Wisent (Bos bison).

Wisent (Bos bison).

Als men de geschriften van de natuuronderzoekers van vroegere eeuwen met opmerkzaamheid doorleest, komt men tot de overtuiging, dat in Europa eertijds twee soorten van Wilde Runderen naast elkander geleefd moeten hebben. Alle oude schrijvers onderscheiden ze als afzonderlijke diervormen. De Oostenrijksche gezant aan ’t Russische hof, baron von Herbertstein, maakt in zijn (in 1556 uitgegeven) werk over Rusland en Polen van deze beide Wilde Runderen melding, en voegt aan een latere uitgave van zijn boek twee afbeeldingen toe, waarboven tot verklaring de namen van de beide dieren staan. Boven de figuur, die een op ons Huisrund gelijkend dier voorstelt, staan de woorden: “Ik ben de Urus, dien de Polen Thur noemen, de Duitschers Auerox en zij, die mij niet kennen Bison.” De tweede afbeelding, waarin men duidelijk den Wisent herkent, heeft tot opschrift: “Ik ben den Bison, die door de Polen Subr wordt genoemd, door de Duitschers Wysent, door de onkundigen Oeros.

Eerst in de 17e eeuw begonnen de meeste schrijvers te twijfelen; sinds dien tijd is bij hen slechts van één Wild Rund sprake, dat zij nu eens Wisent, dan weer Oeros noemen. De laatstgenoemde, de ware Oer, was intusschen uitgestorven en de berichtgevers waren derhalve niet meer in staat op grond van eigen aanschouwing te spreken. Later nam de verwarring nog meer toe.—Volgens mijn oordeel zijn de gronden, die men heeft aangevoerd tot bestrijding van de door oude schrijvers verkondigde meening, dat Europa nog in den historischen tijd tot woonplaats heeft gediend aan twee soorten van Wilde Runderen, voor ’t meerendeel zwak; wij hebben daarom het recht om de gegrondheid van deze meening aan te nemen.

De Wisents worden beschouwd als vertegenwoordigers van een afzonderlijk onder geslacht(Bonassus) van de Runderen; zij zijn gekenmerkt door de kleine, ronde, naar voren verschoven en bovenwaarts gekromde hoornen, het zeer breede, gewelfde voorhoofd, de zachte en lange beharing en het groot aantal ribben. De Wisent heeft 14, de Amerikaansche Bison 15 paar ribben.

Hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat de Wisent (Bos bison, Bonassus bison) in groote is afgenomen, heeft hij ook nu nog kolossale afmetingen. Een Wisent-stier, die in het jaar 1555 in Pruisen gedood werd, was 7 voet hoog en 13 voet lang en had een gewicht van 19 centenaars en 3 pond. In den tegenwoordigen tijd bereikt zelfs de grootste stier zelden een hoogte van 1.7, een lengte van 3.4 M. en een gewicht van 500 à 700 KG. De Wisent is een toonbeeld van spierkracht en van forsche, lichamelijke ontwikkeling. Zijn kop is middelmatig groot en welgevormd, het voorhoofd hoog en zeer breed, het aangezicht van achteren naar voren gelijkmatig versmald, de snuit plomp, het oor kort en afgerond, het oog eerder klein dan groot, de hals zeer krachtig, kort en hoog, van onderen tot aan de borst met een kossem voorzien, de romp die op krachtige pooten rust, massief, van den nek tot het midden van den rug sterk naar boven gekromd, de staart kort en dik. De ver zijwaarts geplaatste, betrekkelijk sierlijke, ronde en spits toeloopende hoorns zijn eerst naar buiten, vervolgens naar boven en tevens een weinig naar voren, eindelijk naar binnen en naar achteren gebogen, zoodat de spitsen bijna loodrecht boven de aanhechtingsplaatsen van de hoorns komen te liggen. Een buitengewoon dichte en overvloedige, uit lange, meestal kroeze borstelharen en viltachtige wolharen bestaande vacht bedekt den romp, verlengt zich echter op den achterkop tot een breede kuif, langs den rug tot een matig hoogen kam, aan de kin tot een staartvormig naar beneden gerichten baard en aan de onderzijde van den hals tot manen, die den geheelen kossem bedekken en breed neergolven. Een meer of minder naar vaal zweemend lichtbruin is de algemeene kleur van de vacht; deze gaat aan de zijden van den kop en aan den baard in zwartbruin, op de onderste gedeelten der pooten in donkerbruin, aan den staartkwast in zwart en op den haarbos, die over de kruin naar beneden hangt, in licht vaalbruin over. De Wisent-koe is aanmerkelijk kleiner en sierlijker gebouwd dan de stier; hare hoornen zijn zwakker, hare manen veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje; wat kleur betreft komen beide echter overeen.

In den zomer en in den herfst leeft de Wisent op vochtige plaatsen van het woud, gewoonlijk in de dichtbegroeide gedeelten verborgen; in den winter geeft hij de voorkeur aan hooger gelegen, droogere oorden. Zeer oude stieren leven eenzaam, jongere gedurende den zomer in troepen van 15 à 20 stuks, gedurende den winter in kleine kudden van 30 à 50 stuks. Iedere kudde afzonderlijk heeft haar vaste standplaats en keert altijd weder daarheen terug.

De Wisents zijn zoowel over dag als ’s nachts in beweging; zij grazen echter het liefst in de avond- en morgenuren, soms ook ’s nachts. Allerlei soorten van grassen, bladen, knoppen en boomschors maken hun voedsel uit; zij schillen de boomen af, zoover zij reiken kunnen, en trekken jonge, buigzame stammen naar beneden om de kroon te bereiken, die zij dan meestal geheel vernielen. Naar het schijnt, is de esch hun lievelingsboom en geven zij aan diens saprijke schors de voorkeur boven iedere andere; naaldboomen daarentegen laten zij onaangeroerd. In den winter leven zij bijna uitsluitend van de schors, de twijgen en de knoppen der voor hen toegankelijke breedgebladerde boomen, bovendien waarschijnlijk ook van korstmossen en droge grassen. Het hooi, dat men op de weiden van het woud van Bialowitsch inoogst, wordt voor hen op hoopen gebracht; van ander hooi maken zij zich met geweld meester, nadat zij de omheiningen omvergeworpen hebben. Versch water is voor hen een behoefte.

