Moefflon (Ovis musimon). 1/12 v. d. ware grootte.
dat zij zich hadden laten vangen. De bewijzen van geesteswerkzaamheid, die ik bij hen opmerkte, zijn: een zekere mate van plaatszin, een flauwe herinnering aan ontvangen weldaden, gehechtheid aan het gezelschap, waaraan zij gewoon zijn geraakt, en liefde voor de jongen.
In Centraal-Azië en Noord-Amerika treft men de grootste Wilde Schapen aan; deze onderscheiden zich door het bezit van kolossale hoorns en lange pooten.
De Argali van de Mongolen (Ovis argali) is zoo groot als een kalf van 9 maanden. De forsche, driezijdige, breede hoornen staan aan den wortel dicht bij elkander, krommen zich eerst naar achteren en naar buiten, vervolgens naar onderen en zijwaarts, met de spits echter weder naar achteren en naar boven; van onderen tot boven zijn zij bedekt met opzwellingen, die ringvormig den geheelen hoorn omgeven en een golfsgewijs beloop hebben, of als ’t ware dooreengevlochten zijn. Het overal zeer gelijkmatige haarkleed bestaat uit dicht bijeengeplaatste, golvende bovenharen en fijn, kort wolhaar. De heerschende kleur is mat vaalgrijs; zij gaat in het aangezicht, aan de beide bovenste afdeelingen der pooten, aan de bovenste helft van den voet, aan de randen van het achterkwartier en aan het achterste deel van den buik over in een merkbaar donkerder, bruinachtig grijs, aan het voorste deel van den snuit, op het breede achterste, aan de onderste helft van de voeten in grijsachtig wit.
Het verbreidingsgebied van den Argali reikt van de bergen van het district Akmolinsk tot den zuid-oostrand van de Mongoolsche hoogvlakte en van den Altaï tot aan den Alatau; misschien strekt het zich nog verder zuidwaarts uit.
De Argali houdt niet van vochtige, met bosschen bedekte gebergten en ook niet van groote hoogten. Bergruggen, die zich 600 à 1000 M. boven den zeespiegel verheffen, rijk aan kale rotsen, met hellingen, waarop weinig boomen groeien en dalen met breed grondvlak worden bij voorkeur door hem als woonplaats gekozen. Hij bewoont ’s zomers en ’s winters nagenoeg hetzelfde gebied; hoogstens begeeft hij zich van den eenen bergrug naar den anderen. Tot aan den paartijd blijven de mannetjes van de wijfjes gescheiden; gene vormen troepjes van 3 à 5 stuks, deze leven meestal afzonderlijk; kort vóór den paartijd vereenigen zij zich tot kleine kudden van gemiddeld 10 en hoogstens 15 individuën.
Gedurende den zomer voedt de Argali zich met alle planten, die het Tamme Schaap bij voorkeur gebruikt; gedurende den winter behelpt hij zich met mossen; korstmossen en verdroogde grassen. Hij beklimt dan de toppen en kammen van de rotsen, vanwaar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, zoodat de korstmossen blootliggen. Hij is kieschkeuriger bij het drinken dan bij het grazen, daar hij zich altijd naar bepaalde bronnen begeeft en aan deze klaarblijkelijk de voorkeur geeft boven andere. Zouthoudende gronden worden ter wille van de door alle Herkauwers zeer gewenschte lekkernij dikwijls bezocht. Zoolang de sneeuwlaag niet al te dik geworden is, hindert de winter hem weinig, daar de dichte vacht hem tegen de guurheid van het klimaat beschut.
Naar het schijnt, zijn de zintuigen van den Argali uitmuntend en gelijkmatig ontwikkeld. Zij zien, hooren en speuren buitengewoon goed, houden van lekkernijen, wanneer zij ze krijgen kunnen, en zullen vermoedelijk ook wat het gevoel betreft, niet misdeeld zijn. Hun uitzicht teekent bedachtzaamheid en bewustzijn van kracht; ook merkt men bij hen het vermogen om te oordeelen en te onderscheiden op. In landstreken, waar hun verstand gescherpt wordt door aanhoudende vervolgingen, toonen zij zich steeds voorzichtig, hoewel niet bepaald schuw; in ’t tegenovergestelde geval geven zij verrassende bewijzen van argeloosheid. Opmerkelijk is hun dwaze nieuwsgierigheid, die hen in sommige gevallen aan groote gevaren blootstelt. Reeds de oude Steller verhaalt, dat de jagers van Kamtschatka de Wilde Schapen, die in hunne gebergten leven (het Dikhoornschaap en zijne verwanten), bezighouden met een pop, die van hunne kleederen vervaardigd is, en intusschen langs omwegen nader sluipen, totdat zij het wild binnen schot hebben. Prshewalski vernam van den Argali hetzelfde, en onderzocht de waarheid van het verhaal der Mongolen, door zijn hemd op een laadstok te hangen; de aandacht van een vluchtende kudde Wilde Schapen werd hierdoor gedurende een kwartier uurs geboeid. Zelfs met zulke listen is voor de jacht op den Argali een geoefend jager, die bovendien een uitmuntend schutter moet zijn, noodig. Het vleesch van dit dier wordt door de Kirgiezen zeer geschat, en is ook inderdaad voortreffelijk, ondanks zijn sterken wildsmaak.
Behalve door den mensch, wordt de volwassen Argali vervolgd door den Tijger, den Wolf en den Alpenwolf, ofschoon deze Roofdieren slechts zelden hun doel bereiken. Eerder gelukt het hun een Argali-lam buit te maken, hoewel dit nog meer reden heeft om den Steenarend te vreezen. Indien het gelukt den Argali te temmen, zal men hierdoor een huisdier verkrijgen, dat van groot belang zou kunnen worden. Daar het zoowel den strengen winter als den gloeienden zomer van de steppe trotseert, zou het waarschijnlijk beter dan eenig ander dier geschikt zijn, om in andere gewesten ingevoerd te worden.
Het Dikhoornschaap (Ovis montana) bewoont het Rotsgebergte en de verder westwaarts gelegen landstreken van 68° tot ongeveer 40° N.B.; het wordt echter uitsluitend in de wildste en ontoegankelijkste bergstreken aangetroffen. Tot dezelfde soort wordt een in Kamtschatka levend Wild Schaap gerekend, hoewel het zich van zijn Amerikaanschen verwant door minder sterk ontwikkelde hoornen onderscheidt.
Onze bekendheid met het Dikhoornschaap is tamelijk onvolledig, vooral wat betreft de levenswijze. Volwassen rammen hebben een lengte van 1.9 M., met inbegrip van den slechts 12 cM. langen staart en een schouderhoogte van 1.05 M.; het wijfje is 1.4 à 1.5 M. lang en 90 à 95 cM. hoog. Gene bereiken een gewicht van 175 KG. (alleen de hoornen wegen soms 25 KG.); de ooi wordt 130 à 140 KG. zwaar. De gestalte is gedrongen en gespierd; de kop gelijkt op dien van den Steenbok. De lengte van de kolossale hoornen, langs de kromming gemeten, bedraagt soms 70 cM. Het haar gelijkt niet op wol, maar is hard, hoewel zacht op het gevoel, zwak golvend en hoogstens 5 cM. lang; een vuil grijsbruine kleur, die langs den rug donkerder wordt, heeft de overhand.
