Virginia-Hert (Cariacus virginianus), 1/15 v. d. ware grootte.
Volgens de mededeelingen der Amerikaansche dierkundigen bewoont dit fraaie Hert alle bosschen van Noord-Amerika, met uitzondering van die, welke het verst noordwaarts gelegen zijn. Naar gezegd wordt, komt het in de pelterijdistricten niet voor, maar wel in Canada. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de oostkust van Noord-Amerika tot aan het Rotsgebergte en zuidwaarts tot in Mexico. Vroeger moet het overal in zeer grooten getale geleefd hebben; tegenwoordig is het uit de sterk bevolkte gewesten reeds bijna geheel verdrongen, of heeft althans naar de groote wouden van het gebergte de wijk moeten nemen. Over ’t algemeen gelijkt zijn levenswijze op die van ons Edelhert.
“Dit wild,” zegt Audubon, “is zeer gehecht aan de eens gekozen woonplaats en keert na vervolgingen altijd weer derwaarts terug. Wel is waar rust het niet iederen dag op hetzelfde leger, maar toch wordt het steeds in dezelfde streek gevonden, dikwijls geen 50 schreden verwijderd van de plaats waar het vroeger opgejaagd werd. Zijne lievelingsplaatsen zijn voormalige akkers, die gedeeltelijk weer met kreupelhout overwoekerd zijn en dit dier derhalve beschutting verschaffen. In de zuidelijke staten bezoekt het, vooral in den zomer, als het minder vervolgd wordt, dikwijls de hagen, die de plantages omringen, en staat hier gedurende den dag in een donkere wildernis tusschen riet, wilde wijnstokken en doornstruiken, in allen gevalle zoo dicht mogelijk bij zijn weideveld. De voorliefde voor zulke plaatsen is echter geen algemeen verschijnsel: dikwijls treft men talrijke sporen van deze Herten aan in velden, die slechts van veraf bezocht kunnen worden. In de bergstreken bespeurt men er nu en dan een, dat zich op soortgelijke wijze als een Steenbok of een Gems op een uitstekende rotspunt heeft neergevleid. Gewoonlijk echter verbergt dit wild zich tusschen allerlei lage struiken, naast omgevallen boomen en op dergelijke plaatsen. In het koude jaargetijde houdt het zich het liefst in beschutte en droge oorden op; het staat dan onder den wind en koestert zich in de zonnestralen. In den zomer trekt het zich gedurende den dag in de schaduwrijke gedeelten van het woud terug en kiest dan een verblijfplaats in de nabijheid van kleine rivieren of koele stroomen. Om de kwelling der Muggen te ontgaan, zoekt het dikwijls een toevlucht in een rivier of in een vijver en ligt hier tot aan den neus onder water.
“De wijze waarop dit Hert zich voedt, verschilt al naar den tijd van ’t jaar. In den winter eet het de twijgen en bladen van het kreupelhout; in de lente en in den zomer zoekt het, en wel met zeer groote kieskeurigheid, het meest malsche gras uit, en komt dikwijls, door de jonge maïs- en andere graanplanten gelokt, op de akkers. Het houdt bijzonder veel van allerlei soorten van bessen, noten en dergelijke vruchten. Bij een zoo rijke keuze van voedsel zou men kunnen verwachten, dat dit Hert voortdurend een goed wildbraad zal opleveren; dit is echter niet het geval, want met uitzondering van een gedeelte van het jaar zijn deze dieren zeer slecht gevleescht. Van Augustus tot November zijn de mannetjes vet. Eigenhandig hebben wij er geschoten, die nagenoeg 80 KG. zwaar waren; men verhaalt, dat enkele een gewicht van meer dan 90 KG. bereiken. De bronst begint, in Carolina althans, in November, dikwijls trouwens iets vroeger.
“De wijfjes zijn het vetst van November tot Januari, vallen hierna af, en wel des te meer, naarmate de werptijd nadert, om weder toe te nemen, terwijl zij de kalveren zoogen. Deze worden in Carolina in April geboren; de wijfjes, die voor de eerste maal jongen werpen, doen dit echter gewoonlijk eerst in Mei of Juni. Als de kalveren nog slechts eenige dagen oud zijn, slapen zij dikwijls zoo vast, dat zij gevangen kunnen worden, voordat zij de komst van een mensch opmerken. Zij laten zich zeer spoedig temmen, en gaan reeds na verloop van weinige uren vertrouwelijk met hunne vangers om. Een vriend van ons bezat een wijfjeskalf, dat, toen het gevangen werd, bij een geit gebracht en door deze gezoogd werd; wij hebben andere van deze hert-kalvers door koeien zien grootbrengen. In de gevangenschap gedijen zij goed; het is ons echter gebleken, dat zij lastige huisgenooten zijn. Een paar, dat wij verscheidene jaren gehad hebben, had zich aangewend, onze studeerkamer door het open venster te bezoeken, en deed dit ook nog, zonder zich om de glasruiten te bekommeren, als de vensters gesloten waren. Over ’t algemeen schenen deze dieren vernielzuchtig te zijn; zij likten en knabbelden aan de omslagen van de boeken en brachten dikwijls een groote verwarring in onze papieren. Geen struik in den tuin, hoe kostbaar ook, was veilig voor hen; zij knaagden zelfs aan onze paardentuigen, en vielen ten slotte ook de jonge Eenden en Hoenderen aan, beten hun den kop en de pooten af, en lieten daarna het verminkte lichaam liggen.
“Dit wild is smakelijker dan eenige diersoort, waarvan wij het vleesch geproefd hebben. Het is fijner dan dat van den Wapiti of van de Europeesche soorten van Herten; het smakelijkst was het echter in de hierboven genoemde maanden, waarin de dieren vet zijn.
“De Indianen hadden al hun list en hun geduld noodig om dit wild buit te maken, voordat hun jachtveld betreden werd door den blanke, met zijn geweer, zijn Paard en zijne Honden. De wilde bestreed dezen buit aan den Wolf en den Poema, en paste zeer verschillende jachtwijzen toe. De meest gebruikelijke list was het nabootsen van het geroep van het kalf of van het geschreeuw van den bok. Soms kleedde de wilde zich met het vel van een Hert, wiens gewei hij aan zijn hoofd had vastgebonden en deed trouw den gang en alle overige bewegingen van het dier na; op deze wijze gelukte het hem te midden van een kudde te sluipen, waar hij verscheidene Herten achtereenvolgens met den boog kon dooden voordat het wild zich uit de voeten maakte. Nadat de vuurwapenen hun bekend geworden zijn, hebben echter de meeste stammen het gebruik van pijl en boog laten varen en het geweer als wapen aangenomen.”
De Mazama-herten, die ik onder mijn hoede had, naderden vol vertrouwen de personen die hun bekend waren, en namen niet alleen de hun geboden lekkernijen vriendelijk aan, maar lekten den gever bovendien dankbaar de hand. Ongelukkig is er een bezwaar tegen het houden van deze Herten in een beperkte ruimte: dikwijls breken zij hunne fijne pooten; gewoonlijk geschiedt dit op zulk een ongelukkige wijze, dat de genezing moeielijk of zelfs onmogelijk is. Zulk een verwonding kan het gevolg zijn van een onhandigen sprong in den stal.
*
Bij de in Zuid-Amerika inheemsche Spruitherten (Blastocerus), die het Virginiahert en zijne verwanten het meest nabij komen, zijn de rechtopstaande geweien gaffelvormig vertakt; de voorste hoofdtak, die zich steeds zwakker ontwikkelt dan de achterste, is somtijds, de achterste altijd gegaffeld.
De meest bekende soort van dit geslacht—het Pampas-hert, de Goeazoeï (Blastocerus campestris)—is in vergelijking met de andere leden der familie middelmatig groot: zijn lichaamslengte bedraagt 1.1 à 1.3 M., waarbij 10 cM. voor den staart; de schoft is 70, het kruis 75 cM. hoog. Door gestalte en kleur gelijkt het op ons Edelhert; zijn gewei herinnert aan dat van onze Ree, maar is slanker en heeft langere spitsen.
Paraguay, Uruguay en Noord-Argentinië zijn het vaderland van dit overal veelvuldig voorkomend Hert. Volgens Rengger wordt het hoofdzakelijk op open en droge velden in de weinig bevolkte gewesten gevonden; het vermijdt, zelfs wanneer het hevig vervolgd wordt, de nabuurschap van moerassen en de wouden. Het leeft paarsgewijs en in kleine troepen; de oude bok zondert zich af. Over dag rust dit Hert in ’t hooge gras en houdt zich zoo stil, dat men dicht bij het dier langs kan rijden, zonder dat het zich beweegt. Na zonsondergang gaat het voedsel zoeken en zwerft dan den geheelen nacht rond. Het wijfje brengt slechts één jong ter wereld; dit geschiedt in de lente of in den herfst.
Jong gevangen Pampas-herten worden buitengewoon tam. Het dier leert alle bewoners van het huis onderscheiden, volgt hen overal, komt, als zij het roepen, speelt met hen en likt hun de handen en het gelaat; met de Huishonden en Paarden leeft het in goede verstandhouding, zelfs zoo, dat het ze soms met zijn gewei plaagt; het gaat echter voor vreemde personen en vreemde Honden uit den weg. Men kan het met allerlei rauwe en gekookte planten voeden; evenals zijne verwanten houdt het zeer veel van zout. Als het weder gunstig is, vermaakt het zich in de vrije natuur; in de middaguren herkauwt het; als het regent zoekt het onder dak een schuilplaats.
