van deze statige dieren, die volkomen gewend waren geraakt aan het gewemel der wandelaars, en die, naar ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren kan, een man tot op afstand van 30 schreden lieten naderen. Een van deze herten was langzamerhand zoo stoutmoedig geworden, dat het onbeschroomd naar de uitspanningsplaatsen ging, tusschen de tafeltjes doorliep en aan de dames de hand likte, waarmede het te kennen wilde geven, dat het bereid was de klontjes suiker of de koekjes in ontvangst te nemen, waarop de bezoekers het dier gewoonlijk tracteerden. Bij de voederplaatsen worden de Edelherten dikwijls merkwaardig tam.
Anders is het gesteld, wanneer het Hert in een nauwe ruimte opgesloten wordt, of wanneer de bronsttijd aangevangen is. In deze beide omstandigheden wordt het dier dikwijls door de geringste kleinigheid tot toorn vervoerd en valt ook de menschen aan. In oude en nieuwere jachthoeken worden vele gevallen vermeld van Herten, die menschen, dikwijls zonder dat deze er eenige aanleiding toe gaven, te lijf gingen en hen wondden of doodden.
“De bronsttijd van het Hert,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “begint in den aanvang van September en duurt tot aan het midden van October.
”’s Avonds en ’s morgens weergalmt in het woud het geschreeuw (“burlen”) der bronstige mannetjes, die zich ternauwernood den tijd gunnen om het noodige voedsel te gebruiken en slechts nu en dan zich verfrisschen in een naburigen plas of vijver, waarheen de wijfjes hen vergezellen. Andere, minder gelukkige mededingers beantwoorden vol nijd dit geschreeuw en naderen met het voornemen alles te wagen om door dapperheid of list de ook door hen begeerde plaats te veroveren. Nauwelijks heeft de bij de wijfjes staande bok zijn tegenstander in ’t oog gekregen, of hij gaat hem gloeiend van ijverzucht te gemoet. Thans begint een strijd, die dikwijls aan één der strijders, soms aan beide het leven kost. Woedend gaan zij met benedenwaarts gerichten kop op elkander af; ieder tracht met bewonderenswaardige behendigheid zijn tegenstander te wonden en diens stooten te pareeren. Tot in het woud weerklinkt het geluid van de tegen elkander botsende geweien; wee den strijder, die door ouderdomszwakte of door een toeval zich bloot geeft! Zijn tegenpartij zal stellig gebruik maken van de gelegenheid om hem de scherpe oogspitsen in ’t lijf te booren. Het is wel eens gebeurd, dat de geweien bij den strijd zoo onwrikbaar in elkander verward geraakten, dat de beide dieren niet meer los konden komen en ellendig om ’t leven kwamen. Ook na hun dood was geen menschelijke kracht in staat om de stangen, zonder beschadiging van de takken van een te scheiden. Dikwijls blijft de strijd uren onbeslist en eindigt eerst als een der partijen, geheel uitgeput door vermoeienis, zich overwonnen geeft en het veld ruimt.”
“Het wijfje draagt 40 of 41 weken. Tegen het einde van Mei of in Juni brengt het één kalf ter wereld, zelden twee. Als de werptijd nadert, zoekt het eenzaamheid en rust in het dichtst van het woud. De kalveren zijn gedurende de drie eerste levensdagen zoo hulpbehoevend, dat zij hun plaats niet verlaten. Men kan ze zelfs met de hand opnemen. Slechts zelden en gedurende korten tijd verlaat de moeder hare jongen, terwijl deze haar hulp zoozeer behoeven. Zelfs wanneer zij van ’t leger verjaagd wordt, verwijdert zij zich slechts zoover, als noodig is om door een voorgewende vlucht het werkelijke of denkbeeldige gevaar af te wenden. Zoodra het kalf een week oud geworden is, zou het vergeefsche moeite zijn het zonder net te willen vangen. Het volgt nu de moeder overal heen en “drukt zich” onmiddellijk in het hooge gras, zoodra deze “gewag maakt,” d.w.z. een kreet van schrik laat hooren of met de voorpooten snel en krachtig op den grond stampt. Het kalf zuigt tot aan den volgende bronsttijd en wordt van zijn jeugd af door de moeder onderricht in de keuze van het voor hen geschikte voedsel.”