Hoewel de bewegingen van den Wisent onbehouwen en plomp schijnen, blijkt het echter bij nadere beschouwing, dat zij vlug genoemd mogen worden. Zijn gewone gang is een snelle draf; bij het vluchten vervalt hij in een loggen galop, waardoor hij schielijk vooruitkomt; de kop is daarbij naar den grond gebogen, de staart opgeheven en uitgestrekt. Door moerassen en plassen waden zij met gemak. Onder hunne zintuigen neemt dat van den reuk een eerste plaats in; het gezicht en het gehoor zijn minder, de smaak en het gevoel middelmatig ontwikkeld. Hun aard verandert, naarmate zij ouder worden. De jonge dieren zijn vlug, levendig en speelsch; ook zijn zij betrekkelijk goedaardig: niet zachtmoedig en vreedzaam, maar ook niet boosaardig; de oudere daarentegen, vooral de oude stieren, zijn ernstig, bijna knorrig van aard; zij worden gemakkelijk tot toorn geprikkeld, zijn zeer oploopend en afkeerig van alle beuzelingen. Wel is waar laten ook zij over ’t algemeen de menschen, die hen niet hinderen willen, rustig voorbijgaan; de geringste oorzaak kan echter hun toorn gaande maken, en dan zijn zij wel geschikt om vrees in te boezemen. In den zomer ontwijken zij den mensch bijna altijd; in den winter gaan zij gewoonlijk voor niemand uit den weg; het is meermalen voorgekomen, dat boeren lang wachten moesten, voordat het een Wisent voegde, het door hem afgesloten voetpad te verlaten, waarop het niet mogelijk was uit te wijken. Woestheid, halsstarrigheid en oploopendheid zijn ook bij deze Wilde Runderen kenmerkende eigenschappen. De jonge dieren zijn altijd schuwer en vreesachtiger dan de oude stieren; vooral die, welke een kluizenaarsleven leiden, kunnen een ware plaag voor de omgeving worden. Naar het schijnt, scheppen zij er vermaak in, met den mensch twist te zoeken.

De bronsttijd, die gewoonlijk in Augustus, dikwijls ook eerst in September valt, duurt 2 à 3 weken. Dan vechten de stieren met elkander, aanvankelijk misschien alleen spelenderwijs, later echter is de strijd ernstig gemeend, ten slotte vliegen zij als razenden op elkander af; de ontmoeting gaat gepaard met een zoo hevigen schok, dat men zou kunnen verwachten, beide dieren te zien neerstorten. Negen maanden na de paring kalft de koe, gewoonlijk in Mei of in het begin van Juni. Vooraf heeft zij zich van de kudde afgescheiden en in het dichtst van het woud in een eenzame, vredige omgeving een geschikte plaats opgezocht. Hier verbergt zij zich en haar kalf gedurende de eerste dagen; zoodra echter het jong gevaar loopt, springt zij met buitengewonen moed voor zijn veiligheid in de bres. In zijn eerste jeugd gaat het kalf ingeval van nood plat op den grond liggen, zet de ooren op en wendt ze om, opent de neusgaten en de oogen en kijkt angstig naar den vijand, terwijl zijn moeder zich gereed maakt om dezen te gemoet te gaan. In deze omstandigheden is het voor menschen en dieren gevaarlijk een Wisent-koe te naderen: zonder zich te bedenken valt zij haar tegenpartij aan. De kalveren zijn aardige bevallige dieren, hoewel zij in hun jeugd reeds laten zien, wat zij op lateren leeftijd zullen worden. Zij groeien zeer langzaam en hebben waarschijnlijk eerst in hun achtste of negende jaar hun volle grootte bereikt. De ouderdom, dien de Wisents hoogstens bereiken kunnen, wordt op 30 à 50 jaren geschat. De koeien sterven gewoonlijk 10 jaren vroeger dan de stieren; maar ook deze worden op hoogen leeftijd in den regel blind of verliezen hunne tanden en zijn dan niet meer in staat om zich behoorlijk te voeden; o.a. kunnen zij dan de jonge twijgen niet meer afbijten; zij verliezen spoedig hunne krachten en bezwijken eindelijk.

Tegen hunne vijanden weten deze kolossale dieren zich uitmuntend te verdedigen. Beren en Wolven kunnen voor de kalveren gevaarlijk worden; dit zal echter alleen dan het geval zijn, als de moeder door het eene of andere toeval om ’t leven gekomen en haar jong dus onbeschermd achtergebleven is. In den tijd van het vroegere Hongaarsche koningschap nam de Wisent-jacht onder de toenmaals gebruikelijke jachtbedrijven de meest bevoorrechte plaats in; zij werd daarom aan den koning, aan het hoofd van de regeering, overgelaten.

In het woud van Bialowitsch verschenen de heerschers uit vroegere eeuwen met een talrijke schare van volgelingen, namen alle beambten van het woud in beslag, dwongen de boeren uit den omtrek om als drijvers dienst te doen en brachten op deze wijze een uit 2000 of 3000 menschen bestaand jachtgezelschap in beweging, die de Wisents drijven moesten naar de plaatsen, waar de jagers op veilige verhevenheden post gevat hadden. Op een der schitterendste jachtpartijen, die Koning August III in het jaar 1752 gaf, werden 42 Wisents, 13 Elanden en 2 Reeën gedood. Alleen door de koningin werden 20 Wisents neergeschoten, zonder dat zij een enkele maal miste. Op 18 en 19 October 1860 ging de Keizer van Rusland daar ter jacht. De Keizer zelf schoot 6 Wisent-stieren en één kalf, 2 Elanden, 6 Damherten, 3 Reeën, 4 Wolven, 1 Das, 1 Vos en 1 Haas. De Groothertog van Weimar en de Prinsen Karel en Albrecht van Pruisen doodden bij deze gelegenheid 8 Wisents.

Over de vangst van deze dieren geeft Dimitri Dolmatoff, opzichter van de keizerlijke wouden in de provincie Grodno, de volgende berichten. De Keizer van Rusland had aan Koningin Victoria twee levende Wisents voor den Londenschen dierentuin beloofd, en daarom bevel gegeven eenige exemplaren te vangen. Met het aanbreken van den dag kwamen 300 drijvers en 80 jagers bijeen, en omsingelden een vooraf opgespoorde kudde; de geweren waren alleen met kruit geladen. De kalveren sprongen wakker rond, waarbij zij het zand met hunne stevige pooten hoog opwierpen, keerden nu en dan naar hunne moeders terug, schuurden zich tegen haar aan, likten haar, en huppelden daarna even vroolijk weer heen. Door een hoornsignaal kwam er plotseling een einde aan dit stilleven. Vol schrik sprong de kudde op, en scheen door het gehoor en het gezicht den vijand te willen verkennen. Vreesachtig vleiden de kalveren zich tegen hunne moeders aan. Toen het geblaf der Honden weerklonk, rangschikte de kudde zich zoo schielijk mogelijk op de gewone wijze. De kalveren werden vooraan geplaatst; alle oudere dieren vormden de achterhoede, en beschermden op deze wijze de jongen voor den aanval der Honden. Woedend braken de oude Wisents door de linie van de drijvers heen, en holden voort, zonder zich veel te bekommeren om de menschen, om hun geschreeuw en hunne schoten. Toch had men het geluk reeds nu twee jongen te vangen. Vier andere kalveren, een mannetje en drie wijfjes, werden later buitgemaakt. Alle, met uitzondering van één, dat wat ouder was, slurpten eerst de melk uit de hand van een man, en dronken haar vervolgens gretig uit een emmer. Na verloop van korten tijd werden hunne aanvankelijk woeste blikken zachter; zij legden hun schuwheid af, en toonden zich opgeruimd en speelsch. De jonge Wisent-stier, die 15 maanden oud was, behield langen tijd zijn woesten, dreigenden blik, werd toornig, zoodra iemand hem naderde, schudde met den kop, likte met de tong en toonde zijne hoorns; na verloop van 2 maanden was ook dit dier tamelijk tam; het openbaarde zelfs eenige gehechtheid aan den man, die het tot dusver gevoederd had.