*
De Ree vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (Capreolus), dat gekenmerkt is door het rolronde, weinig (en dan gaffelvormig vertakte) gewei, dat een oneffen oppervlakte heeft en geen oogspits bezit.
De Ree (Capreolus capraea) wordt 1.3 M. lang en in het kruis op zijn meest 75 cM. hoog; het staartstompje is ternauwernood 2 cM. lang. Haar gewicht bedraagt 20 à 25, in zeldzame gevallen zelfs 30 KG.; het wijfje is kleiner. In vergelijking met het Edelhert heeft de Ree een gedrongen lichaamsbouw; haar kop is kort en afgeknot. Haar gewei onderscheidt zich door breede rozenkransen en door betrekkelijk dikke, met ver uitstekende knobbeltjes of parels bezette stangen. Gewoonlijk krijgt de hoofdstang slechts twee spitsen; hiermede is de ontwikkeling van het gewei echter nog niet afgeloopen, “Het bepalen van het aantal spitsen van het gewei, zooals dit door de jagers geschiedt,” zegt Blasius, “is niet voldoende voor het leeren kennen van de natuurwet, volgens welke de geweivorming plaats vindt. Om deze wet te formuleeren, heeft men niet in de eerste plaats op het aantal spitsen, maar vooral op den algemeenen vorm van het gewei te letten; in verband hiermede is het aantal spitsen van beteekenis.—In den eersten winter krijgt de “smalbok” onverdeelde, slanke spitsen, met een onduidelijken rozenkrans aan den wortel van de stang.—Bij den “gaffelbok” is de stang ongeveer in het midden vertakt. De hoofdstang vormt dan een hoek, en neemt op de vertakkingsplaats een achterwaartsche richting aan, terwijl de zijspruit naar voren gericht is. Deze knievormige buiging van de hoofdstang is een veel belangrijker feit dan de aanwezigheid van de voorste zijspruit: men moet den bok, wat zijn leeftijd betreft, voor een “gaffelaar” houden, zelfs wanneer de zijspruit ontbreekt, indien slechts de buiging aanwezig is.—Bij den “zes-ender” verdeelt de naar achteren gebogen hoofdstang zich ten tweeden male, en is na de vertakking weder naar voren gericht, terwijl de tweede of hoogste zijspruit naar achteren wijst. De tweede knievormige buiging kenmerkt den zes-ender: men kan den bok volgens zijn leeftijd en gewei als een zes-ender beschouwen, als hij een hoofdstang met twee knievormige buigingen heeft, al zouden de beide zijspruiten ontbreken. Gewoonlijk is de ontwikkeling van het gewei hiermede afgeloopen; daar de reebok bij latere wisselingen van het gewei in den regel hetzelfde aantal spitsen behoudt. Soms komt het echter voor, dat het gewei voortgaat met zich volgens denzelfden regel te ontwikkelen.—Bij den “acht-ender” heeft de spits, die boven de tweede knievormige buiging naar boven of naar achteren gericht is, zich verdeeld en een zijspruit gekregen.—De “tien-ender” vertoont den hoogsten, mij bekenden trap van regelmatige ontwikkeling van het gewei der Ree. Hier zijn de beide bovenste spitsen van den “zes-ender” gaffelvormig vertakt; het gewei bestaat dan uit een naar voren wijzende middelspits, een naar boven gerichte eindgaffel en een naar achteren gekeerde bijgaffel. Geweien van dezen vorm zijn mij slechts uit het Slavonische graafschap Syrmië en uit Kroatië bekend.—Dikwijls merkt men bij de ree-geweien een neiging op, om aan iedere hoofdstang, en wel aan haar binnenzijde, onder de naar voren gerichte middelspits, een in ’t oog vallend lange parel te vormen. Deze parel wordt soms wel 25 cM. lang, en kan dan volgens de regels van de jacht als een spits medegeteld worden.”
Buitengewoon veelvuldig komen bij het ree-gewei allerlei misvormingen voor. In de verzamelingen ziet men stangen van de zonderlingste gedaante: sommige hebben een geheele reeks van spitsen, andere zijn schopvormig verbreed en langs den rand met spitsen bezet. Men treft reebokken met drie stangen en drie rozestokken, andere met een enkelen rozenkrans en een enkele stang aan; voorts bestaan er zoogenaamde “pruikengeweien” enz. Radde kreeg er een uit het Sajanische gebergte (op de Chineesch-Siberische grens), dat bij een wijfjes-ree midden op het voorhoofd groeide. Er waren vier lange, uit één voetstuk ontsprongen spitsen, aan op te merken, die in afwijkende richting groeiden. Een ander dergelijk geval wordt mij door Block medegedeeld. Het betreft een Ree met een gewei, dat uit twee, omstreeks 5 cM. lange stangen bestond. Zelfs een oude, ervaren jager werd er door op het denkbeeld gebracht, dat hij een reebok voor zich had. Toch bleek het dier later, toen het geschoten werd, een wijfje te zijn.
Ree (Capreolus capraea). 1/12 v. d. ware grootte.
Het dichte haarkleed van de Ree verandert al naar het jaargetijde. De bovendeelen en de buitenzijde van de ledematen zijn in den zomer roestrood, in den winter bruingrijs; de onderdeelen van ’t lichaam en de binnenzijde van de ledematen zijn lichter van kleur. In sommige gewesten komen kleurafwijkingen voor, die door verscheidene geslachten heen overerven: men ontmoet er zwarte, witte, gevlekte en zilverkleurige Reeën.
In de jagerstaal heet de mannelijke Ree in het eerste levensjaar “bokkalf” of “kitsbok,” in het tweede jaar “spitsbok” of “smalrug,” als het tweede jaar is afgeloopen, “gaffelbok”, van het derde jaar af echter “bok”; de vrouwelijke Ree draagt achtereenvolgens in de hierboven genoemde levenstijdperken de namen “rekkekalf”, of “kitskalf”, daarna “smalree”, eindelijk “rekke”, “hille”, of “reegeit”.
De Ree is, met uitzondering van de noordelijkste landen, over geheel Europa en het grootste deel van Azië verbreid. In Nederland kwam de Ree vroeger, evenals het Hert, zeer veelvuldig voor; ongemeen talrijk was zij (volgens H. Junius, “Batavia”) tusschen ’s-Gravenhage en Egmond; thans wordt zij niet anders dan op de Veluwe aangetroffen, evenwel niet uitsluitend op de Hooge Veluwe, maar ook op de Neder-Veluwe en de Veluwe-zoom. Zij bewoont voorts België, Duitschland, Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland en Schotland, Hongarije, Galacië, Zevenburgen, de Donau-laaglanden, het zuiden van Zweden, Polen, Littauen en de Oostzee-provinciën; zij is zeldzaam in Turkije en Griekenland, ontbreekt in het Noorden en midden van Rusland, maar komt in Ukraine en de Krim weer voor. Zij leeft verder in Kaukasië, Armenië, Klein-Azië, Palestina en Perzië, zoo ook in het midden en het zuiden van Siberië, voorzoover hier wouden zijn, oostwaarts tot aan de landstreken om de monding van den Amoer, zuidwaarts tot aan de Indisch-Mandsjoersche hooge gebergten; in de kale, niet met bosch begroeide, hooge steppen komt zij echter slechts zelden en in zeer kleinen getale voor.
Over het algemeen kan men zeggen, dat de Ree binnen haar verbreidingsgebied zoowel jonge boomaanplantingen, woudzoomen en kreupelbosschen als grootere wouden tot verblijfplaats kiest, indien de bosschen slechts rijk zijn aan kreupelhout; het is haar onverschillig of het houtgewas in het gebergte of in het vlakke land groeit, uit naaldboomen of uit loofboomen bestaat. Naar het schijnt, vestigt de Ree zich bijzonder graag in bosschen van breedgebladerde boomen, vooral in moerassige gewesten. In den winter begeeft zij zich van hoogere naar lager gelegen plaatsen, in den zomer volgt zij de omgekeerde richting. Hier te lande houdt zij zich bij voorkeur op in laagstammige bosschen, ook in zulke, die slechts los verbonden zijn met gesloten wouden, niet zelden ook in groote bebouwde vlakten; in den voorzomer vestigt zij zich voor goed op het bouwland en gaat over dag in het hooge graan liggen. Alleen van oorden waar zij zich volkomen veilig gevoelt, is zij een vaste bewoner; ook hier echter onderneemt zij gaarne lange zwerftochten, hetzij om het een of ander voedsel of om andere dieren van haar soort op te zoeken. Meer dan het Hert en veel meer dan het Damhert houdt de Ree er van, in alle opzichten vrij te zijn; zij verlangt daarom afwisseling van woonplaats, van voedsel en zelfs van gezelschap. Zij is niet alleen kieskeurig, maar zelfs echt wispelturig; heden bevalt het haar hier, morgen daar; soms getroost zij zich allerlei storingen, terwijl zij ze in andere gevallen zoo onaangenaam vindt, dat zij daarom niet zelden een streek voorgoed verlaat.
