Harrison-zwijn. 1/18 v. d. ware grootte.

Harrison-zwijn. 1/18 v. d. ware grootte.

Tallooze rassen zijn sedert dien overouden tijd ontstaan en tenietgegaan; ook thans nog komen er telkens nieuwe bij, terwijl de oudere deels onder den invloed van de eischen der praktijk, deels bij toeval of door een gril verdwijnen. Fitzinger zoowel als Von Nathustus zijn van oordeel, dat alle thans bestaande rassen van twee verschillende vormen of soorten afgeleid kunnen worden, n.l. van ons Europeesch Wild Zwijn en van het Zuid-Aziatische Manenzwijn (Sus cristatus). Dit wil echter niet zeggen, dat geen andere Indische, Maleische of Chineesche soorten tot de vorming van de rassen van het Tamme Zwijn kunnen hebben bijgedragen. Hoe groot de verscheidenheid van deze rassen ook moge zijn: steeds is hun ontstaan en weer tenietgaan—en dat van alle andere vormen, die onder den invloed van den mensch op het wereldtooneel verschenen—te verklaren door de vrijwillige of gedwongen toepassing van de teeltkeus en door de zoo zeer verschillende omstandigheden, waarin de Tamme Zwijnen leven. Kunstproducten, door den mensch voortgebracht, zijn alle rassen, die tegenwoordig gezocht en bewonderd worden; het gespierde Berkshire-, zoowel als het buitengewoon vette Harrison- of het massieve Dwergzwijn; een kunstproduct is ook het Maskerzwijn, waarin een gril van Japansche fokkers belichaamd werd. Wij laten het aan anderen over deze en alle overige rassen te beschrijven en werpen nog een vluchtigen blik op de levenswijze en de eigenschappen van het dier.

Het Tamme Zwijn is tegenwoordig over het grootste gedeelte der aarde verbreid. Zoover noordwaarts als de landbouw beoefend wordt, leeft het als huisdier, in zuidelijke landen komt het meer in de vrije natuur voor. Daar het eigenlijk in moerassige gewesten thuis behoort, ondergaat het wijzigingen, wanneer men het in het gebergte brengt. Hoe hooger het komt, des te meer neemt het de eigenschappen van een bergbewoner aan. De romp wordt kleiner en meer gedrongen, de kop korter en minder spits toeloopend, het voorhoofd breeder; de hals verkort zich en verkrijgt een grootere dikte, het achterdeel wordt meer afgerond en de stevigheid der pooten neemt toe. Met deze veranderingen gaan gepaard: het afnemen van de vetvorming, het malscher en fijner worden van ’t vleesch en de vermindering van de vruchtbaarheid. Het klimaat, de aard van den bodem, de wijze van fokken en de kruising hebben ook een zekeren invloed op de kleur; daarom heeft in sommige gewesten deze, in andere gene kleur de overhand. Zoo ziet men in Spanje bijna niet anders dan zwarte Varkens, terwijl deze bij ons in ’t noorden zeldzaam zijn.

De Varkens wonen en worden gemest in een hok, of wel gedurende een groot deel van ’t jaar in de open lucht gehoed. De in een hok opgesloten dieren worden grooter en vetter, maar zijn zwakker en aan meer ziekten blootgesteld dan die, welke gedurende een groot deel van hun leven in de vrije natuur verkeeren; deze staan gewoonlijk een weinig hooger op de pooten; zij zijn magerder, maar veel krachtiger, zelfstandiger en moediger dan gene. Niet alleen in Amerika houdt men de varkens om zoo te zeggen in ’t bosch, maar ook in de meeste provinciën van Rusland, in de lage landen langs den Donau, in Griekenland, Italië, het zuiden van Frankrijk en in Spanje. In Skandinavië loopen de Varkens, altijd gedurende den geheelen zomer, naar vrije verkiezing rond, ieder met een klein, driehoekig, houten gareel om den hals, dat hun het doordringen in de omheinde eigendommen verhindert, maar hen overigens niet hindert. Als men door Noorwegen reist, ziet men de Varkens op hun gemak langs de wegen loopen, hier allerlei afval opzoeken en op andere wijze in hun onderhoud voorzien. In het zuiden van Hongarije, in Kroatië, Slavonië, Bosnië, Servië, Turkije en Spanje worden de Varkens gedurende het geheele jaar aan zich zelf overgelaten; men past er alleen maar op, dat zij niet te ver afdwalen. Zij maken hier gebruik van al wat het bosch oplevert, en verkeeren vooral in de eikenwouden in de meest gunstige omstandigheden om zich te voeden en vet te worden. In Spanje komen zij tot op groote hoogte in ’t gebergte voor; in de Sierra Nevada b.v. tot op 2500 M.; zij maken landstreken productief, waar andere dieren niet veel vinden zouden. Door het leven in de vrije natuur hebben al hunne lichamelijke en geestelijke vermogens zich hooger ontwikkeld. Zij loopen behendig, klimmen goed en dragen zelf zorg voor hun veiligheid. Bij de zoogenaamde half-wilde varkensteelt laat men de Zwijnen gedurende den zomer vrij rondloopen, maar houdt en voedert ze ’s winters in den stal.

Ten onrechte heeft men gemeend, dat drek en vuil voor den welstand van het Varken onontbeerlijk zijn. Uit de ervaringen van lateren tijd is gebleken, dat ook dit huisdier veel beter gedijt, wanneer het rein gehouden wordt, dan wanneer het voortdurend in ’t vuil ligt; daarom sluiten de ontwikkelde veefokkers tegenwoordig hunne Varkens niet meer op in de afschuwelijke gevangenissen, welker onreinheid spreekwoordelijk is geworden, maar vervangen de ouderwetsche varkenshokken door ruime, luchtige woonplaatsen, die gemakkelijk gereinigd kunnen worden; zij fokken op deze wijze veel gezonder en krachtiger Varkens dan die, welke in kleine, vuile hokken leven. Wenschelijk is het den bodem van den stal met platte steenen te bevloeren.