Ik heb verscheidene Wisents in verschillende diergaarden nagegaan en berichten over hen ingewonnen. In aard komen zij alle overeen. Hoe minzaam zij ook zijn gedurende hun jeugd, naarmate zij ouder worden, openbaart zich hun razende wildheid hoe langer hoe meer; niet eens de oppassers kunnen hen dan vertrouwen. Koppig en ongehoorzaam blijven zij altijd, hoewel zij langzamerhand tot op zekere hoogte vriendelijk met hunne bekenden leeren omgaan. Door iedere verandering in hun omgeving en hunne gewoonten maakt hun aangename stemming onmiddellijk plaats voor den tegenovergestelden gemoedstoestand. Zeker is het althans, dat de Wisents in een afgesloten ruimte, ook wanneer zij dagelijks met menschen in aanraking komen, in den regel niet tammer worden dan in de vrije natuur. De Wisents, die men tusschen Laplaken en Leuküschken in Pruisen verzorgde en voederde, wel verre van ooit een mensch aan te vallen, werden ten slotte zoo driest, dat zij de menschen naliepen en bij hen om voedsel bedelden; zij waren er aan gewoon geraakt, van de voorbijgangers bijna altijd iets te krijgen. Naar men zegt, worden ook zij door de roode kleur tot toorn geprikkeld: een persoon, wiens kleeding schelle kleuren vertoont, loopt dus gevaar door hen lastig gevallen te worden.

Verscheidene natuuronderzoekers hebben de stelling verdedigd, dat de Wisent eenig aandeel heeft gehad in het ontstaan van enkele rassen van ons Rund; uit latere ervaringen schijnt echter het tegendeel te blijken. De Wisent en het Tamme Rund hebben een grooten afkeer van elkander; zelfs wanneer men, zooals in het woud van Bialowitsch geschied is, jong opgevangen Wisent-kalveren altijd met Tamme Runderen laat verkeeren, komt er in deze verhouding in den regel geen verandering.

Bison (Bos americanus). 1/27 v. d. ware grootte.

Bison (Bos americanus). 1/27 v. d. ware grootte.

Van de schadelijkheid of van het nut van den Wisent kan in den tegenwoordigen tijd ter nauwernood sprake zijn. In het woud van Bialowitsch komen de vernielingen, die dit dier bij ’t zoeken van voedsel of uit overmoed aanricht, niet in aanmerking; zijn nut is echter evenmin van beteekenis. Naar men zegt, houdt de smaak van ’t vleesch ongeveer het midden tusschen dat van het Rund en dat van het Hert; vooral het vleesch van de wijfjes en jongen wordt geroemd. De Polen beschouwden eertijds het gezouten Wisent-vleesch als een lekkernij en zonden het als geschenk aan vorstelijke hoven. Van het vel wordt sterk en duurzaam, maar los en sponsachtig leder bereid; men gebruikt het tegenwoordig hoogstens om er riemen of strengen van te snijden. Van de hoornen en hoeven worden allerlei voorwerpen vervaardigd, waaraan een zekere beveiligende kracht wordt toegeschreven. Van de fraaie, stevige hoornen maakten onze voorvaders hoofdzakelijk drinkbekers; de bewoners van den Kaukasus gebruiken ze thans nog in plaats van drinkglazen. Bij een gastmaal dat een Kaukasisch vorst ter eere van Generaal Rozen gaf, werden 50 à 70 met zilver gemonteerde Wisent-hoornen als drinkbekers gebruikt.

Het lot, dat den Wisent in den loop der eeuwen ten deel gevallen is, heeft zijn eenigen verwant den Bison, in ongeloofelijk korten tijd, men zou zelfs kunnen zeggen in een tijdsverloop van een tiental jaren, getroffen. Vóór nog geen menschenleeftijd doorkruisten millioenen van deze kolossale dieren verbazend uitgestrekte landstreken van Noord-Amerika;—tegenwoordig zwerven daar nog slechts honderden Bisons rond. In de geschiedenis komt geen tweede voorbeeld voor en zal er ook geen meer voorkomen van een verdelgingsoorlog zooals die, welke tegen deze onschadelijke en zelfs nuttige dieren is gevoerd. Zonder eenige, zelfs niet de geringste, wettelijke bescherming te ontvangen, werden zij ter wille van een gering voordeel op groote schaal neergeschoten, meedoogenloos bij massas verdelgd. Van het bestaan der eertijds tallooze kudden van Noord-Amerikaansche “Buffels” leggen thans nog de gebleekte beenderen, die over uitgestrekte woestenijen verstrooid liggen, getuigenis af. Het aantal der overgeblevene bedroeg, volgens de nauwkeurige onderzoekingen van William T. Hornaday, den 1en Januari 1889 in ’t geheel nog slechts 835 stuks, waaronder begrepen zijn de 200 exemplaren, die in het Yellowstone-Park, onder de bescherming van de regeering leven. En deze uitroeiing van de Bisons is een voldongen feit geworden sinds een vijfentwintigtal jaren, terwijl de spoorwegen die het “verre westen” doorsnijden, voltooid werden. Meer dan vijftigduizend Indianen, die, evenals hunne veel talrijkere voorouders, geheel of grootendeels van de “Buffeljacht” leefden, zijn nu aan ontberingen en hongersnood blootgesteld, wanneer de regeering der Vereenigde Staten hen niet te rechter tijd met levensmiddelen voorziet.

Toen de eerste Europeanen zich in Noord-Amerika vestigden, begon het verbreidingsgebied van den Bison bijna aan de kust van den Atlantischen Oceaan en strekte zich westwaarts tot aan de grenzen van Nevada en Oregon, zuidwaarts tot aan den 25en en naar het noordwesten ongeveer tot aan den 65en graad N.B. uit; het omvatte zoowel wouden als prairiën.

Indien de jacht op een eenigszins verstandige wijze was beoefend en te rechter tijd door goede wettelijke bepalingen beperkt was geworden zou men van het ontzaglijk aantal Bisons jaarlijks zonder bezwaar een half millioen jonge stieren hebben kunnen schieten, die ongeveer 6 millioen gulden opgebracht zouden hebben, indien men van deze dieren behoorlijk partij had kunnen trekken. Hierdoor zou de talrijkheid der kudden niet merkbaar verminderd zijn;—thans kost het veel moeite om de weinige honderden, die aan de groote slachting tot dusver ontsnapt zijn, te behouden.

De nu volgende beschrijvingen hebben derhalve betrekking op de levenswijze van dieren, die nog voor een kwart eeuw in groote kudden de wildernissen van Noord-Amerika verlevendigden, maar sedert dien tijd zoo goed als verdwenen zijn.