De levenswijze van de Dikhoornschapen verschilt, naar men meent, niet van die hunner verwanten, en onderscheidt zich niet eens belangrijk van die der Steenbokken. Evenals deze, zijn zij onovertroffen meesters in de kunst van ’t bergen beklimmen. Zoodra zij iets vreemds opmerken, vluchten zij naar steile hoogten, en posteeren zich hier op vooruitspringende rotsen om hun gebied te overzien. Waar zij den mensch hebben leeren kennen, vreezen zij hem niet minder dan hun anderen, iets minder gevaarlijken vijand, den Wolf. Het vleesch van dit dier wordt door de blanken zoowel als door de Indianen gegeten, maar heeft een schaapachtigen reuk, die vooral bij dat van de mannetjes duidelijk merkbaar is. De duurzame en sterke, maar toch zachte en buigzame huid wordt door de Indianen voor het vervaardigen van hunne fraaie, lederen hemden zeer gezocht.
Het vangen van jonge Dikhoornschapen werd altijd als een zeer moeielijke zaak beschouwd, daar deze dieren met hunne moeders in den regel naar de minst toegankelijke plaatsen vluchten. In den laatsten tijd is men er evenwel in geslaagd; in het verre westen heeft men niet alleen jonge rammen zoo ver getemd, dat men ze vrij bij de tamme kudden kan laten loopen, maar bovendien goede uitkomsten verkregen van de kruising dezer dieren met Huisschapen. Het vleesch van de hierdoor ontstaande bastaarden wordt zeer geroemd.
Evenmin als van de oorsprong van andere Herkauwers, die door den mensch onderworpen en volslagen huisdieren geworden zijn, kan men iets bepaalds zeggen van de afstamming van ons Huisschaap. De meeningen van de natuuronderzoekers over dit vraagpunt loopen zeer ver uiteen. Eenige meenen, dat alle rassen van Schapen van één enkelen wilden vorm afstammen, die vermoedelijk reeds sinds onheugelijke tijden volkomen uitgestorven, of geheel in den tammen staat overgegaan en dus nergens meer te vinden is. Anderen daarentegen beweren, dat men in geen geval aan een enkele stamsoort moet denken, maar dat verscheidene soorten van Wilde Schapen getemd werden en door herhaalde kruising de talrijke, thans bestaande Schapenrassen opgeleverd hebben. Sommigen zien in den Moefflon, anderen in den Argali, enkelen ook in den Aroeï, verscheidene in den Scha (Ovis vignei) van Klein-Tibet den bedoelden stamvorm; anderen, waarbij ook ik mij voeg, erkennen openhartig hun onwetendheid en laten terecht uitkomen dat onderstellingen, die niet op goede gronden berusten, de oplossing van het vraagstuk geen stap verder kunnen brengen. De punten van verschil tusschen de rassen hebben hoofdzakelijk betrekking op de wijze van kromming van de hoornen op de lengte en andere eigenschappen van den staart en op de beharing.
Volgens de laatste onderzoekingen bestaan er goede gronden voor de meening, dat ook de zoo talrijke Schapenrassen niets anders zijn dan kunstproducten, ontstaan onder den invloed, dien de mensch geoefend heeft op de kruising der afstammelingen van Wilde Schapen; het is gebleken, dat zij veranderlijk zijn, wat gestalte en grootte, vorm van de hoornen en samenstelling van de vacht, levenswijze, gewoonten en allerlei andere eigenschappen betreft.
Als het meest voordeelige van alle Huisschapen beschouwt men tegenwoordig het Merino-schaap (Ovis aries hispanica), dat in Spanje zijne kenmerkende eigenaardigheden verkregen heeft en achtereenvolgens tot veredeling van bijna alle Europeesche rassen gebruikt werd. Middelmatig groot en vol gebouwd, onderscheidt het zich door zijn grooten kop, die aan het voorhoofd plat, langs den rug van den neus gewelfd, aan den snuit afgestompt is; het heeft kleine oogen, groote traangroeven en middelmatig lange, toegespitste ooren. De horens, die in den regel alleen bij den ram voorkomen, zijn forsch, bij den wortel reeds zij- en rugwaarts gekromd, vervolgens naar boven gedraaid; zij vormen zoo een uit twee schroefwindingen bestaande spiraal. De hals is kort en dik, sterk geplooid, van onderen met een “kossem” voorzien, aan de keel kropvormig gezwollen. De betrekkelijk korte, maar stevigen en gespierde pooten hebben stomp toegespitste hoeven. De vacht bestaat uit korte, zachte en fijne, bijzonder regelmatig gekroesde wol.
Merino-schaap (Ovis aries hispanica). 1/12 v. d. ware grootte.
“In Spanje” bericht mij Martinez, secretaris van de Vereeniging van schapenfokkers in Spanje, “onderscheidt men drie hoofdrassen van Schapen: de Entrefina of middelmatig fijne, die het talrijkst zijn, de minder talrijke Choerra en de Merino, de edelste van alle, welker aantal echter tegenwoordig op betreurenswaardige wijze vermindert. Vele buitenlanders hebben gemeend, dat er in Spanje geen ander ras van Schapen bestond en nog bestaat, dan het Merino-ras, dat dan ook ongetwijfeld gedurende eeuwen aan onze Schapen hun goeden naam heeft verschaft; verschillende oorzaken hebben echter samengewerkt om in Spanje de voorliefde voor dit ras te doen verminderen en het door de beide andere bovengenoemde rassen te vervangen.”
Een uitmuntenden invloed heeft het Merino-schaap op de ontwikkeling der schapenfokkerij in Kaapland gehad. In 1812 werden tot veredeling van de Kaapsche Schapen door Reitz en M. van Breda exemplaren van het Saksische Electoraal-ras ingevoerd: afstammelingen van de Merino’s, die de keurvorst (elector) Friedrich August in 1765 en 1771 uit Spanje ten geschenke ontving. In 1820 werd dit streven nagevolgd door andere kolonisten, die direct uit Spanje Merino-schapen invoerden. De nakomelingen en de kruisingsproducten van deze dieren werden wederom gekruist met andere Schapen van edel ras, die uit Pommeren, Hannover en Australië afkomstig waren; op deze wijze zijn verscheidene, voor de verschillende gewesten uitmuntend geschikte slagen ontstaan.
De Schapenrassen worden verdeeld in twee groepen naar de lengte van den staart, die bij de kortstaartige 13 of minder, bij de langstaartige 14 à 22 wervels bevat. De onderverdeeling van deze groepen berust op het bezit of gemis van hoornen, op eigenaardigheden van de hoornen, den staart, de pooten, enz., maar vooral op de samenstelling van de vacht; deze heeft den belangrijksten invloed op het voordeel, dat de schapenteelt afwerpt. Dit hangt af van het drieërlei gebruik, dat van het Schaap gemaakt wordt; de voortbrenging van vleesch en vet, van melk en van wol. Bij sommige rassen staat het eene product op den voorgrond, bij andere moeten vooral de overige producten voor de moeiten van de schapenteelt vergoeding verschaffen.