Het Tamme Zwijn is vraatzuchtig, weerspannig en onhandig; het toont weinig gehechtheid aan den mensch. Er zijn echter uitzonderingen op dezen regel. Varkens, die van hun jeugd af meer in het menschelijk gezin dan in de eenzaamheid geleefd hebben, zooals men ze op het platte land niet zelden vindt, oefenen hunne geestvermogens, en worden veel verstandiger dan andere dieren van hun soort. Een houtvester verhaalde mij, dat hij een tijdlang een klein, zoogenaamd Chineesch Varken gehad heeft, dat hem als een hondje naliep, naar den naam, dien hij het gegeven had, luisterde, dadelijk kwam, als het geroepen werd, met hem den trap opging, zich in de kamer zeer fatsoenlijk gedroeg, aan bevelen gehoorzaamde en velerlei kunstjes verrichtte. Het was afgericht om in het bosch morilles te zoeken en volbracht deze taak met veel ijver. Vooral in Frankrijk worden Zwijnen voor het truffels-zoeken gebruikt. Ook velerlei andere kunststukken kunnen zij leeren. Toen Lodewijk XI ziek was, was niets in staat den droefgeestigen koning aan ’t lachen te brengen, totdat een troep goed afgerichte varkentjes voor hem werd gebracht, die, op vreemdsoortige wijze uitgedost, op de tonen van een doedelzak dansten en sprongen. Andere Varkens heeft men geleerd, de woorden die men hun voorzeide, uit groot gedrukte letters samen te voegen, op een horloge te zien, hoe laat het is, enz.—Een Engelschman had een Zwijn voor de jacht afgericht, ”Sloed”, gelijk het dier genoemd werd, hield bijzonder veel van jagen en ging oogenblikkelijk met iederen jager mede. Hij was geschikt voor alle jachtbedrijven, behalve voor de jacht op Hazen; om deze dieren scheen hij niet te geven. Hij had zulk een fijnen neus, dat hij een Vogel reeds op een afstand van 40 schreden opmerkte. Men gebruikte Sloed verscheidene jaren, maar was eindelijk genoodzaakt hem te dooden, omdat hij de Schapen niet lijden mocht en in de kudden schrik veroorzaakte. Andere Zwijnen heeft men afgericht om een wagen te trekken. Een boer in de nabijheid van het vlek St. Albans bezocht deze plaats dikwijls in een wagen door vier Varkens getrokken; hij reed in een zonderlingen galop één- of tweemaal het marktplein rond, voederde zijn vierspan en keerde eenige uren later naar huis terug. Een andere boer wedde, dat hij, op zijn Zwijn gezeten, in één uur van zijn huis, vier Engelsche mijlen ver, naar Norfolk zou rijden, en won de weddenschap.

Uit deze verhalen blijkt, dat het Zwijn geschikt is om afgericht te worden, of, wat hetzelfde beteekent, dat men zijne geestvermogens niet gering achten moet. Zonderling is het feit, dat Zwijnen altijd een zekeren afschuw voor Honden hebben. Tamme zoowel als Wilde Zwijnen zien er geen bezwaar in om, als de gelegenheid zich voordoet, krengen te vreten; naar men zegt, raken zij hondenvleesch niet aan. Daarentegen loopen vreemde Honden gevaar door de samengerotte Zwijnen van een dorp aangevallen te worden. Jagers of wandelaars, die met hunne Honden een dorp bezoeken, waar de Varkens in het veld gehoed worden, hebben alle reden om voorzichtig te zijn.

Over ’t algemeen is het Tamme Zwijn een echte alleseter. Er bestaat werkelijk bijna geen voedingsstof, die door dit dier versmaad wordt. Eenige planten raakt het niet aan en scherpe kruiderijen kunnen zijn dood veroorzaken: overigens verslindt het al wat ook door den mensch gegeten wordt, en nog honderd andere zaken bovendien. Het ontleent zijn voedsel even graag aan het plantenrijk als aan het dierenrijk. Op braakliggende velden en stoppel-akkers is het nuttig, omdat het hier Muizen, engerlingen, Slakken, Regenwormen, Sprinkhanen, vlinderpoppen en allerlei onkruid verdelgt, daarbij zeer vet wordt en ook den grond los maakt. Zwarte Zwijnen verdienen trouwens, naar men zegt, in zoover de voorkeur boven die, welke een andere kleur hebben, omdat zij zonder nadeel allerlei vergiftige planten opeten kunnen; men beweert, dat dit de reden is, waarom zij in sommige streken de overhand hebben, of zelfs met uitsluiting van alle overige voorkomen.

Hoewel het voor het mesten van de Varkens bevorderlijk is, dat zij zich niet veel bewegen, moet men echter aan die, welke voor de fokkerij bestemd zijn, eenige speelruimte gunnen. Noodzakelijk is het ook, dat hunne stallen zindelijk en warm zijn. De paring heeft gewoonlijk tweemaal in ’t jaar plaats (in ’t begin van April en in September), soms ook driemaal in de twee jaren. Na 16 à 18 weken werpt het Tamme Zwijn 4 à 6, soms 12 à 15, en bij uitzondering 20 à 24 jongen. De moeder behandelt hare jongen niet zorgvuldig; dikwijls maakt zij niet eens een leger voor de biggen gereed. Niet zelden komt het voor, dat zij, als de talrijke kinderschaar haar te lastig wordt, eenige van de kleintjes opvreet; gewoonlijk doet zij dit, nadat zij ze vooraf heeft doodgedrukt. Sommige zeugen moet men na het biggen in ’t oog houden en haar reeds lang vóór het werpen het dierlijk voedsel onthouden. De jongen van goede moeders laat men 4 weken zuigen, zonder dat men zich intusschen verder om hen behoeft te bekommeren. Daarna neemt men ze weg, en voedert ze met gemakkelijk verteerbare voedingsstoffen groot. De groei heeft zeer schielijk plaats; reeds in de achtste maand is het Varken voor de voortplanting geschikt.

Over het gebruik, dat men van het geslachte Varken maakt, behoef ik hier niets te zeggen; iedereen weet, dat eigenlijk geen enkel deel van dit dier weggeworpen wordt.

*

Op de tot dusver genoemde Zwijnen moeten wij de Knobbelzwijnen (Potamochoerus) laten volgen; deze zijn ongetwijfeld de fraaiste leden van de geheele groep; zij onderscheiden zich door het bezit van een beenigen knobbel tusschen het oog en den neus, door het meer verlengde aangezichtsgedeelte van den kop, den middelmatig langen en fijn gebouwden snuit, de groote, smalle, scherp toegespitste en met een haarkwastje versierde ooren, den middelmatig langen, ruig behaarden staart en door de vier tepels van het wijfje.