De Bison, de Buffalo der Amerikanen (Bos americanus), is onder de Noord-Amerikaansche dieren hetzelfde, wat de Wisent in Europa is: het reusachtigste van alle daar inheemsche, op het land levende Zoogdieren. De stier is 2.7 à 3 M. lang, buiten den staart, die zonder de haren 50, met deze 65 cM. lang is; de hoogte van de schoft bedraagt 1.7 à 1.9, die van ’t kruis 1.4 à 1.6 M.; het gewicht wisselt van 600 tot 1000 KG. af. De koeien zijn altijd aanmerkelijk lichter dan de stieren. Het verschil tusschen den Wisent en den Bison is grooter dan dat, hetwelk tusschen andere, even na verwante Runderen bestaat. De kop van den Bison is zeer groot, naar verhouding veel grooter, plomper en zwaarder dan die van den Wisent; ook is het voorhoofd veel breeder, de rug van den neus meer gewelfd, het oor langer. Het oog is tamelijk groot en flauw van uitdrukking; het heeft een zeer donker, bruin regenboogvlies; het wit van het oog is dof en glansloos. De korte, hooge en smalle hals rijst, te beginnen bij den kop, steil omhoog tot aan de wanstaltig uitpuilende schouderstreek; van hier tot den wortel van den korten, dikken staart, helt de ruglijn sterk af, terwijl tevens de van voren zeer breede romp, naar achteren veel smaller wordt. De pooten zijn betrekkelijk kort en zeer slank, de hoeven en de bijhoeven klein en rond. De grootte van den kop, de buitengewoon sterke ontwikkeling van de borst, die wegens de geringe breedte van het achterste gedeelte van den romp sterk in het oog loopt, de kortheid van den dikken staart en de slankheid van de pooten, moeten derhalve als kenmerkende eigenaardigheden van deze diersoort beschouwd worden. De hoornen, die aanmerkelijk forscher, aan den wortel dikker, aan de spits stomper en op een eenvoudiger wijze gebogen zijn, dan die van den Wisent, krommen zich naar achteren, naar buiten en naar boven, zonder dat de spitsen merkbaar nader bij elkander komen. Het haarkleed gelijkt op dat van den Wisent. De kop, de hals, de schouders en de staartspits, benevens het voorste deel van den romp, van den bovenarm en van het bovenbeen zijn lang behaard; de haren van de schouders vormen manen, die van de kin en van de onderzijde van den hals een baard; aan het voorhoofd en den achterkop is de vacht kroes, op vilt gelijkend; alle overige lichaamsdeelen zijn met een kort en dicht haarkleed bedekt. In den winter verlengt het haar zich sterk; in het begin van de lente valt het winterhaar bij groote vlokken uit. Met dit verschijnsel gaat een verandering van de kleur van het haarkleed gepaard. Eigenlijk is het zeer gelijkmatig grijsbruin, het donkerst, n.l. zwartbruin, zijn de manen, dus het voorste deel van den kop, het voorhoofd, de hals en de kossem. Het haar, dat uitvallen zal, is verbleekt en heeft een grijsachtig geelbruine kleur aangenomen. De hoornen en de hoeven en ook de onbehaarde punt van den neus (de neusspiegel) zijn glanzig zwart. Soms komen grijze, witte en wit gevlekte exemplaren voor.

In tegenstelling met den Wisent, die een echte woudbewoner is, moet de Bison—althans na de beperking, die zijn verbreidingsgebied ondergaan heeft—beschouwd worden als een karakteristieke bewoner van de verbazend uitgestrekte steppen, die door de Amerikanen “prairiën” worden genoemd. Hier leefde hij gezellig, maar toch steeds in een tamelijk los verband met zijn soortgenooten. Elke kudde Buffels splitst zich in een groot aantal kleinere troepen. Hoewel een vlakte, waar malsch gras groeit, van verre gezien, letterlijk met Buffels bedekt schijnt, bemerkt men, naderbij gekomen, toch spoedig, dat deze menigte uit afzonderlijke kudden van verschillenden omvang bestaat; iedere kudde, hoewel zij slechts weinige honderden schreden van de naastbijzijnde verwijderd is, heeft een afzonderlijken aanvoerder en beweegt zich onafhankelijk van de overige.

Ieder jaar trokken de Bisons op meer of minder geregelde tijden naar andere gewesten, van Canada naar de kustlanden van den Mexicaanschen zeeboezem en van den Missouri naar het Rotsgebergte. In Juli begonnen zij een reis naar ’t Zuiden, in ’t begin van de lente keerden zij naar ’t noorden terug, steeds in kleine troepen of kudden verdeeld. De voorttrekkende kudden waren ook dan nog kenbaar, als men de Buffels zelf niet kon waarnemen; daar zij in de lucht steeds gevolgd werden door Gieren, Arenden en Raven, evenals op den bodem door bende magere Wolven; de viervoetige zoowel als de gevleugelde roovers konden stellig op buit rekenen. In gewesten, die door de Buffels als woonplaats waren gekozen, trokken zij met groote regelmatigheid heen en weer, namelijk van de goede weidegronden naar de rivieren; deze bezochten zij om te drinken of om zich door een bad te verfrisschen; door hunne reizen ontstonden de wegen, die onder den naam van “buffelpaden” bekend zijn bij allen, die in de prairiën reisden. De buffelpaden zijn meestal lijnrecht, bij honderden naast elkander gelegen; zij kruisen de waterstroomen daar, waar de oevers een gemakkelijke gelegenheid aanbieden om in en uit het water te komen. Zij gelijken volkomen op de paden, die door onze Tamme Runderen uitgeloopen en regelmatig begaan worden, overal waar zij in grooten getale en naar vrije verkiezing in wouden en op weiden grazen.

Möllhausen zag in het jaar 1851 op de prairiën ten westen van den Missouri honderdduizenden Bisons; Fröbel trok in het jaar 1858 met een wagenkaravaan van Missouri naar Mexico en reisde 8 dagen lang onophoudelijk tusschen kudden Buffels. “Bij benden, bij troepen, bij massas, bij legers,” schrijft Hepworth Dixon, “galoppeeren de zwarte, ruige dieren met donderend geraas voor ons uit, nu eens van ’t noorden naar ’t zuiden, dan weer van ’t zuiden naar ’t noorden; gedurende 40 opeenvolgende uren hebben wij ze voortdurend in zicht gehad, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden, een ontelbare massa ongetemde dieren, welker vleesch, naar men zou kunnen meenen, voldoende is om de wigwams van de Indianen tot in alle eeuwigheid met voedsel te voorzien.”

Baron Max von Thielmann, die in 1875 zijne jachttochten in het verre westen ondernam, geeft reeds geheel andere berichten. “Tot de uitroeiing van de Bisons,” zegt hij, “hebben de drie spoorwegen, die de prairie tusschen de Missouri en het Rotsgebergte doorsnijden, het meest bijgedragen. Hoewel nog omstreeks 1870 tusschen de Union-Pacific- en de Kansas-Pacific-spoorweg met een zeker uitzicht op een goeden buit jachttochten ondernomen konden worden,—hoewel de Athison-Topeka-Santa-Fè-spoorweg in de eerste jaren van zijn bestaan omstreeks 200.000 huiden naar het oosten verzond, is thans reeds in het door deze drie spoorlijnen begrensde gebied en in een landstreek van verscheidene dagmarschen breedte ten noorden en ten zuiden van de beide uiterste dezer wegen de Buffel geen standvastige bewoner meer van het land. Waarschijnlijk zullen slechts enkele kudden op haar reis naar ’t noorden in de lente en naar ’t zuiden in den herfst ook thans nog de spoorlijnen kruisen.”