Van de uitheemsche, gehoornde, kortstaartige rassen is o. a. merkwaardig het Vetstuitschaap (Ovis aries steatopyga), welks vertegenwoordigers de steppen bewonen, die aan de zuidoostelijke grens van Europa, beginnen en zich door Midden-Azië tot in China uitstrekken. Het is het Schaap van de Tartaren, Kirgiezen, Kalmukken en Bureten. Zijn naam dankt het aan de groote ophooping van vet aan weerszijden van den staartwortel. De zeer korte staart, die soms niet meer dan 3 of 4 wervels bevat, ligt verborgen tusschen de twee bedoelde vetklompen, die zich aan de achtervlakte van den romp over de bovenste gedeelten van de achterbouten uitbreiden en door een onbehaarde huid bedekt zijn. Bij een Schaap van 100 KG. levert het uitsmelten van dezen “vetstuit” soms meer dan 20 KG. vet op. De vacht is grof; de harige wol wordt voor de bereiding van vilt gebruikt.
Een soortgelijke ophooping van vet komt voor bij het eveneens kortstaartige Stompstaartschaap (Ovis aries pachycerca), dat in Arabië, Perzië en Opper-Egypte thuis behoort. De dieren van dit ras zijn tamelijk groot, ongehoornd of met kleine hoornen voorzien. De vacht gelijkt, evenals bij het vorige ras, meer op die der Wilde Schapen, dan op die van onze Huisschapen, daar het bovenhaar (hier glanzig en eenigszins kroes) verreweg de overhand heeft over het fijnere en kroezere wolhaar. Bij de lammeren is het haarkleed echter buitengewoon fijn en wollig. De kop en het bovenste gedeelte van den hals zijn gewoonlijk zwart, de overige lichaamsdeelen wit van kleur (Zwartkop-schaap). De behaarde, middelmatige lange staart bevat 13 wervels; buiten de vetmassa, die zich rondom de bovenste staarthelft afgezet heeft, steekt de niet verdikte staartspits uit.
Bij een groep van langstaartige rassen, bij het Vetstaartschaap (Ovies aries platyura), is de geheele staart door buitengewone vetophooping zeer sterk verbreed en verdikt. Het meest loopt dit verschijnsel in ’t oog bij een in Syrië levend slag, waar de zeer lange, breede en met een wollige vacht bekleede staart een omhoog gekromde spits heeft en een gewicht van 15 KG. kan bereiken. Naar men zegt, wordt onder dit zware aanhangsel soms een plankje gebonden, dat ook wel op wieltjes rust, om de moeite verbonden aan het medesleepen van den staart te verminderen en beschadiging er van te voorkomen. De romp is bij dit ras met een vuil witte wol bedekt; de met korte en stijve haren begroeide kop, de ooren en de pooten zijn lichtbruin van kleur.—Vetstaartschapen met een middelmatig langen staart worden ook nog wel in sommige landen van Europa (Macedonië, Zuid- en Midden-Italië en de zuidelijke departementen van Frankrijk) gefokt, voorts in Azië (Anatolië, Tartarije, Perzië en Arabië), het meest echter in Afrika (de landen langs de noordkust, Egypte, Abessinië, Centraal Afrika); alle nomaden van deze gewesten houden Schapen van dit ras. De Hottentotten hadden ze, toen de Hollanders zich aan de Kaap de Goede Hoop vestigden. Ook bij deze dieren kan de staart een aanzienlijk gewicht verkrijgen: bij een in Perzië gefokt Schaap van dit ras was hij 5 KG. zwaar.
Een ander langstaartig ras, het Manendragend Huisschaap (Ovis aries afrikana), herinnert aan het in ’t wild levende Manenschaap door de afhangende, lange, zwarte haren, waarmede de schouders, de borst en de hals begroeid zijn, terwijl de beharing der overige lichaamsdeelen kort is. Het is een huisdier van den Schilloek-stam, die aan den linkeroever van den Witten Nijl woont.
Eveneens langstaartig zijn: het Langpootige Schaap (Ovis aries longipennis), dat in West-Afrika (Fezzan, Senegambië, Opper- en Neder-Guinea) voorkomt en, evenals het vorige, geen andere dan borstelharen heeft, en het Spiraalhoornschaap (Ovis aries strepsiceros), dat in ’t zuid-oosten van Europa (Candia, Macedonië, Walachije, Moldavië, Hongarije) aangetroffen wordt, en zich, behalve door zijne op kurketrekkers gelijkende, lange, boven- en zijwaarts gerichte hoornen, ook door zijn grove, meestal blauwachtig grijze vacht onderscheidt, welker bovenharen in één jaar een lengte van 24 cM. bereiken, terwijl de wolharen in dien tijd 12 cM. worden. Ook het Hangoorschaap (Ovis aries catotis), waartoe de groote, hoogpootige, ongehoornde Lombardische Schapen behooren, heeft een uit bovenhaar en wolhaar bestaande vacht.
Niet anders dan borstelige bovenharen vindt men daarentegen bij het Langstaartschaap (Ovis aries dolychura), dat een langen over den grond sleepende, niet met vet begroeiden staart heeft, en waartoe, behalve het Arabisch-Syrische Bedoeïnen-schaap en Tscherkessen-schaap, ook het Engelsche Leicester-schaap behoort; bij het laatstgenoemde slag is het haar wit, glanzig, fijn en zwak golvend.
Tot de langstaartige rassen behoort ook nog het Bergschaap, welks slagen in de vele bergstreken van Europa (Zevenburgen, Sardinië, Zwitserland, Frankrijk, Engeland, Ierland) veelvuldig gefokt worden. Zij zijn over ’t algemeen klein, maar sterk gebouwd; zoowel de rammen als de ooien zijn ongehoornd; zij hebben meer wolhaar dan de Spiraal-hoornschapen.
Belangrijker dan de tot dusver genoemde, uitheemsche vormen, zijn voor ons de inheemsche. Deze behooren gedeeltelijk tot de groep van langstaartige rassen, die onder den naam Landschaap (Ovis aries aries) samengevat worden. Van de drie inheemsche slagen, die men er rekent, is één, het Drentsche, gekenmerkt door lange, zware, 2 of 3 spiraalwindingen vormende hoorns bij de rammen, en korte, rechte, achterwaarts gerichte hoorns bij de ooien; bij de beide andere, het Veluwsche en Kempensche slag, blijft de hoornvorming achterwege, of komt alleen bij de ram in geringe mate voor. De Landschapen bewonen vlakke en droge gronden, en stellen minder hooge eischen wat het voedsel betreft, dan de Laaglandschapen, die tot de groep Kortstaartschaap (Ovis aries brachyura) behooren, en o. a. de lage, vochtige kuststreken van ons land bewonen, waar men ze in Groningsche, Friesche, Texelsche, Zeeuwsche en Vlaamsche Schapen onderscheidt. De hoornvorming is hier zelfs bij de rammen van weinig beteekenis. Het Texelsche ras levert de beste wol; het wordt in verschillende gedeelten van Holland gefokt.