Nu vangt het aan afwisseling zoo rijke leven van het Edelhert aan. Het “hindekalf” is reeds in het derde levensjaar volwassen. Voordat het “hertkalf” alle rechten op de alleenheerschappij kan doen gelden, moeten er een reeks van jaren verloopen. Als het zeven maanden oud geworden is, neemt de vorming van het eerste gewei een aanvang; na dien tijd wisselt het ieder jaar zijn kopsieraad. De hoofdstang heeft in den beginne slechts één enkele, gelijkmatige en zwakke kromming. Bij den zes-ender heeft zij een knievormige bocht naar achteren gekregen tegenover de plaats, waar de middelspits ontspringt. Een tweede knievormige bocht krijgt zij bij den twaalf-ender aan den voet van de hier driespitsige kroon. (Deze heeft het reeds bij den acht-ender aanwezige gaffelvormig eindstuk van het gewei van den tien-ender vervangen). Een derde knievormige bocht ontstaat bij den veertien-ender, een vierde bij den twintig-ender, telkens in hoogere gedeelten van de kroon. Bij al deze veranderingen blijft de spits van de hoofdstang steeds naar binnen gericht. Ieder van de genoemde krommingen behoudt gedurende alle volgende ontwikkelingstijdperken van het gewei denzelfden stand ten opzichte van de spitsen, maar neemt telkens in duidelijkheid toe.—Intusschen ondergaat de oogspits eenige niet minder opmerkelijke veranderingen. In ’t eerst staat zij tamelijk hoog aan de hoofdstang, bij latere geweien komt zij steeds nader bij den “rozenkrans” (het verdikte onderste gedeelte van het gewei, dat als ’t ware uit een krans van knobbeltjes bestaat). De hoek, dien de oogspits met de hoofdstang maakt, is aanvankelijk scherp, maar neemt allengs in grootte toe; bij den tien-ender is hij reeds stomp geworden. Soortgelijke veranderingen ondergaan de middelspits, de ijsspits en de kroon. Van een kroon is, zooals hierboven gezegd is, voor ’t eerst sprake bij den twaalf-ender; haar binnenste spits (de top van de hoofdstang dus) groeit in ’t volgende gewei tot een gaffel uit; de kroon van den veertien-ender bestaat derhalve uit twee gaffels; de bovenste van deze is bij den zestien-ender door drie spitsen vervangen; nu bestaat de kroon dus uit een gaffel en een driespitsige vork; de buitenste spits van deze is bij den achttien-ender weder tot een gaffel uitgegroeid; dit gewei heeft dus een uit drie boven elkander geplaatste gaffels samengestelde kroon; bij den twintig-ender eindelijk is in de plaats van den laatstgevormden gaffel een driespitsige vork gekomen. Meer dan twintig op normale wijze ontwikkelde spitsen komen aan een gewei vermoedelijk zeer zelden voor; achtien-enders ziet men reeds in iedere matig groote verzameling; onder de levende Herten zijn zestien-enders ook thans nog geen zeldzaamheid. Bij overvloedige voeding kan het gebeuren, dat bij de vorming van een nieuw gewei den toestand van zes-ender en van tien-ender overgesprongen wordt; nog veelvuldiger echter komt het voor, dat in een nieuw gewei het vorige aantal spitsen herhaald wordt, en even dikwijls keert het terug tot een geringer aantal. In dit opzicht vormt de toestand van tien-ender een opmerkelijk keerpunt in ’t leven van een Hert: als het eens een “kroon” gedragen heeft, zal het nooit meer een gewei krijgen met minder dan tien spitsen.
