Vinvisch (Physalus antiquorum). 1/175 v. d. ware grootte.
Een typische vertegenwoordiger van dit geslacht is de Dwerg-, Zomer- of Snavelvinvisch, de Vaagevhal der Noren, de Tikagoelik der Groenlanders (Balaenoptera rostrata), het kleinste, bekende lid van zijn familie, wiens lengte waarschijnlijk nooit boven de 10 M. stijgt. De geheele bovenzijde is donker leikleurig zwart, zoo ook de onderzijde, van de spits van de bovenkaak tot aan de plaats van aanhechting der borstvinnen, voorts de spits van den staart met inbegrip van de staartvin; overigens zijn de onderdeelen wit met een meer of minder roodachtige tint. De borstvinnen, die van onderen de kleur van den buik, van boven die van den rug hebben, zijn in het midden van de bovenzijde geteekend met een witten dwarsband. Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over alle om de Pool gelegen zeeën. Vanhier trekt het in ’t begin van den winter naar ’t zuiden, en verschijnt dan ook aan de Europeesche kust, aan de oost- en westkust van Amerika, en aan de oostkust van Azië. Aan de Skandinavische kust komt het hoofdzakelijk in ’t westen voor, maar niet in ’t hooge noorden. In de Davis-straat en in de Baffins-baai ziet men den Dwergvinvisch, volgens Brown, slechts in de zomermaanden, niet in den winter; in dit jaargetijde wordt hij zelfs ten zuiden van Groenland uiterst zelden gevonden. Door zijn aard en gewoonten gelijkt hij in vele opzichten op den Gewonen Vinvisch. Gewoonlijk ziet men deze dieren afzonderlijk, zelden bij paren, en nog minder dikwijls tot grootere gezelschappen vereenigd; nu eens zwemmen zij dicht onder den waterspiegel en duiken af en toe, dan weer vermaken zij zich met de reeds genoemde spelen. Evenals hunne verwanten voeden zij zich hoofdzakelijk met kleine Visschen, misschien ook wel met Koppootige Weekdieren (Inktvisschen); zij vervolgen hun prooi met zooveel ijver, dat zij gedurende het jagen niet zelden op het strand geraken en dan in vele gevallen het leven verliezen.
Aan de Amerikaansche kust wordt op den Dwergvinvisch niet geregeld jacht gemaakt; in Noord- en Middel-Europa geschiedt dit alleen dan, als hij zich in de nabijheid van de kust vertoont. Naar men zegt, is het vleesch van dit dier zeer smakelijk. Vroeger werd het wel met ijzeren pijlen gedood, die men met een kolossalen kruisboog afschoot.
Van deze diersoort teekent Van Bemmelen aan: “Komt zeldzaam in de Noordzee voor. Een wijfje in de Zuiderzee waargenomen en daarna aan het IJ (in de zoogenaamde Voorzaan) op 20 December 1862 gestrand. Een wijfje in 1837 tusschen de Zeeuwsche kust en Ostende gestrand. Prof. Eschricht vermeldt tien voorbeelden van het stranden dezer soort; van deze waren 9 wijfjes, en slechts één mannetje. Bij de Vinvisschen aan onze kusten gestrand, zijn ook meer wijfjes, doch de sekse is niet van alle opgegeven; bij de Dolfijnen evenzeer verscheidene wijfjes; bij de Cachelotten is slechts van enkele de sekse bekend, en deze waren mannetjes.”
De Gladde Walvisschen of Walvisschen in engeren zin (Balaenidae), die de laatste familie van de onderorde der Baardendragende Cetaceën vormen, zijn logger en onbehouwener van lichaamsbouw dan de Vinvisschen; zij hebben geen rugvin en geen huidplooien aan de buikzijde van het lichaam; hunne borstvinnen zijn breed en afgeknot, de baarden smal en lang.
