Nijlpaard (Hippopotamus amphibius). 1/20 v. d. ware grootte.
Tegen den avond komt er leven in het gezelschap. Het knorren der mannetjes neemt toe en de geheele kudde duikt spelende op en neder in den stroom; af en toe begint zelfs een dartel gestoei. Vooral in de nabijheid van schepen vertoonen zij zich gaarne, naar het schijnt; ook begeleiden zij booten, die des avonds varen, over een grooten afstand. Soms maken zij een helsch leven in ’t water door hun gesnuif en gegrom, gebrul en gegorgel, zoodat men er werkelijk vermoeid van zou kunnen worden. Zij zwemmen met bewonderenswaardig gemak op elke diepte onder den waterspiegel, rijzen omhoog of duiken onder, bewegen zich bij rukken of zetten, wenden met verrassende behendigheid in alle richtingen en wedijveren bij het doorklieven van de golven met de beste roeiboot. Nooit heb ik het dier, dat bedaard voortzwemt, een hevige, roeiende beweging zien maken: het water blijft glad en onbeweeglijk; juist het tegendeel van hetgeen men opmerkt, als het woedend op een vijand aanvalt of, na gewond te zijn, als een razende in den stroom te keer gaat. Dan slaat het de achterpooten buitengewoon hevig naar achteren, schiet met echte sprongen vooruit; het brengt het water van een geheel meer in beroering, zoodat er hooge golven op ontstaan; het maakt zelfs zulke geweldige bewegingen, dat het, zooals gebleken is, middelmatig groote vaartuigen oplichten en verbrijzelen kan.
“Woorden zijn onvoldoende,” zegt Von Heuglin zeer terecht, “om van de stem van deze reuzen een eenigermate duidelijke voorstelling te geven. Hun gebrul zou men des noods met dat van de Buffel-stieren kunnen vergelijken; het is een zware, ver hoorbare basstem, die den indruk maakt, alsof zij uit een grooten, hollen ton afkomstig is. Het gebrul van verscheidene, met elkander wedijverende, mannelijke Nijlpaarden, dat plotseling in de eenzaamheid door den stillen nacht weerklinkt, verbonden met het plassen, en blazen plompen der duikende monsters, maakt een ontzaglijk grootschen indruk, die, naar het schijnt, ook door dieren van de wildernis wordt ondervonden: want de Jakhals, de Hyena en zelfs de Leeuw zwijgen en luisteren, als Behemot’s donderende stem, met het gerommel van een aardbeving vergelijkbaar, over den waterspiegel rolt en, door het verafgelegen oerwoud gedempt, tot op grooten afstand zich voortplant.” In allen gevalle overtreft de stem van het Nijlpaard door zijn geweldige kracht die van alle andere dieren; in haar vollen omvang wordt zij echter betrekkelijk zelden gehoord.
In de op meren gelijkende gedeelte van den Boven-Nijl, die zoo rijk zijn aan planten, verlaat het Nijlpaard ook ’s nachts het stroombed niet of slechts hoogst zelden. Het vreet zoowel des daags als des nachts de waterplanten die daar groeien.
In andere gewesten moet het op het land gaan laveien. Ongeveer één uur na zonsondergang verlaat het den stroom, voortdurend uiterst voorzichtig luisterend en rondkijkend, om zich, als er bewoonde plaatsen in de nabijheid zijn, naar de bebouwde velden te begeven. Hier richten de Nijlpaarden groote verwoestingen aan; in één enkelen nacht worden dikwijls vele akkers vernield. Hun vraatzucht is zoo groot, dat zij, ondanks de vruchtbaarheid van hun vaderland, een ware landplaag worden, overal waar zij eenigermate talrijk voorkomen. Veel meer gewassen dan zij verslinden, worden tot gruis gestampt onder hunne logge pooten, of worden vernield, wanneer zij zich, na verzadigd te zijn, op de wijze van de Zwijnen, behagelijk in een ondiepen kuil heen en weer wentelen. Alle soorten van graan en groenten, die in hun vaderland verbouwd worden, zijn van hun gading, o.a. ook watermeloenen; hoewel deze vruchten de groote hebben van pompoenen, maakt elk daarvan voor hen slechts één enkelen hap uit.