Het Huisschaap is bedaard, geduldig, zachtmoedig, onnoozel, slaafsch, willoos, vreesachtig, lafhartig, in een woord saai. Het is nagenoeg onmogelijk positieve eigenschappen te noemen, welke bij dit dier bepaald op den voorgrond treden; het heeft geen karakter. Het begrijpt en leert niets, kan zich daarom ook niet alleen redden. Als de egoïstische mensch het niet onthief van alle zorgen, zou het in zeer korten tijd ophouden te bestaan. Het is belachelijk vreesachtig en erbarmelijk lafhartig. Ieder onbekend gedruisch maakt de geheele kudde beangst; bliksem en donder en storm, ruw weder in ’t algemeen, brengen het geheel buiten zich zelf, en verijdelen niet zelden de met groote moeite genomen voorzorgen van den mensch.
In de steppen van Rusland en Azië hebben de herders dikwijls veel te lijden. Bij sneeuwjacht en storm geraken de kudden verstrooid, hollen als zinneloos de steppe in, storten zich in ’t water en zelfs in zee, blijven stompzinnig op dezelfde plaats staan, laten zich door de sneeuw bedekken of verkleumen, zonder eenige pogingen aan te wenden, om zich op een of andere wijze te beschutten of naar voedsel om te zien. Soms bezwijken duizenden op één dag. Ook in Rusland gebruiken de schaapherders Geiten, om hun vee tot gids te dienen, maar ook deze zijn niet altijd in staat, om de domme dieren naar behooren te leiden. Bij onweder vereenigen zij zich tot een dichten hoop, en zijn niet van de plaats af te brengen. “Als de bliksem in deze hoop slaat,” zegt Lenz “worden er velen te gelijk gedood; als de stal in brand vliegt, loopen de Schapen niet naar buiten, soms storten zij zich zelfs in ’t vuur. Ik heb eens een groote, afgebrande stal vol van gebraden Schapen gezien; men had ondanks alle moeite slechts weinige met geweld kunnen redden.” Het beste middel, om Schapen uit hun brandende stal te redden, is hen door de Herdershonden er uit laten jagen.
Doch ook het schaap geeft, tot op zekere hoogte, bewijzen van geesteswerkzaamheid. Het leert zijn verzorger kennen, geeft gehoor aan zijn roepstem, en betoont hem ook eenige gehoorzaamheid; het schept, naar het schijnt, behagen in muziek, het luistert althans aandachtig naar het spel van den herder; ook heeft het een voorgevoel van weersveranderingen.
Het Schaap houdt meer van droge, hoog gelegen gronden, dan van lage en vochtige. Volgens de berekening van Linnaeus, eet het van de veelvuldige voorkomende Europeesche planten 327 soorten, terwijl het er 141 versmaadt. Boterbloemen, Wolfsmelk, Tijdeloozen, Paardenstaarten, Vetblad en Biezen zijn voor dit dier vergif. Het best vaart het bij het gebruik van velerlei gedroogde planten; door voedering met graan wordt het te vet, en vermindert de wol. Op zout is het zeer gesteld; het kan niet buiten versch drinkwater.
De oude Romeinen lieten hunne Schapen tusschen Mei en Juni paren; de veefokkers in koudere landen geven voor dit doel de voorkeur aan den herfst, bij ons aan de laatste helft van October of de eerste helft van November. Daar de draagtijd van het Schaap 144 à 150 dagen bedraagt, worden de lammeren in ’t laatstgenoemd geval geboren in Maart of April en krijgen dus spoedig jong en malsch groen voer. Gewoonlijk brengt het wijfje (de ooi) slechts één enkel lam ter wereld; tweelingen zijn tamelijk zeldzaam, drielingen zeer schaars. Men moet hierbij niet uit het oog verliezen, dat de vruchtbaarheid der verschillende rassen en slagen zeer uiteenloopt; bij sommige onzer slagen komen tweelingen vrij veelvuldig voor. In de eerste levensmaand komen de 20 melktanden voor den dag; na de zesde maand vertoont zich de eerste ware kies; in het tweede levensjaar vallen de beide middelste melksnijtanden uit, en worden door blijvende snijtanden vervangen: eerst in het vijfde levensjaar worden de beide laatste melksnijtanden (eigenlijk hoektanden), gewisseld, en komen de achterste ware kiezen voor den dag, waarmede de tandwisseling is afgeloopen. Alle rassen zijn onderling vruchtbaar, en laten zich zonder moeite kruisen; het Schaap kan derhalve gemakkelijk veredeld worden.
Hier te lande heeft dit zoo gewaardeerde huisdier weinige vijanden; in het midden en zuiden van Europa echter sluipt de Wolf vaak achter de kudden aan; in Azië, Afrika en Amerika worden deze weerlooze dieren vervolgd door groote Katten en de grootste Honden, in Australië door den Dingo en den Buidelwolf. Ook Bruin, de Beer, haalt hier en daar een stuk van dit vee weg. Arenden en Gierarenden rooven lammeren.
De veelvuldigste van alle ziekten, waaraan de Schapen onderhevig zijn, is de draaiziekte, die zich hoofdzakelijk bij jonge Schapen openbaart; zij wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van Blaaswormen, een ontwikkelingstoestand van een Lintworm (Taenia coenurus) in de hersenen. Andere Ingewandswormen, de zoogenaamde Leverbot (Distoma hepaticum) veroorzaken het ongans, eenige draadwormen de longziekte. Bovendien worden de Schapen gekweld door eenige uitwendige parasieten, zooals de tot de Luisvliegen behoorende zoogenaamde schapenteek (Melophagus ovinus) en de Schurftmijt (Dermatocoptes communis). Daarbij komen nog bloedloop, klauwzeer, hersenontsteking, sidderziekte, pokken, trommelzucht en andere dikwijls doodelijke kwalen.
Het Schaap kan 14 jaar oud worden; reeds in ’t 9e of 10e levensjaar echter verliest het de meeste tanden. Daardoor wordt het onbruikbaar; het moet dan zoo schielijk mogelijk gemest en geslacht worden.
Onder de landen, waar de schapenteelt een belangrijk deel van de inkomsten der bewoners oplevert, staat Australië, dat in 1895 124 millioen Schapen bezat, bovenaan; Azië heeft er 90, Argentinië 82, Rusland 50, Afrika 45, de Vereenigde Staten van Amerika 45, Groot Britannië 29, Frankrijk 24, Spanje 20, Oostenrijk-Hongarije 20, Uruguay 15, het Duitsche rijk bijna 11, Italië 9, Rumenië 5, Canada 3 millioen. In Nederland is het aantal Schapen 900.000.
