Dertiende Orde.

De Walvischachtigen (Cetacea).

Onder de Zoogdieren zijn de Walvischachtigen hetzelfde, wat de Visschen onder de Gewervelde Dieren zijn: wezens, die uitsluitend in ’t water thuis behooren en welker lichaamsbouw in overeenstemming is met deze levenswijze. Hierop wijst reeds hun grootte; want alleen in het water kunnen zulke reuzen zich gemakkelijk bewegen, alleen de oneindig rijke zee kan hun de noodige hoeveelheid voedsel verschaffen.

Het warme bloed, de ademhaling door longen, het zoogen der jongen en alle andere wezenlijke kenmerken der Zoogdieren hebben de Walvischachtigen gemeen met de overige orden van deze klasse. In ieder ander opzicht wijken zij echter (nog veel meer dan de Sirenen) van de hoogere Zoogdieren af. Ieder weinig ontwikkeld mensch, elk nog in den toestand van kindsheid verkeerend volk heeft ze tot de Visschen gerekend; eerst na nauwkeuriger onderzoek van hun aard is hun de juiste plaats aangewezen.

De romp van de Walvischachtigen is kolossaal en onbehouwen zonder eenige uitwending waarneembare geleding; de kop, die dikwijls wanstaltig groot en in den regel ongelijkzijdig gebouwd is, gaat zonder duidelijk herkenbare begrenzing in den romp over; deze loopt, naar achteren slanker wordend, in een breede, horizontaal geplaatste staartvin uit. De achterste ledematen, die bij alle overige Zoogdieren, met uitzondering van de Sirenen, voorkomen, ontbreken geheel; de voorste zijn vinnen geworden: men moet ze met het ontleedmes onderzoeken om ze als handen te herkennen en merkt ook dan nog in hun maaksel eigenaardigheden op. Een bij sommige voorkomende vetvin, die zich langs een deel van den rug uitstrekt, draagt er toe bij om deze dieren op Visschen te doen gelijken. Voorts onderscheiden de Walvischachtigen zich, wat het uitwendige betreft, door hun groote, niet door lippen begrensde mondspleet, door hun mondholte, die een buitengewoon groot aantal tanden of alleen baarden bevat, door hun dunne, gladde, zachte, vettige, op het gevoel fluweelachtige huid, die bij uitzondering op weinige plaatsen enkele borstels draagt en een donkere kleur heeft; de zeer dikke vetlaag maakt deel uit van deze huid, daar het de buitengewoon dikke lederhuid is, tusschen welker cellen het vet zich heeft afgezet.

Ook het inwendig maaksel van deze zeereuzen vertoont belangrijke eigenaardigheden. De beenderen van het geraamte onderscheiden zich door hun los, sponsachtig weefsel; zij zijn zoo innig doordrongen met vloeibaar vet, dat dit hun bijna niet ontnomen kan worden; na gedurende langen tijd gebleekt te zijn, behouden zij altijd nog een vettig, geelachtig uitzicht; daarentegen ontbreken aan alle beenderen de mergkanalen. Aan den kolossalen schedel, die slechts bij zeer weinige soorten in een regelmatige verhouding tot den romp staat, zijn de beenderen van den kop op een vreemdsoortige wijze verschoven; zij liggen los op elkander of hangen slechts door weeke deelen met andere beenderen samen; enkele van hen komen ons nietig klein (rudimentair), andere opmerkelijk vergroot voor, alle orde en regel schijnt verdwenen te zijn. Aan de wervelkolom is vooral het halsgedeelte opmerkelijk. Nog is het gewone aantal wervels aanwezig, maar deze gelijken, met uitzondering van den eersten, op dunne platte ringen; opmerkelijk is hun geringe beweeglijkheid; niet zelden vergroeien zij voor een deel zoo innig met elkander, dat men alleen aan de openingen, waardoor de paren halszenuwen het ruggemergskanaal verlaten, kan zien, dat er zeven halswervels zijn. Bovendien hebben de Walvischachtigen 11 à 14 borstwervels, 10 à 24 lendewervels en 22 à 24 staartwervels; hierbij moet echter opgemerkt worden, dat men streng genomen alleen van borst- of rug- en van lende-staartwervels kan spreken, daar een goed ontwikkeld bekken ontbreekt en een heiligbeen dus niet voorhanden is. Het aantal ware ribben is zeer gering: de echte Walvisschen hebben er slechts één paar; meer dan zes paar komen, naar het schijnt, bij geen enkel lid der orde voor. De valsche ribben zijn altijd veel talrijker dan de ware. De voorste ledematen zijn eigenaardig door de kortheid en platheid hunner beenderen en door een in ’t oogloopend groot aantal vingerleden; want, waar bij de andere Zoogdieren drie vingerleden aanwezig zijn, hebben alle Walvischachtigen in alle vingers (met uitzondering van den eersten en soms ook van den vijfden) er meer; het aantal leden van één vinger kan tot 13 stijgen.

Het gebit van de Walvischachtigen is geheel anders samengesteld dan de tandenstelsels der overige Zoogdieren, ook de beide hoofdgroepen der orde verschillen in dit opzicht aanmerkelijk van elkander.

Het strottenhoofd is niet geschikt voor het voortbrengen van een welluidende stem, maar stelt het dier in staat een groote hoeveelheid lucht tegelijk door te laten. De luchtpijp is zeer wijd; de longen hebben een aanzienlijken omvang en alle luchtpijptakken staan met elkander in gemeenschap, zoodat door tusschenkomst van één hunner de geheele long gevuld kan worden.

De spieren zijn eenvoudig, in overeenstemming met de grootte van het dier en buitengewoon krachtig. De hoeveelheid zenuwweefsel is uiterst gering: bij een Walvisch, die 5000 KG. woog en 6 M. lang was, wogen de hersenen nog geen 2 KG.,—dus niet meer dan bij den mensch, die zelden 100 KG. zwaar wordt! Alle zintuigelijke organen staan op een lagen ontwikkelingstrap. De oogen zijn klein, de ooren uitwendig ternauwernood zichtbaar, als ’t ware slechts aangeduid. Toch mag men hieruit niet afleiden, dat het gezicht en het gehoor onontwikkeld zijn gebleven. Alle Walvischachtigen bewijzen, dat zij niet alleen zeer scherp, maar ook op grooten afstand zien kunnen en ook, dat zij geluiden van allerlei aard goed waarnemen. De reukzin is zeer weinig ontwikkeld. Over den smaak kunnen wij niet oordeelen; van het gevoel echter weten wij, dat het eenigermate ontwikkeld is.

Het zal misschien niet eens noodig zijn er op te wijzen, dat zulk een lichaamsbouw er geheel op berekend is om de Cetaceën voor het leven in ’t water geschikt te maken. De horizontaal geplaatste staartvin maakt het hun mogelijk als ’t ware spelenderwijs te duiken en weer boven te komen en zonder moeite in waterlagen van verschillende diepte hun voedsel te zoeken. De gladheid van de huid maakt de beweging van de kolossale lichaamsmassa gemakkelijker, de vetlaag vermindert haar gewicht, vervangt het ontbrekende haarkleed en biedt tevens de noodige weerstand voor het verdragen van de ontzaglijke drukking waaraan een Cetacee is blootgesteld, als hij in de diepte van de zee afdaalt. De zeer groote longen stellen hem in staat, buitengewoon lang onder water te blijven.

De Cetaceën vermijden zoo veel mogelijk de nabijheid der kusten; want het land brengt hun verderf aan. Slechts enkele Dolfijnen leven in zoet water, andere zwemmen soms de rivieren op, maar doen dit niet gaarne verder dan tot de plaats, die nog door den vloedstroom bereikt wordt. Alle overige Walvischachtigen verlaten het zoute water nooit, maar doorreizen meer of minder geregeld meer of minder uitgestrekte gedeelten van de zee. Over deze tochten bericht Eschricht onder anderen het volgende:

“Cetaceën treft men aan in alle zeeën; geen enkele soort van deze orde heeft echter ergens een vaste verblijfplaats; alle geven, naar het schijnt, gedurende den zomer de voorkeur aan bepaalde oorden, terwijl zij zich in den winter in een ander, misschien ver afgelegen gebied ophouden; zij begeven zich op soortgelijke wijze als de trekkende dieren in ’t algemeen langs tamelijk vast bepaalde wegen in de lente van de eene zee naar de andere, om in ’t najaar naar het eerste gebied terug te keeren. De Walvischachtigen zijn, evenals de meeste dieren die geregeld van woonplaats verwisselen, gezellig van aard. Daar, waar voedsel voorhanden is, vindt men dikwijls honderden (soms zelfs meer dan duizend) exemplaren, niet slechts van dezelfde soort, maar ook wel van verschillende soorten bijeen; ook sluiten zich, volgens de berichten der kustbewoners, bij de groote trekkende scharen enkele of zelfs verscheidene wezens van andere soort aan, of vermengen zich met haar.”