De bewegingen van de Ree zijn behendig en lieftallig. Zij kan verbazend groote, boogvormige sprongen doen en op deze wijze breede slooten, hooge heggen en struiken zonder merkbare inspanning overschrijden; ook zwemt en klimt zij goed. Zij hoort, ruikt en ziet voortreffelijk, is listig en voorzichtig, maar toch tevens zachtmoedig. “Vriendelijkheid en gezelligheid,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “zien haar de oogen uit; toch kan zij alleen getemd worden, wanneer zij sinds haar vroegste jeugd door den mensch kunstmatig is opgevoed; in ’t tegenovergestelde geval behoudt zij zelfs bij de meest zorgvuldige behandeling de schuwheid en de vrees voor menschen en dieren, die haar in den wilden toestand eigen zijn. Dit gaat zoo ver, dat zij, wanneer zij verrast wordt, niet alleen door een kort geschreeuw haar schrik laat blijken, maar ook de poging om zich door de vlucht te redden dikwijls opgeven moet, daar zij licht haar tegenwoordigheid van geest verliest, en dan in een kleine ruimte, terwijl de angst aan hare bewegingen alle vastheid ontneemt, niet zelden een slachtoffer wordt van gemeene, volstrekt niet vlugge boeren-honden of wel van Roofdieren. Alleen in perken waar zij zeer weinig beschoten worden of altijd rust hebben, leggen zij haar vrees voor den mensch in zoo ver af, dat zij zich door iemand, die haar op een afstand van 20 of 30 schreden voorbijgaat, niet in ’t grazen laten storen.”
Van de “vriendelijkheid en gezelligheid”, die Winckell zoo roemt, bespeurt men bij nadere kennismaking met de Ree meestal maar zeer weinig. Zoolang zij jong is, maakt zij wel is waar een zeer aangenamen indruk, op meer gevorderden leeftijd echter toont zij zich zeer eigenzinnig, weerspannig en boosaardig. Zelfs de oude reegeit is niet vrij van zulke kuren, hoewel haar lichaamskracht niet groot genoeg is om hare booze bedoelingen duidelijk te doen uitkomen; de reebok echter is een onverdraagzame, kwaadaardige, eigenlievende en heerschzuchtige klant, die zwakkere dieren van zijn slag en niet zelden ook de reegeit afschuwelijk behandelt; onmeedoogend mishandelt hij zijn kroost, zoodra hij meent, dat het hem in den weg zou kunnen staan bij ’t streven naar bevrediging zijner begeerten; alle wezens, die hij niet behoeft te vreezen, of uit gewoonte niet meer vreest, bedreigt hij met zijn gewei, dat hoogst gevaarlijke wonden kan veroorzaken.
De Reeën vormen nooit zulke talrijke troepen als de Herten. Gedurende het grootste gedeelte van het jaar zijn zij vereenigd tot familiën, die meestal uit één bok, één geit en hare jongen bestaat; zeldzamer bevat een troep 2 of 3 geiten; alleen daar waar te weinig bokken zijn, treft men troepen van 12 à 15 individuën aan. In den winter komt het soms voor, dat verscheidene familiën zich bijeenvoegen en gedurende geruimen tijd samenleven. De kalveren blijven tot den volgenden bronsttijd bij de volwassen dieren, maar worden dan door deze verdreven, en vormen dikwijls afzonderlijke troepen. Over dag houdt de Ree verblijf op een rustig en met schuilplaatsen voorzien plekje van het tijdelijk door haar bewoonde gebied. Tegen den avond, in veilige oorden ook wel in de late middaguren, begeeft zij zich naar jonge boomaanplantingen, naar weidegronden in en buiten het woud, of naar akkers om er voedsel te zoeken; tegen den morgen keert zij naar het dicht begroeide deel van het bosch of naar het hooge koren terug, slaat met de voorpooten de laag mos of zoden weg, en maakt zich op deze wijze een bed of leger, waar zij kan rusten. Gaarne, maar niet altijd geregeld, volgt zij bepaalde paden. Zij gebruikt nagenoeg hetzelfde voedsel als het Hert: de Ree is evenwel kieskeuriger, en zoekt bij voorkeur de meest malsche planten op. Bladen en jonge uitspruitsels van allerlei breedgebladerde boomen, knoppen van naaldboomen, groene graangewassen en andere kruiden vormen de hoofdbestanddeelen van haar maal. Zeer gaarne lekt zij zout; zuiver water is voor haar een behoefte; als het regent of sterk dauwt, is zij echter tevreden met de droppels, die op de bladen liggen. Hier en daar komt zij soms ook wel in de tuinen, welker lekkere groenten haar behagen; zij springt daartoe koen en behendig over tamelijk hooge afschuttingen.
Opmerkelijk is het, dat men de voortplanting van de Ree eerst in den laatsten tijd behoorlijk heeft leeren kennen. Jaren lang heeft er verschil van meening bestaan over den juisten tijd, waarin de bronst van de Ree inviel. Er was sprake van een “waren” en een “valschen” bronst; de eerste zou in Augustus, de laatste in November plaats vinden. Nauwkeurige onderzoekingen hebben echter tot de uitkomst geleid, dat de Reeën alleen in Augustus paren. Evenwel doet zich hierbij het merkwaardig verschijnsel voor, dat de ontwikkeling van het jonge dier eerst na November merkbare vorderingen maakt, en dat de geheele draagtijd 40 weken duurt, hetgeen voor een dier van deze grootte buitengewoon lang mag heeten.
Vier of vijf dagen vóór het werpen zoekt de reegeit in een eenzaam, afgelegen deel van het woud een stil plekje op, en brengt daar hare jongen ter wereld. Jonge wijfjes krijgen maar één enkel kalf, oudere twee, bij uitzondering zelfs drie kalveren. De moeder verbergt haar kroost zorgvuldig voor iederen naderenden vijand, en waarschuwt het bij den geringsten zweem van gevaar, door met een poot op den grond te stampen of door een kort, sjirpend geluid. In hun vroegste jeugd gaan de kalveren onmiddellijk liggen, zoodra zij deze signalen hooren; later nemen zij met hun moeder de vlucht. Gedurende de eerste levensdagen van de kalveren, zoolang deze nog te hulpbehoevend zijn om zich op de genoemde wijze te redden, tracht de reegeit den vijand om den tuin te leiden en hem van het spoor harer jongen af te brengen. Als haar een jong ontroofd wordt, zonder dat zij het verhinderen kan, ijlt zij den roover, ook den mensch, langen tijd na, en geeft aan haar bekommernis lucht door angstig heen en weer te loopen en door geschreeuw. “Meer dan eens,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “hebben deze bewijzen van moederliefde mij genoopt om het kalf, dat ik reeds medegenomen had, weder in vrijheid te stellen; de moeder beloonde mij hiervoor ruimschoots door de zorg waarmede zij onderzocht, of haar kind al of niet een ongeluk was overkomen. Vroolijk sprong zij om het jong heen, zoodra zij dit onbeschadigd had bevonden, en scheen het met liefkoozingen te overstelpen, terwijl zij het te gelijker tijd de uiers aanbood om het te laten zuigen.” Omstreeks 8 dagen na hun geboorte worden de kalveren door de reegeit medegenomen naar de weideplaats, na 10 à 12 dagen zijn zij sterk genoeg om haar snel te volgen. Nu keert zij met hen naar haar vorige verblijfplaats terug, als ’t ware met het doel om den vader zijn kroost te toonen.
Reeds tegen het einde van de vierde maand komt er een verhevenheid op het voorhoofdsbeen van den jongen bok; in de volgende weken ontstaan er kleine, voortdurend hooger wordende knobbels, en in de wintermaanden komen de eerste, 8 à 10 cM. lange “spiesen” te voorschijn. In Maart “veegt” de jonge bok, in de volgende Decembermaand werpt hij de “spiesen” af. Voordat er drie maanden verloopen zijn, is het tweede gewei gevormd. Dit wordt iets vroeger dan in den vorigen herfst afgeworpen en door het derde gewei vervangen.
De jacht op de Ree geschiedt nagenoeg op dezelfde wijze als die op ander groot wild, hoewel men haar tegenwoordig in districten, die niet volgens de jagers-regels behandeld worden, meer met hagel dan met kogels schiet. Behalve door den mensch wordt de Ree vervolgd door Lossen, Wolven, Wilde Katten en Vossen; de drie eerstgenoemde roofdiersoorten maken jacht op de oude dieren zoowel als op de jonge; de laatste tracht vooral de kalveren buit te maken; deze worden, naar men zegt, soms ook door de kleine, maar bloedgierige Wezel omgebracht.
Het nut, dat de Ree den mensch aanbrengt, is niet onbelangrijk; de schade die zij aanricht, betrekkelijk gering, hoewel altijd nog grooter dan het nut. Vooral jonge aanplantingen worden soms erg door haar beschadigd; in weinige dagen verijdelt zij den jarenlangen, moeitevollen arbeid van den houtteler. Als wildbraad wordt de Ree hoog geschat: bovendien maakt men gebruik van haar huid, hetzij als leder of als bont, en van haar gewei.
In het wildpark zoowel als in de diergaarde of in een andere beperkte ruimte gedijt de Ree minder goed dan andere Herten, omdat haar vrijheidlievende aard haar van iederen dwang afkeerig maakt. Zij is veeleischend, prikkelbaar en moeielijk te bevredigen, bovendien biedt zij weinig weerstand aan ongunstige omstandigheden; zij plant zich daarom volstrekt niet geregeld voort in den gevangen staat en bezwijkt niet zelden tengevolge van onbeduidende bezwaren. Jong gevangen Reeën kunnen gemakkelijk getemd worden en zijn dan vriendschappelijk gezind jegens menschen en dieren: zij gedragen zich als echte huisdieren en loonen de aan haar bestede moeite. Op den duur beleeft men echter alleen van de geit en niet van den bok genoegen; wijl deze langzamerhand zijn waren aard laat zien, m. a. w. driest, lastig en onbeschaamd wordt, terwijl de geit in den regel zachtzinnig blijft.