In de maanden Augustus en September valt de paartijd in; de kudden geraken dan in hevige beweging, trekken in een bepaalde ruimte samen en vormen een door elkander wemelende massa. De stieren drijven de koeien bijeen, ontmoeten en bevechten elkander, totdat zij door andere dieren weggedrongen worden. De koe werpt meestal tusschen Maart en Juli, maar dikwijls eerst in Augustus, in den regel één jong; tweelingen zijn echter niet zeldzaam. Daar waar zulks mogelijk is, begeven de koeien zich vooraf naar een veilige plaats; hier blijven zij met hunne jongen, totdat deze sterk genoeg zijn om zich bij de kudde te voegen. Zoodra dit geschied is, treden de stieren als beschermers van de kalveren op, hoewel deze gewoon zijn voortdurend hun moeder te volgen, totdat zij door nieuwe nakomelingen uit haar gunst verdrongen worden.

Hoewel de Bison er plomp uitziet, beweegt hij zich toch tamelijk gemakkelijk; zijne korte pooten verhinderen hem niet, om snel groote afstanden te doorloopen. Zijne bewegingen zijn op een eigenaardige wijze kort afgebroken; als hij zijn gang versnelt, beschrijft hij zonderlinge golflijnen, ontstaande, doordat hij afwisselend het voorste en het achterste deel van den romp omhoogwerpt. Bij het zwemmen toont hij dezelfde kracht en volharding als bij zijne overige bewegingen; zonder eenige aarzeling begeeft hij zich te water, en zwemt breede stroomen over. Zijn stem is een dof gebrom, veeleer een diep uit de borst komend geknor dan een gebrul. Als duizenden tegelijk zich laten hooren, vereenigen hunne stemmen zich tot een gedreun, dat met het rollen van den donder vergeleken wordt.

De reuk en het gehoor zijn de volkomenste van zijne zinnen. Ten aanzien van zijne geestvermogens verschilt hij niet van zijne verwanten. Hij is weinig begaafd, goedaardig en vreesachtig, onvatbaar voor snelle aandoeningen. Niet zelden echter zal hij, getergd zijnde, alle voorzorgsmaatregelen, die hij anders gewoon is te nemen, verzuimen, en moedig op zijn vijand los gaan. Gemakkelijker dan aan de in ’t wild levende, merkt men aan gevangen Bisons op, dat hun geest voor ontwikkeling vatbaar is. Ook de wilde individuën laten blijken, dat zij nuttige en schadelijke werkingen kunnen onderscheiden. Zij zijn volstrekt niet ongeschikt om getemd te worden maar komen integendeel met den mensch, die er slag van heeft met hen om te gaan, in een bijna vriendschappelijke verhouding; zij leeren althans hun oppasser kennen, en tot op zekere hoogte liefhebben; het duurt echter lang, voordat zij hun aangeboren schuwheid verliezen en hun vroegere gedragslijn veranderen.

Gedurende den zomer biedt het onooglijke, maar saprijke gras der prairiën aan de grazende Bisons een geschikt voedsel; in den winter moeten zij minder goeden kost voor lief nemen, en zich tevreden stellen met spitsen van twijgen en verdorde bladen, met droog gras, korstmossen en mossen.

Vele en ernstige gevaren bedreigen het leven van den Bison. De winter, die op de prairie meestal streng is, vernietigt honderden dieren van zijn soort, na hen eerst afgemat en krachteloos te hebben gemaakt. Nog plotselinger wordt in den winter aan ’t leven van tal van Bisons een einde gemaakt, als zij een ijslaag over de rivieren meer vertrouwen, dan zij hadden moeten doen. De gewoonte om in reeksen achter en naast elkander te loopen, strekt hun dan dikwijls ten verderve; onder de ontzaglijke zwaarte van eene kudde Bisons breekt de ijskorst: de dieren storten in ’t water, doen te vergeefs moeite om er uit te komen, worden in hunne pogingen om zich te redden gehinderd door de honderden, die hen volgen, en komen op ellendige wijze om ’t leven. Op soortgelijke wijze komen vele Bisons om, als zij in den zomer een rivier overtrekken en op een plaats landen willen, waar drijfzand of taai slijk hun het beklimmen van den oever moeielijk maakt.

Levende vijanden hebben de Bisons minstens evenveel, als eenig ander lid van hun geslacht. Naar men zegt, ziet de Grisli-beer zelfs tegen den strijd met den weerbaren stier niet op, en is de Wolf althans voor jonge Buffels gevaarlijk. Hun ergste vijand is en blijft echter de mensch, vooral de Europeaan, wiens jacht in deze streken reeds in de jaren na 1820 en 1830 een bedenkelijken omvang had aangenomen. “In vroegere tijden,” schrijft Möllhausen, “toen de Buffel tot op zekere hoogte als een huisdier van de Indianen beschouwd kon worden, was er geen vermindering van de onafzienbare kudden merkbaar; integendeel zij voeren wel en vermenigvuldigden zich op de weelderige weiden. Toen kwamen de blanken in deze gewesten. De rijk behaarde, groote vellen stonden hen aan, het vette buffelvleesch was naar hun smaak en van beide verwachtten zij een ruime winst. In de eerste plaats werd de begeerte naar de schitterende of bedwelmende koopwaren der blanken opgewekt bij de bewoners der steppen, welke waren hun daarna in de geringst mogelijke hoeveelheid in ruil voor hun jachtbuit werden aangeboden; daarna nam de slachting een aanvang. Duizenden van Buffels werden om hun tong, vaker nog ter wille van hun ruige vacht gedood; reeds na weinige jaren kon men een in ’t oog vallende vermindering van het aantal dezer dieren opmerken. De zorgelooze Indiaan denkt niet aan de toekomst; hij leeft slechts voor het heden en zijne genietingen. Hij heeft geen aansporing meer noodig: hij zal de jacht op de Buffels voortzetten, tot hij aan het laatste exemplaar de huid heeft afgestroopt. Zonder twijfel is de tijd aanstaande, waarin van deze ontzaglijke kudden niets anders dan de herinnering over zal zijn, de tijd, waarin 300.000 Indianen, van hun levensonderhoud beroofd, door den honger gedreven, met millioenen van Wolven een plaag zullen worden voor de bewoners der naburige, beschaafde gewesten, die dan tegen hen een verdelgingskrijg zullen moeten voeren.”

Het gedroogde vleesch, dat, fijngemaakt en innig met vet gemengd, onder den naam “pemmican” bekend is—en waaraan voor de deelnemers aan expedities in de poolgewesten ook wel rozijnen worden toegevoegd—, heeft den naam van smakelijk en zeer voedzaam te zijn; de tong wordt als een lekkernij beschouwd. Het vleesch van de koeien is nog vetter dan dat van de stieren, dat van de kalveren is buitengewoon malsch. Van het vel vervaardigden de Indianen warme kleedingstukken, tentkleeden en bedden, zadels, gordels enz.; ook bedekten zij soms het geraamte van hunne booten er mede. Van de beenderen maakten zij zadelgestellen en messen voor het ontharen der huiden; van de pezen vlochten zij koorden voor hunne bogen en naaigaren; de banden en beenderen van den voet werden in water gekookt voor de lijmbereiding, van de lange haren van den hals en den kop werd touw gedraaid; de staart diende als vliegenverdrijver, de drek als brandstof. Ook bij de Europeanen waren de vellen van de Bisons zeer gezocht. Het hiervan bereide leder is uitmuntend, hoewel een weinig sponsachtig; de behaarde huid kan voor allerlei kleeden gebruikt worden. Vellen zonder gebreken, die een dertigtal jaren geleden 18 à 30 gulden kostten, brengen thans een drie- of viermaal hoogeren prijs op, maar zullen weldra in ’t geheel niet meer in den handel voorkomen. Elk dier levert 3 à 4 KG. wol, die voor ’t zelfde doel als schapenwol kan dienen, en in sommige streken voor het vervaardigen van warme en zeer duurzame stoffen gebruikt werd.