Alle Cetaceën zijn in de hoogste mate voor beweging geschikt. Zij zijn volslagen meesters in het zwemmen; zij doen dit zonder eenige merkbare inspanning, sommige met een onvergelijkelijke snelheid. Volgens Sir William Turner ontwikkelt een Walvisch van 48 voet lengte en 74 ton gewicht, met een staartvin van 20 voet breedte een arbeidsvermogen van 145 paardekracht, wanneer hij met een snelheid van 12 knoopen, d.i. meer 22 K.M. in ’t uur, voortzwemt. Met de krachtige spieren, die de omvangrijke staartvin bewegen, kunnen zij hun ontzaglijk zwaar lichaam betrekkelijk ver boven den waterspiegel opheffen en dus echte luchtsprongen doen. Gewoonlijk bevinden zij zich dicht bij de oppervlakte; misschien dalen zij, alleen wanneer zij gewond worden, naar groote diepten af. De bovenste waterlaag is hun eigenlijk gebied, omdat zij met den kop en een deel van den rug boven water moeten komen om adem te halen. De vervanging van de reeds in ’t lichaam aanwezige door versche lucht geschiedt op de volgende wijze: In de eerste plaats blaast de Cetacee die bovengekomen is, met een luid snuivend gedruisch het water, dat in de slechts onvolledig gesloten neusgaten doordrong, met zooveel geweld uit, dat het zich in fijne druppels verdeelt, maar toch nog 5 à 6 M. hoog opgeworpen wordt. Deze straal uitgeademde lucht kan het best vergeleken worden met een stoomstraal, die uit een nauwe buis ontsnapt; ook het snuiven herinnert aan het gedruisch, dat de stoom in het bedoelde geval maakt. Een waterstraal, zooals uit een fontein opspringt, wordt door geen enkel Walvischachtig dier uitgeworpen, hoewel de meeste teekenaars hem zoo afbeelden, en vele natuurbeschrijvers hem zoo opgeven. Dadelijk na het uitademen neemt het dier, eveneens met een luid hoorbaar steunend gedruisch, door één, snelle inademing de noodige hoeveelheid lucht op; dikwijls wisselt het drie-, vier- of vijfmaal in de minuut van adem, slechts de eerste maal na het bovenkomen wordt een straal uitgeworpen, hoewel men bij eenigermate koel weder nog altijd een door de uitademingslucht gevormden nevel kan waarnemen. De neusgaten zijn zoo gunstig gelegen, dat de Cetacee bij het omhoogrijzen altijd het eerst met hem boven ’t water komt; op deze wijze geschiedt het ademhalen even gemakkelijk als bij andere dieren. Een ongestoord voortzwemmende groote Cetacee zal misschien 5 à 15 minuten lang gelijkmatig ademen, en blijft daarbij voortdurend met de neusgaten boven den waterspiegel of zakt na de ademhaling een weinig beneden de oppervlakte; soms zal hij nog veel langer op deze wijze voortgaan, voordat hij zijn behoefte aan lucht bevredigd heeft. Daarna begeeft hij zich weder naar de diepte, en blijft misschien 10 à 20 minuten, dikwijls nog langer onzichtbaar. Vervolgde groote Cetaceën kunnen echter ook wel 30 à 50 minuten onder water blijven. Een geharpoeneerde Potvisch bleef, naar Pechuel-Loesche heeft opgemerkt, bijna een uur, een andere, eveneens gekwetste, niet minder dan 80 minuten onder water en dook intusschen 1300 M. diep. Als de luchttoevoer geheel wordt afgesneden, sterft de Cetacee even goed als ieder ander Zoogdier door verstikking, volgens de ervaring van walvischjagers zelfs na zeer korten tijd. Ook sterven deze dieren betrekkelijk spoedig, wanneer zij op het droge geraken; deze ligging bemoeilijkt de ademhaling, daar het uitzetten van de borstholte nu met het opheffen van het geheele zware lichaam gepaard moet gaan.

Alle Cetaceën voeden zich met dieren en slikken waarschijnlijk slechts bij toeval planten door; nauwkeurige onderzoekingen moeten echter nog uitmaken of één soort van Vinvisch de wieren, die men dikwijls in groote hoeveelheid in zijn maag vindt, niet opzettelijk verzwelgt, en of een soort van Dolfijn de vruchten, die in de rivier gevallen zijn, niet opeet. De door hen begeerde buit bestaat uit groote en kleine zeedieren, die tot zeer verschillende klassen van het dierenrijk behooren. Juist de grootste soorten gebruiken de kleinste zeedieren als voedsel, terwijl daarentegen juist de kleinere soorten de flinkste roovers zijn.

Hoe lang de drachtigheid duurt, is nog niet uitgemaakt. Wel is waar wordt ondersteld, dat zij slechts 6 à 10 maanden aanhoudt; feiten tot steun voor deze bewering zijn echter moeielijk bijeen te brengen. G. A. Guldberg is door uitvoerige vergelijkende onderzoekingen tot de uitkomst geraakt, dat de duur van de drachtigheid der groote soorten van Vinvisschen hoogst waarschijnlijk 10 à 12 maanden, die van de grootste echter meer dan een jaar bedraagt. Het pas geboren jong is reeds zeer ontwikkeld; zijn lengte is ⅓ à ¼ van die der moeder.

Vroegere onderzoekers berichten, dat de zoogende moeder op de gewone wijze haar gang gaat, en het aan den tepel gehechte jong eenvoudig medesleept; Scammon daarentegen verzekert nadrukkelijk, dat zij bij het vervullen harer moederplicht als verslapt in het water ligt, bijna het geheele achterdeel van haar lichaam boven den waterspiegel heft en een weinig op zijde gaat liggen, om aan het jong gedurende het zuigen het meest mogelijke gemak te verschaffen. Voor het kind zijn de melkklieren ongetwijfeld zeer gunstig gelegen; het vat den grooten, buitengewoon melkrijken tepel met de spits van den snuit; het zuigt natuurlijk met tusschenpoozen, daar het zich van tijd tot tijd naar de oppervlakte moet begeven om adem te halen. De moeder verzorgt haar jong met roerende liefde; zij stelt zich om zijnentwil zonder aarzeling aan alle gevaren bloot, die beider leven bedreigen en verlaat het nooit, zoolang het leeft. Het jong groeit, naar het schijnt, langzaam. Hoe lang de Cetaceën leven, weet men niet.

Ook de Cetaceën hebben vijanden, vooral gedurende den eersten tijd van hun leven. Verscheidene Haaien en de Zwaardvisch maken in den letterlijken zin van ’t woord jacht op jonge Cetaceën; ook oudere dieren worden door hen aangevallen; zij kunnen dan dagen lang volop eten van het reusachtige lichaam. Een veel gevaarlijker vijand van de Walvischachtigen dan alle zeemonsters is de mensch. Reeds sinds meer dan 1000 jaren heeft hij op vele soorten van deze orde jacht gemaakt, en eenige reeds nagenoeg verdelgd.

