Zeboe (Bos indicus). 1/24 v. d. ware grootte.
De oudste beschaafde volken, o.a. de Indiërs, hadden geen andere Tamme Runderen dan de Zeboe, of bovendien nog een ras, dat er betrekkelijk weinig van verschilt, zooals het langhoornige ras der oude Egyptenaars. Daar het Zeboe-rund nergens meer in het wild voorkomt, en daar er ook geen beenderen van dit dier in de oude aardlagen gevonden zijn, ligt het voor de hand aan te nemen, dat de Zeboe zich uit andere vormen van Runderen ontwikkeld heeft. Dat hij, wat schedelvorm en andere eigenaardigheden van het skelet betreft, nader verwant is aan den Banteng, dan aan de Europeesche Runderen, werd door Rütimeijer aangetoond. Vermoedelijk heeft dus het temmen van een of meer Indische Wilde Runderen (Banteng, Gaur, Gayal) tot het ontstaan van den Zeboe aanleiding gegeven. Daar in Afrika geen Wilde Runderen voorkomen, vermoedt men, dat de Zeboe uit Azië naar Afrika is overgebracht.
Als algemeene stamvorm van de Wisent-Runderen beschouwt Rütimeijer het Etrurische Rund (Bos etruscus), welks schedel voor ’t eerst gevonden werd in de jongste tertiaire (pliocaene) lagen van Toscane, later ook in Auvergne en in Spanje.
De mogelijkheid bestaat, dat Afrikaansche Runderen naar Europa overgebracht zijn en de stamouders zijn geweest van sommige Europeesche Rundvee-rassen. Hiervoor pleit de overeenkomst van de Zeboe-rassen met het kleine Turf-rund, waarvan bij de Europeesche paalwoningen overblijfselen zijn gevonden. Dat al onze Rundvee-rassen aan Afrikaansche Runderen hun ontstaan zouden danken, zooals Frantzius meent, is volgens Wilckens, niet waarschijnlijk. Wel zou, volgens dezen onderzoeker de hypothese overweging verdienen, dat het Europeesche Tamme Rund zich op soortgelijke wijze uit Bos etruscus ontwikkeld heeft als de Zeboe uit de Indische Biboviden. Voor de “kortkoppige” Europeesche Rundvee-rassen komt deze onderstelling hem aannemelijker voor, dan die, waardoor de Oeros als hun stamvader wordt aangewezen, vooral omdat de bedoelde rassen, juist die Middel- en Zuid-Europeesche gewesten bewonen, welke aan Etrurië en Ligurië (waar de overblijfselen van Bos etruscus gevonden zijn) hun Rundvee ontleenden. De stamouders van de “langkoppige” Europeesche Runderen zouden dan uit Afrika ingevoerd kunnen zijn, hetgeen, volgens Wilckens, waarschijnlijker is dan hun afstamming van den Oeros, die in Noord-Europa inheemsch was.
Uit de bovenstaande beschouwingen blijkt ontegenzeggelijk alleen dit: dat wij over de afstamming van het Tamme Rund nog evenmin zekerheid hebben verkregen, als over de afstamming van de meeste overige huisdieren.
*
De vertegenwoordigers van een derde ondergeslacht der Boviden—de Runderen in de meest beperkte beteekenis van het woord (Taurus)—komen thans alleen nog maar als huisdieren voor. De laatste in ’t wild levende soort der Taurinen was de Oeros [Bos (Taurus) primigenius]; zij is sinds de 16e eeuw uitgestorven.
Volgens Rütimeijer zouden drie verschillende soorten van Taurinen deel gehad hebben in het stamvaderschap van 40 à 50 rassen van Tamme Runderen, die men tot dusver onderscheiden heeft. Deze zijn: het Rund der Voorwereld (Bos primigenius), dat waarschijnlijk met den reeds genoemden Auer of Oeros één soort uitmaakte, het Korthoornige Rund (Bos brachyceros), en het Breedkoppige Rund (Bos frontosus). Naar aanleiding hiervan zegt Wilckens: “Een stelselmatige indeeling van de rassen, gegrond op talrijke en zorgvuldige metingen van den schedel en van het skelet, is tot nog toe even onuitvoerbaar voor het Tamme Rund, als voor de vroeger beschouwde huisdieren. De verdeeling van alle Tamme Runderen in twee of drie groepen van rassen, die door Rütimeijer is voorgesteld, berust op een zoo beperkt materiaal voor onderzoek, dat uit zulk een klein deel van het verbreidingsgebied van het Tamme Rund (hoofdzakelijk uit Zwitserland) afkomstig is, dat zij niet algemeen toegepast kan worden. Wel heb ik in mijn werk over de “Rundvee-rassen van Middel-Europa” het stelsel van Rütimeijer aangenomen, nadat ik een vierde groep van rassen—het Kortkoppige Rund (Bos brachycephalus)—aan toegevoegd had; sedert ik echter bijna alle Rundvee-rassen van Frankrijk en Engeland heb leeren kennen, zie ik de onmogelijkheid in om het rassenstelsel van Rütimeijer toe te passen, zij het dan ook alleen op de Rundvee-rassen van Europa.” Op het tegenwoordige standpunt der wetenschap is het daarom beter, de Rundvee-rassen te groepeeren naar hun verbreidingsgebied, tevens lettend op den vorm van ’t lichaam en op het doel waarvoor zij dienen. Zulk een indeeling, welke gedeeltelijk nog met die van Rütimeijer overeenstemt, bevat de 8 volgende groepen: 1o. het Steppenvee of Grijze Vee van Oost- en Zuid-Europa; 2o. het Laagland-vee waartoe behooren: (a) de Hollandsche, (b) de Oost-Friesche, (c) de Oldenburger, (d) de Sleeswijk-Holsteinsche slagen, (e) de overige Duitsche Laagland slagen, (f) de Belgische en Fransche slagen van het Laaglandras; 3o. het Breedkoppige of Frontosus-ras; 4o. het Korthoornige of Brachyceros-ras; 5o. de Landslagen van Duitschland en Oostenrijk; 6o. de slagen van Groot-Britannië; 7o. de slagen van Frankrijk; 8o. het Rundvee van de overige Europeesche landen (Rusland, Spanje, en Portugal). De beide eerstgenoemde groepen en ook eenige slagen van de andere groepen (o. a. van de Groot-Britannische) stammen, volgens Rütimeijer, van het Rund der Voorwereld, van den Oeros, af.