De vijanden van het Edelhert zijn de Wolf, de Los en de Veelvraat, zeldzamer de Beer. Van deze zijn de Wolf en de Los wel de gevaarlijkste. Benden Wolven vervolgen het Edelhert als er veel sneeuw ligt, jagen het na en maken het af; de Los springt van boven af op den hals van het niets kwaads duchtende dier, wanneer het de schuilplaats van den in hinderlaag liggenden roover voorbijgaat. De ergste vijand van het Edelhert is en blijft echter in alle omstandigheden de mensch, ofschoon deze het tegenwoordig niet meer op even gruwelijke wijze vervolgt en doodt als vroeger. Ik acht het wenschelijk niet verder over de hertenjacht uit te wijden, omdat een nauwkeurige beschrijving ons te ver zou voeren en belangstellenden hierover andere boeken kunnen raadplegen. Tegenwoordig is de gelegenheid voor dit edele vermaak reeds zeer schaarsch geworden; de meeste der thans bestaande beroepsjagers hebben nog nooit een Hert geschoten: dit wild blijft voor voornamere heeren bewaard. Dat de veel omslag vereischende “parforce-jachten” en andere dergelijke wijzen van hertenvangst van vreemden oorsprong zijn, kan ieder onmiddellijk afleiden uit hun met onzen volksaard zoo weinig overeenkomende inrichting. Onze voorvaders gebruikten voor het dooden van het Hert eenvoudig de buks.
Evenals andere Herkauwers, heeft ook het Edelhert veel te lijden van eenige soorten van Horzels (Hypoderma Diana en H. Actacon). Deze leelijke Insecten leggen bij deze en andere soorten van Herten (Rendier, Ree enz.) hunne eieren op de huid, vooral van den rug; de pootlooze larven of maden, die uit deze eieren komen, boren zich door de huid heen en vatten post in het onderhuidsbindweefsel; hierdoor ontstaan ten slotte groote, uitwendig zichtbare etterbuilen; ongeveer een jaar na haar geboorte verlaat de Horzel-larve haar woonplaats, om in den poptoestand over te gaan, hetwelk in den grond geschiedt. Bovendien wordt ons wild nog hevig geplaagd door een soort van luis, die zich tusschen de haren nestelt, en door verschillende Muggen en Vliegen, o.a. door de Bremzen (Tabanus).
Ongelukkig is de schade, die het Hert aanricht, veel grooter dan het nut, dat het oplevert. Vooral om deze reden is het in vele gewesten van Europa uitgeroeid. Hoewel het vleesch, de huid en het gewei duur betaald worden, en men het genoegen, dat de jacht oplevert, ook op hoogen prijs moet stellen: de door het wild veroorzaakte schade wordt hierdoor niet opgewogen. De wenschen van den jager zijn nu eenmaal niet in overeenstemming te brengen met de belangen van den landbouwer.
In het noordwesten van Afrika leeft een Hert, dat men onder den naam Cervus barbarus van het Edelhert onderscheiden heeft, maar dat niet algemeen als een afzonderlijke soort wordt erkend, maar veeleer als een verscheidenheid van ons Hert. Van de overige soorten van het ondergeslacht verdient nog vermelding de in Noord-Amerika levende Wapiti (Cervus canadensis), daar hij de grootste soort is van het geheele geslacht: hij bereikt een lichaamslengte van 2.6 en een schouderhoogte van 1.6 M.
*
Onder de Indische Herten verdient in de eerste plaats het Axis-Hert, het Dappled Deer (= Gestippeld Hert) der Engelschen (Axis axis), onze aandacht. Het vertegenwoordigt een afzonderlijk ondergeslacht en bereikt bij een lichaamslengte van 135 à 150 cM. een schouderhoogte van slechts 90 à 95 cM. Wat zijn kleur betreft, mag het beschouwd worden als een der fraaiste, zoo niet als het fraaiste van alle Herten. De grondkleur, grijsroodachtig bruin, maakt een aangenamen indruk; de rugstreep steekt er zeer donker bij af, op de schoft is zij nagenoeg zwart; de keel, de gorgel, de buik en de binnenzijde der pooten zijn geelachtig wit, de buitenzijde der pooten is geelachtig bruin. Zeven reeksen van witte, tamelijk onregelmatig gerangschikte vlekken op elke zijde vormen de teekening van het dier.