In het hooge noorden, in de onherbergzame gewesten, waar de bodem in den zomer slechts aan de oppervlakte ontdooit, waar dwergachtige houtige planten een armoedig leven leiden, waar mos- en korstmostoendras een groot deel van den bodem uitmaken, zwerft, behalve het Rendier, nog een andere Herkauwer over de woeste vlakten, n.l. de Schaap-os of Muscus-os. Vroeger leefden beide dieren in veel verder zuidwaarts gelegen landen; vooral de Muscus-os heeft een harden strijd om het bestaan moeten voeren, zooals blijkt uit de beenderen door hem achtergelaten in verscheidene voormalige rivierbeddingen van Europa en Azië. Meer dan 15 breedtegraden lager bevond zich eertijds de zuidelijke grens van zijn verbreidingsgebied, dat thans in Amerika, het eenige nog door hem bewoonde werelddeel, eerst aan gene zijde van den 60en graad N.B. aanvangt.
De Schaap-os of Muscus-os, de Oemingarok der Eskimos (Ovibos moschatus), vereenigt op een wonderlijke wijze de kenmerken van de Runderen en van de Schapen in zich; het komt ons daarom noodig voor hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onderfamilie te beschouwen. Door het gemis van een “kossem” (of halskwabbe, een huidplooi aan het achterste gedeelte van den onderhals en aan de voorborst) en door het onbehaard zijn van de spits van den snoet, door de kortheid van het staartstompje, door den bouw der hoeven en door het bezit van slechts twee tepels verschilt dit tweeslachtig wezen even duidelijk van de echte Runderen als het tot de Schapen nadert. Zijn totale lengte bedraagt, met inbegrip van den slechts 7 cM. langen staart, 2.44 M., de schouderhoogte 1.1 M. De zwaar gebouwde romp rust op korte en krachtige pooten en loopt uit in een in de vacht verborgen staartstompje; de hals is kort en dik, de kop zeer plomp, betrekkelijk smal en hoog, het voorhoofd grootendeels door de hoornen bedekt; de oogen zijn klein, de muil is groot en plomp en door dikke lippen begrensd. De hoornen zijn tot dicht bij het midden hunner lengte gezwollen: dicht tegen den kop aanliggend, zijn zij eerst een weinig naar achteren, daarna regelrecht naar onderen gebogen, vervolgens naar voren en naar buiten gekeerd, waarna de scherpe spitsen zich weer naar boven richten.
Een buitengewoon dichte vacht bekleedt den romp; de beharing is ook opmerkelijk dicht op het aangezicht en de pooten. De betrekkelijk dikke bovenharen nemen bij de kin te beginnen naar onderen in lengte toe en vormen op de borst manen, die bijna den grond raken; aan beide zijden hangen zij tot op de hoeven naar beneden. Ook bedekken zij in grooten overvloed de schoft, waardoor een kussenvormig zadel ontstaat, dat achter de hoornen begint, den hals aan weerszijden bedekt en zelfs de ooren omhult. De algemeene kleur is donker omber-bruin; zij gaat op ’t aangezicht en de manen in donkerbruin over en neemt op het zadel een lichtere tint aan.
De Schaap-ossen bewonen binnen het genoemde, uitgestrekte gebied alle oorden, die hun, zij het dan ook tijdelijk, woonplaats en voedsel kunnen verschaffen. Tot kudden van verschillenden omvang vereenigd, vestigen zij zich vooral in dalen en laagvlakten; in sommige gewesten neemt hun aantal toe, naarmate men verder noordwaarts komt: voor Oost-Groenland althans meenen de leden van de tweede Duitsche Noordpoolexpeditie dit op grond van hunne ervaringen te mogen aannemen. Zij ontmoetten hier aanvankelijk kudden van 20 à 30 exemplaren. Op de verstafgelegen eilanden van het noordwesten echter zag Mecham gedurende een kleine dagmarsch 150 en op een andere plaats binnen den gezichtskring 70 grazende Schaap-ossen. Gedurende den zomer houden deze kudden zich in het noordelijk deel van het vasteland van Amerika bij voorkeur in de nabijheid van de rivieren op; zoodra de herfst invalt, trekken zij echter verder zuidwaarts; terzelfder tijd vereenigen zij zich tot groote scharen, terwijl zij vroeger meer afzonderlijk graasden. Als een samenhangende ijslaag hun hiertoe de gelegenheid biedt, ziet men ze in langen optocht van het eene eiland naar het andere loopen, om oorden te bereiken, die hun tijdelijk meer voedsel verschaffen. Alleen door hun buitengewone soberheid zijn zij in staat den vreeselijken winter door te komen. Langzaam en bedachtzaam doorkruisen zij de eindelooze sneeuwwoestijn om er leeftocht te vinden. Zoodra de dooi invalt, breekt voor hen een tijdperk aan, waarin zij het minst gekweld worden door zorg voor ’t voedsel, maar dat daarentegen rijk is aan bezwaren van anderen aard. De winter bood hun, diep onder de sneeuw verborgen, een armoedigen kost, thans kunnen zij zonder eenige moeite zich verzadigen aan de kruiden, die gedurende korten tijd, althans op sommige plaatsen, weelderig groeien. Daarentegen hebben zij nu veel te lijden van de Muggen, die hen dikwijls in werkelijk ontzettend groote zwermen overvallen, terwijl zij tevens van haar verwisselen. Naar het schijnt, heeft de verharing wegens hun dikke wollige vacht niet gemakkelijk plaats; zij wentelen zich, misschien ook met het doel om hun huid te bedekken met een korst, die hen tegen hunne pijnigers beveiligt, in poelen en moerassen, en blijven, naar men vermoedt, gedurende dezen tijd in een beperkt gebied; eerst nadat de haarwisseling geheel afgeloopen is, hervatten zij geduldig en onverpoosd hunne zwerftochten door de uitgestrekte vlakten van hun naargeestig vaderland.
Schaap-os (Ovibos moschatus). 1/15 v. d. ware grootte.
Tegen het einde van Augustus paren deze dieren; omstreeks het einde van Mei, dus na een draagtijd van 9 maanden, brengt het wijfje één jong ter wereld: een klein, bijzonder lief beestje, dat door de ouders liefderijk verzorgd en in geval van nood met zeer grooten moed verdedigd wordt.
In weerwil van hun plompe gestalte bewegen de Schaap-ossen zich met bewonderenswaardige gemakkelijkheid; zij zijn zoo vlug en behendig als Antilopen. Gelijk Geiten klimmen zij op de rotsen rond, zonder eenige inspanning beklimmen zij steile wanden en vrij van duizeling kijken zij van de hoogte af omlaag. In tegenwoordigheid van den mensch gedragen de Schaap-ossen, althans die, welke vóór dien tijd bijna of in ’t geheel niet met den aartsvijand van de dieren in aanraking zijn gekomen, zich dikwijls onhandig en handelen zonder overleg. Het blijkt, echter, dat zij in korten tijd een juist begrip verkrijgen van de vreeselijkheid van den tegenstander, die plotseling in hunne tot dusver alleen door IJsberen en Wolven bezochte velden verscheen; in het volle besef van het hen dreigende gevaar vluchten zij te rechter tijd.