Volgens Rütimeijer leven thans nog directe, zij het dan ook eenigszins gewijzigde afstammelingen van het Rund der Voorwereld in halfwilden toestand in de groote dierparken van Noord-Engeland en Schotland. Een dier, dat, naar de beschrijving te oordeelen, volkomen overeenstemde met het bedoelde Parkrund, bestond nog in de tiende eeuw in Wales. 400 stuks witte Runderen met roode ooren werden aan Koning Jan gezonden; volgens een oude oorkonde werden 100 van deze zelfde dieren geëischt tot zoen van het een of ander misdrijf. Het bewijs is geleverd, dat dit dier destijds nog in wilden toestand leefde in een oerwoud, dat zich dwars door geheel Noord-Engeland en Schotland, van Chillingham tot Hamilton, uitstrekte. Van dit oerwoud en van de daarin geleefd hebbende Runderen, zijn in de beide parken, die gewoonlijk met de namen der beide genoemde eindpunten aangeduid worden, nog overblijfselen aanwezig. Reeds omstreeks het jaar 1260 werd op aansporing van William van Farrarn het park Chartley in Staffordshire door een omtuining afgesloten met het doel om het Wilde Rund in deze veenachtige boschstreek te behouden. Dit voorbeeld werd des te gretiger nagevolgd, naarmate het Wilde Rund zeldzamer werd; ook andere groote grondeigenaars namen denzelfden voorzorgmaatregel, zoodat het Parkrund reeds vóór de Hervorming nog slechts op afgesloten terreinen voorkwam; van deze zijn er 14 tot in deze eeuw en 5 tot op den huidigen dag blijven bestaan.
Het Parkrund (Bos taurus scoticus) is middelmatig groot, forsch maar niet plomp gebouwd. Zijn haarkleed is dicht en kort aanliggend, op de kruin en aan de hals langer en kroes, langs het midden van den nek tot aan de schoft zwakke manen vormend, met uitzondering van den snuit, de ooren, de hoornen en de hoeven melkwit. De ooren zijn van binnen roodbruin, het voorste gedeelte van den snuit bruin, de oogen met een zwarten rand omgeven, de hoeven zwart. De hoornen zijn matig lang, tamelijk dun, maar slank en scherp toegespitst, van den wortel af naar buiten en naar boven gericht en met de spitsen weder (hoewel ternauwernood merkbaar) binnenwaarts gekeerd; hun kleur is grijsachtig wit met zwarte spits.
De voorname eigenaars van alle in Schotland nog bestaande parken stellen er een eer in, deze uit den ouden tijd overgebleven dieren onder hunne bijzondere bescherming te nemen. Zij leggen niet onbelangrijke sommen ten koste aan hun onderhoud: bepaaldelijk voor dit doel aangestelde opzichters waken over hen, doen zooveel mogelijk hun best om gevaren van hen verwijderd te houden en schieten eindelijk de stieren, die wegens hun hoogen ouderdom of op een andere wijze onbruikbaar geworden zijn, dood. Het vleesch verschilt in smaak niet van dat van het Tamme Rund.
Het Parkrund heeft alle kenmerkende eigenschappen van een echt wild dier. Het verbergt zijne jongen en graast des nachts; overdag slaapt het en laat het zich koesteren door de zonnestralen. Kwaadaardig is het alleen, wanneer het in ’t nauw wordt gebracht; in alle andere gevallen is het zeer schuw en neemt voor iedereen reeds op grooten afstand de vlucht. Al naar het jaargetijde en de wijze waarop men hen nadert, gedragen de dieren zich verschillend. In den zomer krijgt men ze soms in vele weken niet te zien, al zoekt men ze op, daar zij in dezen tijd, zoodra zij de lucht van een mensch krijgen, zich terugtrekken in een deel van het woud, dat door niemand betreden wordt. In den winter echter bezoeken zij de voederplaatsen; omdat zij hier aan den mensch gewoon geraken, is het in dezen tijd mogelijk, vooral voor iemand die te paard zit, bijna te midden van de kudde te komen.
Ludwig Beckmann, de bekende dierenteekenaar, die in 1847 het park van den hertog van Hamilton in Lanarkshire bezocht, zegt van het Parkrund, dat hij hier aantrof: “Door zijn geheele voorkomen maakt dit dier op den onbevooroordeelden onderzoeker eerder den indruk van een met zorg zuiver gehouden verscheidenheid van ons Tamme Rund dan dien van een “Oer-rund”. Reeds de witte kleur moet als iets ongewoons beschouwd worden bij een groot Zoogdier, dat in het zachte klimaat van een eiland in ’t wild leeft. Bovendien wijzen de evenredigheid der verschillende lichaamsdeelen, de horizontale rug, de hooge plaats aanhechting van den staart en de vorm en uitgebreidheid van den sterk geplooide kossem bij oude stieren, mijns inziens, op een sedert langen tijd door den mensch uitgeoefenden invloed op den vorm dezer Runderen,—misschien wel hierop, dat zij afstammen van dieren, die in overouden tijd getemd waren. De hooge ouderdom van het ras, die uit historische bewijsstukken blijkt, geeft aanleiding tot het vermoeden, dat het reeds in den heidenschen vóórtijd bij de godsdienst-plechtigheden der Druïden een rol speelde, op soortgelijke wijze als de aan Hertha gewijde witte koeien en de heilige stieren der Brahminen. Ook zou het kunnen zijn, dat de “wilde witte Bisons” van het Caledonische woud, waarvan in de oude Schotsche volksverhalen dikwijls sprake is, en die Walter Scott in sommige zijner romans ten tooneele voert, de verwilderde afstammelingen van deze heilige Runderen der Druïden zijn.”—Ook thans nog ziet men trouwens bij het gewone Schotsche Rundvee soms enkele exemplaren of zelfs geheele beslagen, die, op de kleur na, alle eigenaardigheden van het Parkrund vertoonen; in enkele gevallen bestaat er, naar Colquhoun bericht, zelfs in de kleur geen verschil.