Terwijl het Nijlpaard aan ’t laveien is, doet het trouwens niet alleen schade door het vernielen van planten, maar bedreigt soms ook het leven van menschen en dieren. De vier kolossale hoektanden zijn vreeselijke wapens: Rüppell bericht, dat een Nijlpaard vier trekossen doodbeet, die rustig bij een scheprad stonden. “Aan den Kingani,” verhaalt Böhm, “werden twee vrouwen, die ’s avonds, luid met elkander sprekend, dicht bij eenige laveiende Nijlpaarden langs gingen, door een dezer dieren, dat hen plotseling overviel, met eenige beten zoo hevig gewond, dat zij kort daarna stierven.” Niet overal echter worden de Nijlpaarden beschouwd als dieren, die buitengewoon te duchten zijn, en altijd geneigd zijn om onheil te stichten; in sommige gewesten vreest men ze op het land niet, maar wel in het water. Groote vaartuigen loopen zelden gevaar; lichte schuiten worden echter dikwijls, hetzij toevallig of opzettelijk, leelijk toegetakeld. “Luitenant Vidal,” bericht Owen, “had in een lichte boot juist zijn vaart op de rivier Tembi in Zuidwest-Afrika aangevangen, toen plotseling een buitengewoon hevige schok van onderen tegen het vaartuig den achtersteven bijna boven het water ophief en den stuurman overboord slingerde. In het volgende oogenblik kwam een kolossaal Nijlpaard boven water, zwom met geopenden muil woest en dreigend op de boot af, greep haar met zijne vreeselijke kaken en rukte zeven planken te gelijk los; hierop verdween het, maar kwam terug om zijn aanval te hernieuwen, die men evenwel kon keeren, door het dier in ’t aangezicht te schieten. De boot, die onmiddellijk vol water liep, was gelukkig zoo dicht bij den oever, dat men dezen nog kon bereiken, vóór zij zonk. Waarschijnlijk had het vaartuig den rug aangeraakt van het dier, dat, hierdoor vertoornd, zich door den aanval op de boot had willen wreken.”
Dergelijke verhalen, op velerlei wijzen opgesierd en vermenigvuldigd, zijn in omloop in vele, hoewel niet in alle gewesten, die door onze Dikhuidigen bewoond worden. Zij zouden den hoorder tot het denkbeeld kunnen brengen, dat zulke ongevallen zeer alledaagsch zijn. Deze meening is echter even onjuist als de voorstelling, dat ongelukken bij de spoorwegdienst tot de zeer gewone gebeurtenissen behooren. Daar waar Nijlpaarden aangetroffen worden, komen zij vaak in betrekkelijk groot aantal voor; indien de Nijlpaarden werkelijk zoo gevaarlijk waren, zou het verkeer op rivieren, die zoo bevolkt zijn, ten slotte geheel moeten ophouden, of althans veel belemmering ondervinden. Hiervan is echter niets te bespeuren. Tallooze malen varen booten, die uit één uitgeholden boomstam vervaardigd zijn en gemakkelijk omkantelen, langs de reusachtige dieren en tusschen hen door, zonder van hen last te ondervinden. Indien echter een Nijlpaard, misschien toevallig bij het bovenkomen, een schuit aanraakt of omwerpt of zelfs beschadigt, omdat het geschrokken is en aangevallen meent te zijn, dan wordt van zulk een voorval—zoo is nu eenmaal de aard van den mensch—zooveel ophef gemaakt, dat de zeer zeldzame uitzondering ten slotte als regel wordt beschouwd.
Het gevaarlijkst is het Nijlpaard, als het een jong heeft te beschermen. Over de voortplanting, de geboorte der jongen en den duur van den draagtijd, heeft men in den laatsten tijd waarnemingen gedaan bij gevangen exemplaren; daar het reeds eenige malen is voorgekomen, dat Nijlpaarden in een dierentuin het eerste levenslicht aanschouwden. Van de voortplanting van het in vrijheid levende dier weet men alleen, dat het wijfje ongeveer in het eerste derde gedeelte van het regenseizoen één jong werpt; in dezen tijd is het meeste en het saprijkste voedsel te vinden; de maand waarin de jongen geboren worden, is dus voor vele landen van Afrika verschillend, in verband met het tijdstip, waarop hier de lente der keerkringsgewesten aanvangt. De moeder, bezield met teedere zorg voor haar kind, ziet reeds in de onbeduidenste verschijnselen gevaar; misschien houdt ook de vader een wakend oog op zijn spruit. De moeder is gemakkelijk te herkennen: zij houdt haar kind voortdurend in ’t oog en let met moederlijke trots en liefderijke bekommering op al zijne bewegingen. Soms stoeit het onbehouwen dier vroolijk met zijn lieveling: beide duiken spelend onder, komen weer boven en onderhouden zich met elkander door gebaren. Met zekerheid weet men, dat het jong in het water gezoogd wordt. Volgens Von Heuglin gebeurt het echter ook wel, dat het wijfje haar jong ter wereld brengt in een zoo goed mogelijk verborgen leger op het land of in een moeras; zij neemt het niet altijd onmiddellijk mede naar de rivier, maar verbergt het soms in een kuil, dien het jong, zonder de hulp van het volwassen dier niet verlaten kan. In het water draagt de moeder haar kind gewoonlijk op den nek; zij licht het, om het te laten ademen, vaker boven den waterspiegel op, dan zij zelf de neusgaten er boven verheft.