Het verbreidingsgebied van den Axis omvat geheel Indië en Ceylon, met uitzondering van Pandsjab, en de landen oostwaarts van hier tot aan Cosjin-China. Hij bewoont zoowel vlakke als heuvelachtige gewesten, komt voor in de bergreeksen, die aan den Himalaja voorafgaan en in de Sandarbands, in het echte hoogstammige woud zoowel als in de dsjungels, gewoonlijk echter in de nabijheid van het water. Waar de omgeving hem aanstaat, is hij zeer menigvuldig en vormt groote troepen, die tot aan den morgen op de open plaatsen van het woud grazen, gedurende den dag echter gewoonlijk beschaduwde oorden van het woud opzoeken. De inboorlingen en de Engelschen maken ijverig jacht op den Axis; waarschijnlijk is het een gevolg van deze veelvuldige vervolgingen, dat hij daar, waar hij vervolgingen heeft te vreezen, minstens even schuw is, als onze Herten. Dit neemt niet weg, dat de gevangen Axis spoedig volslagen tam wordt. Reeds vóór jaren heeft men hem naar Engeland overgebracht en de ervaring opgedaan, dat hij in dit zachte klimaat uitmuntend gedijt, en zich er ook voortplant; van Engeland is hij naar andere Europeesche landen verzonden, o. a. ook naar Duitschland. In een park bij Ludwigsburg houdt men hem sinds 50 jaren.
*
De meeste overige Herten van Indië hebben een eigenaardig uiterlijk, waardoor zij zich zeer onderscheiden van hunne, in Europa of in Amerika levende verwanten, maar dat moeielijk te omschrijven is. Over ’t algemeen kan men zeggen, dat de bedoelde dieren [die gezamenlijk het ondergeslacht Roesa (Rusa) vormen, welks naam aan het Maleisch ontleend is en “Hert” beteekent] meer of minder klein gebouwd zijn, krachtige ledematen, een korten hals en korten kop, maar een betrekkelijk langen staart hebben; hun vacht bestaat uit grove, brooze, dun geplaatste haren; het gewei, dat alleen de mannetjes versiert, heeft in den regel niet meer dan zes spitsen (drie aan elke stang).
Het Groote, Sumatraansche of Maleische Waterhert, de Samboer van de bewoners van het Indische vasteland (Rusa Aristotelis, Rusa equina) werd reeds door Aristoteles duidelijk beschreven onder den naam ”Paardhert” (”Hippelaphus”) van welken naam men gebruik heeft gemaakt voor het aanduiden van de op Java voorkomende, verwante soort. Mijns inziens is de Samboer het statigste en edelste lid van zijn geslacht. Hij bereikt minstens de grootte van het Edelhert; Duvaucel beweert zelfs, dat enkele exemplaren, die hij op Sumatra heeft gezien, voor het grootste Paard niet onderdeden. Indië, de kusten van Malabar en Koromandel, Sylhet, Nepal, Malaka en Sumatra, misschien ook Borneo, vormen het vaderland van dit in Indië veelvuldig voorkomende en tegenwoordig ook in onze diergaarden niet zeldzame Hert, dat wegens zijn zeer donkere kleur ook wel het Zwarte Hert wordt genoemd.