Reeds sedert het midden van de 17e eeuw kent men het Penseelzwijn (Potamochoerus porcus), het fraaiste van alle Zwijnen. Het is aanmerkelijk kleiner dan het Wilde Zwijn, maar bereikt toch, als het volkomen ontwikkeld is, een lengte van 1.5 à 1.6 M., met inbegrip van den 25 cM. langen staart; de schouderhoogte bedraagt dan 55 à 60 cM. De huid is met korte en zachte, borstelige haren bekleed, die op de ruggegraat korte en zwakke manen vormen; onder het oog ontwikkelen zij zich tot een bos, op de wangen tot een dichten bakkebaard, op de spits van den overigens kalen staart eindelijk tot een ruigen kwast. Een fraai en vroolijk, naar geelachtig zweemend bruinrood, de heerschende kleur, strekt zich uit over den nek, den achterhals, den rug en de zijden; het voorhoofd, de kruin en de ooren, benevens de pooten zijn zwart; de rugmanen, het haarkwastje op het oor, de wenkbrauwstreek, een streep onder het oog en de bakkebaard zijn wit. Dit dier is voornamelijk in West-Afrika inheemsch; Böhm bericht evenwel, dat hij het ook eenige malen in Oost-Afrika heeft gezien.

Over het leven van het Penseelzwijn in vrijen toestand zijn de berichten nog zeer schaarsch. De Loango-expeditie onder de leiding van Güszfeldt kreeg meermalen jonge Penseelzwijnen; één daarvan, die in het apenhuis werd ingekwartierd, kon zeer goed overweg met zijne huisgenooten en vermaakte de toeschouwers door zijn potsierlijke opgewektheid. Van de in ’t wild levende dieren zegt Pechuel-Loesche: “Het zijn levendige en zeer vlugge zwijnen. Naar hun spoor te oordeelen, trekken zij steeds in groote troepen bij de rivieren langs, vooral in de vochtige wouden, hoewel zij ook in het gebergte niet zeldzaam zijn. Men hoort ze menigmaal dicht naast zich in het kreupelhout knorren, nog vaker echter op een zeer eigenaardige, tevreden wijze brommen. Als zij opgejaagd worden, laten zij zelden hun stem hooren, maar trekken zich veeleer, op de hen beschuttende boomen en struiken vertrouwend, zonder gedruisch te maken terug. Zij hebben een taai leven en gaan met een goed gemikte kogel dikwijls nog ver door. Zij leveren een smakelijk wildbraad.”

Evenals alle soorten van Zwijnen zijn ook deze vrij goed bestand tegen ons klimaat; zij verdragen het verblijf in onze dierentuinen goed, wanneer zij althans beschut worden tegen strenge winterkoude. Er zou reden zijn om een goede verwachting te koesteren van het aanfokken dezer dieren, indien de moeder hare jongen maar beter wilden verzorgen, dan de zeugen, welke in de gevangenschap jongen wierpen, tot dusver deden.

Een tweede soort van hetzelfde geslacht—het Boschvarken van de Zuid-Afrikaansche Boeren, ook Rivierzwijn of Maskerzwijn genoemd—(Potamochoerus africanus), komt naar het schijnt, alleen in Zuid- en Oost-Afrika voor. Het is iets grooter dan de vorige soort en tamelijk gelijkmatig behaard, met uitzondering van de liggende nekmanen en den tamelijk dichten bakkebaard. Zoowel de baard als de manen zijn witachtig grijs, het aangezicht is vaalgrijs, overigens is het lichaam roodachtig grijsbruin.

*

Op Celebes en de naburige, verder oostwaarts liggende eilanden, (n.l. de Soela-eilanden, Mangola en Boeroe) leeft een zeer eigenaardig Zwijn. Het is veel slanker en hooger op de pooten dan zijne verwanten; het onderscheidt zich echter van deze vooral door zijne hoektanden, die wegens de buitengewone lengte, welke zij bereiken, aan hoornen herinneren. De Europeanen hebben den naam Babiroesa, dien dit dier in zijn vaderland draagt, onveranderd overgenomen of door zijn letterlijke vertaling “Hertzwijn” vervangen, omdat hij de meest in ’t oogloopende eigenaardigheid van dit dier duidelijk uitdrukt. Door zijne hoektanden verschilt de Babiroesa van alle overige leden zijner familie; terecht wordt hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht (Porcus) aangemerkt.

Het Hertzwijn (Porcus babyrussa) is een dier van aanzienlijke grootte. De jagers uit den laatsten tijd beweren, dat zij enkele exemplaren hebben gezien, even groot als een middelmatige Ezel. Gemiddeld zal de lichaamslengte van het volwassen dier wel 1.1 M., de staartlengte 20 cM., de hoogte van de schoft en van het kruis 80 cM. bedragen. De romp is langwerpig, de rug zwak gewelfd, de kop betrekkelijk klein; de pooten zijn krachtig, maar betrekkelijk lang, de voorste zoowel als de achterste met vier teenen voorzien; de staart is dun en hangt naar beneden. De hoektanden van de bovenkaak zijn bij het mannetje buitengewoon lang, dun en spits, aan de voorzijde afgerond, zijdelings samengedrukt en aan de achterzijde stomp wigvormig. Zij zijn bovenwaarts en tevens achterwaarts gericht, zoodat zij op lateren leeftijd soms in de voorhoofdshuid doordringen. In bovenwaarts gerichte tandkassen bevestigd (het bovenkaaksbeen is op deze plaats als ’t ware buitenwaarts omgebogen) en door de bovendeelen van den snuit heengroeiend, vormen zij de helft of nog een grooter deel van een cirkel. De onderkaakshoektanden zijn eveneens lang, vooral als men het in de tandkas verborgen deel mederekent; ook zij zijn, hoewel met een flauwere bocht, achterwaarts gekromd. Bij het wijfje zijn de hoektanden zeer kort. Daar de hoektanden van deze (evenals die van andere) Zwijnen open wortels hebben, groeien zij steeds door; daar bovendien hun afslijting meestal betrekkelijk gering is, kunnen zij een zeer aanzienlijke hoogte bereiken; soms is het boven de huid zich verheffende deel van de bovenkaakshoektanden langs de kromming gemeten wel 25 cM. lang.—Het haarkleed bestaat uit verspreide, tamelijk korte borstels, die langs de ruggegraat, tusschen de talrijke rimpels van de huid en aan de spits van den staart, waar zij een kleinen kwast vormen, dichter bijeengeplaatst zijn dan op de overige lichaamsdeelen. De huid is dik, hard, ruw, sterk gerimpeld en vertoont diepe plooien aan het aangezicht, om de ooren en aan den hals. De algemeene kleur is vuil aschgrauw op de buiten- en bovenzijde, en roestrood aan de binnenzijde der pooten; over het midden van den rug loopt een blauwachtig gele streep, gevormd door de spitsen der borstelige haren. De ooren zijn zwartachtig.