*
Tot besluit moeten wij nog een blik werpen op het geslacht der Muntsjakherten (Cervulus), die zich door geringe grootte, door de korte en onvolkomen geweien, de in ’t oogloopend lange hoektanden, de diepere en breede traangroeven en het gemis van den haarlok aan de achtervoeten onderscheiden. De soorten van dit geslacht bewonen van Zuid-China af de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten van het vasteland van Azië, benevens de naastbijgelegen eilanden.
De Muntsjak of Kiedang, de Rippface (“skeletgelaat”) der Engelschen (Cervulus muntjac), de bekendste soort van zijn geslacht, is een weinig kleiner dan onze Ree; zijn lengte bedraagt 115 à 124 cM. (waarvan 15 à 18 cM. op den staart komen), zijn schouderhoogte 65 à 70 cM. De beharing is kort, glad en dicht; de kleur van de bovendeelen is verzadigd geelbruin of donkerder, tot kastanjebruin; de achterbuik, de binnenzijde van de pooten, het achtervlak en het onderste deel van den staart zijn wit, het voorste deel van den buik en de borst geelachtiger. De stangen rusten op zeer lange rozestokken, zijn schuin naar achteren gericht, bij den oorsprong een weinig naar buiten en voren gebogen en daarna plotseling in de nabijheid van den top haakvormig naar achteren en binnen gekromd. Zeer eigenaardig zijn de rozestokken, die van onderen tamelijk dicht bijeengeplaatst zijn, weldra echter uiteenwijken en zich 8 à 10 cM. hoog verheffen; tot aan den rozenkrans zijn zij bekleed met een dichtbehaarde huid, welker haren langs den bovenrand in bosjes bijeengroeien; de rozenkrans zelf is zeer smal en bestaat uit één enkele kring van groote paarlen. Het wijfje draagt op de plaats van het gewei kuifvormige haarbosjes.
Sumatra, Java, Borneo, Banka en Hainan benevens het Maleische Schiereiland, Birma en Engelsch-Indië vormen het vaderland van den Muntsjak. Niet al te hoog gelegen gewesten, waar heuvels met dalen afwisselen, en in nog meerdere mate landstreken, die aan den voet van hooge gebergten grenzen, of in de nabijheid van groote wouden gelegen zijn, bevredigen, naar het schijnt, alle door dit wild aan zijn woonplaats gestelde eischen. Hier treft men den Kiedang afzonderlijk of bij paren aan. Op plaatsen, die bovendien waterrijk en onbewoond of schaars bevolkt zijn, gedijt dit Hert het best; hij kruipt of sluipt met omlaaggehouden kop als een Wezel door dicht begroeide, verwarde wildernissen heen en tusschen neergestorte boomen door; behendig weet hij zelfs door zeer kleine ruimten heen te dringen. Over dag zoowel als ’s nachts wordt zijn stem gehoord, die uit een rauw, schel, luidklinkend geschreeuw of geblaf bestaat, en in vele streken aanleiding gegeven heeft tot den naam, waarmede hij daar wordt aangeduid. De Muntsjak is een zeer moedig dier, dat zijn klein gewei en zijne hoektanden krachtig en op doeltreffende wijze weet te gebruiken. Vele Honden ondervinden dit; wanneer zij hem aanvallen, krijgen zij soms aan den nek en de borst of aan het onderlijf wonden, die hun het leven kunnen kosten.
Muntsjak (Cervulus muntjac). 1/12 v. d. ware grootte.
De gevangenschap verdraagt de Kiedang in zijn vaderland zonder eenig bezwaar en ook in Europa tamelijk goed. Dikwijls treft men hem getemd in het bezit van Europeanen en inboorlingen aan. Over ’t algemeen gezellig en gehecht aan zijne verzorgers, is hij toch, evenals de meeste Herten, zeer prikkelbaar en in dit geval boosaardig.
Naar men zegt, smaakt het wildbraad van dit dier goed, hoewel het mager is. De huid wordt niet gebruikt.
Door sommige dierkundigen worden eenige kleine, zeer sierlijk gebouwde Herkauwers, die volgens onze meening twee afzonderlijke familiën—de Muscusdieren en de Dwergmuscusdieren—behooren uit te maken, bij de familie der Herten gevoegd; wij zullen ze op deze laten volgen; zij bevatten onder andere ook de kleinste vertegenwoordigers der geheele orde.
De Muscusdieren (Moschidae) hebben geen gewei, geen traangroeven, geen op een borstel gelijkende haarbekleeding aan de achtervoeten (zooals bij de meeste Herten voorkomt) en een zeer onbeduidenden staart. De mannetjes van deze en van de volgende groep onderscheiden zich van alle overige Herkauwers door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. De hooge gebergten van China en Tibet zijn het vaderland van deze dieren. Daar bewonen zij meestal rotsachtige gewesten, zelden dalen, waarheen zij zich eigenlijk alleen dan begeven, wanneer de strenge winter hen van hunne hoogten verdrijft en voedselgebrek hen dwingt om naar meer begunstigde oorden de wijk te nemen.
De familie omvat slechts één geslacht, dat uit slechts één soort beslaat, n.l. het Muscusdier (Moschus moschiferus). Het is een sierlijke Herkauwer van 90 à 100 cM. lichaamslengte en 50 à 55 cM. schouderhoogte, gedrongen gebouwd, van achteren hooger dan van voren, met slanke pooten, korten hals, langwerpigen, aan den snuit stomp afgeronden kop, waaraan middelmatig groote, door lange wimpers overschaduwde oogen met zeer bewegelijke pupil, en eivormige ooren, half zoo lang als de kop, voorkomen. Tamelijk kleine, lange en spits toeloopende hoeven beschutten de teenen; deze kunnen, omdat zij door een huidplooi vereenigd zijn, ver van elkander verwijderd worden; geholpen door de tot op den bodem reikende bijhoeven, maken zij het loopen op sneeuwvelden en gletschers veilig en gemakkelijk. De kleur kan zeer verschillend zijn; sommige exemplaren zijn van boven zeer donker, van onderen echter vuil wit, andere roodbruin, weer andere van boven geelachtig bruin, van onderen wit, nog andere hebben een overlangsche reeks van lichte vlekken op den rug. De hoektanden steken bij het mannetje 5 à 7 cM. ver buiten den bek uit en zijn eerst flauw buitenwaarts, daarna sikkelvormig naar achteren gebogen. Het wijfje heeft eveneens hoektanden, doch deze blijven binnen den mond verborgen.
De muscuszak, waaraan deze dieren hun naam ontleenen, komt alleen bij het mannetje voor; hij ligt aan den achterbuik en vertoont zich bij uitwendig onderzoek als een afgeronde verhevenheid van ongeveer 6 cM. lengte, 3 cM. breedte en 4 à 5 cM. hoogte. Aan beide zijden is hij begroeid met stijf aanliggende haren met uitzondering van een onbehaarde kringvormige plek in het midden. Hier liggen achter elkander twee kleine openingen, die door korte buizen met de holte in den zak verbonden zijn; de voorste is halvemaanvormig, van buiten met grovere, van binnen met fijne, lange, verwarde haren bezet; de achterste is omgeven door een bundel van lange borstels. Kleine klieren binnen in den zak scheiden de muscus af; door de eerstgenoemde buis wordt de zak geledigd, wanneer hij te vol is. Eerst bij het volwassen Muscusdier heeft deze zak zijn volle grootte bereikt en is de muscusafscheiding het sterkst. Gemiddeld kan men aannemen, dat de zak 30 gram van deze kostbare stof bevat; bij sommige dieren heeft men echter meer dan het dubbele van deze hoeveelheid gevonden. Jonge bokken leveren ongeveer het achtste deel er van. In verschen toestand is de muscus week als zalf; gedroogd is zij een korrelige of poedervormige massa, die aanvankelijk een roodbruine kleur heeft, maar mettertijd donkerder en eindelijk koolzwart wordt.
Muscusdier (Moschus moschiferus). 1/12 v. d. ware grootte.
Zoomin de Grieken als de Romeinen kenden het Muscusdier, hoewel zij groote liefhebbers waren van welriekende zalven en deze meestal uit Arabië en Indië ontvingen. De Chineezen daarentegen maken reeds sinds eeuwen van muscus gebruik. De eerste berichten over het Muscusdier zijn door tusschenkomst van de Arabieren tot ons gekomen.