Aanvankelijk heeft de mensch zich waarschijnlijk tevreden gesteld met de Walvischachtige dieren, die de zee hem toevertrouwde, d. w. z. met die, welke door stormen op het strand geworpen werden. Eerst later kwam hij op het denkbeeld zich met de reusachtige bewoners der zee in den strijd te meten. Aan de Basken wordt de eer toegeschreven voor het eerst schepen voor de walvischvangst te hebben uitgerust; zij deden dit reeds in de 14e en 15e eeuw. Aanvankelijk bepaalden deze koene zeelieden zich tot het opzoeken van de Vinvisschen in de golf, die naar hun vaderland genoemd is. Reeds in het jaar 1372 echter zetten zij koers naar het noorden en ontdekten hier de eigenlijke walvischgronden. Omstreeks het jaar 1450 rustten de reeders van Bordeaux eveneens vaartuigen uit, om den kostbaren buit in de oostelijke gedeelten van de Noordelijke IJszee op te zoeken. Burgeroorlogen verlamden de scheepvaart en den handel der Basken; de inval der Spanjaarden in hun land in het jaar 1633 maakte aan hun walvischvangst voor altoos een einde. Door de zeer goede uitkomsten die zij verkregen hadden, werden andere zeevarende volken uitgelokt om hen na te volgen; reeds in de 16e eeuw vertoonden zich Engelsche, en kort daarna Hollandsche walvischvangers in de Groenlandsche zeeën. In den beginne geschiedde dit met behulp van Baskische harpoeniers. In het jaar 1612 voeren de twee eerste schepen uit Nederland ter walvischvangst uit, maar met ongelukkig gevolg; daar zij door de Engelschen, die in 1608 de eerste schepen voor hetzelfde doel hadden uitgerust, genomen en van hun vangst en al hun vischtuig, ter gezamenlijke waarde van ƒ 130.000 beroofd werden. In 1614 werd weder een schip te Hoorn voor de walvischvangst uitgerust: het kwam met een goede lading thuis. Door dit gelukkig begin aangespoord, vereenigden zich verscheidene kooplieden te Amsterdam tot een maatschappij, die (volgens een reeds in 1611 opgemaakt ontwerp) in 1614 “consent en octrooi verkreeg om voor den tijd van tien eerstkomende jaren alleen te mogen handelen van Nova-Zembla tot Straat-Davis toe, daaronder begrepen Spitsbergen, ’t Beren-eiland, Groenland en andere eilanden, die onder de voorschreven limiten zouden mogen gevonden worden.” In deze Noordsche Maatschappij werden later ook kooplieden uit andere steden en gewesten opgenomen; haar octrooi werd in 1617, 1622, 1634 gewijzigd en verlengd. In 1641 werd het monopolie opgeheven en de vangst geheel vrijgelaten; in 1645 werd de Noordsche compagnie ontbonden. Vooral de in 1596 door de Hollanders ontdekte eilanden-groep Spitsbergen was aanvankelijk voor de vangst van Zee-zoogdieren zeer gelegen. In 1617 werd bij minnelijke schikking een verdeeling van de kusten dezer eilanden tusschen de verschillende bij de vischvangst belanghebbende natiën tot stand gebracht. De Nederlanders vestigden zich op het Amsterdammer-eiland, waar drie zeer vischrijke baaien (de Noord- en Zuidbaai en de Hollandsche baai) een ruime vangst beloofden, en een veilige ligplaats voor de schepen aanboden. Zij richtten op dit eiland hunne traan-kokerijen op en bouwden er een soort van dorp, dat den naam van Smeerenburg ontving. “In den aanvang en eerste opkomst der visscherij, vond men de Walvisschen nog in hun eerste natuurlijke onnoozelheid; gedurende vele eeuwen in veiligheid en ongestoord geleefd hebbende, en onkundig zijnde van de lagen hunner vijanden, vreesden zij de komst der vloten niet, maar zwommen in groote menigte rondom de kusten van Spitsbergen, zoowel binnen als buiten het ijs; en dewijl de banken, gronden en baaien overal met aas bezet waren, zag men hen zelfs in de baaien spelen, en het land en de eilanden naderen. De visscherij was derhalve toen aan veel minder zwarigheden onderworpen dan tegenwoordig; men zeilde naar de kusten zonder het ijs aan te doen, hetwelk men als rotsen zorgvuldig meed; men ving de Walvisschen, bracht het spek aan land, en kookte er traan van, welke men vervolgens in de schepen bracht en naar Nederland overvoerde. De overvloed van traan, welke men jaarlijks aan den wal kookte, was in den beginne zoo groot, dat men ledige schepen huurde, en ze, wanneer de vloot wel geladen thuis gekomen was, naar Smeerenburg zond, om de overige traan af te halen. De voordeelige vangst, welke onmeetbare schatten aanbracht, gaf geen geringe levendigheid op het dorp Smeerenburg, dat, omtrent denzelfden tijd als Batavia gesticht, toen geen mindere vertooning van bloei en voorspoed maakte, dan de thans zoo beroemde hoofdstad van Neerlandsch Indië.”

“Dit geluk duurde verscheidene jaren; doch de Walvisschen, eindelijk kundig geworden van de gevaren welke hen omringden, begonnen zich allereerst van de kusten van Smeerenburg en van de Hollandsche baai te verwijderen; en daar zij zich voorheen als weerlooze schepsels, rondom de schepen spelende, lieten dooden, werden zij zoo schuw, dat men genoodzaakt werd, hen gedurende de vlucht met grooten arbeid na te roeien eer men hen kon bemachtigen, en dit zelfs werd weldra ondoenlijk, wijl de Visschen zich verder zeewaarts begaven, en maar al te vaak de hoop der zeelieden teleurstelden. Men besloot derhalve naar de Noordbank te varen, gelegen aan den mond van de Noordbaai, omstreeks twee mijlen van de schepen, die onder Smeerenburg voor anker lagen, alwaar toen nog visch genoeg was, dewijl hij van daar niet zoo sterk verjaagd was geworden.” De hier gevangen visch werd naar de schepen geboegseerd, waarmede veel tijd verloren ging. Nadat men op deze wijze, aanvankelijk met voordeel gewerkt had, werd ook dit bedrijf wegens het schaarsch worden van den buit opgeheven. Om op andere, meer afgelegen gedeelten van de kust te visschen, moest men afwijken van het oorspronkelijk plan om de schepen voor Smeerenburg te laten liggen, totdat zij volgeladen waren. Weldra echter kwamen er geen visschen meer aan de kust en schoot er niets anders over dan ze op zee te vervolgen en ze ook daar te “flensen” en “af” te “maken”; de op deze wijze verkregen stukken spek of “vinken” werden (evenals het balein) in vaten gepakt en naar de traankokerijen in Nederland vervoerd. Daar door zulk een wijze van vangst de op Spitsbergen aanwezige inrichtingen overbodig werden, geraakten deze in verval en werden eindelijk gesloopt; de voorheen zoo vischrijke eilanden, de twistappel van zoovele volken, werden hoe langer hoe minder bezocht, en vervielen weer tot hun vroegeren staat. Reeds vóór het midden van de 17e eeuw begon de “zeevisscherij” de “kunstvisscherij” allengs te vervangen, om zelf, toen de nog schuwer geworden visch naar de minst toegankelijke gedeelten van de Poolzee de wijk nam, voor de “ijsvisscherij” plaats te maken, waarbij de buit tusschen het ijs moest worden opgezocht. Dit vereischte schepen van veel solieder maaksel dan de vroeger gebezigde. De kosten werden dus steeds grooter en de vangst wisselvalliger. Dat ook in deze minder gunstige omstandigheden de zoogenaamde “kleine” visscherij met veel ijver werd beoefend, kan blijken uit een mededeeling van Zorgdrager in zijn werk over de Groenlandsche Visscherij. Daar de walvischvangers in 1697, wegens den oorlog met Frankrijk, bescherming noodig hadden, verzamelden zij zich in een baai van Spitsbergen, waar weldra 9 Nederlandsche en 2 Hamburger oorlogschepen kwamen om gedurende de terugreis de kapers te weren. De rijk geladen vloot, waarvan Zorgdrager’s schip “de Vier Gebroeders” met een lading van 7 visschen deel uitmaakte, bestonden uit 121 Nederlandsche schepen, beladen met 1252 visschen, 54 Hamburger schepen met 515 visschen, 15 Bremer schepen met 119 visschen en 2 Embder schepen met 2 visschen. Onder al deze schepen was er niet één, dat niets gevangen had; onder de Nederlandsche schepen was er geen met minder dan 3 visschen; vele waren geheel gevuld. Deze vloot, te zamen 192 schepen, bracht 1888 visschen thuis. Gedurende een groot deel van de 17e en van de 18e eeuw werd de walvischvangst in de zee tusschen Spitsbergen en Groenland voornamelijk door de Nederlanders uitgeoefend. In sommige jaren zonden zij met dit doel 200 à 250 schepen uit; in andere jaren trouwens moest de walvischvangst wegens den oorlog geheel of grootendeels achterwege blijven. Niet minder belangrijk dan het aantal deelnemers aan deze jacht was de daarbij behaalde buit; in sommige jaren bedroeg het gemiddeld slechts 1 à 2 visschen per schip, in andere jaren echter 10 à 11. In de jaren 1676 tot 1722 werden door de Nederlanders 5886 schepen ter walvischvangst uitgezonden (gemiddeld 125 per jaar) en maakten deze 32.907 walvisschen buit (gemiddeld per schip 5 à 6), welker waarde destijds 180 millioen gulden bedroeg. Volgens een andere berekening zijn in de jaren 1669–1779 naar Groenland, d. i. naar de zee tusschen Groenland en Spitsbergen, gezeild 14.226 schepen, die 57.722 visschen gevangen hebben en een netto winst behaalden van ƒ 44.327.761; gemiddeld per jaar dus ruim 128 schepen, die ieder gemiddeld 4 visschen thuis brachten en per jaar gezamenlijk een netto winst opleverden van 400.000 gulden. Naar Straat Davis zeilden bovendien in de jaren 1719–1779 3206 schepen, die 7022 visschen buit maakten en een netto winst behaalden van ƒ 13.967.148 of gemiddeld per jaar 52 à 53 schepen, met bijna 2.2 visschen voor ieders deel en met een gezamelijke winst van 229.000 gulden. Door de oorlogen met de Engelschen in 1780 en in den Franschen tijd verloren de Nederlanders hun suprematie in de Noordelijke Zeeën. Hoewel zij na het herkrijgen van hun onafhankelijkheid ook aan de kleine visscherij opnieuw hun aandacht schonken, geraakte deze niet meer tot haar vorigen bloei; gedurende verscheidene jaren bestond hun Groenlandsche vloot uit drie of vier schepen, waarvan er ten slotte slechts één overbleef. Ook dit schip, de “Dirkje Adama” van Harlingen, werd in 1864 voor een ander doel bestemd.