Eerst sedert eenige tientallen van jaren ziet men Bisons in onze diergaarden. Een Engelsche Lord had, naar men mij te Londen verhaalde, eenige paren uit Amerika ingevoerd en op zijne bezittingen in Schotland hiervan een kudde van 15 à 20 stuks gefokt; na zijn dood werden de Bisons echter verkocht. Wanneer deze dieren goed verzorgd worden, planten zij zich geregeld voort; de kalveren, die in gevangenschap geboren zijn, worden door hunne moeders krachtdadig beschermd tegen al wat hen zou kunnen hinderen; zij ontwikkelen zich even goed als de nakomelingen van onze Tamme Runderen. Dit heeft echter niet kunnen beletten, dat ook de Bisons in onze diergaarden thans op weg zijn om uit te sterven.

*

Vele dierkundigen, vereenigen, in navolging van Hodgson, Rütimeijer en Wilckens, eenige Aziatische vormen van Runderen—welker getemde afstammelingen, behalve in Azië, ook in Afrika voorkomen, en vermoedelijk zelfs medegewerkt hebben tot het ontstaan van sommige Europeesche Rundvee-rassen—tot een ondergeslacht, dat Bibos wordt genoemd, omdat het een overgang vormt van de soorten, die men onder den naam Bison (Wisent) samenvat, tot die welke de groep Bos (het Rund in de meest beperkte beteekenis van het woord) of Taurus uitmaken. Het best kan men de leden van het ondergeslacht Bibos Wisent-Runderen noemen, een nagenoeg letterlijke vertaling van hun naam. Deze naderen door hun schedelvorm en door het bezit van een vetbult op den rug tusschen de beide schouderbladen tot de Bisons. De voorhoofdsbeenderen zijn van achteren sterk verbreed, de voorhoofdsstreek in dwarse richting dus zeer uitgebreid en bovendien vlak. De hoornen zijn meer of minder afgeplat of cilindervormig, ver naar achteren op de grens tusschen voorhoofd en achterhoofd aangehecht, gedurende de jeugd naar achteren, op latere leeftijd zijwaarts gericht. Behalve de drie Aziatische Wilde Runderen, waarvan de beschrijving nu zal volgen, worden gewoonlijk ook de Zeboe-rassen van Azië en de hiermede nauw verwante bultige of niet-bultige Afrikaansche Tamme Runderen tot de groep der Wisent-Runderen gerekend, dikwijls trouwens ook de reeds vroeger behandelde Yak.

De Gayal (Bos frontalis) bereikt een totale lengte van 3.6 M., waarbij 60 cM. voor den staart, en een schouderhoogte van 1.5 à 1.6 M. Hij onderscheidt zich vooral door de buitengewone breedte van het vlakke voorhoofd. De zeer dikke, kegelvormige hoornen wenden zich met een flauwe bocht zijwaarts, achterwaarts en voorwaarts. De rug van den neus is zeer kort en breed. De pooten zijn kort en goed gevormd. Dit dier heeft een buitengewoon edel voorkomen; zijne lichaamsdeelen staan tot elkander in de schoonste harmonie. Het is gedrongen en forsch gebouwd, hoewel geen enkel deel er plomp uitziet. Vooral de stier maakt in hooge mate den indruk van kracht en schoonheid. Een kussenvormige verhevenheid bedekt den geheelen hals, de schouders en den rug. Het geheele lichaam is gelijkmatig begroeid met een kort, dicht, glad en glanzig haarkleed; aan de onderzijde van den hals is het haar slechts weinig verlengd; het vormt echter een dichte kwast aan het onderste vierde gedeelte van den staart en lokken aan den handwortel. De donkerzwarte kleur heeft de overhand; de voorhoofdsharen zijn grijs- of vaalbruin, de haarlokken aan de voorpooten fraai sepia-bruin, de kin, de mondhoeken en een smalle rand van de bovenlip wit.—De bergachtige gewesten ten oosten van den Brahmapoetra worden als het vaderland van den Gayal beschouwd. Daar hij een bergdier is, zijn levendigheid en behendigheid hem in hooge mate eigen; bij ’t klimmen toont hij bijna dezelfde zekerheid van beweging als de Yak. Steeds tot kudden vereenigd, gaan de Gayals des morgens, des avonds en in heldere nachten voedsel zoeken. Om zich tegen de drukkende middaghitte te beveiligen, zoeken zij een schuilplaats in ’t dichtst van het woud en rusten daar herkauwend in de schaduw. Zij houden veel van ’t water, maar niet van modder; zij vermijden daarom moerassen, en verfrisschen zich daarentegen gaarne in heldere bergstroomen. Naar men zegt, zijn zij zachtmoedig en onergdenkend van aard. Nooit waagt de Gayal het den mensch aan te vallen, maar gaat hem veeleer reeds van verre uit den weg; tegen Roofdieren verdedigt hij zich echter met moed; zelfs Tijgers en Panters worden door hem op de vlucht gedreven. Zijn scherp waarnemingsvermogen verschaft hem veiligheid; zijne behendigheid en vlugheid van beweging redden hem, wanneer hij voor vijanden vlucht.

De inboorlingen hebben den Gayal reeds sinds onheugelijke tijden tot huisdier gemaakt; zij fokken deze soort zuiver of kruisen haar met hunne Tamme Rundvee-rassen. De melk van den Gayal wordt wegens haar gehalte, zijn vleesch wegens den smaak zeer geroemd.

De Gaur of het Dsjungel-rund (Bos gaurus) is ongetwijfeld zeer na verwant aan den Gayal, van wien hij echter steeds verschilt door eenige bij uitwendig onderzoek of bij ontleding waarneembare eigenaardigheden; o. a. heeft hij een paar ribben minder.

Volgens Sir Walter Elliot, die een door hem gedooden Gaur beschreef, onderscheidt hij zich zeer van het gewone Indische Rund en nadert meer tot den Wisent en den Bison; de Engelsche jagers geven hem daarom gewoonlijk den laatstgemelden naam. De kop is korter dan bij het Gewone Rund; het voorhoofd zeer breed, de aangezichtslijn gewelfd, het oog en het oor kleiner dan bij den Buffel, de hals kort, dik en gedrongen, de romp krachtig, de borst breed. De hoornen zijn aan den wortel zeer dik, maar loopen puntig toe; zij zijn zijdelings aangehecht, en krommen zich naar achteren en naar boven. Het vel, dat aan de bovenzijde van den hals, op de schouders, aan den bovenarm en het bovenbeen een buitengewone dikte heeft, is met korte, dicht bijeen geplaatste haren bedekt, die zich aan de onderzijde van den hals en op de borst een weinig verlengen, tusschen de hoornen een kroeze kuif vormen. Een fraaie, donkerbruine kleur heeft de overhand; deze gaat aan de onderzijde in donker okergeel, aan de pooten in vuil wit, op het voorhoofd in licht grijsbruin, in de buurt van de oogen in grauwzwart over. Volgens de metingen van Elliot, bedraagt de totale lengte van een geheel volwassen stier van deze soort 3.8 M., de lengte van den staart 85 cM., de schouderhoogte 1.86 M.