De wijze waarop men nog kort vóór het einde van de vorige eeuw een Parkstier doodde, herinnert sterk aan de jacht in overouden tijd. Op den hiervoor bepaalden dag kwamen de bewoners van den geheelen omtrek bijeen: sommigen te paard, anderen te voet, allen met geweren gewapend. Niet zelden bestond de jachtstoet uit vijf- à zeshonderd jagers, waarvan er dikwijls meer dan honderd te paard zaten. Zij die onbereden waren, gingen zitten op de muren, die het park insluiten, of klommen met hun geweer bij zich in de boomen, die de open plek omgaven, waar de stier gedood zou worden. De bereden jagers doorkruisten het woud en dreven de kudde naar de bedoelde open plek, waar de stier door de ruiters omsingeld werd. Zoodra dit geschied was, sprong de ruiter, die de eer zou genieten het eerste schot te lossen, van zijn paard en schoot zijn geweer af op het onrustige en door vrees buitengewoon wild geworden dier. Hierna vuurden alle overige jagers, voor zoover zij een hiervoor geschikte plaats hadden kunnen innemen; dikwijls werden meer dan dertig schoten op den stier gelost, voordat hij dood was. Door de hevige pijn en het luide geschreeuw der jagers dol geworden, viel het bloedende dier niet zelden, zonder zich om de menschenmenigte te bekommeren, met inspanning zijner laatste krachten zijne belagers aan en bracht hen gevaarlijke wonden toe, of veroorzaakte zulk een verwarring, dat hij door den kring heenbreken en zich aan verdere vervolging onttrekken kon. Wegens de ongelukken, die bij deze jachten plaats hadden, zijn zij in onbruik geraakt.—
Groot is de invloed, die de mensch kan oefenen op het variëeren der dieren, die hij aan zich onderworpen heeft en die huisdieren zijn geworden. Door de ervaring geleerd koos hij zijne fokdieren volgens een vooraf beraamd plan, met een bepaald doel voor oogen. Soms langzaam, soms reeds na verloop van betrekkelijk korten tijd verkreeg het ras, welks veredeling gewenscht werd, andere erfelijke eigenschappen, belangrijk verschillend van de oorspronkelijke kenmerken. Zoo ontstonden, na verloop van tijd nieuwe rassen, terwijl vroegere rassen verdwenen. Ook uit dit oogpunt beschouwd zijn de Rundvee-rassen zeer merkwaardig. Uitmuntende werken bestaan er, waarin dit onderwerp meer uitvoerig wordt behandeld, o.a. het met zorg geschreven “Handboek voor den Nederlandschen Landbouw en Veeteelt door G. Reinders.” Wij moeten ons bepalen tot enkele grepen uit de talrijke wetenswaardigheden op dit gebied.
Het Laaglandras, waartoe ook de Nederlandsche Rundveeslagen behooren, is inheemsch in de Noord-Duitsche laagvlakte en in sommige gewesten van Engeland. Het is groot en zwaar gebouwd, maar eenigszins weekelijk en zwak van aard. De kop is lang en smal met korte horens, welker spits bij de stieren eenigszins achterwaarts, bij de koeien meestal naar voren en naar binnen gekromd is. De neus is recht; de groote oogen hebben een min of meer slaperige uitdrukking; de lange oorschelpen zijn slap. De hals is zeer lang, de kossem kort, de schoft laag, het kruis verheven, de heup zeer breed met sterk uitstekenden darmbeenrand, het kruis naar achteren afhellend, de staart diep aangehecht, de borst smal. De schouders zijn smal en steil geplaatst, de ribben dikwijls vlak; de romp is sterk gewelfd, het jaar (de uier) groot en slap, met sterk ontwikkelde spenen. De dijen zijn dikwijls plat en met weinig vleesch bezet, de pooten betrekkelijk kort en dik, de gewrichten dikwijls sponzig, de spronggewrichten dicht bijeen geplaatst (koehakkig), de hoeven breed en plat. De huid is dun en zacht en kan gemakkelijk over de onderliggende deelen verschoven worden. Het haar is sluik en fijn, het haarkleed meestal glanzig en in den regel bont van kleur, n.l. wit en zwart of wit en rood, of bruin met witte plekken aan den kop en de voeten. De neusspiegel (het onbehaarde gedeelte van de muil) is meestal loodkleurig, bij licht gekleurde (roodbonte) dieren, ook wel rozerood. Het Laaglandras is niet zeer geschikt om trekvee te leveren: daarentegen brengt het veel melk voort, en kan meestal ook uitstekend dienen voor de productie van vleesch en vet.
Het meest verbreide slag van het Laaglandras is ongetwijfeld het Nederlandsche slag (Bos taurus hollandicus), waarvan men als hoofdtypen onderscheidt: de Groninger Witkoppen, de Friesche en Noordhollandsche, de Geldersche, de Zeeuwsche type, het Heidevee in Overijsel enz. Ook buiten Nederland (Oost-Friesland, Sleeswijk-Holstein, enz.) wordt het veelvuldig gefokt en meer of minder zuiver gehouden; in andere, meer binnenlands gelegen gewesten, wordt het niet zelden gebruikt tot kruising met de daar inheemsche rassen; wijl het zich onderscheidt door groote melkproductie en geschiktheid om vet gemest te worden. Al naar den grond waarop zij leven, de behandeling die zij ondervinden, enz., bestaat er tusschen de dieren van dit slag verschil. Opmerkelijk vooral is het verschil tusschen het vee der laagveen- en kleistreken en het vee der uit zand en hoogveen samengestelde geestgronden; het laatstgenoemde is kleiner, schraler en langpootiger.
De Nederlandsche runderen—volgens Fitzinger directe afstammelingen van den Oeros—onderscheiden zich door aanzienlijke grootte, tamelijk evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen en groote gelijkmatigheid van kleur en teekening. De kop is lang, naar voren spits toeloopend, de hals lang en dun, de romp tonvormig, d. i. gestrekt en breed, de schoft smal, het kruis breed, de staart matig lang. Vooral de achterpooten zijn sterk ontwikkeld; beide paren pooten hoog en krachtig, maar niet plomp. De hoornen zijn kort, zwak, meestal eerst zijwaarts, daarna voorwaarts gericht; de kleur is bont gevlekt: op witten of grijswitten grond komen in den regel zwarte, soms echter ook wel bruine en roode, meer of minder groote vlekken van zeer verschillenden vorm voor.