Hertzwijn (Porcus babyrussa). 1/8 v. d. ware grootte.

Hertzwijn (Porcus babyrussa). 1/8 v. d. ware grootte.

Naar het schijnt, is het Hertzwijn reeds aan de ouden bekend geweest. Schedels van den Babiroesa kende men reeds voor vele honderden van jaren; de vellen werden echter in vroegeren tijd evenals nu, zeer zelden naar Europa gebracht; de afbeeldingen van dit dier waren caricaturen, en zijn levensbeschrijving was een samenraapsel van de ongerijmdste sprookjes.—“Ook thans nog,” zegt Wallace, “is het moeielijk te begrijpen, wat het nut kan zijn van deze zonderlinge, op horens gelijkende tanden. Oudere schrijvers hebben de gissing gewaagd, dat zij als haken zouden dienen, waardoor het dier in staat gesteld wordt zijn kop op een tak te laten rusten. Daar zij juist op de hoogte van de oogen uiteenwijken en over deze heengroeien, hebben andere reizigers de veel waarschijnlijker meening geopperd, dat zij zouden dienen om de oogen voor beschadiging te vrijwaren, terwijl het dier in de verwarde, met rotans en andere doornachtige planten doorgroeide wildernissen afgevallen vruchten zoekt. Bij nadere overweging bevredigt ook deze verklaring niet, omdat de zeug, die op dezelfde wijze voedsel moet zoeken, deze beschermingsmiddelen mist. Eerder zou ik geneigd zijn te gelooven, dat deze slagtanden wel nuttig waren voor de voorouders van den Babiroesa, en bij hen door het gebruik even sterk afsleten, als zij aangroeiden, maar dat zij, door een wijziging der levensomstandigheden overtollig geworden zijnde, zich nu ontwikkelen tot een monsterachtige grootte, evenals de snijtanden van een Bever of van een Konijn steeds zullen doorgroeien, als zij niet door de tegenovergestelde tanden worden afgeslepen. Bij oude dieren krijgen zij een verbazende grootte, maar zijn zij veelal afgebroken, als waren zij verminkt in een gevecht. De Babiroesa vertoont eenige overeenkomst met het Afrikaansche Boschvarken, welks bovenkaakshoektanden eveneens naar buiten groeien en omkrullen. In andere opzichten schijnt er geen verwantschap tusschen deze dieren te bestaan: de Babiroesa staat geheel op zich zelf, gelijkt niet op de Zwijnen van eenig ander deel der wereld.”

Behalve op Celebes, dat als het eigenlijke vaderland van den Babiroesa moet worden beschouwd, komt het alleen nog op de hierboven genoemde eilanden voor; op de overige eilanden van de Australische Middellandsche Zee en ook op het Aziatische en het Australische vasteland ontbreekt hij. In levenswijze komt hij met de andere Zwijnen overeen. Moerassige wouden, rietbosschen, broekland en meren, waarin vele waterplanten groeien, zijn de liefste verblijfplaatsen van deze dieren. Hier vereenigen zij zich tot meer of minder groote troepen; zij slapen over dag en gaan ’s nachts fourageeren; al wat gegeten kan worden is van hun gading. Het Hertzwijn ontwijkt den mensch, zoolang het kan, stelt zich echter, wanneer een vijandelijke ontmoeting onvermijdelijk is, met evenveel moed als alle andere Evers te weer; zijn onderkaakshoektanden zijn zulke vreeselijke wapens, dat zij zelfs den moedigsten man aanleiding zouden kunnen geven tot eenige aarzeling. De inboorlingen dooden het, naar gezegd wordt, met lansen en houden dikwijls drijfjachten, waarbij de Babiroesas gewoon zijn hun heil te zoeken in de vlucht.

Naar gezegd wordt, werpt de zeug omstreeks de maand Februari 1 of 2 jongen: kleine, aardige biggen van 15 à 20 cM. lengte, die door de moeder met veel liefde verzorgd en verdedigd worden. Als men deze dieren vangt, terwijl zij nog zeer jong zijn, nemen zij langzamerhand een zekeren graad van tamheid aan en geraken aan den mensch gewoon; soms volgen zij hem zelfs en toonen hun dankbaarheid door de ooren te bewegen en met den staart te kwispelen. De opperhoofden hebben soms een levenden Babiroesa op hun erf, daar ook de inboorlingen hem als een zeer vreemdsoortig dier beschouwen en wegens zijn bezienswaardigheid in gevangenschap houden. Dit geschiedt echter slechts zelden en men verlangt hooge prijzen voor getemde Zwijnen van deze soort.

De Fransche natuuronderzoekers Quoy en Gaimard, die op hun reis om de wereld ook de Molukken bezochten, kregen van den Nederlandschen gouverneur Markus een paar Hertzwijnen ten geschenke; dit paar was het eerste, dat (in 1820) levend naar Europa werd gebracht. Beide dieren werden tamelijk tam. Voor de koude waren deze gevangen Babiroesas zeer gevoelig. In Maart wierp het wijfje een donkerbruin jong en was van dit oogenblik af zeer prikkelbaar en kwaadaardig; zij wilde niet hebben, dat iemand haar kind aanraakte, verscheurde de kleederen van hare oppassers en trachtte iedereen te bijten. Ongelukkig bleven deze dieren niet lang in leven. Het koude klimaat werd hun noodlottig. Het jong, een mannetje, groeide voorspoedig op en had binnen weinige weken een aanzienlijke grootte bereikt. Het stierf, voordat het twee jaar oud was geworden. Later, maar altijd als groote zeldzaamheid, kwamen andere levende Hertzwijnen in den Londenschen dierentuin, waar zij meer of minder lang geleefd hebben.