Gaur (Bos gaurus). 1/21 v. d. ware grootte.

Gaur (Bos gaurus). 1/21 v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Gaur is zeer uitgestrekt. Van de zuidspits van Indië tot aan den Himalaja, in oostelijke richting door Assam en Tsjittagong tot in Birma en het Maleische Schiereiland, vindt men den Gaur overal, waar boschrijk berg- of heuvelland, hoe steil dan ook, voorkomt. Dicht begroeide, verwarde wildernissen, met ondoordringbaar struikgewas gevulde wouden, opeenhoopingen van varens, bamboesbosschen en grasrijke, hoogstammige wouden, leveren hem de meest gewenschte schuilplaatsen; vooral houdt hij zich gaarne op in diepe, waterrijke ravijnen, op steile, met steengruis bezaaide hellingen en op ternauwernood toegankelijke toppen. Op sommige plaatsen bezoekt hij tijdelijk ook wel vlakkere streken, door het jonge, malsche gras tot deze afwijking van den regel verleid. Met opmerkelijke vaardigheid beweegt hij zich door de moeielijkst begaanbare oorden. De kolossale dieren rennen bijna zoo vlug als Herten bij een oneffene, steile helling naar boven, of ijlen met ratelend hoefgeklepper in flinken draf of snellen galop naar beneden in een ravijn.

Gewoonlijk laveit de Gaur alleen ’s nachts, het liefst op plaatsen waar jong gras groeit; daar hij dit, evenals de malsche bamboes-uitspruitsels, boven ieder ander voedsel verkiest. Als hij echter in de nabijheid van het bebouwde land leeft, onderneemt hij plundertochten naar de akkers; hij wordt dan soms zoo lastig en driest, dat het bijna niet mogelijk is hem van hier te verdrijven. Tegen den morgen van de weide teruggekeerd, verbergt hij zich te midden van het hoog opgeschoten gras, of in de met jonge bamboes begroeide wildernissen, om hier te rusten, te sluimeren en te herkauwen.

Om den Gaur te dooden maakt men gebruik van buksen van zeer groot kaliber, dezelfde als die, welke voor het dooden van ander groot wild gebruikt worden. Men maakt jacht op hem, door zijn spoor te volgen, totdat men hem onder schot heeft; dikwijls ook laat de jager een exemplaar naar zich toe drijven. Ervaren jagers maken in den regel geen jacht op de tot troepen of kudden vereenigde dieren, maar alleen op oude stieren, die een eenzaam leven leiden; na den Olifant zijn zij het kolossaalste wild, dat in deze gewesten voorkomt. De gevaarlijkheid van deze jacht is, volgens het eenstemmig oordeel van alle berichtgevers uit lateren tijd, dikwijls zeer overdreven voorgesteld hoewel allen erkennen, dat een gewonde en vervolgde stier in sommige gevallen een zeer lastige tegenstander kan zijn.

Voor het schoonste van alle bekende, thans nog in ’t wild levende Runderen houd ik den Banteng der Maleiers (Bos banteng), een dier, dat door de sierlijkheid van zijn lichaamsbouw met een Antilope kan wedijveren en zich bovendien door een aangename kleur onderscheidt. De hoornen zijn aan den wortel verdikt en met onregelmatige opzwellingen voorzien, voorbij het eerste derde gedeelte van hun lengte echter glad en tamelijk scherp aan de spits; zij bereiken een lengte van 40 à 50 cM. Eerst maken zij een vlakke bocht naar buiten en naar achteren, vervolgens naar boven en naar voren; de spitsen zijn echter naar boven en naar binnen gericht. Het overal even lange, dicht aanliggende haarkleed heeft een donker grijsbruine, aan de achterdeelen eenigszins naar rood zweemende kleur. Het meest in ’t oog loopende kenteeken van dit dier is de door zijn witte kleur en breedheid in ’t oog vallende “spiegel” (d. i. het achterste deel van de dijen en van den romp, waar het haar naar boven gericht is); wit zijn ook de onderste helft van de pooten en de buitenhoek van het oor.

Het verbreidingsgebied van den Banteng omvat Java, Borneo en het oostelijk gedeelte van Sumatra; ook op het vasteland is hij inheemsch, n.l. op het Maleische Schiereiland, in Tenasserim en Pegoe, waarschijnlijk ook in Birma. Het liefst vestigt hij zijn woonplaats in vochtige of veenachtige, kortom in waterrijke gedeelten van het woud; vlakke bergdalen met langzaam stroomende rivieren bevallen hem daarom beter dan alle overige boschstreken.

De jacht op den Banteng is wegens zijne wildheid en schuwheid zeer gevaarlijk en moeielijk. Hoewel ook hij bij ’t bespeuren van de nadering van den mensch in den regel vlucht, vreest hij den jager echter weinig, wanneer hij in de engte gedreven of gewond is; hij valt hen niet zelden aan en maakt dan een zeer behendig en doeltreffend gebruik van zijne spitse hoornen.

Volwassen Bantengs zijn ontembaar; hunne kalveren evenwel kunnen volslagen huisdieren worden; naar men zegt, is de aard van dit dier zachter en welwillender dan die van alle overige bekende Wilde Runderen.

*

Alle tot dusver beschreven Rundersoorten hebben waarschijnlijk geen (of zoo al, dan toch slechts in zeer geringe mate) deel genomen aan de vorming van onze Europeesche Tamme Runderen, daarentegen moeten zij, naar men meent, beschouwd worden als stamouders van de in Afrika en Azië levende rassen. Hoewel de sluier, die over den oorsprong van deze buitengewoon nuttige, sedert overouden tijd aan den mensch onderworpen wezens ligt uitgespreid, niet zoo dicht schijnt, als die, welke het ontstaan van andere huisdieren aan ons oog onttrekt, kon hij tot dusver voor gene evenmin als voor deze opgeheven worden. Vrij algemeen wordt tegenwoordig de onderstelling aangenomen, dat de Runderen, die in alle drie deelen van de Oude Wereld meer of minder gelijktijdig in den toestand van huisdieren overgingen, niet van één enkele, maar van verschillende stamsoorten afstammen; voor het bepalen van de bedoelde stamvormen zijn echter de scherpzinningste betoogen, gegrond op de vergelijking van de tot dusver gevonden schedels van uitgestorven Wilde Runderen, niet voldoende. Zooals uit de vorige beschrijving blijkt, worden ook thans nog verscheidene Wilde Runderen getemd en tot huisdieren gemaakt of althans tot veredeling van Tamme Rundvee-rassen gebruikt; de tijd waarin de mensch voor ’t eerst het Wilde Rund temde, of, wat waarschijnlijker is, van diens jong gevangen nakomelingen een kudde vormde, ligt echter aan gene zijde van het tijdperk der geschiedenis en der sage. In de alleroudste verhalen wordt melding gemaakt van kudden Tamme Runderen; op de oudste gedenkteekenen van de landen, die men als de bakermat van de beschaving en van een geordenden staat van zaken beschouwt, zijn zij afgebeeld; uit den slijkerigen bodem rondom de paalwoningen worden hunne overblijfselen blootgelegd. Niet ten onrechte wordt aan het laatstgenoemde feit een zeer gewichtige beteekenis toegekend; het meest nauwgezette onderzoek van deze reliquiën werpt echter, evenmin als de vergelijking van overoude afbeeldingen met de thans levende rassen van Runderen, een helder licht over het geheim van hun oorsprong; dit nog altijd in meer dan een opzicht duistere vraagstuk wordt er geenszins door ontraadseld.