Aanvankelijk namen ook de Duitsche Noordzeehavens ijverig deel aan de Groenlandsche vaart. Frederik de Groote rustte in 1768 schepen voor de walvischvangst uit. Ook zij werden uit dit bedrijf verdrongen door de Engelschen, die omstreeks dezen tijd 222 schepen in de Noordelijke zeeën hadden. In deze eeuw hebben zij hun jachtveld uitgebreid over de Poolzee ten oosten van Groenland, die door de ontdekkingen van Ross en Parry bekend geworden was, en zelfs over den Stillen Oceaan, waar zij echter in de Amerikanen ernstige concurrenten vonden, die hen op dit gebied weldra geheel overvleugelden. Het aandeel van de Schotsche en Engelsche havensteden in de Cetaceën-jacht is verminderd, naarmate dat van de Amerikanen toenam. Doch ook de Amerikaansche walvischvangst bereikte in 1854 haar toppunt van bloei en is sedert dien tijd voortdurend achteruitgegaan.

Tegenwoordig wordt de walvischvangst op groote schaal alleen nog maar in den Stillen Oceaan en ten noorden van de Beringstraat uitgeoefend en wel vooral door de Amerikanen. De met dit doel uitgeruste schepen blijven 3 à 4 jaren uit, n.l. zoo lang tot zij een volle lading traan en balein hebben. De Noord-Amerikanen hebben ongeveer sedert 1850 de grootste vloot voor de walvischvangst; deze vloot vermindert trouwens sterk wegens het afnemen van het aantal Walvisschen in alle zeeën. In den laatsten tijd is San Francisco de verzamelplaats geworden van de schepen, die op de walvischvangst in de noordelijke zeeën uitgaan. De hiervoor dienende stoombooten dringen door de Beringstraat zoo ver in de Poolzee door, als het ijs toelaat; zij overwinteren ook dikwijls in het poolgebied. De stoomboot Mary Hume bracht van daar binnen 2½ jaar 52.300 KG. baarden ter waarde van 630.000 dollars thuis.—In de IJslandsche Zeeën komt alleen nog maar de Vinvisch voor, die in vergelijking met den Walvisch en den Cachelot een veel geringere waarde heeft. Op grootere schaal nog dan de IJslanders oefenen de Noren de IJslandsche walvischvangst uit. Hunne traankokerijen bevinden zich aan land of aan boord van oude schepen, die in de fjorden voor anker liggen; iedere traankokerij beschikt over een aantal stoombootjes, die als schoeners opgetuigd zijn en slechts 14 ton kolenvoorraad hebben. Aan bakboord hebben zij een kanon om hiermede den harpoen te schieten; deze is aan een lange lijn bevestigd en blijft in de wonde steken. Hij is aan zijn uiteinde voorzien met een soort van bom, die den Vinvisch doodt door in zijn lichaam te ontploffen. De booten dezer walvischvangers zijn voorzien met een mortiergeweer, waaruit de harpoen geschoten wordt. De bruto-opbrengst van een Vinvisch bedraagt ongeveer 2400 gulden; enkele exemplaren leveren echter aanmerkelijk meer op. De traankokerijen vereischen een geoefend personeel; bij elke ziederij behoort een “helling” met verscheidene hijschtoestellen om de speklaag onder de hakmachine te brengen. Het spek wordt vervolgens in de met stoom verhitte ketels gebracht en de traan in ijzeren vergaarbakken afgetapt. De afval wordt tot mestspecie (vischguano) verwerkt, van de beenderen maakt men beenderenkool.

In het tijdperk van 1835–1872 hebben 19.943 schepen zich met de walvischvangst bezig gehouden; zij verkregen 3.671.772 tonnen of vaten spermaceti en 6.553.014 tonnen traan, ter gezamenlijke waarde van 272.274.916 dollars. Volgens Scammon’s schatting moesten voor het bereiken van dit doel ieder jaar 3865 Potvisschen en 2875 Baardendragende Cetaceën gedood worden. Men moet deze getallen stellig ieder met een vijfde vermeerderen om ook de dieren, die gewond werden en daarna verloren gingen, in rekening te brengen. Zoo komt men tot de slotsom, dat het geheele getal groote Cetaceën, die in het genoemde tijdperk gedood werden, niet minder dan 292.714 moet hebben bedragen.

De vangst geeft ook wel eens aanleiding tot ongelukken, maar is toch over ’t geheel genomen minder gevaarlijk dan de reis op zichzelf beschouwd, als zij plaats heeft in ijsrijke zeeën. In menig jaar lijdt de walvischvangersvloot groote verliezen. Gelukkig gaan bij deze schipbreuken slechts zelden menschenlevens verloren, daar de zee bijna altijd stil is en de bemanning tijd genoeg heeft om zich op andere schepen te redden. De walvischvangst is niet alleen een gevaarlijk bedrijf, dat veel inspanning vereischt, maar uit een financieel oogpunt beschouwd, ook zeer wisselvallig.

Tot voor eenige tientallen van jaren had de vangst hoofdzakelijk plaats met schepen, die voor lange kruistochten uitgerust waren; men maakte vooral jacht op drie van de grootste soorten van Cetaceën: den Noordelijken of Groenlandschen Walvisch, den Zuidelijken Walvisch en den Potvisch; ieder dergelijk dier had, al naar zijn omvang en den stand van den marktprijs, een waarde van 9000 à 24000 gulden. De vangst geschiedde op de volgende wijze: Als het schip op de Walvischgronden aangekomen is, kruist het heen en weer, terwijl in den mast (in het zoogenaamde kraaiennest) gewoonlijk twee mannen op den uitkijk staan. Hun waarschuwing: “Daar blazen zij!” brengt de geheele bemanning in beweging. “Uit de wijze, waarop deze dieren zich bewegen en blazen, uit den vorm van hun rug en van hun staartvin,” schrijft Pechuel-Loesche, “kunnen de ervaren lieden tamelijk zeker opmaken, of zij de gezochte soort voor zich hebben en of de vangst van het dier de moeite loont. Als dit beslist is, geeft de kapitein bevel om de booten uit te zetten (iedere kruiser heeft er gewoonlijk vier). Deze booten zijn 7 à 9 M. lang en omstreeks 2 M. breed; zij zijn licht, maar zeer zorgvuldig gebouwd; zij hebben geen kiel en loopen aan beide einden scherp toe, zoodat zij even gemakkelijk vooruit- als achteruit bewogen kunnen worden en snelle wendingen kunnen maken. De wapens—ongeveer vier harpoenen, verscheidene lansen, een geweer van zeer zwaar kaliber, waarmede pijlvormige granaten worden geschoten, een korte spekspade, een bijl en een stevig mes—bevinden zich aan den voorsteven, zoodat de harpoenier ze onmiddellijk bij de hand heeft. Het kompas, een hoosbak en een vaatje, waarin eenige scheepsbeschuit, een lantaarn, kaarsen en lucifers tegen vochtigheid beschut zijn, bevinden zich in ’t achterste gedeelte van de boot, waarvan een klein stuk overdekt is; een ander vaatje met drinkwater ligt gewoonlijk in ’t midden van het vaartuig. Het belangrijkste deel van het vanggereedschap is de meer dan één duim dikke, ongeveer 350 vadem lange en van de beste hennep vervaardigde lijn. Zij ligt opgerold in twee ondiepe tobben, die tusschen de roeibanken staan; met de meest nauwgezette zorgvuldigheid zijn de spiralen hierin bij lagen gevleid, daar elke verwarring bij ’t afloopen aanleiding zou kunnen geven tot een ongeluk. Van links buiten neemt men een stuk van 5 à 8 vadem lengte, den zoogenaamden voorlooper, en bevestigt hieraan de beide harpoenen, die een geoefende harpoenier den Walvisch bij de eerste nadering in snelle opeenvolging in ’t lichaam werpt. Deze wapens liggen, opdat de harpoenier ze zonder fout zal kunnen grijpen, vóór rechts op een laag vorkengestel.