Behalve de Penseelzwijnen en de Boschvarkens bevat Afrika nog andere, werkelijk monsterachtige leden van dezelfde familie, n.l. Breedsnuitige Zwijnen of Wrattenzwijnen (Phacochoerus). Zij zijn de plompste en leelijkste van alle bekende Borsteldieren en onderscheiden zich vooral door hun wanstaltigen kop en eigenaardig gebit. Hun romp is rolvormig, de hals kort, de kop kolossaal, het breede voorhoofd laag. De snuit is over zijn geheele lengte, vooral aan de bovenlip, buitengewoon sterk verbreed en wordt aan weerszijden ontsierd door drie wratvormige verhevenheden: een daarvan, die zich onder het oog bevindt, is verscheidene centimeters hoog, loopt puntig toe en kan bewogen worden; een andere, kleinere, staat rechtop, en is verder naar voren aan de bovenkaak geplaatst; de derde is op de plaats van aanhechting aan de onderkaak zeer lang en strekt zich in overlangsche richting tot bij de mondspleet uit. De kleine oogen puilen uit, evenals die van het Nijlpaard, de wroetschijf aan ’t einde van den snuit is breed en vormt een van boven naar onderen samengedrukt eirond. De huid is, met uitzondering van den bakkebaard en van de rugmanen, slechts met zeer korte, meestal geheel afzonderlijk staande borstels bekleed. Het gebit bevat oorspronkelijk 6 snijtanden in elke kaak, waarop reusachtige overlangs gevoerde slagtanden volgen, die evenals bij het Zwijn alle naar boven groeien; er zijn 6 kiezen in elke kaak. Dit dier heeft dus 40 tanden in ’t geheel; gewoonlijk vallen echter niet alleen de kiezen, maar ook de snijtanden voor ’t meerendeel uit.

De Hardlooper der Zuid-Afrikaansche Boeren, de Kolobe der Beetsjoeanen (Phacochoerus aethiopicus), heeft een buitengewoon breeden en platgedrukten snuit, al zijne snijtanden vallen vroegtijdig uit en ontbreken dus aan het volwassen dier; de bovenkaakshoektanden zijn tot 24 cM. ver buiten den bek verlengd. Zijn kleur is bruin, aan den kop en den rug zwartachtig. Hij is 1.6 M. lang, bij een schofthoogte van 75 c.M. Sparmann zegt van deze dieren: “Zij bewonen gaten in den grond en zijn gevaarlijk, daar zij als een pijl uit den boog op den mensch toerennen en met hunne lange slagtanden hem den buik trachten open te rijten. Men vindt ze in kudden bijeen. Als zij vluchten neemt ieder wijfje haar jong in den bek mede, hetwelk een zeer zonderling schouwspel oplevert. In Kamdebo paren zij met de Tamme Varkens; door deze kruising ontstaan vruchtbare nakomelingen.” In het jaar 1765 kwam het eerste exemplaar van deze diersoort levend in Europa en wel in de diergaarde van het Kleine Loo bij den Haag, welker directeur A. Vosmaer een uitvoerige beschrijving van de kenmerken en van de levenswijze van dit dier heeft gegeven. Men meende, dat het zeer goedaardig was; plotseling echter kwam zijn wilde aard aan ’t licht: het viel zijn oppasser aan en bracht dezen met zijne vreeselijke slagtanden een doodelijke wonde toe. Later heeft het den buik opengereten aan een tamme zeug, die in zijn hok was gebracht in de hoop op nakomelingschap. Zijn voedingswijze verschilde niet van die van andere Zwijnen. Het vrat allerlei soorten van graan, maïs, boekweit, rapen, afval van groenten, vooral ook wortels van gras en andere planten, die het met den voorkant van zijn snuit en met de pooten uit den grond wroette. Het meest was deze “Hardlooper” belust op roggebrood; ieder die dit bij zich had, liep hij als een hondje na.—In lateren tijd heeft de Hardlooper en het Wrattenzwijn, dat hem in noordelijker gedeelten van Afrika vervangt—de Haroja der Abessiniërs (Potamochoerus africanus)—herhaaldelijk deel uitgemaakt van de bevolking van verschillende dierentuinen; ik heb ze in het Regentspark, te Antwerpen, in de Amsterdamsche diergaarde en te Berlijn gezien en sommige gedurende langen tijd kunnen waarnemen. In levenswijze komen zij overeen.

*

De Navelzwijnen (Dicotyles) zijn kenbaar aan hun gebit, dat uit 38 tanden bestaat en welks hoektanden niet buiten den bek te voorschijn komen, dus zoo min bovenwaarts gekromd zijn, als door de bovenlip heengroeien. Hun lichaamsbouw is gedrongen, de korte kop eindigt in een korten, slanken snuit en draagt tamelijk kleine ooren. Aan de achtervoeten ontbreekt de buitenteen, zoodat achter de beide teenen, welker hoeven op den grond rusten, slechts één kleine teen aanwezig is. De staart is zeer klein, knobbelvormig. Op het achterste deel van den rug mondt een klier uit, die voortdurend een sterk riekende vloeistof afscheidt. Het wijfje heeft slechts twee tepels. Deze dieren bewonen de wouden van Zuid-Amerika.

Pekari (Dicotyles torquatus). 1/9 v. d. ware grootte.

Pekari (Dicotyles torquatus). 1/9 v. d. ware grootte.

De Pekari (Dicotyles torquatus), een klein Zwijn van hoogstens 95 cM. lengte (waarvan 2 cM. op den staart komen) en 35 à 40 cM. schouderhoogte, heeft een korten kop en een stompen snuit, maar is overigens betrekkelijk slank gebouwd. De algemeene kleur van het dier, zwartachtig bruin, gaat op de zijden in geelachtig bruin over en is met wit gemengd; de voorborst is wit; aan weerszijden komt op den schouder een geelachtig witte streep voor. De reuk van het afscheidings-product der rugklier, hoewel voor ons onaangenaam, schijnt voor deze dieren een groote aantrekkelijkheid te hebben, daar zij aanhoudend met den snuit elkanders rug wrijven.