De blinde woede van een vertoornd Nijlpaard toont duidelijk genoeg, dat de jacht op dit dier vuurwapenen vereischt, waarmede zeer zware ladingen geschoten kunnen worden; zij is dus voor zondagsjagers geen geschikte uitspanning. Lichte bukskogels hebben, zelfs wanneer zij van nabij afgeschoten worden, zoogoed als geen uitwerking. “Met één van de Nijlpaarden, dat wij doodden,” verhaalt Rüppell, “streden wij gedurende vier uren. Er scheelde maar weinig aan, of het logge beest had onze groote schuit en met haar ons allen vernield. De 25 geweerkogels, waarmede wij op een afstand van ongeveer 2 M. den kop van het monster troffen, hadden slechts de huid en de beenderen van den neus doorboord. Alle andere kogels waren in de dikke huid blijven zitten. Telkens als het ademhaalde, spoot het dier flinke stralen bloed op de schuit. Eindelijk maakten wij gebruik van een draaibas, wat wij aanvankelijk wegens den geringen afstand onnoodig hadden geoordeeld. Maar eerst nadat wij hieruit vijf kogels op een afstand van weinige meters hadden geschoten, waardoor een vreeselijke vernieling in den kop en in den romp van den reus was teweeggebracht, gaf deze den geest. De duisterheid van den nacht vermeerderde nog de afgrijselijkheid van dezen strijd.”
Reeds sinds den overouden tijd trouwens gaat men het monster te lijf met werpspiesen en lansen; deze jacht had en heeft plaats zoo goed en zoo kwaad, als zij met zulke wapens kan geschieden. In hoofdzaak deed en doet men dit nog steeds op de wijze van de oude Egyptenaren, wier jacht op Nijlpaarden wij door de afbeeldingen op gedenkteekenen en door de berichten van eenige oude schrijvers kennen. De lans en een bepaaldelijk voor dit doel bestemde werpspies met lijn en drijver, zijn ook nog in dezen tijd de eenige wapenen, die de bewoners van de gewesten aan den Boven-Nijl bij de jacht op het Nijlpaard gebruiken. Omstreeks middernacht sluipt de spieswerper langs den oever tot aan een plaats, waar de waterreuzen den stroom verlaten, verschuilt zich hier in struiken onder den wind, en wacht, totdat een van zijn weideplaats terugkeerend dier ongeveer met de helft van ’t lichaam te water is gegaan. Op dit oogenblik slingert de jager met al zijn kracht het Nijlpaard den harpoen in ’t lijf en vlucht, in de hoop, dat het door den aanval verschrikte dier zich onmiddellijk te water zal begeven. Dit gebeurt dan ook gewoonlijk, terwijl daarentegen het monster, wanneer het de rivier verlaat om aan land te komen, in den regel zijn tegenstander aanvalt. Onmiddellijk na dezen worp of den volgenden morgen begeeft de jager zich met zijne helpers in een der hiervoor gereedliggende booten, en zoekt het gewonde dier op, of liever in de eerste plaats het drijvende uiteinde van den speerschacht of het als drijver dienende blok hout. Zoodra zij deze merkteekens gevonden hebben, roeien zij hoogst voorzichtig met gereed gehouden werpspiesen en lansen nader en palmen de lijn in. Bij de geringste trekking aan de lijn komt het Nijlpaard in razende woede aan de oppervlakte van ’t water, en stormt op de boot toe, waar het met een hagelbui van lansen en spiesen ontvangen wordt, die het dikwijls nopen den terugtocht te aanvaarden. Het komt echter niet zelden voor, dat het dier de schuit bereikt en met zijne kolossale tanden vernielt. In het gunstigste geval echter bestookt men het met alle wapens zoolang, totdat het sneuvelt.