“Een goede harpoenier moet op een afstand van 4 à 5 vademen zeker zijn van zijn worp. Meestal echter begeeft men zich veel nader bij den Walvisch; ook laat men de boot wel onmiddellijk tegen hem aanloopen, zoodat de harpoen niet meer geworpen, maar in het lichaam gestooten wordt. Deze vermetele wijze van aanvallen laat wel is waar aan zekerheid niets te wenschen over, maar is ook de gevaarlijkste. Zoodra de harpoenen vastzitten, wordt de boot zoo vlug mogelijk achteruitgeroeid. Dit is een hachelijk oogenblik: altijd staat men bloot aan de kans, dat het gewonde dier zich opzettelijk of toevallig wreekt met den ontzaglijken staart; deze kan de boot van onderen af het onderste boven keeren en zelfs in de lucht werpen, of als een reusachtige vliegenklap van boven af op haar neerdalen, zoodat zij verbrijzeld wordt. Als de verschrikte Walvisch vlucht (in de diepe zee duikt hij meestal loodrecht naar beneden, in ondiep water spoedt hij zich op geringere diepte voort), zal in ’t volgende oogenblik de lijn beginnen af te loopen; zij schiet met slangsgewijze kronkelingen uit haar bergplaats naar achteren om den geleidenden knop, strak gespannen naar voren en naar buiten in de diepte; dikwijls loopen 100 à 150 vademen in één minuut af. Nu komt het er op aan, goed op te passen, want ieder die door de lijn gevat wordt is gewoonlijk verloren. De boot zit “vast”. De stuurman en de harpoenier wisselen van plaats; deze had tot taak den Walvisch met de boot te verbinden, gene heeft het voorrecht hem te dooden. Nu eerst begint de eigenlijke strijd en met hem het grootste gevaar. Aan het tegenhouden van den onderduikenden Walvisch valt natuurlijk niet te denken: iedere groote Cetacee zou de boot medesleuren naar de diepte, zooals de visch, die in het aas van den hengelaar bijt, den lichten dobber medeneemt. Als het dier zeer diep duikt, roept men de naastbijgelegen boot aan, om haar lijn vast te splitsen aan die, welke bezig is af te loopen. Indien men echter niet schielijk genoeg geholpen wordt, laat men de geheele lijn over boord gaan en de Walvisch is vrij. Slechts zelden gelukt het dan hem weder vast te leggen door voort te roeien in de richting, die hij heeft ingeslagen, en, zoodra hij weder voor den dag komt, de achter hem aanslepende lijn op te visschen.

“In de meeste gevallen is de lijn van één boot echter voldoende; de Walvisch duikt misschien 100 à 200 vademen diep en houdt zich daar nagenoeg onbeweeglijk. Zoodra de spanning van de lijn een weinig vermindert, wordt er met vereende krachten aan getrokken om het dier tot omhooggaan te bewegen. Indien deze wijze van behandeling den onbehouwen klant niet aanstaat, zal hij met onweerstaanbare kracht iedere poging om hem aan de oppervlakte te brengen verijdelen en al dieper en dieper zakken. Zoo wordt, al naar de soort en de grootte van het dier, de strijd 10, 20, 30 minuten lang, in zeldzame gevallen gedurende het dubbele van dezen tijd voortgezet: eindelijk echter begint de Walvisch behoefte aan lucht te gevoelen en komt naar boven. De richting van de lijn toont aan, waar hij ten naasten bij verschijnen zal; daar tracht nu een tweede boot hem te verrassen en eveneens “vast” te maken; eerst wanneer men hierin geslaagd is, acht men den goeden uitslag zeker. Het herhaaldelijk gewonde dier valt nu soms zijne pijnigers aan, of schiet, daar het wegens ademnood niet onmiddellijk weder diep duiken kan, langs de oppervlakte van de zee voort. Nu begint een wilde wedstrijd, waarbij men de lijn gewoonlijk slechts eenige bootslengten ver laat vieren. Blazend en snuivend doorklieft het donkere, reusachtige lichaam de golven, die in schuim uiteenspatten en in melkwitte massas omhooggeslingerd worden, als de kolossus zich door woedende slagen met den staart tracht te bevrijden. Achter hem aan ijlen 2 of 3 booten met koene menschen gevuld, die dikwijls verborgen zijn tusschen schuim en waterkolommen, waarin zij schijnen weg te zinken, terwijl zij met razenden spoed zich voortreppen over en door de kokende golven; toch gaan zij steeds verder in den eindeloozen Oceaan, onverschillig of het dag is dan wel nacht. Een onvoorbereide toeschouwer zou kunnen meenen, dat al wat hij ziet, slechts een droombeeld is. Eindelijk komt de Walvisch tot rust, daar zijne krachten hem allengs begeven; vermoeid en log, of razend en in blinde woede met den staart om zich heen slaand, drijft hij op de golven. Nu kunnen de booten hem naderen. Voorzichtig blijven zij buiten het bereik van den staart. Men tracht het dier te dooden met ontplofbare projectielen of met een lans, welks dun ijzer soms 2 M. diep achter de borstvin in het lichaam wordt gestoken. Deze lans, “lens” genaamd, heeft een 2 M. lang, dun ijzer, dat aan een langen stok bevestigd is. Als de Walvisch nogmaals duikt of vlucht, worden dezelfde werkzaamheden herhaald, totdat men hem eindelijk gedood heeft, of zich door den nood gedrongen ziet de lijn af te snijden en het dier in vrijheid te stellen. Wanneer echter een granaat of een lans in de longen van den Walvisch doordringt, die dan bloed uitblaast, “de roode vlag toont”, sterft hij betrekkelijk snel, hoewel dikwijls eerst na een geweldigen doodstrijd, welks einde alle booten op een veiligen afstand afwachten.”

Als het schip den gedooden Walvisch niet goed zeilend bereiken kan, moet deze door de booten gesleept worden. Bij het schip aangekomen, wordt hij met een stevigen ketting om den wortel van den staart geboeid, en aan stuurboordzijde op zulk een wijze bevestigd, dat hij met den kop naar achteren gericht langs het schip drijft. Aan den grooten mast zijn twee kolossale takels aangebracht, welker loopers met hunne uiteinden om den kaapstander, die voor ’t lichten van ’t anker dient, gelegd zijn. Langs de zijde van het schip heeft men een op een raam gelijkende stellage laten zakken, die in horizontale richting boven den Walvisch zweeft en voor de speksnijders, die met scherpe, aan lange stelen bevestigde spaden het “flensen” of “afspekken” mogelijk maken, als loopplank dient. Het losse blok van een der takels wordt nu aan een vin van den Walvisch bevestigd, en deze op zulk een wijze losgemaakt, dat een 1.3 à 1.9 M. breede spekstrook haar volgt. Als deze strook tot op de hoogte van de onderste afdeeling van de mast is opgeheschen, wordt ter hoogte van het dek het losse blok van den tweeden takel er aan vastgemaakt, de spekstrook op korten afstand daarboven doorgesneden, en het zoo vrijgeworden stuk in de ruimte tusschendeks afgelaten; intusschen hijscht de tweede takel den spekstrook weder tot de vorige hoogte op. Het ophijschen van het spek is een zwaar stuk werk, en vordert slechts duim voor duim; door het langzame, maar zeer krachtige trekken wordt de spekstrook, die op de gewenschte breedte met de spade is afgestoken, van het vleesch van den Walvisch losgerukt, en deze ongeveer op dezelfde wijze van spek en huid beroofd, als men een appel schilt of het dekblad van een sigaar kan afwikkelen. Daarbij moet het lichaam van het dier langzaam om zijn lengteas wentelen; spoedig reeds is het gunstig gelegen voor een volgende bewerking; een aan touwen bevestigde man wordt op de Cetacee neergelaten, die bij het Baardendragende dier de bovenkaak, bij den Potvisch echter de onderkaak met bijlslagen van den kop afscheidt. Deze worden onmiddellijk op het dek geheschen, om van ’t eerstgenoemde lichaamsdeel de baarden of baleinen, van ’t laatstgenoemde de fraaie tanden los te maken. Van den Potvisch brengt men ook de verbazend groote, bovenste helft van den kop in twee stukken op het dek, om spermaceti te verkrijgen. De tijd, die voor het afspekken vereischt wordt, hangt af van de soort en grootte van den “visch” en van de gesteldheid van het weder; meestal duurt het 4 à 8 uren. Zoodra alle lichaamsdeelen, die waarde hebben, geborgen zijn, maakt men den ketting los, en laat de vormelooze vleeschmassa van den romp drijven.

De reusachtig groote spekstrooken, die zich nu tusschendeks bevinden, worden daar met korte spade in kleine, langwerpige stukken verdeeld, die dan weder op het bovendek worden geworpen en voordat zij in den ketel komen, door een met de hand gedreven machine met een scherp mes, diep ingekorven worden. Het uitkoken geschiedt in groote, op het dek ingemetselde, ijzeren ketels, welker vuurhaard aan alle zijden door water omgeven is. Bij den aanvang van de bewerking gebruikt men hout als brandstof, later echter uitsluitend de “gruwen” of “kanen” van het uitgebakken spek, die genoeg warmte kunnen leveren, om de geheele spekmassa van den Walvisch uit te koken. De door uitsmelting verkregen traan wordt in een koelpan afgekoeld, en daarna in tonnen gegoten. “In hunne slechtste kleederen,” schrijft Pechuel-Loesche, “half-naakt, dansend en zingend, elkander aandrijvend en hunne gereedschappen zwaaiend, druipend van traan en roetkleurig als duivels bewegen de schepelingen zich om den haard. Een buitengewone bedrijvigheid heerst allerwege aan boord. Vooral des nachts levert dit bedrijf een verrassend schouwspel op: in een hoog opgehangen ijzeren korf ligt een hoop uitgekookt spek vroolijk te branden; de flikkerende vlammen, die het noodige licht verschaffen, wepen schelle lichtstrepen op het dek, op de zwarte rookwolken, op de hoog uitstekende masten met hunne zeilen en ver weg over de golven. Over dag herkent men de aanwezigheid van een traankokenden walvischvaarder aan de kolossale rookmassa’s aan den gezichtseinder, lang vóórdat men het schip zelf te zien krijgt.”