De Tagnicati, het Bisamzwijn (Dicotyles labiatus) is aanmerkelijk grooter dan de vorige soort en onderscheidt zich bovendien door de tamelijk gelijkmatige, grauwzwarte kleur, waarbij een groote, witte vlek op elke wang sterk afsteekt.

In alle woudrijke gewesten van Zuid-Amerika, tot op 1000 M. boven den zeespiegel, zijn de Pekari en het Bisamzwijn zeer gewone verschijningen. In talrijke troepen, die soms uit honderden individuën bestaan, en aangevoerd worden door het sterkste mannetje van het gezelschap, zwerven de Bisamzwijnen door wouden; hetzelfde doen de Pekaris, die de kleinere troepen van 10 à 15 stuks vormen; dagelijks veranderen zij van verblijfplaats. Zij zijn eigenlijk voortdurend onderweg en bewegen zich gedurende geruimen tijd onverpoosd in dezelfde richting; Rengger verzekert, dat men ze dagen lang kan volgen zonder ze te zien. “Bij hunne tochten”, zegt deze onderzoeker, “laten zij zich zoomin door het openveld, dat zij trouwens slechts zelden bezoeken, als door het water ophouden. Als hun pad op een veld uitloopt, zoo doorsnijden zij dit in snellen draf; als zij onverwachts voor een rivier komen, zwemmen zij deze over zonder zich te bedenken. Ik zag ze over den Paraguay zwemmen op een plaats waar deze meer dan een half uur breed was. Dicht opeengedrongen trekt de troep verder: de mannetjes voorop, elk moederzwijn heeft hare jongen achter zich. Reeds op een afstand hoort men de doffe, heesche geluiden, die de naderende dieren maken, maar meer nog het gedruisch, veroorzaakt door het breken van het struikgewas, waardoor zij zich met geweld een weg banen.” Bonbland kreeg eens gedurende het botaniseeren van zijn Indiaanschen gids den raad zich achter een boom te verbergen, omdat het te vreezen was, dat onze geleerde door een troep van deze Zwijnen omvergeloopen zou worden.

De Navelzwijnen gaan zoowel over dag als ’s nachts fourageeren; juist het gebrek aan geschikten kost geeft vermoedelijk aanleiding tot de meer uitgestrekte zwerftochten. Hun voedsel bestaat uit allerlei soorten van boomvruchten en wortels. Hun gebit is zoo krachtig, dat zij volgens Schomburgk met het grootste gemak zelfs de hardste zaden van palmen kunnen openen. In bewoonde streken dringen zij dikwijls in de plantages door en vernielen den oogst. Behalve plantaardige stoffen eten zij, naar men zegt, ook Slangen, Hagedissen, Wormen en larven. Door hunne bewegingen en hun aard gelijken zij op onze Wilde Zwijnen; men merkt echter bij hen zoo min de vraatzucht als de onzindelijkheid van deze dieren op; nooit eten zij meer dan zij noodig hebben; niet anders dan gedurende de grootste hitte zoeken zij het water op, en ook dan slechts plassen, waarin zij zich kunnen verfrisschen. Over dag verbergen zij zich in holle boomstammen of tusschen losse wortels; als zij gejaagd worden, zoeken zij altijd een toevlucht in zulke schuilhoeken. Hun waarnemingsvermogen en hunne geestesgaven zijn gering. Het gehoor en de reuk zijn, naar het schijnt, het best bij hen ontwikkeld; hun gezicht is zwak.

“De Bisamzwijnen worden,” volgens Rengger, “veelvuldig gejaagd, gedeeltelijk om hun vleesch, gedeeltelijk ook wegens de schade, die zij in de plantages aanrichten. Gewoonlijk zoekt men ze met Honden in de wouden op en doodt ze door schoten of lanssteken. Als zij dikwijls in een plantage inbreken, graaft men aan de zijde, waar zij gewoon zijn de akkers te verlaten, een breede, soms wel 3 M. diepe gracht, wacht tot zij zich vertoonen en drijft ze dan met behulp van Honden en onder luid geschreeuw naar de groeve, die, wanneer de troep talrijk is, er soms voor de helft mede gevuld wordt. De Indianen vangen de Bisamzwijnen in strikken.”

De zeug werpt gewoonlijk één, bij uitzondering twee jongen, die misschien reeds op den eersten levensdag, in allen gevalle echter zeer kort na de geboorte, hun moeder overal heen volgen en, in plaats van te knorren, bijna als Geiten schreeuwen. Zij kunnen zonder moeite getemd worden en verkrijgen, als men ze goed behandelt, geheel den aard van huisdieren. “De Pekari,” zegt A. von Humboldt, “die in huis is groot gebracht, wordt zoo tam als ons Zwijn of onze Ree; zijn zachtaardige inborst herinnert ons aan de overeenkomst in lichaamsbouw tusschen de Zwijnen en de Herkauwers, die door de ontleding dezer dieren gebleken is.”

Naar Europa worden de Pekaris vrij dikwijls, de Bisamzwijnen minder vaak levend overgebracht. Beide verdragen ons klimaat betrekkelijk goed; herhaaldelijk hebben zij in onze dierentuinen jongen voortgebracht. Met het gewone varkensvoeder kan men ze verscheidene jaren in ’t leven houden. Van hun vriendschap voor den mensch heb ik trouwens nooit iets kunnen bespeuren. Het kan wel zijn, dat zij zich beminnelijk gedragen, als men hen veel vrijheid laat; die, welke in een meer beperkte ruimte opgesloten zijn, doen zich kennen als hatelijke schepsels: zij geraken licht in toorn en zijn boosaardig, wraakzuchtig en valsch; door ervaren oppassers worden zij veel meer gevreesd dan de grootere en sterkere leden van hun familie.

Het vel van de Navelzwijnen wordt hoofdzakelijk voor het vervaardigen van zakken en riemen gebruikt; het vleesch wordt door den minderen man gaarne gegeten. Het heeft een aangenamen smaak, welke echter niet op dien van varkensvleesch gelijkt. Ook vindt men bij hen in plaats van het spek slechts een dunne vetlaag. Als het Bisamzwijn vóór zijn dood lang nagejaagd is, verkrijgt het vleesch de reuk van rugklier, wanneer men deze niet onmiddellijk na den dood wegsnijdt; in andere gevallen kan men, buiten den bronsttijd althans, het vleesch van het gedoode dier in de huid laten besterven, zonder dat het een onaangenamen reuk verkrijgt.