Wanneer verscheidene jagers gelijktijdig van verschillende zijden een rustig grazende kudde van Schaap-ossen besluipen, dringen deze soms nader bijeen, in plaats van te vluchten en zich te verspreiden; hierdoor zijn de jagers in de gelegenheid verscheidene malen achtereen te schieten. Dan beantwoordt de jacht werkelijk aan de voorstelling, die Payer en Copeland er van geven; zij noemen haar volkomen ongevaarlijk en zeggen, dat zij niet meer bezwaar oplevert dan het schieten, op een kudde Geiten of Runderen, die gelegerd zijn rondom een Alpenhut, waarbinnen de jager zich bevindt. Volgens mijn meening is het echter verkeerd aan dergelijke ervaringen een algemeene beteekenis toe te kennen, te meer omdat de ondervinding van alle vroegere onderzoekers beslist hiermede in strijd is. Gewonde dieren worden woedend en rennen, dorstend naar wraak, op den jager los, die van geluk mag spreken, als hij niet omvergeloopen en met de puntige hoornen doorboord wordt.
Het vleesch van dit dier heeft een duidelijke muscuslucht; deze is evenwel bij de wijfjes niet zoo sterk, dat het vleesch er onbruikbaar door wordt, zooals, naar men zegt, het geval is bij de mannetjes die gedurende den paartijd gedood worden. De wol en het haar worden door de Indianen en de Eskimo’s hoog geschat. Het eerstgenoemd product is zoo fijn, dat men daarvan ongetwijfeld uitmuntende weefsels zou kunnen maken, als men er genoeg van kon krijgen. Van de staarten maken de Eskimos vliegenverdrijvers en van de huid een goed schoeisel.
De derde onderfamilie van de Holhoornigen omvat de Runderen (Bovinae): groote, sterke, logge Herkauwers, hoofdzakelijk gekenmerkt door rondachtige, gladde hoornen, door een breeden snuit met onbehaarde neuspunt (neusspiegel) en ver uiteengeplaatste neusgaten, door een langen tot aan het hielgewricht reikenden, in een kwast eindigenden staart en door het gemis van traangroeven en klauwklieren. De meeste onderscheiden zich ook door een kossem aan den hals. Hun geraamte heeft zeer plompe en krachtige beenderen. De hoornen zijn aan den wortel breed en bedekken daarom bij sommige bijna het geheele voorhoofd, wat bij verreweg de meeste niet het geval is; zij zijn glad en rondachtig of hoogstens aan hun onderste gedeelte dwars geribd; zij krommen zich naar buiten of naar binnen, naar achteren of naar voren, naar boven of naar beneden, of hebben een liervormige gedaante. Het haarkleed is gewoonlijk kort en glad aanliggend, maar kan ook op sommige lichaamsdeelen bij wijze van manen verlengd zijn.
Geheel Europa en Afrika, Middel- en Zuid-Azië, en ook het noorden van Amerika kan men als het vaderland van de Runderen aanmerken; tegenwoordig zijn de soorten, die door den mensch dienstbaar gemaakt werden, over alle deelen van den aardbol verbreid. De in ’t wild levende vormen bewonen zeer verschillende landstreken: sommige dichte bosschen, andere open grasland, deze de vlakte, gene het gebergte, waar zij zelfs nog op hoogten van 5500 à 6000 M. kunnen voorkomen. Slechts weinigen hebben een vaste woonplaats, bijna alle leiden een zwervend leven. Die, welke het gebergte bewonen, begeven zich in den winter naar de dalen; zij die zich in het noorden ophouden, trekken naar zuidelijker gewesten; andere verwisselen uit gebrek aan voedsel nu en dan hunne gewone verblijfplaatsen met oorden, die rijker zijn aan voedsel. Alle soorten zonder uitzondering leven gezellig en vormen kudden, die door sterke en ervaringrijke dieren aangevoerd worden; bij enkele soorten bestaan deze kudden soms uit duizenden individuën. Niet zelden komt het voor, dat oude mannetjes het gezelschap van hunne soortgenooten verlaten om een kluizenaarsleven te leiden.
Alle Runderen, hoe plomp en langzaam zij zich ook voordoen, zijn tot snelle beweging in staat, en toonen veel meer bekwaamheden, dan men van hen verwacht zou hebben. Hun gewone beweging is een langzame stap; zij kunnen echter ook snel draven en nemen soms een zeer plompen galop aan, die hen zeer snel verder brengt. De soorten, die het gebergte bewonen, klimmen meesterlijk; alle zwemmen gemakkelijk en goed; enkele trekken zonder schroom over de breedste stroomen. Hun spierkracht is buitengewoon groot, hun volharding bewonderenswaardig. Onder hunne zinnen neemt de reuk de eerste plaats in, ook het gehoor is goed ontwikkeld, het gezicht is echter niet bijzonder scherp. De geestvermogens zijn gering; de wilde vormen openbaren echter veel meer verstand dan de tamme, die van de gaven van hun geest niet veel gebruik behoeven te maken. Hun gemoedsaard is verschillend. Over ’t algemeen zachtaardig en argeloos tegenover wezens, die voor hen niet gevaarlijk of lastig zijn, geven zij ook bewijzen van buitengewone wildheid en vermetelheid en van een grooten moed; als zij getergd worden, vallen zij met doodsverachting alle Roofdieren, zelfs de sterkste aan; zij weten hunne wapens met zulk een behendigheid te gebruiken, dat zij dikwijls de zege behalen. Jegens elkander zijn zij over ’t geheel genomen verdraagzaam, hoewel zij in bepaalde tijden, en wel gedurende den paartijd, met een duidelijk zichtbaren lust tot vechten bezield zijn. Hun stem is een gebrul, dat meer of minder schel of dof klinkt, en soms ook wel op knorren en brommen gelijkt; vooral in opgewonden toestand laten zij zich hooren.
Het voedsel van de Runderen bestaat uit zeer verschillende plantaardige stoffen. Zij eten bladeren, malsche knoppen, spruiten en twijgen van de meest verschillende boomen, grassen en andere kruiden, boomschors, mossen en korstmossen, moeras- en waterplanten, zelfs scherpkantige zeggen en rietachtige gewassen. In gevangenschap voeden zij zich met alle mogelijke voortbrengselen uit het plantenrijk. Zout is voor alle een lekkernij; water is hun een behoefte; verscheidene wentelen zich vol behagen in slijkerige poelen, of gaan uren lang in rivieren of vijvers liggen.
9 à 12 maanden na de paring werpt het wijfje één jong, zeer zelden twee. Het kalf is reeds bij de geboorte zeer volkomen ontwikkeld en na zeer korten tijd in staat om de moeder te volgen. Deze behandelt het zeer liefderijk, zoogt en reinigt, likt en liefkoost het; zij verdedigt het in tijd van gevaar met ware doodsverachting tegen iederen aanval; later dragen bij vele soorten van Runderen de stieren voor de bescherming van de jongen zorg.
Alle Rundersoorten kunnen getemd worden. Deze dieren onderwerpen zich meer of minder gewillig aan den mensch, leeren hun verzorger kennen en liefhebben, volgen zijn stem en gehoorzamen zelfs aan een zwak kind. Toch toonen zij eigenlijk geen grootere gehechtheid aan hun meester dan aan anderen, maar gedragen zich, wanneer zij eens getemd zijn, even vriendelijk jegens alle menschen.