De Walvischachtigen worden op natuurlijke wijze verdeeld in twee hoofdgroepen, die men met volle recht als onderorden kan beschouwen: de Tandendragende en de Baardendragende Cetaceën. Bij gene komen in beide kaken, of althans in één van beide, tanden voor; deze worden niet gewisseld; bij enkele vormen vallen er eenige van uit of gaat zelfs het geheele gebit vóór het tijdperk van volwassenheid te niet. De Baardendragende Cetaceën zijn van de geboorte af tandeloos. Dit kenmerk is voldoende om de leden van de beide onderorden te onderscheiden. Kükenthal is in den laatsten tijd tot de slotsom gekomen, dat de beide groepen als afzonderlijke orden beschouwd moeten worden: de stam, waaruit de Tandendragende Cetaceën zich ontwikkeld hebben, zou veel ouder zijn dan die, waaraan de Baardendragende Cetaceën hun oorsprong danken. De overeenkomst, die tusschen beider nakomelingen bestaat, is een gevolg van de omstandigheid, dat alle zich in dezelfde richting gewijzigd hebben, terwijl zij allengs hun aanvankelijke, voor het leven op het land passende bewerktuiging verloren en geschikt werden om voortdurend in ’t water verblijf te houden.

De studie van de voorwereldlijke dieren heeft n.l. de overtuiging gevestigd, dat de Cetaceën afstammen van tamelijk hoog ontwikkelde, op het land levende Zoogdieren, van dieren met een goed ontwikkeld haarkleed, welker zintuigen (o.a. dat van den reuk) hen geschikt maakten voor het verblijf op het droge, van wezens met twee paar goed ontwikkelde ledematen, welke in bouw overeenkomen met die van de hoogere Gewervelde Dieren en niet met die van de Visschen. Hoewel het gebit der hedendaagsche Cetaceën samengesteld is uit tanden van één soort—die dus naar hun vorm niet in snijtanden, hoektanden en kiezen onderscheiden kunnen worden en die bovendien niet gewisseld worden—, zijn er vele feiten bekend, waaruit men moet afleiden, dat deze toestand een gevolg is van den teruggang van een op hoogeren ontwikkelingstrap verkeerend gebit. Zelfs de tanden, die bij de Baardendragende Cetaceën gedurende den kiemtoestand (d. i. vóór de geboorte) gevonden worden, vertoonen sporen van een verdeeling in snijtanden en kiezen. Deze is zeer duidelijk aanwezig bij verscheidene uitgestorven soorten van Cetaceën; niet alleen bij de Zeuglodonten, maar zelfs bij echte Dolfijnen, zooals de Squalodonten. Het te loor gaan van deze eigenschap, behoort tot die verschijnselen welke men gewoonlijk “teruggang” of “ontaarding” noemt; deze was noodig in verband met de wijziging van de gewoonten en behoeften der bedoelde dieren. De bovenstaande verklaring mag men beschouwen zoo niet als volkomen zeker, dan toch als in hooge mate waarschijnlijk. Minder stellig spreken de feiten, waar het geldt den aard van den vermoedelijken stamvorm der Cetaceën te bepalen: het meest is men geneigd ze van de Hoefdieren af te leiden.

De dieren, die tot de soorten-arme onderorde van de Baardendragende Cetaceën of Walvischachtigen in engeren zin (Mysticete) behooren, zijn voornamelijk gekenmerkt doordat zij, althans na hunne geboorte, in beide kaken de tanden missen. Opmerkelijk is het, dat zij in den kiemtoestand talrijke verkalkte tandjes hebben in een groeve van het slijmvlies van beide kaken, die, evenals bij alle jonge Zoogdieren, in dit tijdperk ook bij hen aanwezig is. Ongeveer in ’t midden van het kiemleven bereiken deze tandjes hun hoogste ontwikkeling, daarna worden zij zoo volledig weder opgelost en in het bloed opgenomen, dat er bij de geboorte van het dier geen spoor meer van over is. Door hunne samenstelling en wijze van ontwikkeling, stemmen zij volkomen met gewone Zoogdierentanden overeen; zelfs heeft men opgemerkt, dat die, welke aan het achterste uiteinde van de reeks geplaatst zijn, zich door hun breedte en door de in twee lobben verdeelde kroon onderscheiden van de voorste, welke een enkelvoudige, kegelvormige kroon hebben, welk feit (zie boven) van groot belang is voor de geschiedenis van deze diergroep. Eerst na het verdwijnen der tanden komen de baarden of baleinen te voorschijn. Deze merkwaardige organen kan men vergelijken met de dwars gerichte plooien van de gehemelte-huid, die bij de Giraffe en andere Herkauwers zeer duidelijk zijn, in mindere mate echter bij alle Zoogdieren, zelfs bij den mensch aangetroffen worden. Zoo volledig ontwikkeld als wij ze bij de Baardendragende Cetaceën waarnemen, komen zij echter bij geen andere diergroep voor. Geheel in overeenstemming met hetgeen men had kunnen verwachten, vertoonen zij zich eerst betrekkelijk laat. Eigenschappen die aan een groot aantal soorten gemeen zijn, treden vroegtijdig op; die, welke slechts bij weinige vormen aangetroffen worden, verschijnen in een later tijdperk; in dit opzicht stemt de ontwikkelingsgeschiedenis van den stam met die van het individu overeen.

De baarden zijn niet bevestigd aan de kaakbeenderen of aan andere beenderen van den kop, maar aan de nagenoeg 2 cM. dikke huid, die het gehemelte bekleedt. Zij bestaan niet uit een beenachtige zelfstandigheid, maar uit hoorn, en komen dus volstrekt niet met tanden overeen. Het zijn dunne, langwerpige, loodrecht naar beneden gerichte platen, die ten getale van verscheidene honderden op iedere helft van het gehemelte overlangsche reeksen vormen. Tusschen deze beide helften, in ’t midden van ’t gehemelte, puilt het slechts met slijmvlies bedekte ploegschaarbeen, bij wijze van een kiel, in de mondholte uit. Elke baard heeft ten naastenbij de gedaante van een driehoek, welks basis dwars gericht is ten opzichte van de lengteas van het gehemelte, en welks top naar onderen is gekeerd. De buitenrand van de hoornplaat is hard en glad; aan haar binnenrand en haar top is zij als ’t ware uitgerafeld, in lange, borstelige vezels verdeeld. De zolder van de mondholte van den Walvisch gelijkt dus op een met haar bekleed gewelf, zooals reeds Aristoteles heeft opgemerkt. Van ter zijde gezien herinnert de reeks van baarden aan een kam met geringe ruimten tusschen de tanden; deze zijn in het midden het langst; naar voren en naar achteren nemen zij allengs in lengte af. Het wortelgedeelte van iedere baard bevat een dwars gericht, plaatvormig uitsteeksel van de dichte, vezelige en zeer vaatrijke huid, die het gehemelte en de baarden voedt. De benedenrand van elk dezer uitsteeksels is bezet met onderling evenwijdige, zeer lange, vaatrijke, draadvormige papillen; ieder van deze is geleden in de as van een der op haren gelijkende hoornvezels, waaruit de baard hoofdzakelijk bestaat. Op een dwarse doorsnede van een verschen baard ziet men een groot aantal van deze, nu als cirkels zich vertoonende papillen, ieder omgeven door kringswijs gerangschikte opperhuidscellen; al deze draadvormige lichamen zijn aaneenverbonden door andere opperhuidscellen, die ook de gladde schors (het zoogenaamde email) van den baard vormen; door het uiteenwijken dezer cellen aan den binnenrand en aan de spits van den baard, geraken de vezels hier los en scheiden zich vaneen. Hoewel men ze met haren vergelijkt, ontstaan zij niet, gelijk deze, in instulpingen, maar op uitgroeisels van de opperhuid, evenals de vezels, waaruit de hoorn van den Rhinoceros is samengesteld. De baarden zijn tot op zekeren afstand van hun voet aaneenverbonden door een minder harde opperhuidsvorming, die in de tusschenruimten van de uitsteeksels van het gehemelte wordt uitgescheiden.