Veel plomper dan alle overige Evenvingerigen is het Rivierpaard of Nijlpaard (Hippopotamus amphibius), die met een veel kleineren, verwanten vorm—het nog weinig bekende, in Opper-Guinea voorkomende Liberische Rivierpaard (Hippopotamus liberiensis)—de eenige, nog levende vertegenwoordiger is van een afzonderlijke familie—die der Rivierpaarden (Hippopotamidae).

Veel juister dan de Grieken, die aan deze dieren den naam gaven, welks letterlijke vertaling door ons gebruikt wordt om ze aan te duiden—juister ook dan de Arabieren, die hen “Waterbuffels” noemen—, gebruikten de oude Egyptenaars voor den onbehouwen reus den naam “Rivierzwijn”; want beter dan met eenig ander dier kan men het Nijlpaard, den “Behemot” van den bijbel (Job. XII: 10–19), met het Zwijn vergelijken.

Wat de uitwendig waarneembare verschijnselen betreft, onderscheidt het Nijlpaard zich van de overige Zoogdieren meer door den kop dan door eenig ander lichaamsdeel. Eigenaardig zijn de bijna vierhoekige vorm van den kop, de kleine oogen en ooren, alsmede de scheef aan den elkander tegenovergestelde, groote, op boogvormige spleten gelijkende neusgaten, die met de ooren en de oogen de hoogste punten zijn van een vlak, waaronder het voorhoofd en het daarvóór gelegen deel van ’t aangezicht trogvormig afdalen. Voorts is hij gekenmerkt door den wanstaltigen snuit, welks glad en dik, van achteren bovendien tamelijk smal bovenste gedeelte zich naar voren verbreedt en verheft, vervolgens echter in de gedaante van een dikke bovenlip langs de zijden steil afdaalt, om den ontzaglijken muil aan alle kanten te bedekken en te sluiten. De hals is kort en krachtig, de romp hoewel langwerpig toch bovenmatig dik en daarom buitengewoon plomp, de rug in ’t kruis hooger dan in de schoft, in het midden benedenwaarts gebogen, de buik vol en rond, in ’t midden zoo diep afgezakt, dat hij den bodem aanraakt bij ’t gaan op den slijkerigen grond; de staart is kort en dun, bij de spits zijdelings samengedrukt; de onevenredig korte, vormelooze pooten hebben breede, vierhoekige voeten, welker teenen door korte zwemvliezen verbonden en alle naar voren gericht zijn. Alleen aan de spits van den staart staan korte, op draden gelijkende borstels; overigens bemerkt men op de meer dan 2 cM. dikke huid, die vooral aan den hals en voor aan de borst eenige diepe plooien vormt, slechts hier en daar eenige borstelvormige haren. Door groeven, die elkander kruisen, wordt de huid in velden verdeeld die op schubben gelijken, en nu ééns grooter dan weer kleiner zijn. Hun kleur is koperbruin en heeft een eigenaardige tint, die aan de bovenzijde in vuil donkerrood, aan de onderzijde in licht purperbruin overgaat. Tamelijk regelmatig geplaatste, bruinachtige en blauwachtige vlekken geven aan de overigens eenvormige massa een zekere afwisseling. De kleur van het Nijlpaard verandert trouwens, al naar de huid droog is of nat. Wanneer het dier zoo juist uit het water komt, zijn de bovendeelen bruinachtig blauw en de onderdeelen bijna vleeschkleurig; daarentegen is het, wanneer de huid droogt, donkerder, bijna zwartbruin of leikleurig, of, als de zon op zijn rug schijnt, gelijkmatig blauwachtig grijs.—De totale lengte van een volwassen mannetje bedraagt, met inbegrip van den 45 cM. langen staart, 4.2 à 4.5 M., bij 1.5 M. schouderhoogte. Het gewicht van het dier zal gemiddeld 2000 à 2500 KG. bedragen en bij vele oude mannetjes waarschijnlijk boven de 3000 KG. stijgen; alleen de kop van zulk een reus weegt ruim 200 KG.

Het gebit van het Nijlpaard komt nog het meest overeen met dat van het Zwijn, waarvan het, minder door het aantal dan door den vorm der tanden, verschilt. In ieder kaakhelft bevinden zich 2 snijtanden, 1 hoektand en 7 maaltanden; het gebit bestaat dus uit 40 tanden. De beide middelste onderkaaks-snijtanden zijn door een tandelooze tusschenruimte van elkander gescheiden; zij zijn aanmerkelijk grooter dan de zijdelingsche snijtanden en gelijken in sommige opzichten op hoektanden, maar hebben een horizontalen stand; die van de bovenkaak zijn kleiner, gekromd en verticaal benedenwaarts gericht. De hoektanden van de onderkaak zijn reusachtig groot; gemiddeld zijn zij bij groote dieren 50 cM. lang en 4 KG. zwaar; zij zijn driezijdig, half cirkelvormig gebogen, aan de spits scheef afgesneden en met diepe, overlangsche groeven voorzien; de bovenkaaks-hoektanden zijn benedenwaarts gericht, aanmerkelijk korter en dunner, maar op dezelfde wijze gekromd en scheef afgeknot. Alle deelen van het geraamte zijn buitengewoon zwaar gebouwd: de schedel is bijna vierzijdig, plat en benedenwaarts gedrukt; het deel dat de hersenen bevat, is klein; de oogkas heeft een vooruitstekenden rand, die door het voorhoofdsbeen en het jukbeen gevormd wordt; alle overige beenderen zijn eveneens dik, plomp en zwaar.

Dat het Nijlpaard den Ouden goed bekend was, blijkt duidelijk uit de Egyptische gedenkteekenen en sommige bijbelteksten. Door de Grieksche en Romeinsche schrijvers, en wel het eerst door Herodotus en Plinius, wordt dikwijls melding gemaakt van dit dier; zij beschrijven het zoo goed zij kunnen, en schilderen zijne zeden en gewoonten. Alle latere auteurs ontleenden hun kennis hoofdzakelijk aan de berichten der Ouden; eerst door Gesner worden hieraan nieuwe, door Belon medegedeelde feiten toegevoegd; voor latere onderzoekers bleef de taak weggelegd, om de natuurlijke geschiedenis van dit dier op te helderen.