Een geheel ander uiterlijk heeft het Breedkoppige Ras (Bos frontosus), dat vooral in het westen en noorden van Zwitserland (het meest in het kanton Bern) gevonden wordt, en waarvan wij het wegens zijn groote melkproductie beroemde Freiburger slag (Bos taurus friburgensis) als voorbeeld kiezen. De dieren van dit ras zijn in den regel groot en zwaar en hebben een stevig beenderenstelsel. De kop is breed en betrekkelijk kort; de sterk uitpuilende opzwelling van het gewelfde, tusschen de hoornen zeer breede voorhoofd, verheft zich boven de achterkopsvlakte. De langgesteelde hoornen zijn van middelmatige lengte, een weinig afgeplat, beneden-, zij- en bovenwaarts gekromd. De oorschelp is zeer breed en van binnen met lange haren begroeid. De groote oogen staan zijwaarts. De hals is kort en dik en met een langen kossem voorzien. De romp is betrekkelijk kort, het voorstel meer ontwikkeld dan het achterstel. De voorborst is breed, de schouder breed en gespierd, dikwijls eenigszins steil geplaatst. De ribben zijn meestal goed gewelfd en de flanken gesloten. De buik is weinig uitgebreid, de middelmatig groote uier goed tegen den romp aangevoegd. De schoft is breed en evenals het kruis een weinig verheven boven de overigens rechte ruglijn; de hoog aangehechte, dikke staart eindigt in een langen kwast. De heup is meestal breed, het kruis breed en rond; de schenkels zijn vol en flink met vleesch bezet, de pooten krachtig en goed geplaatst, de spronggewrichten breed. De huid is dik en zacht, gemakkelijk verschuifbaar, begroeid met dik en kort haar, dat bij de stieren aan den kop en den hals dikwijls kroes is. Het haarkleed is rood-, geel- en zwartgevlekt, met witte plekken aan den kop en de voeten; effenkleurige (roode of gele) dieren zijn zeldzaam.
Als een waarlijk afschuwelijk product van planmatig voortgezette veefokkerij vermelden wij ten slotte nog het Durham- of Korthoornig Rund, den “Shorthorn” der Engelschen (Bos taurus dunelmensis): een wanstaltig dier met kleinen kop en zeer zwakke hoornen, rechten rug en korte pooten, dikken hals en onbehouwen romp, voornamelijk bestemd om als mestvee de grootst mogelijke hoeveelheid vleesch voort te brengen. Oorspronkelijk kwam het bijna uitsluitend in de oostelijke graafschappen van Engeland voor; tegenwoordig is het over geheel Engeland en Ierland verbreid; hier en daar, hoewel altijd nog zeldzaam, wordt het ook wel in Nederland, Duitschland en Frankrijk aangetroffen. Wat de melkproductie betreft, staat dit vee ver achter bij andere slagen; door de vleeschopbrengst overtreft het ze echter alle; enkele stieren hebben op den leeftijd van 12 maanden reeds een gewicht van 700 à 800 K.G. bereikt.
Even gemakkelijk als een in ’t wild levend Rund getemd en tot huisdier wordt, neemt het, uit de slavernij ontvlucht, de levenswijze en gewoonten van de stamsoort weer aan. Verwilderde Runderen, d.w.z zulke, die van tam weder geheel of half wild geworden zijn, komen gewoonlijk dáár voor, waar de Spanjaarden heerschten of nog heerschen.
Hollandsch Rund (Bos taurus hollandicus). 1/25 v. d. ware grootte.
De in Spanje zeer gezochte stier, die bij de stierengevechten een hoofdrol speelt, is eveneens een afstammeling van Runderen, die vroeger in den getemden staat verkeerden. Hij leeft geheel en al op de wijze van de Wilde Runderen, komt jaar in jaar uit in geen stal en wordt eigenlijk ook niet gehoed; slechts nu en dan komt een voor dit doel aangewezen persoon de kudde bezichtigen. Niet bijzonder groot, maar fraai gebouwd en buitengewoon gespierd, onderscheidt de Spaansche stier zich door tamelijk lange, buitenwaarts gebogen en zeer spitse horens; de kleur is in den regel, hoewel niet altijd, donker kastanjebruin of zwartbruin.
“De levensloop van den stier,” zegt W. Joest, “die door zijn onbeminnelijken aard of door zijn uiterlijk voor het stierengevecht geschikt schijnt te zijn, is ongeveer als volgt: Geboren op een van de groote veeboerderijen van Castilië of Andalusië, die dikwijls een oppervlakte van 10000 hectare beslaan, wordt hij, zoodra hij één jaar oud is, met zijne gezellen bijeengedreven om gebrand, d.w.z. met het eigendomsmerk van zijn meester geteekend, te worden. De herders, die met behulp van een langen stok, waaraan een scherpe punt voorkomt, de dieren bijeendrijven, bemerken vrij spoedig, welke stier strijdlustig is en welke niet. De bullen, die in weerwil van de gevoelige prikken met den puntstok, die zij ontvangen, den drijver telkens weer aanvallen, worden op nieuw naar de weide gedreven om ze nader na te gaan; de minder kwaadaardigen daarentegen worden tot ossen gemaakt. De boosaardige stieren worden nu in de eerste plaats (nadat hunne horens omwoeld of ongevaarlijk gemaakt zijn door op de punt een bal te steken) in dorpen of kleine steden, die niet bij machte zijn om een gevecht te bekostigen, waarbij de stier gedood wordt, op het voornaamste plein losgelaten in tegenwoordigheid van de straatjeugd of van andere liefhebbers, die hier hunne studiën maken. Honderden van groote en kleine kinderen ergeren en kwellen dan den bul met alle hun ten dienste staande middelen, maar zonder hem te beschadigen. Het dier, wiens wapens onbruikbaar zijn gemaakt, en dat nog nooit tien menschen bijeen heeft gezien, gedraagt zich hierbij natuurlijk zeer lomp en onbeholpen. Als de stieren op deze wijze 4 of 5 jaar oud geworden zijn, gaat een ondernemer van stierengevechten de voor hem geschikte dieren op de weide uitkiezen; hij besteedt dikwijls buitengewoon hooge prijzen voor uitmuntende exemplaren en vervoert ze in den nacht vóór het gevecht naar de stallen, die zich bij ieder amphitheater bevinden. Als geleiders van de wilde, menschenschuwe dieren, dienen tamme ossen, die voor den dienst, welke men van hen verlangt, op soortgelijke wijze afgericht worden, als de tamme Olifanten die bij de olifantenjacht in Indië den mensch helpen.”
Freiburger Rund (Bos taurus friburgensis). 1/25 v. d. ware grootte
In de Nieuwe Wereld waren de omstandigheden van oudsher gunstig voor het verwilderen van het Rund. Columbus bracht het nuttige huisdier op zijn tweede reis voor ’t eerst naar San Domingo. Hier vermenigvuldigde het zich zoo snel, dat men reeds weinige jaren later kalveren van beiderlei geslacht over het geheele eiland kon verspreiden; 27 jaar na de ontdekking van het eiland waren kudden van 4000 stuks reeds geen zeldzaamheid meer. In het jaar 1587 werden alleen van hier 35.000 runderhuiden uitgevoerd. Omstreeks het jaar 1540 bracht men uit Spanje Runderen naar sommige landen van Zuid-Amerika. Ook hier was het klimaat zoo geschikt voor de ontwikkeling dezer dieren, dat zij zich in korten tijd geheel onafhankelijk maakten van den mensch. Een eeuw later bevolkten zij reeds in zoo verbazend groote getale de Pampas, dat op hen—evenals later in Noord-Amerika op de Bisons—alleen ter wille van hun huid jacht werd gemaakt. Het vleesch en vet bleven liggen voor de tamme en wilde Honden en voor de Gieren. Door dergelijke slachtingen werden zelfs deze ontzaglijke kudden gedund; eerst in den nieuwsten tijd, nadat men geleerd had, beter partij te trekken van den buit, kwam er verandering in de vroeger gevolgde handelwijze.