Bij het sluiten van den bek wordt de geheele bovenkaak in de onderkaak opgenomen; de vezels van de baarden rusten op den rand van de tong, en sluiten dus de mondspleet aan alle zijden volkomen af; intusschen stroomt het water, dat de mondholte bevat, door de tusschenruimten van het baardenstelsel weg, terwijl dit bij wijze van een zeef zelfs de kleinste en glibberigste buit tegenhoudt.

De Baardendragende Cetaceën zijn ontzaglijk groote dieren met zeer grooten kop, een ver gespleten muil, twee neusgaten (blaasgaten), een verborgen gehooropening en zeer kleine oogen. Hun wervelkolom bestaat uit 7 hals-, 14 of 15 borst-, 11 à 15 lende- en 21 of meer staartwervels. Slechts één rib is onmiddellijk met het borstbeen verbonden; alle overige ribben zijn valsch. Aan den schedel zijn de kaakbeenderen boogvormig gekromd en snavelvormig verlengd; zij zijn verbazend groot in vergelijking met de uiterst kleine bergplaats voor de hersenen. Het schouderblad is zeer breed, de hand verschillend van vorm; bij de meeste soorten ontbreekt de duim. De tong is aan alle zijden in den bek vastgegroeid en in haar geheel onbeweeglijk, het spijskanaal nauw, de maag in drie afdeelingen verdeeld. In volwassen toestand kunnen de Baardendragende Walvischachtigen een lengte van 20 à 30 M. en een gewicht van 20.000 à 150.000 KG. bereiken: zij zijn derhalve de grootste schepselen, die nog in dezen tijd onze aarde bewonen. De lichaamsmassa van een flinken Walvisch komt ongeveer overeen met die van 30 à 35 Olifanten of 150 à 170 Runderen; uit het spek van zulk een reus zijn dikwijls meer dan 300 hectoliter traan verkregen.

De Baardendragende Cetaceën leiden een tamelijk eenzaam leven; slechts toevallig, misschien door het overvloedige voedsel aangelokt, ziet men ze in scharen bijeen. De meeste wonen in de IJszee en verlaten slechts nu en dan de inhammen tusschen de ijsvelden; andere geven de voorkeur aan zuidelijker gelegen deelen van de zee. Ondanks hun kolossalen omvang bewegen zij zich in ’t water snel en behendig; de meeste kunnen zelfs met de snelheid van een stoomschip de golven klieven. Zij zwemmen rechtuit en volgen toch bij hun beweging steeds booglijnen, daar zij zich nu eens tot aan (of gedeeltelijk zelfs boven) den waterspiegel begeven, dan weder onder water voortzwemmen.

Het voedsel van de grootste dieren der aarde bestaat uit Visschen of uit kleine onbeduidende Weekdieren en Schaaldieren, Koppootigen, Kwallen en Wormen; er zijn hierbij vele soorten, die met het ongewapende oog ternauwernood waargenomen kunnen worden. Maar van deze wezens verzwelgen zij millioenen in één slok. Den verbazend grooten, ver gespleten bek opengesperd, doorklieft de Walvisch de golven en vult de geheele mondholte met water. Zoodra het gewemel van de hierin zwemmende en levende diertjes op zijn niet ongevoelige tong indruk maakt, sluit hij de val. Alle vezels van de baarden zijn loodrecht naar beneden gericht en vormen zoo een zeef, die bij het sluiten van den bek wel het water doorlaat, maar het ontsnappen van al deze kleine wezens verhindert. Een enkele golving aan de oppervlakte van den plompen, ternauwernood beweegbaren tong drijft vervolgens de geleiachtige massa door den slokdarm in de maag. De val wordt op nieuw geopend en verder zwemt de kolossus. Vischjes, die toevallig in dit eigenaardige net geraken, worden waarschijnlijk ook verzwolgen; even onopzettelijk zullen soms zeewieren opgenomen worden.

Wat hunne hoogere begaafdheden betreft, staan de leden van deze groep vrij wel op één hoogte met de vroeger beschouwde Zee-zoogdieren. Het gezicht, het gehoor en het gevoel zijn hunne meest ontwikkelde zinnen. Zij hebben, naar het schijnt, zwakkere geestvermogens dan hunne Tandendragende verwanten. Alle Baardendragende Cetaceën zijn vreesachtig, schuw en tot vluchten geneigd; zij leven daarom onderling en waarschijnlijk ook met de meeste andere zeedieren in vrede. Hoewel zij soms, na aangevallen te zijn, blijken geven van moed, die zelfs in wildheid ontaarden kan,—hoewel zij zich in dit geval krachtdadig en niet zelden met goed gevolg verdedigen—, doen zij echter over ’t algemeen slechts weinig schade aan hun vreeselijksten vijand, den mensch. Hun belangrijkste wapen is de staart, van wiens verbazend groote kracht men eenige voorstelling verkrijgt door te bedenken, dat dit werktuig het kolossale lichaam van den Walvisch met de snelheid van een stoomschip door de golven voert. Een enkele slag met den staart van den Walvisch is voldoende om de sterkste boot te verbrijzelen of omhoog te werpen; een zeer krachtig dier, en bijgevolg ook de mensch kan er door gedood worden.

Van de voortplanting der Baardendragende Cetaceën is weinig bekend. Het wijfje, de “koe,” brengt in den regel slechts één jong ter wereld, zelden twee. Bij de geboorte is het jong reeds zeer ver ontwikkeld; het is groot, heeft een derde of een vierde van de lengte der moeder; deze zoogt haar kroost gedurende langen tijd, betoont het veel liefde, verdedigt het met moed en volharding, verbergt het bij gevaar onder een harer vinnen en houdt het bij zich, totdat het zelfstandig is geworden.

De onderorde der Baardendragende Cetaceën wordt verdeeld in twee familiën: de Vinvisschen of Gevoorde Walvisschen en de Gladde of Eigenlijke Walvisschen.


De Gevoorde Walvisschen (Balaenopteridae) dragen dezen naam wegens de diepe, onderling evenwijdige, overlangsche groeven of voren, die zich over de geheele oppervlakte van de keel, den hals, de borst en over een deel van de buik uitstrekken; deze dieren, die ook wel Vinvisschen heeten, omdat zij een goed ontwikkelde rugvin hebben, zijn betrekkelijk slank gebouwd en met meer of minder lange, lancetvormige borstvinnen voorzien; de baarden zijn kort, maar breed.

Zeer lange borstvinnen, die minstens een vijfde, dikwijls een vierde van de totale lengte van het dier bereiken, kenmerken de Langarmige Vinvisschen (Megaptera), vertegenwoordigd door den Bultrug, den Humpback der Engelschen, den Rorqhval der Noren, den Keporkak der Groenlanders, (Megaptera longimana). Deze algemeene verbreide, in iedere wereldzee voorkomende soort bereikt ongeveer 15 M. lengte, hare borstvinnen, die ongeveer 1 M. breed zijn, hebben een lengte van 3 à 4 M., de staartvin is ongeveer 4 M. breed. (Er zijn echter exemplaren gevangen van 16.5 M. lichaamslengte met borstvinnen van 4.5 M.) De Bultrug is een van de plompste leden der familie. Met andere Vinvisschen vergeleken is hij bepaald leelijk wegens zijn korten en dikken romp en onevenredig lange borstvin; zijn staartvin is buitengewoon ontwikkeld. Op den rug verheft zich in het laatste vierde gedeelte een vetvin van zeer verschillenden vorm en ontwikkeling, de “bult”. De kleur van de huid is zeer verschillend: aan de bovenzijde heeft zwart, dat meer of minder gelijkmatig en donker kan zijn, de overhand; de onderzijde van den romp en van de borstvinnen vertoonen een witachtige gemarmerde teekening; enkele exemplaren zijn aan de bovenzijde eenvoudig zwart, aan de onderzijde wit, andere van boven en van onderen zwart; nog andere, hoewel van boven zwart en van onderen wit, zijn aan de onderzijde van de borstvinnen en de staartvin donker aschkleurig.

Weinige Baardendragende Cetaceën komen den schipper of walvischvanger vaker en in grooter aantal onder de oogen dan de Bultrug; hij bewoont den Oceaan op alle breedten tusschen den Evenaar en de poolgewesten van het noorden en van het Zuiden; men ontmoet hem in volle zee zoowel als in de nabijheid der kusten, in alle groote bochten en wijde sonden. Het schijnt, dat hij ieder jaar geregeld van de polen naar den Evenaar trekt. Op de Groenlandsche kust bemerkt men hem alleen gedurende de zomermaanden, op de westkust van Afrika en Amerika daarentegen gedurende het geheele jaar, hoewel niet in alle maanden op dezelfde plaatsen. Karakteristiek voor deze diersoort zijn de golvende bewegingen, het sterke krommen van den romp, het boven ’t water uitsteken van een der beide borstvinnen en de onregelmatigheid van den weg dien hij volgt. Zelfs als hij onder water voortzwemt, keert hij dikwijls nu eens de eene, dan weer de andere zijde naar boven en wiegt zich als ’t ware in zijn element. Als hij zijne kolossale longen op zijn gemak vult en ledigt, werpt hij 6- à 10-maal en zelfs 15- à 20-maal achtereenvolgens een dubbele straal in de lucht, die tot een hoogte van 6 M. kan stijgen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine Visschen en lagere Schaaldieren.