Het verbreidingsgebied van het Muscusdier strekt zich uit van den Amoer tot aan de Kaspische Zee en van 60° N. B. tot China en Achter-Indië. Het veelvuldigst komt het voor in de omstreken van het Baikal-meer en in de gebergten van Mongolië als ook in den Himalaja, waar het, naar men bericht, in den zomer zelden beneden de hoogte van 2500 M. afdaalt; in sommige van deze gewesten is het nog zoo talrijk vertegenwoordigd, dat beroepsjagers in één winter verscheidene honderden exemplaren kunnen dooden. Steile berghellingen en bosschen vormen de eigenlijke woonplaatsen van dit beroemde dier; het leeft er eenzaam of hoogstens bij paren. Zijn levenswijze wordt door Kinnloch met die van den Haas vergeleken, omdat het zich op dezelfde wijze een leger maakt, waarin het over dag nagenoeg voortdurend blijft. Bij het zoeken van voedsel geeft het de voorkeur aan hellingen, waarop grasrijke weideplaatsen met kleine kreupelboschjes afwisselen; eerst in de schemering of in de morgenuren komt het op weidegronden die vrij zijn van struiken. Zijne bewegingen zijn vlug en vast. Het loopt met de snelheid van een Antilope, springt even behendig als een Steenbok en klimt met de stoutmoedigheid van een Gems. Over sneeuwvelden, waar iedere Hond inzinkt en een mensch zich bijna niet bewegen kan, draaft het Muscusdier nog gemakkelijk heen, bijna zonder een zichtbaar spoor achter te laten. Als het vervolgd wordt, springt het, zonder zich te beschadigen, van een aanzienlijke hoogte naar beneden en loopt het langs wanden, die bijna geen gelegenheid bieden om vasten voet te vatten; in geval van nood zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen.
De zintuigen van dit dier zijn voortreffelijk, zijne geestesvermogens echter gering. Het Muscusdier is schuw, maar mist schranderheid en overleg. Als het door een ramp overvallen wordt, ziet het dikwijls in ’t geheel geen kans om zich te redden, en rent als zinneloos in ’t rond. Op dezelfde wijze gedraagt zich het dier, dat pas gevangen is.
Zes maanden na de paring werpt het wijfje één of twee jongen, die aanvankelijk bont gevlekt zijn. De moeder behoudt ze met trouwe liefde bij zich tot aan den volgenden paartijd, maar drijft ze dan weg. Aan het einde van het derde jaar zijn de jongen volwassen.
De jacht op dit zoo belangrijke en winstgevende wild levert, althans in Siberië, vele bezwaren op. Wegens zijn buitengewone schuwheid komt het den jager zelden op behoorlijken afstand voor ’t geweer. Gewoonlijk plaats men, om den gewenschten buit te behalen, strikken op de “wissels” van het dier. Dikwijls verhinderen de Veelvraat, de Siberische Wezel en de Raven deze wijze van vangst. De behaarde Roofdieren gaan het spoor van het Muscusdier na, en vreten het op, als het in den strik is vastgeraakt. De Baardgier en de Arend maken bovendien jacht op het jonge, de Panther en de Gepard op het volwassen dier. In den Himalaja wordt dit wild door Engelsche jagers “op den zoek” en gedurende drijfjachten gedood.
Het vleesch van het Muscusdier wordt zelfs door de Europeanen in Indië lekker gevonden; de muscuszak heeft een waarde van 6 à 18 gulden. De meeste muscus komt uit China in Engeland ter markt; men krijgt haar echter slechts zelden zuiver; van oudsher maken de sluwe bewoners van het Hemelsche Rijk zich schuldig aan het vervalschen van dit kostbare artikel. De reizigers uit vroegere eeuwen doen zonderlinge verhalen over de hevigheid van den muscusreuk. Tavernier en Chardin berichten, dat de jagers vóór het afsnijden van den muscus-zak zich den mond en den neus moesten dichtstoppen, omdat het onvoorzichtig inademen van de uitwaseming aanleiding zou geven tot doodelijke bloedingen. Chardin verzekert, dat hij nooit in staat geweest is om zelf de muscushandelaars te bezoeken, maar de inkoop van dit artikel steeds aan zijne handelsvrienden moest overlaten. De reuk is, naar hij verzekert, onverdraaglijk en voor Europeanen, die er niet aan gewoon zijn, zelfs gevaarlijk.
Over de levenswijze van het gevangen dier ontbreken tot dusver uitvoerige berichten. In het jaar 1772 kwam een Muscusdier, nadat het drie jaar lang onderweg was geweest, levend te Parijs aan en bleef hier nog drie jaar in leven. Het stierf aan een haarbal, die ontstaan was uit de haren, die het door zich te lekken in de maag had gekregen en die het spijskanaal in de nabijheid van de portier (waar de maag met den dunnen darm verbonden is) verstopt had. Vóór dien tijd was het altijd zóó gezond en flink geweest, dat het volgens het oordeel van de Fransche dierkundigen, op de hooge gebergten van Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden.
De laatste familie van de Herkauwers omvat de Dwergmuscusdieren (Tragulidae), waardoor de genoemde onderorde met die van de Niet-herkauwende Evenvingerigen (en meer bepaaldelijk met de familie van de Zwijnen) verbonden is. De hiertoe behoorende dieren bewonen West-Afrika en Zuid-Azië en zijn buitengewoon lieftallige schepsels. Men stelle zich een sierlijk, op een Ree gelijkend diertje voor, met tamelijk dikken romp, slanken, goed gevormden kop, fraaie, heldere oogen, pooten, die weinig dikker zijn dan een potlood en in zeer bevallige hoeven eindigen, een klein, aardig staartstompje, een zacht, tegen de huid aanliggend haarkleed van aangename kleur, zoo heeft men een denkbeeld van een Dwergmuscusdier. Van de Muscusdieren verschilt het, doordat de maag slechts uit drie afdeelingen bestaat; de boekmaag is van de lebmaag niet te onderscheiden; ook mist dit dier den muscuszak; de middelvoet is met een onbehaarden, eeltachtigen rand voorzien; het staartje is tamelijk lang behaard. Evenals in de vorige familie onderscheiden de mannetjes zich door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. Die van de onderkaak blijven, evenals die van beide kaken bij de wijfjes, binnen de mondholte verborgen.
De Kantsjil (Tragulus kanchil of Tragulus pygmaeus) is ongeveer 45 cM. lang, waarvan slechts 4 cM. op den staart komen; de schofthoogte bedraagt 20, de kruishoogte 22 cM. Het tamelijk fijne haar is aan den kop roodachtig vaal, aan de zijden lichter, op de kruin donker, bijna zwart, aan de bovenzijde van het lichaam roodachtig geelbruin, langs den rug sterk met zwart gemengd, naar de zijden lichter, aan de bovenzijde van den hals wit gesprenkeld en aan de onderzijde wit. De volwassen mannetjes hebben in de bovenkaak sterk gekromde hoektanden, die ongeveer 3 cM. buiten het tandvleesch uitsteken. De kleine, fijne hoeven zijn lichtbruinachtig hoornkleurig. De jonge dieren hebben dezelfde kleur als de volwassene.
Java, Singapoer en het Maleische Schiereiland zijn het vaderland van dit bekoorlijke dier; op Sumatra, Borneo en Ceylon wordt het, evenals in Indië, van de zuidspits tot aan den Himalaja op hoogten van hoogstens 600 M., door verwante soorten vervangen. Op Java vindt men het meer in het gebergte dan in de vlakte, aan den benedenrand van de oerwouden, die alle gebergten bedekken, meer bepaaldelijk in het daaraan grenzende kreupelhout, vanwaar het de met gras begroeide hellingen binnen weinige minuten bereiken kan. Nooit treft men het in troepen aan: het leeft eenzaam en hoogstens gedurende den bronstijd bij paren. Over dag rust en herkauwt het, verborgen tusschen dicht struikgewas; met het aanbreken van de schemering gaat het fourageeren en gebruikt dan allerlei bladen, kruiden en bessen als voedsel. Water is voor zijn welzijn onontbeerlijk.
Alle bewegingen van dit vlugge en lenige dier geschieden op, een buitengewoon sierlijke en lichte wijze. Het kan betrekkelijk groote sprongen doen en weet behendig alle moeielijkheden, die het op zijn weg ontmoet, te overwinnen. Daar de fijne ledematen echter weldra den dienst weigeren, zou het allicht een buit worden van zijne vijanden, als het hun niet door een eigenaardige list wist te ontkomen. Gewoonlijk tracht het zich bij dreigend gevaar in het struikgewas te verbergen; zoodra het echter gevoelt, dat het niet verder kan komen, gaat het rustig op den grond liggen en houdt zich dood, evenals de Opossum in dergelijke omstandigheden doet. De vijand nadert en meent met een greep zijn doel te zullen bereiken, maar op eens, nog voordat hij bij het diertje is gekomen maakt dit één of twee sprongen en rent bliksemsnel weg.
In den laatsten tijd worden exemplaren van deze of andere soorten van Dwergmuscusdieren dikwijls naar Europa overgebracht, en hier gedurende geruimen tijd in ’t leven gehouden. De eigenaars van rondreizende menagerieën zijn reeds overal geweest met den eenen of anderen vertegenwoordiger van deze diergroep, en hebben hem aan ’t publiek vertoond. Het dier trekt de aandacht door zijn lief en aardig voorkomen; het is zeer zindelijk; het poetst en likt zich aanhoudend. De groote, fraaie oogen zouden doen vermoeden, dat het ook door de ontwikkeling zijner geestvermogens zeer hoog staat, wat echter niet het geval is; het geeft op geenerlei wijze blijken van een groot verstand, maar is veeleer rustig, stil en vervelend. Het kent geen ander gebruik van den dag dan eten, herkauwen en slapen. Zelden hoort men zijn fijn, zacht stemmetje: een geluid, dat met een zwak geblaas vergeleken kan worden.
De Javanen maken, naar men zegt, ijverig jacht op dit dier en houden veel van zijn zacht en zoetachtig vleesch. Ook worden de fijne pootjes op sommige plaatsen met een gouden of zilveren beslag voorzien en daarna bij ’t stoppen van tabakspijpen gebruikt.