De nauwkeurig geteekende afbeeldingen van dieren, die wij aan de oude Egyptenaren te danken hebben, toonen ons duidelijk drie verschillende Rundvee-rassen: vooreerst, een langhoornig slag, het meest verbreide ras, waaraan de hooge eer ten deel viel, dat daaruit de heilige stier Apis werd gekozen; ten tweeden, een korthoornig ras, dat in de meeste opzichten op het eerstgenoemde geleek, maar korte, kwartcirkelvormig gebogen hoornen bezat; ten derden, Runderen met een bult, die gewoonlijk afgebeeld worden onder de voorwerpen, welke door de Soedaneesche volken als schatting werden opgebracht.

Over deze drie duidelijk herkenbare rassen merkt Hartmann het volgende op: “De bouw van den kop toont in al deze afbeeldingen van Runderen de kenmerken van den Zeboe-kop (zie de afbeelding op p. 462). Het zeboe-slag, dat thans nog over ’t geheele binnenland van Afrika verspreid is, is de stamvorm van het Oud-Egyptische, zoowel als van het Nieuw-Egyptische Tamme Rund; de Apis-schedels uit Memphis stemmen volkomen overeen met schedels van Zeboe’s uit Sennaar. Begeeft men zich nu van Beneden-Egypte langs den Nijl bovenwaarts, door Nubië en Dongola naar Sennaar, dan blijkt het, hoe het Egyptische Tamme Rund met zijn hoogen rug langzamerhand in den Zeboe van de binnenlanden van Afrika overgaat. In Zuid-Dongola en de Bahinda-steppe vindt men alleen Zeboe’s. Het Oud-Egyptische langhoornige ras, gelijkt volkomen op den Sanga der Abessiniërs; wel ontbreekt aan het eerstgenoemde ras den bij den Sanga voorkomenden, hoogen vetbult, maar deze is ook bij de echte Zeboes van ’t binnenland dikwijls slechts weinig ontwikkeld. Het Oud-Egyptische langhoornige ras is thans uitgestorven; zelfs de betrekkelijk langhoornige Runderen, die men thans hier en daar in Egypte ziet rondloopen, staan ten aanzien van de grootte hunner hoornen steeds bij het oude ras achter. Veeziekten en verregaande achteloosheid, hebben in den loop der eeuwen den Egyptischen rundveestapel sterk doen achteruit gaan; om hem aan te vullen heeft men voortdurend, en nog in den laatsten tijd, groote kudden van het bultige, korthoornige Sennaarsche Rund naar Egypte gedreven, en dit gekruist met de nog aanwezige overblijfselen van lang en korthoornige rassen. Hierdoor is het langhoornige slag in Egypte langzamerhand verdwenen, of liever in een korthoornig slag veranderd. Dat de groote Bultige Runderen van Sennaar, of liever hunne door kruising met andere rassen ontstane nakomelingen in Egypte en Beneden-Nubië, ontaard zijn tot de schrale, hoogpootige, bijna Antilope-achtige Runderen zonder vetbult, die thans in deze streken voorkomen, mag grootendeels toegeschreven worden aan den invloed van het klimaat, van veranderde levensomstandigheden en van de slechte behandeling, die het Rundvee, zoowel van den Egyptischen, als van den Nubischen boer ondervindt.”

Uit het bovenstaande blijkt, dat in Oud-Egypte reeds in overouden tijd verscheidene Rundvee-rassen bestonden, en dat eenige daarvan volkomen verdwenen zijn, of althans zich zoodanig gewijzigd hebben, dat men ze niet meer herkennen kan, terwijl van andere daarentegen alle hoofdeigenschappen onveranderd zijn gebleven.

De hierboven genoemde Sanga of Sanka (Bos africanus) mag wel als het schoonste van alle rassen van Bultige Runderen beschouwd worden; hij is groot, slank, maar toch krachtig gebouwd, hoogpootig en tamelijk langstaartig; de vetbult tusschen de schouderbladen is goed ontwikkeld; de zeer forsche hoornen verschillen aanmerkelijk van die der Europeesche rassen; zij zijn n.l. ruim 1 M. lang en aan den wortel tamelijk dicht bijeengeplaatst, aanvankelijk zijwaarts, daarna buitenwaarts, vervolgens regelrecht naar boven, het laatste derde gedeelte echter naar binnen, de spits eindelijk weer naar buiten gericht. Het haarkleed is sluik, fijn en grootendeels kastanjebruin van kleur. Er bestaan van dezen diervorm verscheidene rassen, die over geheel Middel-Afrika verbreid zijn; ook in het geheele zuiden van dit werelddeel treft men deze (of zeer na verwante) rassen aan.

Volgens de berichten van vele reizigers is het Bultige Rund, de Zeboe, in Afrika zoo algemeen verbreid, dat in dit werelddeel waarschijnlijk slechts weinige rassen van Runderen zonder bult aangetroffen worden, die geen Zeboe-bloed bevatten. Het gemis van den vetbult op den rug, is trouwens volstrekt geen bewijs voor de afwezigheid van Zeboe-bloed, zooals blijkt uit de overeenkomst tusschen de schedels van de Sennaarsche Bultige Runderen met die van de Apis-stieren, welke, (zooals reeds gezegd werd) uit het oud-Egyptische langhoornige ras, dat de vetbult mist, gekozen werden; bovendien blijkt dit uit het verbasteren van de Bultige Rundvee-rassen, die uit zuidelijker landen naar Egypte gevoerd werden, tot vormen, die geen bult bezitten (zie boven).

Op het Afrikaansche Bultige Rund laten wij den Indischen Zeboe (Bos indicus) volgen, hoewel deze er in sommige opzichten van verschilt. Hij is ongeveer even groot, in den regel echter forscher ontwikkeld en lager op de pooten dan de Sanga; het oor is lang en hangend, de hoornen zijn opmerkelijk kort; de kleur biedt meer verscheidenheid aan, daar het gewoonlijk voorkomende rood- of geelbruin, dikwijls plaats maakt voor vaalgeel of wit, terwijl ook gevlekte Zeboes niet zeldzaam zijn. Van dezen vorm worden trouwens talrijke onder-rassen en slagen onderscheiden; sommige daarvan worden niet grooter dan een kleine Ezel; zulke dwergachtige Runderen zijn in Indië volstrekt niet zeldzaam.

De Zeboe-rassen kunnen gemakkelijk gekruist worden met de overige rassen van Tamme Runderen. De op deze wijze ontstaande bastaarden zijn onbeperkt vruchtbaar, zoowel bij paring onderling als bij kruising met een hunner stamvormen.

Uit de onderzoekingen van Gurlt is gebleken, dat de vetbult ontstaan is door een eigenaardige vervorming van een rugspier, waarin zich veel bindweefsel en vet ontwikkelde.