De jacht op wilde Runderen is niet vrij van gevaar, vooral een woedende stier is een niet te verachten tegenstander. Juist hierom worden deze dieren met een waren hartstocht gejaagd; bij vele volken beschouwt men deze jacht als de roemrijkste van alle bezigheden.
*
“De Indiërs,” zoo verhaalt ons reeds Aelianus, “bieden hun koning tweeërlei Runderen aan: een van deze kan zeer snel loopen, de andere is zeer wild. Hun kleur is zwart, de staart echter, die voor het verdrijven van de Vliegen dient, heeft een schitterend witte kleur. Het dier is zeer schuw en vlucht met groote snelheid; wanneer het echter door de Honden achterhaald wordt, verweert het zich, nadat het zijn staart in de struiken verborgen heeft; omdat het meent, dat men het geen kwaad meer doen zal, als men zijn staart niet kan zien; het weet namelijk zeer goed, dat men het wegens de schoonheid van den staart vervolgt. Toch baat dit het dier niets. Men doodt het met een vergiftigen pijl, snijdt het den staart af en neemt ook de huid mede; het vleesch echter laat men liggen.”
Het dier, waarop in dit bericht van Aelianus gedoeld wordt, is Yak (Bos grunniens), die men ook wel Knorbuffel noemt. Zijn romp is krachtig gebouwd; de matig groote, zeer breede kop, neemt van het lange en platte voorhoofd tot den knotsvormigen snuit gelijkmatig in dikte en breedte af; de oogen zijn klein en hebben een onnoozele uitdrukking; de ooren zijn klein en afgerond. De hoornen zijn achter aan den kop aan weerszijden van de voorhoofdslijst gezeten, van boven naar onderen samengedrukt, aan de voorzijde rond, aan de achterzijde tot een kant versmald, eerst zijwaarts, naar achteren en naar buiten, daarna weder naar voren en naar boven, en eindelijk met de spits naar buiten en naar achteren gericht. De hals is kort en stijfnekkig; de ruglijn, die eenige golvingen vertoont, daalt tot aan den staartwortel langzaam af; de staart is lang en met een ruigen, tot op den bodem reikenden kwast versierd. Het haarkleed bestaat over ’t algemeen uit fijne en lange haren, die dikwijls het geheele aangezicht bedekken, zich aan de schouders en langs beide zijden verlengen tot steil naar onderen hangende, op een gordijn gelijkende, zacht golvende manen. De volwassen dieren hebben een fraaie donkerzwarte kleur, die op den rug en aan de zijden een bruinachtige tint vertoont; de haren om den bek zijn grijsachtig; langs den rug loopt een zilvergrijze streep. De totale lengte van volwassen stieren bedraagt 4.25, de hoogte van den bult tusschen de schouders 1.9 M.; de hoornen zijn 80 à 90 cM. lang van volwassen koeien is de lengte maar weinig meer dan 2.8, de hoogte 1.6 M.
De hooglanden van Tibet en alle hiermede samenhangende hooge bergketenen vormen het vaderland van den Yak; hij houdt verblijf op hoogvlakten van 4000 à 6000 M. hoogte. De naakte bodem van de onherbergzame velden der door hem bewoonde gewesten is slechts hier en daar met een armoedig graskleed begroeid, dat door de woedende stormen van den winter met sneeuw bedekt wordt. In zulke woestijnen kan de Yak zijne behoeften bevredigen en beschutting vinden tegen den mensch; de strijd om het bestaan is voor hem dus minder moeilijk, dan men zou kunnen meenen.
Behalve wat zijn kracht betreft, staat de Yak bij de anderen dieren van het hooge gebergte achter in begaafdheden. Wel is zijn geschiktheid tot het bestijgen der bergen even groot als die der Wilde Schapen en Steenbokken: hij klimt met dezelfde vastheid van gang als zij in de hoogste en wildste rotspartijen, op kammen en steile hellingen; maar, als hij op de effene vlakte loopt, kan ieder Paard hem inhalen. De reuk heeft bij hem verreweg de overhand, vergeleken met de overige zinnen. Dat zijn verstand op een lagen trap staat, blijkt reeds uit zijn onevenredig kleine hersenen, nog duidelijker echter uit de gebaren, die hij maakt, als hij in gevaar of nood verkeert. De meest opmerkelijke eigenschap van den Yak is zijn traagheid. Des morgens vroeg en des avonds gaat hij grazen; het overige deel van den dag wijdt hij aan de rust, brengt hij liggend of staande door. Dan verraadt alleen het herkauwen het leven van dit dier, want voor ’t overige gelijkt het op een uit steen gehouwen beeld.
Negen maanden na de paring brengt de koe haar kalf ter wereld; zij verzorgt het langer dan een jaar. Volgens de berichten der Mongolen wordt zij slechts éénmaal in de twee jaren drachtig. Naar men zegt, is de Yak op 6- à 8-jarigen leeftijd volwassen en sterft hij op 25-jarigen leeftijd aan ouderdomsverzwakking, voor zoover zijn leven niet verkort wordt door ziekte of door den kogel van een jager. Andere vijanden, die zijn leven bedreigen, beklimmen zijne hooge verblijfplaatsen niet.
De jacht op den Yak is voor een moedigen en goed gewapenden schutter even verleidelijk als gevaarvol. Zonder aarzeling, maar niet altijd, valt het kolossale dier, voor zoover het niet door het eerste schot doodelijk gewond werd, den jager aan; deze kan, al heeft hij moed, bekwaamheid, tegenwoordigheid van geest en uitmuntende wapenen, er nooit stellig op rekenen, dat hij den woedend op hem toerennenden, overmachtigen tegenstander door een schot uit de verte zal vellen. De kogel uit de beste buks brengt in den kop alleen dan de gewenschte werking teweeg, als hij in loodrechte richting het kleine deel van den schedel treft, dat de weinige omvangrijke hersenen bedekt; een bladschot is alleen dan doodelijk, wanneer het hart er door doorboord wordt. Om deze redenen vreezen de Mongolen den Yak als een monster en gaan hem liefst uit den weg; als zij het besluit genomen hebben hem te dooden, vuren zij nooit anders dan uit een veilige hinderlaag en met hun achten of twaalven te gelijk op hem.
Het vleesch van den Yak wordt door Kinloch uitmuntend genoemd, hoewel hij het steeds zeer mager heeft gevonden; de tong en de mergpijpen noemt hij lekkernijen. Meer waarde dan aan het vleesch hecht men in het armoedig vaderland van den Yak aan zijn drek; daar dit de eenige, bruikbare brandstof is, die de kale hoogten van Tibet opleveren.