De tweede onderorde van de Evenvingerigen omvat de Niet-herkauwers, die over twee familiën worden verdeeld: de Zwijnen en de Nijlpaarden.
Bij de Borsteldieren of Zwijnen (Suidae) eindigt de zijdelings samengedrukte romp in een dunnen, langen en gekrulden staart; de nagenoeg kegelvormige, van voren afgeknotte kop loopt uit in een langwerpigen snuit, die van voren verbreed is tot een wroetschijf, waarin de neusgaten geplaatst zijn; de ooren zijn middelmatig groot en staan gewoonlijk rechtop; de oogspleten hebben een scheeve richting en laten betrekkelijk kleine oogen zien; de pooten zijn slank en dun, de teenen bij paren gegroepeerd; de 2 middelste, die het lichaam dragen, zijn aanmerkelijk grooter dan de 2 buitenste. De huid is bedekt met een meer of minder dicht borstelkleed. De talrijke op 2 reeksen geplaatste melktepels van ’t wijfje komen aan den buik voor. Het geraamte is licht gebouwd en sierlijk van vorm. Bij alle Zwijnen zijn in de boven- zoowel als in de onderkaak alle drie soorten van tanden aanwezig. Het aantal snijtanden wisselt af van 1 tot 2 in elke bovenkaakshelft, en van 2 tot 3 in elke onderkaakshelft; niet zelden vallen deze tanden echter op lateren leeftijd uit. De hoektanden, die altijd voorhanden zijn, hebben een zeer eigenaardige gedaante: driekantig, sterk gekromd en bovenwaarts gebogen. De kiezen, welker aantal verschilt, zijn deels zijdelings samengedrukt, deels breed en met vele knobbels bezet. Van de spieren verdienen vermelding die, welke de lippen bewegen; vooral de spieren van de bovenlip zijn zeer forsch ontwikkeld, en verleenen den snuit voor ’t wroeten de noodige kracht. Bij overvloedige voeding vormt zich onder de huid een speklaag, die een dikte van verscheidene centimeters kan bereiken.
Met uitzondering van Australië, waar alleen tamme Varkens voorkomen, bewonen de Borsteldieren bijna alle landen van de overige werelddeelen. In groote, moerassige wouden van bergachtige of vlakke gewesten, in vochtige wildernissen of andere ruig begroeide plaatsen, op met lang gras bedekte, drassige vlakten en op akkers houden zij verblijf. Alle zijn zeer gesteld op de nabijheid van water; zij zoeken moerassen, poelen en de oevers van rivieren en meren op; hier maken zij door in de modder te wroeten een leger, waarin zij gedurende hun rusttijd dikwijls half in ’t water liggen; enkele soorten vinden ook wel een schuilplaats in groote gaten onder boomwortels. Voor ’t meerendeel zijn deze dieren gezellig van aard; de door hen gevormde troepen zijn echter zelden zeer talrijk. Zij hebben een nachtelijke levenswijze, want ook op plaatsen, waar zij geen gevaar behoeven te vreezen, beginnen zij hunne werkzaamheden eerst, als de schemering aanvangt. Zij zijn volstrekt niet zoo plomp en onbeholpen, als zij er uitzien; integendeel, hunne bewegingen zijn betrekkelijk vlug. Hun gang is tamelijk snel, zij draven flink, hun galop bestaat uit een opeenvolging van eigenaardige sprongen, die alle gepaard gaan met een veel beteekenend geknor. Alle zwemmen voortreffelijk; zij trekken zelfs zeearmen over, om van het eene eiland op het andere te komen. Ook de zintuigen van de Zwijnen, vooral de reuk en het gehoor, zijn goed ontwikkeld; zij speuren en hooren uitmuntend. Naar het schijnt, ziet het kleine en flauwe oog niet bijzonder scherp, en zijn ook de smaak en het gevoel weinig ontwikkeld. Hoewel zij ieder gevaar in den regel voorzichtig en schuw ontvlieden, zullen zij toch, in ’t nauw gebracht, zich dapper te weer stellen en dikwijls zelfs zonder eenige aarzeling hunne tegenstanders aanvallen. Zij trachten deze dan omver te loopen en met hunne scherpe hoektanden of “houwers” te wonden; zij weten deze vreeselijke wapens werkelijk met zoo veel behendigheid en met zoo groote kracht te gebruiken, dat zij zeer gevaarlijk kunnen worden. De mannetjes (beren) verdedigen hunne wijfjes (zeugen) en deze hare jongen (biggen) met veel zelfopoffering. De zwijnen zijn onleerzaam en koppig en, naar het schijnt, voor geen hoogeren graad van ontwikkeling vatbaar; over ’t geheel genomen kan men hunne eigenschappen niet bepaald innemend noemen. Hun stem is een merkwaardig geknor, dat veel welbehagen en tevredenheid verraadt, en dus van een blijmoedige levensopvatting getuigt. Van oude “beren” hoort men ook wel een zwaar gebrom.
De Zwijnen zijn alleseters in de ruimste beteekenis van het woord. Alle eetbare voorwerpen, die zij vinden, zijn van hun gading. Weinige soorten voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen: wortels, kruiden, veld- en boomvruchten, bollen, paddestoelen enz.; de overige verslinden bovendien ook nog Insecten en hunne larven, Slakken, Wormen, Kikvorschen, Muizen, ja zelfs Visschen, en bijzonder gaarne krengen. Hun vraatzucht is zoo algemeen bekend, dat het niet noodig is hierover uit te wijden; deze eigenschap beheerscht eigenlijk alle overige, met uitzondering alleen van de voorbeeldelooze onzindelijkheid, die hun de verachting van den mensch op den hals heeft gehaald.
Slechts bij zeer weinige soorten werpt de zeug een gering aantal jongen (of slechts één); de overige brengen vele jongen ter wereld, soms wel 24: dus meer dan eenig ander Zoogdier. De biggen zijn alleraardigste, vroolijke, vlugge schepsels, waarin iedereen behagen zou scheppen, indien zij niet van den eersten levensdag af de onzindelijkheid van hunne ouders lieten blijken. Zij groeien merkwaardig snel en zijn reeds op éénjarigen leeftijd voor de voortplanting geschikt; in alle landen waar het leven hen vroolijk tegenlacht, krioelt het dan ook van deze dieren; zelfs daar, waar men ze volstrekt niet ontziet, kunnen zij hoogst moeielijk uitgeroeid worden.
Door hun buitengewoon sterk voortplantingsvermogen en hun onverschilligheid voor gewijzigde omstandigheden zijn zij uitnemend geschikt voor huisdieren. Weinige dieren laten zich zoo gemakkelijk temmen, weinige verwilderen echter ook weer zoo licht als zij. Een jong Wild Zwijn geraakt meestal spoedig aan de gevangenschap, aan het leven in den smerigsten stal, gewoon; een als huisdier geboren Zwijn wordt reeds, nadat hij weinige jaren in vrijheid heeft doorgebracht, een wild en boosaardig dier, dat ternauwernood nog van zijne wilde voorouders verschilt, en in den regel reeds bij den eersten worp jongen voortbrengt, die volkomen op de echte Wilde Zwijnen gelijken.
Alle Wilde Zwijnen voegen den landbouwer zooveel schade toe, dat zij niet geduld kunnen worden in gewesten waar de bodem bebouwd wordt. Overal waar de mensch zich voor goed gevestigd heeft, worden zij daarom zoo ijverig mogelijk vervolgd. De jacht op deze dieren wordt als een der edelste jachtbedrijven aangemerkt, en heeft werkelijk zeer veel aantrekkelijks, daar zij wezens betreft, die hun leven soms zeer duur weten te verkoopen.
Alleen in de noordelijkste gewesten trouwens is de mensch de ergste vijand van de in ’t wild levende Zwijnen. De soorten, die in de keerkringslanden wonen, worden aanhoudend vervolgd door de groote leden van de familie der Katten en Honden, die soms een groote slachting onder de zwijnenkudden aanrichten. Vossen, kleine Katten en Roofvogels durven alleen biggen aanvallen; zij doen dit steeds met groote voorzichtigheid, daar de zeug haar kroost krachtdadig weet te verdedigen.