Hoewel het voordeel van de vangst van den Bultrug niet onbelangrijk is, staat hij toch in dit opzicht ver achter bij den Potvisch en den Groenlandschen Walvisch, omdat zijn spek of vet een veel geringere hoeveelheid traan oplevert dan men met het oog op de grootte van dit dier zou kunnen verwachten. Om deze reden bemoeit men zich, althans in de zee om Groenland, met den Bultrug alleen dan, als men niets beters te doen heeft. Langs de Amerikaansche kust vervolgt men ook dezen Cetacee vrij geregeld, zoo ook aan de kust van Afrika.

*

Volgens de zienswijze van Gray moet de sinds lang bekende Vinvisch die dikwijls met andere Gevoorde Walvisschen verward werd en daarom eerst in den laatsten tijd tamelijk nauwkeurig omschreven is, beschouwd worden als de vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht (Physalus), dat verscheiden soorten omvat. Het onderscheidt zich door de volgende kenmerken: De kop, die, evenals bij de overige Gevoorde Walvisschen, korter is dan een vierde gedeelte van de lichaamslengte, heeft een betrekkelijk kleinen schedel en een langwerpig, toegespitst aangezichtsgedeelte; de rugvin bevindt zich op het laatste vierde gedeelte van ’t lichaam. De lengte is bij de verschillende soorten zeer ongelijk. (De “BlauweVinvisch kan 30 M. lang worden en is dus het grootste der thans bestaande dieren.) De borstvinnen zijn vlak achter den kop aangehecht, de staartvin is in het midden uitgesneden en meer of minder duidelijk in twee lobben verdeeld. De halswervels, die bij het vorige geslacht op lateren leeftijd dikwijls met elkander vergroeien, blijven hier beweegbaar.

De Gewone Vinvisch, de Razorback der Engelschen, de Sildrör der Noren, de Tunnolik der Groenlanders, ook wel Jupitersvisch en Gibbar genoemd (Physalus antiquorum), een van de slankste Cetaceën, kan een lengte van 25 M. bereiken. De lengte van de borstvinnen bedraagt 1/10, hun breedte 1/50 van de geheele lichaamslengte. Aan het voorste gedeelte van den kop, zoowel aan de onderkaak als aan de bovenkaak, bevinden zich eenige korte, borstelvormige, wijd uiteenstaande haren; overigens is de huid geheel onbehaard, aan de bovenzijde donkerzwart, aan de onderzijde zuiver porseleinachtig wit, in de diepste groeven blauwachtig zwart. De tandelooze kaken dragen aan iedere zijde ongeveer 350 à 375 dwarse reeksen van baarden, die van voren het dichtst bij elkander geplaatst zijn, van achteren het verst uiteenstaan. De onderkaak sluit de mondholte geheel af en neemt de baarden in zich op.

Gewoonlijk houdt de Vinvisch zich op in het noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan en in de IJszee. In het begin van den herfst trekt hij naar zuidelijker zeeën; zóó komt het, dat men hem ook in de zeeën van den gematigden en van den heeten aardgordel ontmoet; naar men zegt, werd hij zelfs in de Zuidelijke IJszee aangetroffen.

Door zijn onstuimigheid wordt dit dier dikwijls in ’t verderf gestort, in vaarwaters gevoerd, waar het niet meer uit kan komen, zoodat het op het strand het leven verliest. Herhaaldelijk is dit ook op de Nederlandsche kust geschied. Van Bemmelen vermeldt de volgende gevallen uit deze eeuw: “Eén op 31 Augustus 1811, in de zoogenaamde Goudzee, de Zuiderzee nabij Monnikendam, 36 voet. Een wijfje op 5 April 1826, nabij Wijk-aan-Zee, 40 voet. Een wijfje (de Vinvisch van Kessel) op 5 November 1827, tusschen Ostende en de Zeeuwsche kust, 90 à 100 voet. Een wijfje op 17 September 1835 nabij Wijk-aan-Zee, 51 voet. Een wijfje in September 1840 aan den mond der Maas 65 voet. Een mannetje op 9 December 1841 nabij Katwijk aan Zee, 40 voet. Tusschen 2 en 7 November een langs de Groningsche kust waargenomen, en op 8 November gestrand op het eiland Borkum. Een op 22 November 1851 nabij het eiland Vlieland, 70 voet. Een op (17?) December 1856 op Texel.” Het is echter niet uitgemaakt, dat deze Vinvisschen alle tot de bovengenoemde soort behoorden.

Alle bewegingen van dit dier zijn vlug en behendig, zooals men reeds op grond van zijn slanke gestalte zou kunnen verwachten. Het wordt als een der snelst zwemmende Baardendragende Cetaceën beschouwd. Als de Vinvisch bedaard voortzwemt, volgt hij een rechte lijn, en komt zeer dikwijls (volgens mijne waarnemingen gemiddeld alle 90 seconden) aan de oppervlakte om te ademen. Het bruisende gedruisch bij het uitademen hoorde ik reeds op een afstand van één zeemijl. Niet zelden verschijnt de Vinvisch in de onmiddellijke nabijheid van zeilende schepen, zwemt er omheen, of volgt ze langen tijd, soms wel uren achtereen, trouw na. Soms gaat hij aan den waterspiegel op zijde liggen, en slaat met de borstvinnen op de golven, wendt zich om, gaat op den rug liggen, duikt onder, speelt op allerlei wijzen vroolijk in ’t water en verheft ook wel eens, door een krachtigen slag met de staartvin, zijn kolossaal lichaam boven den waterspiegel.

Het voedsel van den Vinvisch bestaat grootendeels uit Visschen, die hij dikwijls bij scholen voor zich uitdrijft, en bij groote hoeveelheden te gelijk in zijn ruimen muil vangt. Als de Vinvisch een rijken buit vindt, blijft hij dagen en zelfs weken lang op een en dezelfde plaats; dit doet hij b.v. in de nabijheid van Groenland, waar hij een ongeloofelijk groot aantal Dorschen en andere Kabeljauwachtige Visschen verslindt. Met zijn beide naaste verwanten—de Blauwe Vinvisch of Reuzen-vinvisch (Sibbaldius borealis) en de Snavelvinvis—trekt de Gewone Vinvisch bij het vervolgen van de Dorschen en Haringen ver naar ’t zuiden en komt dan ook in de Europeesche zeeën, hier vereenigen de Vinvisschen zich soms tot scholen, die gedurende geruimen tijd gemeenschappelijk jagen.

De jacht op den Vinvisch is wegens zijne groote vlugheid en woestheid moeielijker, en wegens de geringere hoeveelheid traan en baarden, die hij oplevert, veel minder voordeelig dan de vangst van den Noordschen of Groenlandschen Walvisch. In vergelijking met dezen wordt de Vinvisch daarom als bijna waardeloos beschouwd door de op zee kruisende walvischvangers. Een ander oordeel wordt trouwens over den Vinvisch geveld daar, waar de jacht van de kust af kan plaats hebben. De vangst kan dan door het te nutte maken van alle deelen van het lichaam van het dier een grootere winst opleveren, dan de jagers ter zee zouden kunnen behalen. Op het eiland Vardö b.v., op 70° N.B. bij de noordwestkust van Noorwegen, wordt tegenwoordig de waarde van een groot dier van deze soort op ƒ 1500.– geschat, waarbij slechts ƒ 180.– als opbrengst van de korte en niet zeer veerkrachtige baarden. Bij deze vangst maakt men gebruik van vuurwapens, die op 40 M. afstand in het lichaam van het dier een harpoen werpen, welke met een bom verbonden en aan een armdik touw bevestigd is. De bom doodt den Vinvisch, terwijl de harpoen met het touw het zinken verhinderen. Een Vinvisch van 25 M. lengte levert hoogstens 80 ton traan. Zelfs van een deel van het vleesch van dit dier wordt partij getrokken; men kookt het in blikken bussen, die dichtgesoldeerd worden, nadat daaruit de lucht verdreven is; het vindt in sommige landen als vastenspijs een goeden aftrek. Het overige vleesch en de beenderen van de door kustvisscherij verkregen Cetaceën worden tot guano verwerkt.

*

Tot het laatste geslacht van de familie der Vinvisschen brengen wij de Snavelvinvisschen (Balaenoptera), die de kleinste en sierlijkste van alle thans bekende Baardendragende Cetaceën zijn.