Tegenwoordig moet men van ’t noorden af tamelijk ver in het binnenland van Afrika doordringen, om Nijlpaarden te ontmoeten. Vooral in het stroomgebied van den Nijl hebben de van oudsher beroemde dieren zich meer en meer teruggetrokken naar het hartje van Afrika. Hier echter ziet men de gestalten, die op de vier duizend jaar oude Egyptische tempels afgebeeld zijn, in levenden lijve liggen: dezelfde dieren te midden van menschen, die aan hunne voorouders gelijk gebleven zijn. Naast den Baviaan en den Krokodil, naast de heilige Ibis en den Tantalus, ontmoet men hier de laatst overgebleven, reusachtige land-Zoogdieren: den Olifant, den Neushoorn en het Nijlpaard—wezens, die aan vormen uit den voortijd herinneren. Overal waar de mensch alleenheerscher is geworden, zijn deze schepsels voor zijne vreeselijke vuurwapens bezweken; daar, waar hij ze alleen met den speer en den boog bestrijdt, staan zij ook thans nog vijandig tegenover hem. In geheel Egypte en ook in Nubië, waar Rüppell nog in den aanvang dezer eeuw het Nijlpaard in vrij grooten getale aantrof, is het thans uitgeroeid.

In de rivieren van Oost-, Zuid- en West-Afrika vindt men de Nijlpaarden veel nader bij de kust, dan in de noordelijke helft van dit werelddeel; zelfs zwemmen zij daar niet zelden op korten afstand van den riviermond in de zee. Stroomopwaarts gaan zij, zoover de strooming het hun veroorlooft; daarom zijn zij nog inheemsch in het Tana-meer in Abessinië, dat 1940 M. hoog gelegen is.

Het Nijlpaard is meer dan eenige andere Dikhuidige aan het water gebonden; eigenlijk verlaat het dit slechts bij uitzondering om zich aan land te begeven. Daar, waar de stroom zelf niet rijk aan planten is, geschiedt dit geregeld ’s nachts, met het doel om voedsel te zoeken; bij uitzondering echter verlaat het ook wel over dag den stroom, om zich op de zandbanken door de zon te laten koesteren.

Op plaatsen, die hiervoor gunstig gelegen zijn, zal de deskundige de aanwezigheid van het reusachtige dier spoedig bemerken. Met tusschenpoozen van ongeveer 3 (hoogstens 4) minuten zal een (bij stil weder duidelijk zichtbare) nevelstraal zich ongeveer een halven meter boven den waterspiegel verheffen; te gelijker tijd wordt dan een bruischend gesnuif of gesnork gehoord; beide verschijnselen worden veroorzaakt door de ademhaling van een Nijlpaard, dat zooeven boven gekomen is. Als men niet te veraf staat, kan men ook een deel van zijn kop zien: een vormlooze, roode of bruinachtig roode massa, waaraan men twee spitsen, de ooren, en vier verhevenheden, de oogen en neusgaten, onderscheidt. Meer dan het bovenste deel van den kop krijgt men van een Nijlpaard, dat zich in ’t water ophoudt, zelden te zien; hij die het voor de eerste maal aanschouwt, zal het waarschijnlijk niet herkennen. Als men onder den wind blijft en iedere storing vermijdt, kan men het op- en neerzwemmende dier, dat in ’t water als ’t ware speelt, gemakkelijk nagaan; men ziet dan ook op het ingedrukte voorhoofd, tusschen de oogen en de ooren, een kleine plas overblijven, die genoeg water bevat om tot verblijfplaats te dienen van een Goudvischje of een paar Bermpjes. Hoogst zelden blijft een van de waterreuzen een weinig langer onder water dan hierboven aangegeven werd; hij moet alle 4 of 5 minuten ademhalen. De mededeelingen van sommige reizigers, die het dier 10 à 15 minuten onder water zagen vertoeven, berusten waarschijnlijk op onjuiste waarnemingen. Zoodra n.l. een Nijlpaard ongerust is, rijst het zeer behoedzaam omhoog, zoodat alleen de neusgaten boven de oppervlakte komen; het ademt dan zeer zachtjes, zoodat de uitgeblazen lucht gemakkelijk onopgemerkt kan blijven. Ook gebeurt het wel, dat het zich onder water zwemmend verwijderd, om elders omhoog te stijgen, terwijl zijn vroegere plaats misschien door een ander individu wordt ingenomen.

Het Nijlpaard leeft gezellig; slechts oude mannetjes ontmoet men afzonderlijk. Dikwijls vindt een gezelschap reeds in een grooten vijver gedurende geruimen tijd een voldoende verblijfplaats. Als het een klein, minder diep water bewoont, waar in het droge jaargetijde vele droogten ontstaan, merkt men op, dat de dieren den geheelen dag door op bepaalde plaatsen blijven. Waarschijnlijk hebben zij daar te midden van het rivierbed kuilen gegraven: lange, diepe, trogvormige groeven, welker richting met de strooming van het water overeenstemt; hier kunnen zij gemakkelijk onderduiken en zich verbergen, wanneer zij vervolgd worden. Verscheidene zulke kuilen staan soms door straten, die op grachten gelijken, met elkander in gemeenschap; deze zijn als ’t ware de onder water gelegen wissels der Nijlpaarden.

Slechts in streken, waar zich in ’t geheel geen menschen vertoonen, verlaat het gezelschap over dag het water om zich in de nabijheid van den oever, hetzij op ondiepten of op het land zelf, door de zon te laten koesteren en op een droomerige wijze in te dommelen. Nu toonen de op hun gemak liggende dieren hetzelfde welbehagen als de Zwijnen, die zich in een plas wentelen, of als de Buffels, die in een stroom baden. Van tijd tot tijd knorren de mannelijke Nijlpaarden op soortgelijke wijze als de Zwijnen; nu eens licht deze dan weer gene den kop op om de omgeving te bespieden. Overigens bekommeren zij zich niet veel om hetgeen er om hen heen gebeurt en slechts daar waar zij den mensch en zijn vreeselijke vuurwapen leerden kennen, nemen zij zich meer in acht voor hun gevaarlijksten, ja zelfs eenigen vijand.