Alle soorten van Zwijnen gelijken op elkander, wat lichaamsbouw en aard betreft. Het geringe verschil, dat tusschen hen bestaat, berust op de meerdere of mindere slankheid van het lichaam, het aantal teenen en tanden en de ontwikkeling der slagtanden. 44 tanden, 4 teenen aan iederen voet en meestal 10 (minstens 8) tepels aan den buik van ’t wijfje, eivormige, behaarde ooren en een middelmatig langen, aan de spits ruig behaarden staart kenmerken de Zwijnen in de meest beperkte beteekenis van het woord (Sus), waarvan het Europeesche Wilde Zwijn (de Ever, sus scrofa) een waardige vertegenwoordiger is. Dit sterk, forsch en weerbaar dier bereikt een totale lengte van ruim 2 M. (1.8 M. zonder den 25 cM. langen staart), een schouderhoogte van 95 cM. en een gewicht van 150 à 200 KG.; de grootte en het gewicht verschillen evenwel aanmerkelijk naar de verblijfplaats, het jaargetijde en het voedsel. De Wilde Zwijnen, die in moerassige streken leven, zijn altijd grooter dan die, welke in droge wouden voorkomen; die, welke op de eilanden van de Middellandsche Zee thuis behooren, staan altijd achter bij die van het vasteland. Door zijn gestalte gelijkt het Wilde Zwijn op zijn getemde afstammeling; zijn romp is echter korter en meer gedrongen; de pooten zijn steviger, de kop iets langer en slanker, de ooren staan meer overeind en zijn een weinig langer en spitser; bovendien worden de slagtanden grooter en scherper bij het Wilde dan bij het Tamme Zwijn. De kleur is verschillend, over ’t algemeen rechtvaardigt zij echter den jagersterm “Zwartwild”; want grijze, roestkleurige, witte en gevlekte Wilde Zwijnen zijn zeldzaam. De jongen hebben op grijs roodachtigen grond geelachtige strepen, die tamelijk recht van voren naar achteren loopen, maar reeds in de eerste levensmaanden verdwijnen. Het haarkleed bestaat uit stijve, lange en spitse, aan den top dikwijls gespleten borstels; daartusschen staan korte, fijne wolharen, die, in verband met het jaargetijde, meer of minder overvloedig zijn. Aan den onderhals en den achterbuik zijn de borstels naar voren, aan de overige lichaamsdeelen naar achteren gericht; op den rug vormen zij een soort van kam of manen. Zwart of roetkleurig bruin is hun gewone kleur, de spitsen zijn echter geelachtig, grijs en roodachtig, hierdoor wordt de algemeene tint iets lichter. De ooren zijn zwartbruin, de snuit en de onderste helft van de pooten en klauwen zwart; aan het voorste gedeelte van het aangezicht is het borstelkleed gewoonlijk gesprenkeld. De roestkleurige en witgevlekte of half-zwarte en half-witte Zwijnen, die op sommige plaatsen voorkomen, houdt men voor afstammelingen van verwilderde Huiszwijnen, die indertijd losgelaten zijn om deze soort van wild te vermeerderen.
Vroeger was het Wilde Zwijn over geheel Europa verbreid; in het midden en in het zuiden van dit werelddeel kwam het overal veelvuldig voor. In Nederland trof men het vooral aan in de bosschen van het oostelijke gedeelte (o. a. in ’t Groesbeeksche en ’t Soerensche bosch); in sommige was het zelfs tot in het begin dezer eeuw vrij talrijk; sedert ruim 50 jaar is het van hier verdwenen; het exemplaar dat in November 1861 te Wehl, nabij ’s Heerenberg, in de heerlijkheid van den graaf Van Golst geschoten werd, kan men als een overlooper uit de naburige Pruisische Rijnprovincie aanmerken. Ook in verscheidene andere Europeesche landen en gewesten is het tot vreugde van allen, die in land- en boschbouw belangstellen, en tot verdriet van alle jagers geheel uitgeroeid, of leeft het nog maar alleen in wildparken. Zijn verbreidingsgebied reikt niet verder dan tot 55° N.B. In Duitschland komt het in een staat van volslagen wildheid steeds nog talrijker voor, dan den boer lief is. Zoo vindt men het in den Elzas en in de Rijnlanden, in Hessen, Nassau, Hannover, Pommeren, Oost- en West-Pruisen, ook hier en daar in Brandenburg en Opper Silezië, Anhalt, Saksen en Thuringen; het is dus eigenlijk alleen in de vlakten, die arm aan bosschen zijn en in eenige kleine Duitsche Middelgebergten geheel verdelgd. Veelvuldiger nog dan in Duitschland treft men het aan in enkele wouden van de Fransche en Belgische gebergten, alsook in Polen, Galicië, Hongarije, de lage landen van het Donau-gebied, Zuid-Rusland, het Balkan-Schiereiland, Spanje en Portugal. In Azië wordt het gevonden van den Kaukasus tot den Amoer en van 55° N.B. tot aan de noordelijke helling van den Himalaja; in Afrika bewoont het alle voor zijn levenswijze geschikte oorden van den geheelen noordelijken rand van dit werelddeel. Eerst aan de overzijde van de hier aangeduide verbreidingsgrenzen wordt het door andere soorten vervangen. Deze zijn gedeeltelijk nog niet voldoende onderzocht en kunnen dus nog niet met zekerheid als goed omschreven soorten aangenomen worden. Op het vasteland van Indië heeft men het Manenzwijn (Sus cristatus), op de Andamanen het Andamanische Zwijn (Sus andamanensis), op Borneo het Baardzwijn (Sus barbatus), het Gestreepte Zwijn (Sus vittatus) en het Wrattenzwijn (Sus verrucosus); het Baardzwijn komt ook op Java en Ceram voor; op Celebes leeft het Celebes-zwijn (Sus celebensis), op Timor het Timor-zwijn (Sus timorensis), op Nieuw-Guinea het Papoea-Zwijn (Sus papuensis) en het Zwarte Zwijn (Sus niger), in Japan en op Formosa het Witbaardzwijn (Sus leucomystax), in het binnenland van Noordoost-Afrika eindelijk het Sennaar-zwijn (Sus sennarensis). De sterke Indische Ever schuwt den strijd met den Tijger in ’t geheel niet en komt niet zelden als overwinnaar van de kampplaats; trouwens alleen een zeer onervaren Tijger durft een strijd met zulk een oud gediende aan te binden.
Vochtige en moerassige gewesten verschaffen op vele plaatsen aan Wilde Zwijnen een verblijfplaats, om ’t even of hier uitgestrekte bosschen groeien, of dat de streek niet anders dan moerasplanten aanbiedt; een groote voorliefde toonen zij echter voor uitgestrekte, jonge en dichte naaldhoutbosschen. In vele streken van Egypte houden de Wilde Zwijnen jaar in jaar uit in de suikerrietplantages verblijf, zonder deze ooit te verlaten; zij vreten de riethalmen op, baden zich in het water, dat over de velden wordt geleid en gevoelen zich hier zoo goed thuis, dat geen pogingen om hen te verdrijven baten. Ook in Azië verlaten zij op sommige plaatsen de wouden om althans tijdelijk zich te vestigen in het hooge gras aan de oevers van stroomend en stilstaand water. Om uit te rusten wroet het Zwijn een uitholling in den grond, die juist groot genoeg is om zijn lichaam te bevatten; in dit leger dat, als hiertoe een goede gelegenheid bestaat, bekleed wordt met mos, droog gras en bladen, vleit het zich op zijn gemak neder. De tot een troep vereenigde Zwijnen maken op dergelijke plaatsen een gemeenschappelijk leger, waarin alle leden van het gezelschap zich zóó neerleggen, dat de koppen naar het middenpunt gekeerd zijn.
De Wilde Zwijnen zijn zeer gezellige dieren, die gewoonlijk zich tot troepen vereenigen: de zeugen leven in gezelschap van de biggen van beneden het jaar, van de 1 à 1½ jaar oude, voor de voortplanting geschikte “overloopers” en van de jonge mannetjes, die minder dan 4 jaar oud zijn; oudere mannetjes vormen niet zelden een afzonderlijken troep van “grove” zwijnen; de “beren” die een leeftijd van minstens zeven jaar hebben, leven eenzaam en voegen zich eerst in den paartijd bij den troep. Over dag liggen zij stil en lui in hun leger, tegen den avond staan zij op om voedsel te zoeken. Hiertoe begeven zij zich naar het bosch of naar een weiland, waar zij met den snuit in den grond wroeten. Soms echter is hun eerste werk het opzoeken van een plas, waarin zij zich een halfuurtje rondwentelen. Zulk een opfrissching hebben zij, naar het schijnt, volstrekt noodig, dikwijls getroosten zij zich een wandeling van eenige mijlen om een bad te kunnen nemen. Zij wachten tot alles rustig is, voordat zij zich naar het bouwland begeven; van de akkers, waarin zij eens doorgedrongen zijn, laten zij zich zoo licht niet verdrijven. Als het graan begint vrucht te zetten, is het zeer moeielijk ze er van af te houden en vernieling van den oogst te voorkomen. Zij vreten veel minder dan zij verwoesten, vooral hierdoor worden zij zoo buitengewoon schadelijk. In het woud en op de weide zoekt het “Zwarte Wild” Wormen, truffels, larven van Insecten en andere lagere dieren, in den herfst en in den winter echter afgevallen eikels, beukels, hazelnoten, kastanjes in het bosch, aardappels, rapen, graan en allerlei peulvruchten op den akker. Het Wild Zwijn vreet trouwens behalve allerlei plantaardige ook verscheidene dierlijke stoffen, o.a. gestorven vee, het op de jacht gedoode wild en zelfs lijken van zijne soortgenooten. In sommige omstandigheden gedraagt het zich als een Roofdier; het valt wildkalveren aan; ook vervolgt en doodt het Reeën, Damherten en Edelherten, die aangeschoten of door onvoldoende voeding verzwakt zijn; ingeval van nood vreet het zijn eigen jongen op. Door voedselgebrek wordt het, vooral in strenge winters, gedwongen tijdelijk een andere standplaats op te zoeken; soms moet het hiervoor tamelijk groote reizen doen.
Door zijne eigenschappen gelijkt het Huiszwijn in vele opzichten nog op zijn voorvader; men kan derhalve licht uit het eene dier afleiden, hoe het andere is. Het spreekt van zelf, dat het Wilde Zwijn een veel volkomener en moediger wezen is dan ons door de slavernij bedorven staldier. Alle bewegingen van het Wilde Zwijn zijn, hoewel eenigszins plomp en onbehouwen, toch snel en onstuimig. Het loopt tamelijk vlug en bij voorkeur rechtuit; vooral de beer houdt er niet van plotselinge wendingen te maken. Op verbazingwekkende wijze breken de Wilde Zwijnen door wildernissen heen, die voor andere dieren volkomen ondoordringbaar zijn. Zij zwemmen uitmuntend, soms zelfs over zeer breede watervlakten, en door de zee van het eene eiland naar het andere; men heeft opgemerkt, dat Zwijnen een afstand van 6 à 7 KM. met gemak doorzwemmen.