Op de Falkland-eilanden is het Rund geheel verwilderd; alleen door zeelieden, die hun voorraad proviand moeten vernieuwen, wordt er nu en dan jacht op gemaakt. Op de Galopagos-eilanden, de Philippijnen, de Sandwich-eilanden en op Celebes komen eveneens verwilderde Runderen voor, zoo ook in Australië en Nieuw-Zeeland. Ook in de hoog gelegen gewesten van Centraal-Azië is dit het geval, n.l. daar, waar de kudden ten gevolge van oorlogen hunne meesters verloren hebben. In Columbia en in de meeste overige landen van Zuid-Amerika leiden zij evenzeer een vrij leven: zij bewonen hier echter niet de laaglanden, maar de bergstreken van de Cordilleras.
Al heeft het Rund zich in verschillende landen der wereld weder aan de heerschappij van den mensch onttrokken, in de meeste is het zijn slaaf gebleven, zooals het reeds in overouden en zelfs in voorhistorischen tijd was. Over ’t algemeen werd en wordt het Rund hoog geëerd. De oude Egyptenaars aanbaden den god Apis in de gedaante van een Stier en bewezen dezen onder vele feestelijkheden hooge eer. De godin Isis (en later bij de Grieken Io) werden voorgesteld met koehoornen op het hoofd; aan beiden werden ossen geofferd, omdat deze bijzonder heilig werden geacht. In Libye werden de Runderen getemd, maar nooit geslacht, alleen hun melk werd gebruikt. In Cyrene werd het slaan van een koe als een misdaad beschouwd. De Kelten hielden de koe voor een onmiddellijk van de goden afkomstig geschenk. De hedendaagsche Indiërs doen, wat de vereering van Runderen betreft, voor de oude Egyptenaars volstrekt niet onder. Bij de Brahminen van Kasjmir is, zooals Hügel ervaren heeft, de koe onschendbaar; ieder die er een doodt, wordt met den dood gestraft. Görtz noemt de Runderen een lastpost voor alle steden van de Hindoes. Wanneer b.v. de een of ander om een verdienstelijk werk te verrichten op enkele zijner Runderen het teeken van Schiwa ingebrand heeft, zoo ziet men deze dieren met monniken en bedelaars in de straten rondloopen; zij gaan voor niemand uit den weg, maar verdringen, schoppen en stooten allen die zij tegenkomen.
Een blik op het leven der Tamme Runderen in verschillende gedeelten van de wereld is even leerzaam als aantrekkelijk. Beschouwen wij, om in zekeren zin den historischen gang te volgen in de eerste plaats de kudden, die nog in dezelfde levensomstandigheden verkeeren als die van de aartsvaders. Deze vindt men bij de nomaden van Oost-Soedan, die de veeteelt nog op dezelfde wijze uitoefenen als hunne voorvaders vóór duizenden van jaren. Hunne kudden zijn hun eenige rijkdom. Zij worden geschat naar het aantal hunner Schapen en Runderen op gelijke wijze als men de Lappen naar het aantal hunner Rendieren schat. Hun geheele leven is met de veeteelt op de innigste wijze verbonden. Hoewel zij soms ook wel door rooverij het een en ander verkrijgen, wat zij noodig hebben, danken zij toch over ’t algemeen hun levensonderhoud alleen aan hun vee. Vele Arabische stammen, die de meer veevoeder opleverende steppen ten zuiden van den 18en graad N. B. doorkruisen, leven wegens hunne kudden steeds op voet van oorlog met elkander en trekken om dezelfde reden onverpoosd van het eene oord naar het andere. Het spreekt van zelf, dat het vee in deze gewesten voortdurend in de open lucht verkeert, dat niemand er aan denkt voor zijne huisdieren een stal te bouwen. Alleen daar, waar de Leeuw veelvuldig voorkomt, tracht men des nachts de Runderen, Schapen en Geiten te beveiligen door een dikke heg van mimosa-doornstruiken, waarmede de legerplaats kringvormig omgeven wordt. Overal waar men den koning der wildernis geen tol behoeft te betalen, laat men de kudde overnachten op de plaats, waar zij, vermoeid van ’t grazen, zich nedervleit.
Zelfs de grootste van onze veefokkers zullen zich bezwaarlijk een denkbeeld kunnen vormen van den rijkdom aan kudden dezer nomaden. In de nabijheid van het reeds vroeger genoemde dorp Melbesz, verdiept de steppe zich tot een wijde kom, op welker bodem men tal van bronnen heeft aangelegd, uitsluitend met het doel om de kudden te drenken, die hier dagelijks gedurende de middaguren bijeenstroomen. In deze kom kan men van den vroegen morgen tot den laten avond en gedurende den geheelen nacht een bijna onbeschrijfelijk gewoel van menschen en vee opmerken. Naast elke bron bevinden zich zes à acht ondiepe drinkvijvers: groote troggen, gevormd door het opwerpen van een dam van kleiachtige aarde. Deze troggen worden iederen dag gevuld, en door de kudden, die hier komen drinken, telkens weer geledigd. Bijna honderd menschen zijn van ’s namiddags af, gedurende den geheelen nacht tot aan den volgenden middag, ijverig bezig met uit de diepe putten water op te halen en in deze vijvers te gieten; gewoonlijk wordt aan het water een weinig zouthoudende aarde toegevoegd. Meestal zijn de vijvers nog niet geheel gevuld, als de kudden komen. Van alle kanten naderen nu tallooze scharen van Schapen, Geiten en Runderen: eerst drinkt het kleine vee, later is het de beurt van de Runderen. In weinige minuten is de geheele, groote kom volkomen gevuld. Men ziet hier één aaneengesloten massa van ijverig elkander opdringende dieren, waarboven hier en daar een donkere mannelijke gestalte uitsteekt. Duizenden van Schapen en Geiten stroomen onophoudelijk toe, en evenzoo vele gaan voldaan terug. Zoodra de kom nagenoeg ledig is, mogen de Runderen komen, die tot dusver ternauwernood in bedwang konden worden gehouden; nu ziet men hier slechts één bruine, golvende massa, waarboven een woud van hoornspitsen zich verheft. Het bruin heeft geheel de overhand gekregen; van de tusschen ’t vee heen en weer gaande mannen is geen spoor meer te ontdekken. De geheele drinkplaats gelijkt op een stal, waarin sedert maanden geen poging tot reiniging is gedaan. Ondanks de blakerende zonnehitte ligt de mest overal meer dan kniehoog op den bodem; alleen de drinkvijvers worden zorgvuldig schoon gehouden. Tegen den avond gaan eindelijk de laatste dorstige gasten heen; oogenblikkelijk begint het waterscheppen op nieuw, om de hoeveelheid water, die voor den volgenden dag vereischt wordt, te rechter tijd bijeen te hebben. Op sommige dagen komen ook tal van langpootige, als ’t ware op stelten loopende Kameelen deze plaats bezoeken, vijfhonderd à duizend stuks te gelijk; zij drinken zich zat en trekken weer heen. Ik acht het onmogelijk het aantal Runderen te schatten, dat hier dagelijks komt drinken, want in het dichte gedrang houdt het tellen weldra op: toch overdrijf ik stellig niet, wanneer ik al het vee op minstens zestigduizend stuks begroot, waarbij ongeveer veertigduizend Runderen. Aanzienlijke lieden van Oost-Soedan, die met het bijeengaren van de schatting bij deze nomadische stammen belast waren, verzekerden mij, dat het gladweg onmogelijk is, ook maar bij benadering een maatstaf voor de grootte der bezittingen dezer lieden te verkrijgen.