Het Javaansche Waterhert of Manenhert (Rusa hippelaphus) staat niet veel in grootte achter bij het Edelhert en wordt in geheel Indië waarschijnlijk alleen door den Samboer overtroffen [in de gebergten van ’t zuidwesten van Azië ook nog door het Perzische Manenhert (Cervus Wallichi)]. De lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt ruim 2 M., waarbij 30 cM. voor den staart, de schofthoogte ongeveer 1 M. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en mist de lange manen aan den hals en de kin, die het mannetje kenmerken. Beide zijn vaal grijsachtig bruin met een donkere, overlangsche streep op het midden van den rug. De jongen hebben geheel dezelfde kleur als de ouders, hetgeen zeer opmerkelijk is, daar zij bij andere geslachten van Herten aanvankelijk gevlekt zijn.
Voor zoover men weet, is Java het oorspronkelijk vaderland van dit Hert; van hier is het door jachtliefhebbers overgebracht naar Borneo, waar het bekend is onder den naam Mindjangan Djawa (“het Javaansche Hert”); vermoedelijk geldt deze verklaring ook voor de aanwezigheid van deze diersoort op de Molukken en Timor. Dit zeer gezochte wild komt voor in zeer talrijke troepen, die aan de opene, op steppen gelijkende vlakten de voorkeur geven boven de bosschen. Gedurende het heetste gedeelte van den dag ligt het verborgen tusschen gras en riet of in het struikgewas; vóór zonsondergang begeeft het zich naar de plassen, waarin het zich verfrischt; met het vallen van den avond begint het voedsel te zoeken. Deze Herten houden zeer veel van het water: dit kan men ook waarnemen aan gevangen exemplaren, die men geen grooter genoegen kan doen, dan door hen in staat te stellen een modderbad te nemen.
De bewegingen van het Manenhert verdienen in ’t kort besproken te worden. Geen der mij bekende Herten stapt zoo waardig, zoo fier langs den weg als deze soort. Zijn gang gelijkt volkomen op een aangeleerden pas, op den zoogenaamden Spaanschen stap van een schoolpaard. Iedere beweging van dit Hert komt overeen met die, welke een Paard in de genoemde omstandigheden maakt. Men zou kunnen meenen, dat het doordrongen is van de fierheid, die het aan den dag schijnt te leggen. Het licht den poot omzichtig op, steekt hem naar voren uit geheel op dezelfde wijze als het circus-paard en zet hem sierlijk weder op den grond; elke stap gaat gepaard met een passende beweging van den kop. Het is echter niet goed uit te maken, of deze gebaren fierheid of toorn moeten te kennen geven; want deze waardige gang gaat geregeld vergezeld van een verdacht omkrullen van de bovenlip, hetgeen bij alle soorten van Herten een teeken van groote opgewondenheid is. Nog wil ik doen opmerken, dat men, vooral gedurende deze bewegingswijze, bij het Manenhert een sterk geknetter hoort, evenals bij de Rendieren.
Wanneer het geoorloofd is uit de levenswijze van gevangen exemplaren een besluit te trekken dat geldig is voor de in ’t wild levende, moeten de wintermaanden aangemerkt worden, als die, waarin deze Herten bronstig zijn. In de diergaarden werpen zij in Mei hun gewei af en “vegen” in September.
Bij de op groote schaal uitgevoerde drijfjachten van de Maleische vorsten worden dikwijls vele honderden Manenherten gedood, hoewel men geen vuurwapen, maar alleen zwaarden en speren gebruikt om ze te vellen, of strikken bezigt om ze levend te vangen. Volgens Junghuhn wordt dit Hert uitsluitend om zijn vleesch gejaagd; dit wordt in dunne schijven gesneden, met zout ingewreven en in de zon gedroogd; het heet dan “Djendeng” en wordt de meest gewilde toespijs geacht bij de rijstgerechten, die aan den disch der Javaansche hoofden nimmer ontbreken; ook op de Europeesche tafel wordt het als een uitmuntende spijs beschouwd. Het vel wordt niet gebruikt.