Alle Wilde Zwijnen zijn voorzichtig en bedachtzaam, maar eigenlijk niet schuw, omdat zij op hun eigen kracht en hunne wapens kunnen vertrouwen. Over ’t algemeen zien zij bijzonder slecht, maar hooren en ruiken zeer scherp. Hun reukzin behoeft niet onder te doen voor dien van het Edelhert: op een afstand van 500 à 600 schreden kunnen zij van een mensch de lucht krijgen; hun waakzaamheid neemt toe, zoodra zij een versch spoor van een mensch ontmoeten. Hun inborst is een zonderling mengelmoes van welgevallige rust, argelooze goedaardigheid, uitgelatenheid en ongewone prikkelbaarheid. Zelfs het krachtigste Zwijn zal, als het niet vertoornd is, den mensch geen kwaad doen; alleen jegens den Hond is het altijd vijandig gezind; steeds tracht het hem te wonden. Een Wild Zwijn, vooral een oude beer, verdraagt echter geen beleediging; het duldt zelfs geen plagerij. Om een mensch, die bedaard zijn weg vervolgt, bekommert het Wild Zwijn zich niet; het gaat zelfs voor hem uit den weg; wanneer het dier echter geplaagd wordt, gebeurt het niet zelden, dat het een man, al is deze gewapend, onmiddellijk aanvalt. Dietrich aus dem Winckell verhaalt, dat hij eens als onervaren jongeling een Zwijn, dat overigens geen spoor van boosaardigheid toonde, in ’t voorbijrijden met de zweep een slag gaf, maar daarna zoo hard mogelijk moest rijden, om aan het woedende dier te ontkomen. “Voor gewonde Wilde Zwijnen,” zegt hij, “heeft zelfs de jager reden om op zijn hoede te zijn. Ongeloofelijk snel komt het Zwijn aanrennen, wanneer het een mensch of een dier gaat aanvallen. Met zijne slagtanden brengt het krachtige, gevaarlijke slagen toe; zelden echter houdt het zich onderweg op en nog zeldzamer keert het weer terug. Het is zaak in zulke gevallen de tegenwoordigheid van geest niet te verliezen, maar het Zwijn tot op korten afstand te laten naderen, en nu schielijk achter een boom, of, indien dit niet mogelijk is, eenvoudig ter zijde te springen; het woedende dier, dat niet behendig van richting kan veranderen, zal dan voorbijrennen. Hem, die voor deze middelen tot redding geen tijd of gelegenheid heeft, zij het geraden op den grond te gaan liggen, want de vechtende beer kan niet anders dan naar boven, nooit echter naar onderen slaan.” De zeug wordt niet zoo licht toornig als de beer, maar is ongeveer even moedig. Hoewel zij met hare slagtanden geen gevaarlijke wonden kan slaan, is zij vooral niet minder te vreezen dan de beer, daar zij bij het dier, dat haar woedend heeft gemaakt, staan blijft, het met de hoeven vertrapt en het groote stukken vleesch uit het lichaam bijt. Ook jongere Zwijnen en zelfs biggen vallen den mensch aan; de jongen worden met onwankelbaren moed door de oudere dieren verdedigd. De zeugen, welker biggen nog klein zijn, geven de vervolging van den roover van een harer kinderen niet spoedig op.
Als men de slagtanden van een goed ontwikkeld Zwijn beschouwt, begrijpt men, dat deze wapens een vreeselijke werking kunnen uitoefenen. Zoowel die van de onderkaak als die van de bovenkaak zijn wit en glanzig, buitengewoon scherp en puntig; worden mettertijd door voortdurende schuring tegen elkander steeds scherper en spitser. Hoe ouder het Zwijn wordt, des te sterker krommen zich alle slagtanden, in verband met hunne steeds toenemende lengte en dikte; de slagen die het dier er mede kan toebrengen, zijn in de hoogste mate gevaarlijk en kunnen doodelijke gevolgen hebben.—De stem van het Wilde Zwijn komt in alle opzichten met die van ons tamme Zwijn overeen.
Tegen het einde van November begint de paartijd van de Wilde Zwijnen; deze duurt ongeveer 4 of 5, misschien wel 6 weken; 18 à 20 weken na de paring werpt of “bigt” de zeug; als zij jong is, bedraagt het aantal biggen 4 à 6, bij oudere dieren 11 of 12. Vooraf heeft zij zich in een eenzaam, dicht begroeid deel van het woud een met mos, dennenaalden of bladen bekleed leger gereedgemaakt; het kroost, waarvoor zij zooveel liefde gevoelt, houdt zij gedurende de eerste 14 dagen zorgvuldig in het leger verborgen; zij verlaat het slechts zelden en voor korten tijd om voedsel te zoeken.
Een troep van deze jonge, fraai geteekende diertjes, levert een alleraardigst schouwspel op: in hun prille jeugd zijn de biggen allerliefste, bijzonder potsierlijke schepsels. Hun kleed staat hun voortreffelijk; de vroolijkheid en moedwilligheid van de jonge Zwijnen vormen een volledige tegenstelling met de traagheid en onhandelbaarheid van hunne ouders. Vol ernst gaat de zeug voor hare biggen uit; deze loopen schreeuwend en knorrend door elkander heen, gaan onophoudelijk van elkaar af en komen weer terug, blijven een tijdlang ergens staan, om in den grond te wroeten of om een plompe grap uit te halen; daarna verdringen zij elkander weer om bij de moeder te komen, die zij omringen en tot stilstaan dwingen, als zij verlangen te zuigen, waarna zij vroolijk hun weg vervolgen; zoo gaat het gedurende den geheelen nacht; zelfs over dag kan dit onrustige gezelschap zich in het leger niet stil houden: de biggen krioelen onophoudelijk dooreen.—De leeftijd dien het Wilde Zwijn bereiken kan, wordt 20 à 30 jaar geschat. Een tam Zwijn zou nooit zoo oud worden, zelfs indien het door den mensch gespaard werd; het gemis van de vrijheid en van het voor hem dienstige voedsel verkorten zijn leven. De Wilde Zwijnen zijn waarschijnlijk slechts aan weinige ziekten onderhevig, maar hebben vele vijanden, waarvan de Wolf en de Los in Midden-Europa de voornaamste zijn; ook de sluwe Vos zal zich soms aan een bigje vergrijpen; in zuidelijker gewesten maken de groote Katten, vooral de Tijger, met ijver jacht op dit vette wild. De grootste vijand van dit dier is echter altijd en overal de mensch. De wilde zwijnenjacht werd van oudsher als een ridderlijk vermaak beschouwd en hoog geacht; tegenwoordig is zij bij onze naburen trouwens veeleer een spel dan een strijd tusschen de jagers en hun wild. In den ouden tijd was het anders gesteld, vooral toen nog de kruisboog en de speer of het “vangijzer” de gebruikelijke jachtwapens waren.
Tegen de Honden verdedigt het Wilde Zwijn zich met volhardenden moed. In vroegeren tijd gebruikte men op de wildezwijnenjacht behalve Hitshonden ook nog zoogenaamde “Zwijnenvinders”, moedige, sterke en vlugge dieren, die in half wilden toestand gehouden werden en alleen voor de jacht op “Zwartwild” dienden. De “Zwijnenvinders” moesten het wild zoeken, de Hitshonden hielden het vast. Eer deze in de gelegenheid waren het aan te pakken en in bedwang te houden door het bij de ooren te grijpen, werd menigen Hond door zijn vijand den buik opengereten of een andere wonde toegebracht. Zoo werd de Ever vastgehouden, totdat de jager naderkwam om het “af te vangen” (met het jachtmes of met den “spriet” te dooden).
Het vleesch van het Wilde Zwijn wordt terecht zeer geschat, omdat het behalve den smaak van het varkensvleesch een echten wildsmaak heeft. De huid wordt eveneens gebruikt en de borstels zijn zeer gezocht. Maar hoe groot het nut van deze dieren ook moge zijn, tegen de schade, die zij aanrichten, weegt het bij lange na niet op.
Niet alleen het Europeesche Wilde Zwijn, maar ook verscheidene van zijne verwanten uit Voor- en Achter-Indië en andere Aziatische landen zijn naar het schijnt, reeds sedert overouden tijd huisdieren geworden. Volgens Julien fokte men reeds omstreeks 4900 jaar vóór den aanvang onzer tijdrekening Tamme Zwijnen in het Hemelsche Rijk; volgens Rütimeijer’s onderzoekingen waren in den tijd toen de paalwoningen in Zwitserland bewoond werden, hier reeds twee verschillende rassen van het nuttige huisdier.
“Door de oude Egyptenaars,” schrijft Dümichen, “werd het Zwijn als huisdier gehouden. De opschriften op de gedenkteekenen maken melding van dit dier: zoowel afzonderlijke Zwijnen als geheele kudden zijn hier afgebeeld. Naar het schijnt, werd het echter alleen gefokt om op sommige jaarlijks wederkeerende feesten geofferd te worden.” In den Bijbel wordt dit dier dikwijls genoemd; ook in de Odyssee staat het als een algemeen bekende beschermeling van den mensch vermeld.