In Zuid-Afrika spelen de Runderen ook nog om een andere reden een belangrijke rol: zonder hun hulp zou men de uitgestrekte jacht- en handelsexpedities door de wildernissen, die dikwijls over groote afstanden in ’t geheel geen water en veevoeder opleveren, in ’t geheel niet kunnen ondernemen.
In Zuid-Rusland, in Tatarije en waarschijnlijk ook in een groot deel van Centraal-Azië treft men niet minder aanzienlijke kudden Rundvee aan. De geheele Zuid-Russische steppe is met kudden Paarden, Schapen en Runderen bedekt. In den zomer leven al deze huisdieren dag in dag uit in de open lucht; in den strengen, langen winter vinden zij achter een aarden wal eenige bescherming tegen de stormen. Als de bedoelde wal aan de eene zijde een ellendig stuk dak heeft, wordt dit als een uitmuntenden stal beschouwd. Onder de genoemde dieren staan de Runderen, wat het aantal betreft, bovenaan; in één opzicht hebben zij een groot voorrecht boven hunne weidegenooten: de sneeuwstormen, die voor de Schapen en Paarden zoo gevaarlijk zijn, doen hen niet zoo licht verongelukken, omdat zij hunne bezinning niet verliezen, maar regelrecht naar huis rennen, voor zoover de stormen niet al te hevig zijn. In de meeste van deze gewesten worden de kudden geheel aan zich zelf overgelaten.
Op soortgelijke wijze ging men vroeger bij het fokken van Rundvee in Hongarije te werk. De dieren moesten zelf hun voedsel zoeken en werden zoomin beschermd als verzorgd. Sommige waren zoo wild, dat zij geen mensch toestonden hen te naderen. De kalveren zogen, zoolang zij hieraan behoefte gevoelden en werden eerst in het tweede levensjaar van hun moeder gescheiden. In dezen toestand is echter in lateren tijd een groote verandering gekomen.
Zelfs in Italië leven nog Runderen in half wilden toestand. Talrijk zijn zij in de Maremmen, in de bijna volkomen vlakke, hier en daar vruchtbare, overigens echter moerassige kuststreken tusschen Pisa en Napels, die wegens hun ongezond klimaat berucht en daarom schaars bevolkt zijn. Hier zwerven talrijke kudden Runderen rond, die jaar in, jaar uit in de open lucht verblijf houden en groote reizen ondernemen; er zijn zeer geharde menschen noodig om over dit vee toezicht te houden. In Walachije, Servië, Bosnië, Bulgarije en Syrië treft men de Runderen in soortgelijke levensomstandigheden aan.
Een veel betere verzorging ondervindt het nuttige huisdier in de berglanden van Middel-Europa, vooral in de Alpen, hoewel ook hier voor het Rund nog veel te wenschen overblijft. “Meestal,” zegt Tschudi, “ontbreekt een doelmatige stal, soms is er zelfs in ’t geheel geen aanwezig. Als er in de lente of in de herfst plotseling sneeuw valt, kunnen de Runderen het geurige, maar korte gras niet meer bereiken, en verzamelen zij zich loeiend voor de hutten, waar ternauwernood een schuilplaats voor hen te vinden is en waar de herder hen dikwijls niet eens een handvol hooi kan aanbieden. Bij aanhoudenden kouden regen zoeken zij beschutting onder de rotsen of in de wouden. In weerwil van deze bezwaren, is de schoone, rustige tijd van het verblijf in de Alpen buitengewoon aangenaam voor het vee. Dit blijkt o. a., wanneer de groote schel, die bij het drijven van het vee naar den Alp en bij het terugkeeren naar het dal haar ver klinkend geluid laat hooren, in de lente bij de kudde in het dal wordt gebracht. Dadelijk trekt zij de algemeene aandacht: de koeien komen er met vroolijke sprongen en opgewonden geloei op af, in de meening dat hun het teeken voor den aftocht wordt gegeven. Zoodra de tocht werkelijk aanvangt,—als de grootste bel aan een bonten band bevestigd, aan den hals van de fraaiste koe gehangen en deze met bloemen tusschen de hoornen getooid is, als het pakpaard, met de kaasketels en den proviand beladen, gereed staat, terwijl de melkstoeltjes tusschen de hoornen van de Runderen gebonden zijn, als de knappe herders en herderinnen hunne Alpenliederen aanheffen en een jubelend gejoedel door het dal weerklinkt,—geve men acht op de blijmoedige stemming, waarmede de goedhartige en dikwijls dartele dieren hun plaats in den stoet innemen en vroolijk loeiend naar de bergen marcheeren. De in het dal achtergehouden koeien volgen dikwijls onverwachts en uit eigen aandrift hare vroegere lotgenooten naar de verafgelegen Alpen.