Het voordeel dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Het vleesch van het monster wordt op prijs gesteld en evenals het spek overal gegeten. In den goeden ouden tijd kenden de kolonisten van het Kaapland bijna geen grooter feest dan de jacht op Nijlpaarden. Op de plaats waar de strijd beslecht werd, sneed men het vleesch en het spek van den gedooden reus af en nam het bij wagenvrachten mede naar huis. Naar gezegd wordt, is het vleesch van de jonge dieren zeer smakelijk en wordt aan het spek van de oude dieren de voorkeur gegeven boven dat van het varken; de tong wordt, versch of gerookt, als een lekkernij beschouwd. Dit laatste wordt door bijna alle jagers bevestigd, over de waarde van het vleesch zijn velen echter van een andere meening, daar zij het sponsachtig en smakeloos vinden. In Oost-Afrika wordt nijlpaardenvet als de beste zalf voor het haar en het lichaam beschouwd. Van de dikke huid vervaardigt men voortreffelijke rijzweepen, stokken en schilden. De tanden zijn, volgens Westendorp, voor vele fijn draaiersartikelen uitmuntend geschikt, daar de specie, waaruit zij bestaan, door fijnheid, hardheid en witheid het eigenlijke ivoor nog overtreft. Tegenwoordig worden de kromme tanden met ƒ 2.40 à ƒ 3.90, de rechte met ƒ 3.60 à ƒ 3.90 per KG. betaald.
De vangst van het ondier geschiedt op dezelfde wijze als de jacht. Hoe de Romeinen het aanlegden om Nijlpaarden te vangen en te vervoeren, weten wij niet; volgens de mededeelingen der oude schrijvers brachten zij niet alleen jonge en onvolwassene, maar ook oude dieren naar de hoofdstad van hun wereldrijk, om met hen hunne kampspelen en triomftochten op te luisteren. Die, welke wij thans in Europa kunnen zien, werden bijna zonder uitzondering jong gevangen. Het spreekt van zelf, dat de moeder gedood moet worden, voordat men er aan denken kan op het jonge dier jacht te maken. De blinde gehechtheid van het kleine, plompe dier aan zijn moeder maakt echter de vangst gemakkelijk. Het jong volgt de geharpoeneerde moeder overal na en verlaat zelfs haar lijk niet. Men vangt het in een net, of werpt het een harpoen in het lichaam op een plaats, waar dit wapen geen gevaarlijke wonde veroorzaakt, en tracht het aan land te trekken. In den beginne doet het zijn best zich los te rukken, laat een gillend, doordringend geschreeuw hooren, evenals een Zwijn, dat gekeeld zal worden, en geeft den jagers volop werk; het geraakt echter spoedig aan den mensch gewoon en volgt hem na.
De ervaring heeft geleerd, dat het Nijlpaard het leven in de gevangenschap, zelfs in Europa, gemakkelijk en gedurende langen tijd verdragen kan. Als men een paar van deze dieren een verblijfplaats verschaft, die naar hun aard is ingericht, d. w. z. waar zij zich nu eens in ’t water, dan weer op ’t droge kunnen begeven, bestaat er groote kans, dat zij nakomelingen zullen verkrijgen. Zij nemen den kost voor lief, dien men gewoonlijk aan het Varken geeft. Het eerste gevangen Nijlpaard, dat sedert den ouden tijd naar Europa werd gebracht, en in 1850 in de Londensche diergaarde werd opgenomen, heb ik te Kaïro gezien. Het had zich aan zijn verzorger zoozeer gehecht, dat het hem als een Hond naliep en zich gemakkelijk liet regeeren.
Later kwamen twee Nijlpaarden te Parijs. In het jaar 1859 kreeg men voor ’t eerst twee jonge dieren van deze soort in Duitschland te zien (een mannetje en een wijfje, het eigendom van den dierenhandelaar Casanova, wiens echtgenoote er mede rondreisde). Deze zelfde exemplaren werden in 1860 voor ƒ 12.960 voor den Amsterdamschen dierentuin aangekocht. In 1862 werd van dit paar een jong geboren, dat echter van zijn moeder van den beginne af een ruwe en harde behandeling ondervond; zij liet het niet zuigen, wierp het heen en weer en toonde zich zeer opgewonden, toen zij van het mannetje gescheiden werd. In weerwil van alle pogingen om het kunstmatig te voeden, stierf het reeds twee dagen na de geboorte.