Het Zwijnshert der Engelschen (Rusa porcinus) is een der meest algemeene Indische soorten en behoort tot de plompste vormen van de geheele familie; het heeft een tamelijk loggen lichaamsbouw, een dikken romp, korte pooten, een korten hals en een korten kop. In den regel is de algemeene kleur fraai koffie-bruin, bij het mannetje ook wel donkerder soms zelfs zwartbruin, bij ’t wijfje vaak lichter, zelfs lederbruin. Het gewei van het mannetje heeft in den regel zes spitsen; de stangen zijn dun, staan op tamelijk hooge rozenstokken en bereiken een lengte van 35 à 40 cM.
Het Zwijnshert is in het grootste gedeelte van Britsch Indië en van Birma inheemsch. Het algemeenst is het in de oeverlanden van den Ganges, zeldzamer in Centraal-Indië. Gewoonlijk leven deze dieren eenzaam, nu en dan worden zij echter ook ten getale van twee of drie bijeen gevonden. Zij houden zich liever op in gewesten, die met gras en verspreide heesterboschjes begroeid zijn, dan in de dsjungels of in het echte woud, hoewel zij ook hier van tijd tot tijd op groote open plekken aangetroffen worden. Over dag liggen zij verborgen in hunne schuilplaatsen, ’s nachts gaan zij voedsel zoeken; als zij opgejaagd worden, vluchten zij met omlaag gehouden kop op de eigenaardige, tamelijk onbeholpen wijze waaraan zij hun naam te danken hebben.
De meeste Zwijnsherten, die in onze diergaarden leven, komen uit Bengalen. Zij verdragen ons klimaat zeer goed, maar verlangen een beschutte plaats om hierin bij ruw weder een toevlucht te zoeken; zij planten zich gemakkelijk voort en vermenigvuldigen zich sterk, zelfs in een beperkte ruimte.
*
In Noord-Amerika en in het noorden van Zuid-Amerika wonen de Mazama-herten (Cariacus), sierlijke, lieftallige dieren, die zich zoowel door hun lichaamsbouw als door de geweien der mannetjes onderscheiden. Hun gestalte is zeer slank; de hals en de kop zijn lang, de pooten middelmatig hoog, maar zwak; de staart is tamelijk lang. De geweien zijn gaffelvormig verdeeld, of krommen zich boogvormig van achteren naar buiten en voren; elke stang heeft 3 à 7 spitsen, die alle binnenwaarts gebogen zijn; de oogspits is aanwezig, de ijsspits en de middelspits ontbreken. Het haarkleed bestaat uit dicht bijeengeplaatste, zachte haren van een levendige kleur; zij verlengen zich tot manen bij het mannetje en bovendien tot een staartkwast bij beide geslachten.
Een der meest bekende soort van deze groep, het Virginia-hert (Cariacus virginianus), gelijkt in sommige opzichten op ons Damhert, waarmede het ook in grootte ongeveer overeenkomt; het kan er echter onmiddellijk van onderscheiden worden door zijn sierlijken bouw en vooral door den langwerpigen, fijnen kop, die misschien de schoonste van alle hertekoppen genoemd mag worden. Volgens de verzekering van den Prins Von Wied wordt het Virginische Hert dikwijls aanmerkelijk grooter dan ons Damhert en staat niet ver achter bij het Edelhert. De kleur wisselt af overeenkomstig de jaargetijden. In het zomerkleed is een fraai, gelijkmatig geelrood, dat op den rug donkerder, naar de zijden lichter wordt, de heerschende kleur; de buik en de binnenzijde van de pooten zijn bleeker. De lengte van een middelmatig groot, mannelijk Hert bedraagt 1.8 M., de lengte van den staart 30 cM., de hoogte van het gewei 30 cM. en de lengte van elke hoofdstang, volgens de kromming gemeten, ongeveer 50 cM. In de schoft is zulk een Hert 1 M. hoog. Het aanmerkelijk kleinere wijfje wordt slechts 1.3 M. lang en niet meer dan 80 cM. hoog. Het kalf is op donkerbruinen grond zeer sierlijk wit of geelachtig wit gevlekt, maar gelijkt overigens op zijne ouders.