“De koe leidt trouwens bij fraai weder op de hooge bergweiden een heerlijk leven. De leeuweklauw, de melisse en de alpen-weegbree bieden het vrij rondsnuffelende dier een voedsel aan, zoo voedzaam en geurig, als het dit verlangen kan. De zon brandt niet zoo heet als in het dal; geen lastige horzels komen het middagslaapje verstoren; de rustig hier rondloopende Spreeuwen en Groote Gele Kwikstaarten zijn steeds tot liefdediensten bereid, wanneer het vee bijgeval door ongedierte gekweld wordt: de Runderen zijn hier vroolijker, frisscher en gezonder dan in het dal. De met hun aard overeenkomstige levenswijze doet de geestvermogens beter tot ontwikkeling komen: het Rund, dat voor zich zelf moet zorgen, is opmerkzamer en zorgvuldiger en heeft meer geheugen dan het dier, dat door anderen verzorgd wordt; de Alpenkoe kent iederen struik, iederen poel, is nauwkeurig op de hoogte van de plaatsen die het beste gras opleveren, onthoudt den tijd waarop zij gemolken wordt, herkent op een afstand de lokstem van den herder, en komt met vertrouwen tot hem; zij weet, wanneer zij zout zal krijgen, wanneer zij zich naar de hut of naar de drinkplaats moet begeven; zij speurt het naderen van het onweder, onderscheidt de planten, die voor haar niet goed zijn, van die welke haar goed bekomen, bewaakt en beschut haar jong en vermijdt met zorg gevaarlijke plaatsen. Niet altijd echter gelukt haar dit volkomen, hoe voorzichtig zij ook is. De honger lokt haar dikwijls naar tot dusver onaangeroerde plaatsen, die met malsch gras begroeid zijn; terwijl zij over de met rolsteenen bedekte helling loopt, wijkt de losse grond onder hare hoeven uit, en begint zij naar beneden te glijden. Zoodra zij bemerkt, dat zij zich zelf niet meer redden kan, gaat zij op den buik liggen, sluit de oogen en berust in haar noodlot; langzaam glijdt zij voort, totdat zij in den afgrond stort, of door een boomwortel tegengehouden wordt, waarna zij gelaten de hulpvaardige tusschenkomst van den herder afwacht.”
Het verblijf in de bergstreken is als ’t ware de poëzie van ’t runderleven. In de meeste overige landen heeft het goede huisdier een minder aangenaam bestaan. In Duitschland geniet het gedurende den zomer alleen in de gebergten een vrijheid, die soms meer, soms minder beperkt wordt, maar aan het Rund van de Noord-Duitsche vlakte niet eens overal ten deel valt.
Vooral in het hooge noorden is de winter een treurige tijd voor het Rundvee. De korte zomer van Norrland en Lapland kan niet genoeg wintervoeder voortbrengen; om deze reden krijgt het vee in den winter niet alleen hooi en stroo, boombladen en berkentakken, rendiermos en paardenmest, zeeplanten, wieren en soortgelijken kost, maar ook Visschen en vooral de koppen van de Dorschen, een Kabeljauwachtige Visch, die men juist in het tijdperk van voedselgebrek in groote hoeveelheid vangt. De vischkoppen worden met allerlei soorten van wieren en mossen in een ketel zoo lang gekookt, totdat de beenderen in gelei veranderd zijn; deze breiachtige massa wordt aan de Runderen gegeven, die haar gretig verzwelgen ondanks de met hun aard zoo strijdige samenstelling van dit voedsel. De bewoners van de Lofodden hebben mij verzekerd, dat men de Runderen verwijderd moet houden van de stellages, waarop de Dorschen gedroogd en tot stokvisch worden, omdat deze Herkauwers zich anders verzadigen zouden met de half gedroogde Visschen.
In vele landen van Europa is het Rund een ellendige slaaf van den mensch; in Spanje echter speelt niet de koe maar de stier een hoofdrol. Hij geniet hier een achting, soortgelijk aan die, welke in Indië vaak den Zeboe ten deel valt; hij kan de held van den dag worden en zal dan vaak in veel hoogere mate de belangstelling van het publiek trekken dan zaken, die in werkelijkheid veel gewichtiger zijn. De Spanjaard heeft voor de schoonheden van den stier een open oog; hij onderzoekt en beoordeelt hem, zooals bij ons een deskundige een edel Paard of een goeden Hond keurt. Zelfs voor een eerzamen trekstier is hij niet onverschillig; een veel belovend bulkalf brengt hem in vervoering. Dit komt, omdat de Spanjaarden, zoowel zij, die hun oorspronkelijk vaderland bewonen, als die welke in de Nieuwe Wereld gevestigd zijn, hartstochtelijke liefhebbers zijn van schouwspelen van soortgelijken aard als die, welke de bewoners van het oude Rome bekoorden, en bij hooger ontwikkelde en beschaafde volken niet meer in den smaak vallen; iedere stier wordt er daarom op aangezien, of hij voor een stierengevecht geschikt is en welke figuur hij in ’t strijdperk zou maken.
De stierengevechten zijn vermakelijkheden, die een Zondagnamiddag op een zeer gewenschte wijze vullen en het publiek in de gelegenheid stellen een werkzaam aandeel aan de vertooning te nemen: behalve de toreros, de stierenbevechters van beroep, ziet men soms ook jonge, voorname leeploopers in het strijdperk treden en een duidelijk bewijs geven van de trap van beschaving waarop zij staan, door den taak van den torero op zich te nemen.
Ongeloofelijk groot is de geestdrift, die de toeschouwers bij een stierengevecht bezielt. Niet alleen mannen dweepen met dit vloekwaardige spel, zelfs vrouwen verzuimen, zooveel mogelijk, geen enkele van deze voorstellingen en nemen zelfs hare zuigelingen daarheen mede. De stierenbevechters verwerven zich gewoonlijk een aanzienlijk vermogen en zijn de helden van den dag, hoewel zij overigens weinig geacht worden; het rijke en voorname gepeupel gaat vriendschappelijk met hen om, hoewel zij tot de heffe des volks behooren. Meer nog dan hen bewondert men de stieren; van sommige, die vele Paarden doodden, blijft de herinnering nog jaren lang leven; aan hen dankt het Rundvee de achting, waarmede de Spanjaard het behandelt.