Westerman, de directeur van den Amsterdamschen dierentuin, heeft mij later mondeling medegedeeld, dat hetzelfde wijfje nog andere jongen ter wereld bracht, en wel steeds zeven à acht maanden na de paring; de meeste van deze jongen werden door de moeder slecht behandeld. De vader scheen steeds ijverzuchtig te zijn op zijn spruit; hij ging als een dolleman te keer, bracht hierdoor ook het wijfje van streek en gaf op deze wijze indirect aanleiding tot de verwijdering van het jong, dat in de drie eerste gevallen niet lang leefde. Wel trachtte men het diertje met koemelk groot te brengen, die in groote zuigflesschen werd toegediend; ook kon men het er aan gewennen dit voedsel te gebruiken; in het gunstigste geval echter bleef het hierdoor slechts twee à drie weken op een armoedige wijze in ’t leven. Eerst met het vierde jong, dat in Augustus 1865 geboren werd, was men gelukkiger. Wel werd ook nu gedurende de eerste weken de zuigflesch gebruikt, weldra echter leerde men een eenvoudiger middel kennen om de zuigeling te voeden, n.l. door de lauw-warme melk eenvoudig in een nap te gieten, het jonge Nijlpaard er bij te lokken, de hand in de melk te steken en het dier zijn voedsel te laten opleppen, terwijl het aan de vingers zoog. Op deze wijze ledigde het den eenen nap na den anderen en groeide als kool. Zeer dikwijls zorgde Westerman zelf voor deze voedering, die om de drie of vier uur, ’s nachts zoowel als over dag, herhaald moest worden; dank zij deze toewijding gelukte het den jongen kolossus groot te brengen. Na de tweede levensmaand begon het dier reeds nu en dan salade, gras en ander plantaardig voedsel te gebruiken; toen het zes maanden oud was, gedroeg het zich als een volwassene. Het werd toen verkocht voor ƒ 12.000, en op reis naar zijn toekomstige woonplaats, New-York, eenigen tijd in het Kristallen Paleis te Sydenham tentoongesteld. Dit geschiedde kort vóór den brand, die dit gebouw vernielde, bij welke gelegenheid het dier om ’t leven kwam. Een ander jong werd in 1877 voor ƒ 9.600 verkocht en heeft jaren lang in den Londenschen dierentuin geleefd. In ’t geheel werden van 1862 tot 1876 van dit paar 14 jongen geboren. Een van de beide Amsterdamsche Nijlpaarden ontsnapte eenigen tijd later aan een groot gevaar. Bij een bezoek van de weeskinderen aan Artis, had een der jongens de aardigheid het wijfje een ledige flesch in den bek te werpen. Deze werd verbrijzeld en ingeslikt, maar bracht geen nadeelige gevolgen te weeg. Het mannetje stierf in 1884 aan verval van krachten; het wijfje, dat sedert dien tijd het bassin alleen bewoonde, bezweek in ’t begin van Oct. 1896.—Herhaaldelijk zijn ook in andere diergaarden jonge Nijlpaarden geboren en groot gebracht.
Behalve den mensch ontmoet Behemot zelden een vijand, die voor hem gevaarlijk kan worden. Daar waar de mensch niet komt, zal het Nijlpaard waarschijnlijk een hoogen leeftijd bereiken. Hoewel het betrekkelijk snel groeit, verloopen er toch vele jaren, voordat het zijn volle grootte heeft bereikt. Vermoedelijk is het reeds in het tweede, stellig in het derde levensjaar voor de voortplanting geschikt. Aan gevangen exemplaren heeft men duidelijk kunnen waarnemen, dat het dier, ook nog nadat het jongen heeft voortgebracht, gedurende verscheidene jaren in grootte toeneemt. Als het later geheel volwassen is, groeien zijne tanden nog steeds aan. Op welken leeftijd het verval van krachten begint en hoe oud het dier kan worden, is nog niet uitgemaakt.
De tweede, nog levende vertegenwoordiger van de familie der Nijlpaarden—het Liberische Rivierpaard of, zooals men het ook zou kunnen noemen, het Dwergrivierpaard (Hippopotamus liberiensis) is zeer veel kleiner dan de zooeven beschreven soort, en, naar het schijnt, tot een klein verbreidingsgebied in Opper-Guinea beperkt. Van zijn reusachtigen verwant onderscheidt het zich behalve door zijn veel geringere grootte, ook door het ontbreken van één snijtand in elke onderkaakshelft. Büttikofer, die versch gedoode dieren zag, verzekert, dat hun rug leikleurig zwart, de buik vuil grijsachtig wit, de zijden groenachtig leikleurig zijn. Een volwassen wijfje, dat hij kreeg, woog volgens zijn schatting niet meer dan 400 KG. en had bij een schouderhoogte van 76 cM. een totale lengte van 185 cM., waarvan 17 cM. op den staart komen.