In alle landen, welker hooge gebergten den Yak een woonplaats verschaffen, vindt men hem ook getemd als een nuttig en belangrijk huisdier. De tamme Yak verschilt wat gestalte en haargroei betreft, weinig van den wilden; maar hij heeft een andere kleur. Zuiver zwarte, tamme Yaks zijn zeer zeldzaam; gewoonlijk komen zelfs bij die, welke het meest op de wilde gelijken, witte plekken voor; bovendien vindt men er bruine, roode en bonte onder. Verscheidene rassen heeft men, misschien door kruising met andere soorten van Runderen, reeds verkregen. Op verscheidene plaatsen zijn de tamme Yaks ook weder verwilderd en hebben hun oorspronkelijke kleur herkregen. De tamme dieren gedijen, evenals de wilde, alleen in de koude, hoog gelegen bergstreken; bij hoogere temperatuur bezwijken zij; voor koude zijn zij daarentegen onverschillig.
De Tibetanen gebruiken den Yak om lasten te dragen en als rijdier. Jegens zijn bekenden gedraagt hij zich tamelijk vriendschappelijk, laat zich aanraken, schoonmaken en met behulp van een door zijn neus gestoken ring, waaraan een touw bevestigd is, besturen. Jegens vreemdelingen is zijn gedrag in den regel anders; hij toont onrust, buigt den kop naar den grond, en doet alsof hij een tegenstander tot den strijd wil uitdagen. Steeds behoudt hij een zekeren graad van wildheid.
De Yak draagt zonder bezwaar 100 à 150 KG. en doet dit op de allerlastigste rotspaden en sneeuwvelden. Door dit dier is het mogelijk lasten over zeer hooge bergpassen te vervoeren; want het behoudt ook op deze groote hoogten, in weerwil van de sterke luchtverdunning, waardoor andere dieren vermoeid en beangstigd worden, zijn gewonen, vasten gang. Op een zeer sterk met rotsklompen bezaaid pad kan men den Yak niet gebruiken, omdat hij door zijn last verhinderd wordt over rotsen van eenige hoogte te springen.
Zoowel de melk als het vleesch van den tammen Yak zijn zeer goed. Van de huid wordt door looien leer gemaakt, van de haren worden touwen gedraaid. Het kostbaarste product van dit dier is de staart; deze wordt (gewoonlijk onder den naam van “paardenstaart”) van oudsher door de Turken als standaard gebruikt; door het aantal dezer staarten wordt de rang van den bevelhebber aangeduid.
De naar Europa overgebrachte Yaks hebben zich tot dusver beter gehouden, dan verwacht werd. Hierin heeft men aanleiding gevonden tot de hoop, dat dit fraaie Rund in Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden. Van dit nieuwe inheemsche huisdier verwachtte men groote voordelen; daar men veronderstelt, dat de Yak uitmuntende wol, smakelijk vleesch en uitstekende, vette melk zou leveren, een krachtig, onvermoeid werkdier zou zijn en zich bovendien met goedkooper voedsel dan andere Runderen zou behelpen. Werkelijk kan men in de hooglanden van Tibet en Toerkestan op al de genoemde wijzen partij trekken van den Knorbuffel; hier is hij dan ook een zeer belangrijk huisdier. In onze hooge gebergten hebben wij hem echter niet noodig; daar deze als weideplaatsen van Alpenrunderen en Berggeiten op een behoorlijke wijze geëxploiteerd worden. Meer winst dan deze zou de Yak stellig niet opleveren.
*
In West-Rusland, in het zuidelijke deel van het oude Lithauen, wordt een zeer eigenaardig kleinood gevonden, n.l. het beroemde woud van Bialowitsch, een echt noordsch oerwoud van 2000 KM.2 oppervlakte. Het ligt afgezonderd als een eiland, omgeven door akkers en weiden, dorpen en boomlooze heiden. Binnen in het woud komt slechts één dorp voor, dat dezelfde naam draagt als het woud; hier wonen echter geen landbouwers, maar alleen lieden, die zich met exploitatie van bosschen en met de jacht bezig houden. Ongeveer vier vijfde deel van het woud bestaat uit dennen, die over een groote uitgestrektheid de eenige boomsoort zijn, op vochtige plaatsen echter afwisselen met sparren, eiken, linden, haagbeuken, berken, elzen, populieren en wilgen. Dit woud wordt ook thans nog bewoond door het grootste Zoogdier van het Europeesche vasteland, de Wisent. Dit kolossale dier komt bovendien nog slechts voor in eenige bosschen van den Kaukasus en in het bosch van Mezerzitz in Silezië; overal elders is het uitgeroeid. Strenge wetten beschermen het in het woud van Bialowitsch; indien de opeenvolgende eigenaars van dit merkwaardig wildpark den Wisent niet onder hun bescherming hadden genomen, zou hij thans hoogstens alleen nog in den Kaukasus te vinden zijn.
In vroegere tijden was het hiermede trouwens geheel anders gesteld; met zekerheid kan men aantoonen, dat de Wisent vroeger over geheel Europa en een groot deel van Azië verbreid was. In den bloeitijd van Griekenland kwam hij in het tegenwoordige Boelgarije veelvuldig voor; in Middel-Europa werd hij destijds bijna overal gevonden. Aristoteles noemt hem “Bonassus”, en geeft van hem een duidelijke beschrijving; Plinius vermeldt hem onder den naam “Bison”; oude geschriften maken melding van dit dier, in de 6e en 7e eeuw; volgens het Nibelungen-lied kwam het in Waasgau voor. Ten tijde van Karel den Grooten trof men het in den Hartz en in het land van de Saksers aan; volgens Ekkehard werd dit wild bij St. Gallen gevonden. Omstreeks het jaar 1373 leefde het in Pommeren, in de 15e eeuw in Pruisen, in de 16e in Lithauen, in de 18e tusschen Tilsit en Labiau in Oost-Pruisen, waar het laatste dier van deze soort eerst in het jaar 1755 door een wilddief gedood werd.
De koningen en de magnaten van het rijk van Polen en Lithauen, gaven zich veel moeite voor het behoud van den Wisent. Hij werd in bepaaldelijk voor hem bestemde kampen en parken gehouden, b.v. bij Ostrolenka, bij Warschau, bij Zamosk enz. Slechts hoogst zelden ving men eenige exemplaren, die gewoonlijk als geschenken voor vreemde hoven werden gebruikt. Een besmettelijke ziekte vernietigde in het begin van de 18e eeuw deze kudde grootendeels, en zoo verminderde allengs het aantal Wisents, totdat eindelijk, zooals reeds gezegd werd, een wilddief den laatsten het levenslicht uitblies. Stellig zou hetzelfde lot beschoren zijn geweest aan de Wisents, die in het woud van Bialowitsch leven, indien niet de koningen van Polen, en later de keizers van Rusland, het zeldzame dier voor den tegenwoordigen tijd behouden hadden.
Vóór ik tot de beschrijving van het lichaam, en van de levenswijze van het bedoelde Wilde Rund overga, moet ik doen opmerken, dat ik met den naam Wisent hetzelfde dier bedoel, dat veelvuldig ten onrechte Oer of Oeros werd en wordt genoemd. Met den laatstgenoemden naam duidden onze voorouders terecht een van den Wisents zeer verschillende, sinds lang uitgestorven soort van Rund aan.