Na het voorafgaande behoef ik over de geestesgaven van het Tamme Rund niet veel te zeggen. Klaarblijkelijk staat dit dier op een zeer lagen trap; naast het Schaap is het Rund het domste van onze huisdieren. Het leert zijn verzorger kennen en tot op zekere hoogte liefhebben, gehoorzaamt aan zijn bevel en volgt hem, als hij roept; ook toont het een zekere belangstelling voor menschen, die het dikwijls bij zich ziet; dit geschiedt echter, naar het schijnt, meer door de macht der gewoonte, dan als uitvloeisel van een hooger gevoel. “De geest,” zegt Scheitlin, “openbaart zich bij de Runderen, die veel in de vrije natuur verkeeren, duidelijker dan bij die, welke steeds in den stal blijven. De Alpenkoeien leeren haar verzorger spoediger kennen, zijn opgewekter van aard, toonen duidelijker haar blijdschap, worden meer vervroolijkt door het geluid der klokjes, schrikken minder, strijden ridderlijker met elkander in ernst en uit scherts. Haar eergevoel is echter gering. Als de eene de andere van haar plaats gedrongen heeft, bekommert de overwonnene zich hierover in ’t geheel niet, maar stelt zich tevreden met de plaats, die voor haar overschiet, laat den kop zakken en gaat weer aan ’t grazen. De andere koe verheft zich niet op haar zege, toont geen spoor van blijdschap, ook zij gaat onmiddellijk weer aan ’t vreten. Bij ’t trekken naar de Alp evenwel gevoelt de koe, die de optocht leidt, haar meerderheid; dit blijkt uit haar plechtstatigen gang; ook duldt zij niet, dat een andere koe haar vóórkomt. De Stier staat, wat vermogens betreft, ver boven de meest ontwikkelde koe; hij heeft een veel grooter lichaamskracht, scherpere zinnen, meer bewustzijn van macht, meer moed, behendigheid en vlugheid; hij kijkt veel frisscher en met meer verstand om zich heen, acht zich gewichtig als machtige beschermer van zijn kudde, gaat op den vijand los en strijdt moedig met hem. Een vreemde bul duldt hij niet op zijn gebied, maar strijdt met hem op leven en dood.”
In het tweede levensjaar is het Rund voor de voortplanting geschikt. De draagtijd duurt in den regel 285 dagen, maar is soms aanmerkelijk korter of langer. Het kalf staat kort na de geboorte op zijne pooten; het zuigt reeds op den eersten levensdag. Naar het schijnt, wordt het Rund niet ouder dan 25 jaar. Bij de koeien, die geregeld ieder jaar een kalf ter wereld brengen, ontstaat aan het onderste gedeelte van den hoorn gedurende iederen draagtijd een ringvormige groeve of jaarring. Daar de meeste koeien in hun derde levensjaar voor ’t eerst kalven, kan men in den regel de ouderdom dezer dieren bepalen door bij het aantal hunner jaarringen 2 op te tellen. Hierbij moet men echter in ’t oog houden, dat men er niet volkomen zeker van kan zijn, dat de koe ieder jaar drachtig is geweest; ook zijn er koeien, die de hoornringen zeer onregelmatig vormen.
Verscheidene planten in verschen en gedroogden toestand, wikken, erwten, jong graan en sappig gras maken het liefste voedsel van het Rund uit. Schadelijk zijn: vlas, taxis, waterscheerling, luizenkruid, biezen, kikkerbeet, tijdeloozen, wolfsmelk, monnikskap, jonge bladen van eiken en walnoten, natte klaver enz. Peterselie, selderij, look en uien hebben een nadeeligen invloed op de melkafscheiding. Thijm, boterbloemen, weegbree worden in geval van nood, allerlei slag van ooft en andere vruchten, aardappels en peenen hartstochtelijk graag gegeten; zout is een levensbehoefte. Terecht wordt het Rund het voordeeligste van alle huisdieren genoemd.
De voornaamste ziekten waaraan het Rundvee onderhevig is, zijn: runderpest of veetyphus, miltvuur, kalverziekte, mond- en klauwzeer, parelzucht of tuberculose, longziekte, broosheid van de beenderen, trommelzucht enz. Zeer verschillend is het weerstandsvermogen van verschillende rassen tegen besmettelijke ziekten. Bij de veetyphus-epidemie van 1878–1879 bedroeg de sterfte in Duitschland 90 à 95, in de Russische steppen 30 à 50 percent van het aantal aangetaste dieren.
*
De Buffels (Bubalus) zijn plomp gebouwde Runderen met een zwaren, onbehaaglijken romp, betrekkelijk korte, krachtige pooten en breeden kop, die op het lage voorhoofd sterk gewelfd is; de oogen hebben een flauwe en sombere uitdrukking; de zijdelings gerichte, meestal groote en breede ooren zijn dikwijls sterk behaard. De hoornen zijn aan de achterste hoeken van den schedel aangehecht en aan den wortel meestal onevenredig verdikt, richten zich eerst naar onderen en achteren, daarna naar buiten en ten slotte naar boven, in sommige gevallen ook weder een weinig naar voren of zijn met een flauwe bocht naar onderen gekeerd en eindelijk zwak naar buiten gekromd. Het in ’t oog vallend dunne haarkleed ontbreekt bij de oude soms geheel.
Het sterkste en wildste lid van dit ondergeslacht is de Kaapsche Buffel (Bos caffer); door zijne eigenaardige hoornen onderscheidt hij zich in ’t oog vallend van zijne verwanten. Hij is gedrongener gebouwd dan de andere Buffels; de kop is betrekkelijk klein, de hals tamelijk dik, de romp in de schoft weinig verhoogd; de staart is lang en dun, aan de onderste helft met lange haren begroeid, die te zamen een dikken, goed gevulden kwast vormen. De hoornen zijn bij den wortel zij- en achterwaarts, daarna boven- en achterwaarts, met de spitsen weder duidelijk naar binnen gebogen. Bij oude stieren zijn zij aan den wortel buitengewoon verbreed, afgeplat, met dikke rimpels bedekt en over het geheele voorhoofd uitgebreid, zoodat alleen in ’t midden een smalle strook vrij blijft. Met uitzondering van het oor en van de staartspits is de beharing buitengewoon dun, zoodat enkele plaatsen bijna naakt schijnen en men eigenlijk alleen aan den kop en de pooten van een haarkleed spreken kan. De kleur van het dier wordt dan ook niet zoo zeer veroorzaakt door het zwarte, aan de spits een weinig lichter gekleurde haar, als wel door de donker bruinachtig grijze huid. De schouderhoogte van den Kaapschen Buffel wisselt al naar het geslacht en de grootte van het dier van 1.5 tot 1.8 M. af. De hoornen, die bij het wijfje slechts ongeveer half zoo breed en zwaar zijn als bij het mannetje, en dus een half zoo smalle strook van het voorhoofd bedekken, kunnen bij beide geslachten een spanwijdte van hoogstens 1 à 1.2 M. bereiken.