De meest typische vorm van deze familie en tevens de belangrijkste van alle Cetaceën is de Noordsche of Groenlandsche Walvisch, de Bow-head van de Amerikaansche walvischvangers (Balaena mysticetus), een wanstaltig schepsel, dat in al zijne lichaamsdeelen wanverhoudingen vertoont. De neiging tot overdrijving van vreemdsoortige verschijnselen, die alle menschen aangeboren is, blijkt duidelijk uit de vroegste berichten over dezen van oudsher beroemden Walvisch, waarin aan dit dier afmetingen worden toegekend, vele malen grooter dan die, welke door latere onderzoekers opgegeven worden. Reeds in de mededeelingen van de zeelieden, die zich voor drie of vier eeuwen met de walvischvangst bezig hielden, wordt geen melding gemaakt van Walvisschen, langer dan 20 M. Scoresby, die getuige was van de vangst van ongeveer 320 Walvisschen, vond er geen enkele bij, die langer was dan 18 M. Pechuel-Loesche geeft van een ten noorden van de Bering-zee gevangen Noordschen Walvisch de volgende afmetingen op: lengte 16.4 M., breedte van de staartvin 6.7 M., lengte van den grootsten baard 3.25 M. Het lijdt echter geen twijfel, dat men grootere Walvisschen gevonden heeft, en in afgelegen gedeelten van de zee ook thans nog vindt. Karl Giesecke bericht van een in ’t jaar 1813 gevangen Walvisch, dat deze ongeveer 20.4 M. lang was. In ’t begin van deze eeuw werd er bij Spitsbergen één gedood, die ongeveer dezelfde lengte had, en wiens grootste baarden 5 M. lang waren. Zulke baarden—de middelste en de beste van de reeks van 300 à 360 stuks, die op iedere bovenkaakshelft van den Walvisch voorkomt—wegen 3 à 3.5 K.G. en komen slechts bij uitzondering voor; zelfs een lengte van 4 à 4.5 M. behoort reeds tot de zeldzaamheden. Hun breedte bedraagt in de nabijheid van de plaats van aanhechting 30 à 35 cM., de dikte 9 à 10 mM. Zoowel de breedte als de dikte nemen naar achteren af. De baarden zijn zwart van kleur en zeer veerkrachtig; met een flauwe bocht richten zij zich naar buiten en naar beneden; van onderen, waar zij spits toeloopen, en aan den binnenrand splitsen zij zich in lange, teere, zachte, bijna zijdeachtige, maar zeer taaie, op franje gelijkende vezels.
Een Walvisch van 18 M. lengte is echter ook reeds een ontzaglijk, verbazingwekkend wezen. De wanstaltige kop heeft gemiddeld een lengte gelijk aan één derde van die van het geheele lichaam. De mondholte, die grooter is dan de holte aan de buikzijde van den romp (borstholte en buikholte te zamen genomen), bevat voldoende ruimte voor een tamelijk groote boot met haar bemanning; daar zij bij 5 à 6 M. lengte een breedte van 2.5 à 3 M. heeft. Met alle tot dusver beschreven Cetaceën vergeleken, is deze Walvisch buitengewoon plomp gebouwd, zijn romp is kort, dik en rond, naar achteren tot de staartvin in alle richtingen zeer sterk versmald; op het midden van den kop komt een bultvormige verhevenheid voor, waar zich de neusgaten bevinden. De oogen, welke slechts weinig grooter zijn dan die van een Rund, liggen onmiddellijk boven het onderkaaksgewricht; de gehooropeningen—moeielijk waarneembaar, daar de oorschelp geheel ontbreekt en de uitwendige gehoorgang ongeveer de wijdte van een penneschacht heeft—zijn iets verder naar achteren geplaatst. De neusgaten—twee smalle, ongeveer 45 cM. lange, S-vormige spleten—zijn gelegen op het hoogste gedeelte van het midden van den kop, op een afstand van ongeveer 3 M. van het voorste einde van den snuit.
De weeke tong ligt met haar geheele onderzijde vastgegroeid, onbeweeglijk in de onderkaak. De verbazend groote onderkaaksbeenderen wijken van achteren ver uiteen en hebben nog een buitenwaartsche bocht vóór het gewricht, dat hen met den schedel verbindt; de vloer van de mondholte heeft hierdoor den vorm van een ontzaglijk grooten lepel. De bovenkaak is zeer smal, maar sterk boogvormig van voren naar achteren gekromd; hierdoor verkrijgt de mondholte een zeer groote hoogte. Deze bedraagt echter weinig meer dan de helft van de lengte van de baarden. Indien deze, evenals die van de Vinvisschen, kort en stijf waren en even lang als de afstand tusschen de boven- en onderkaak bij gesloten mondholte, zou er bij ’t openen van den bek onder de baarden een ruimte overblijven, waardoor het water en de kleine, als voedsel dienende diertjes gezamenlijk zouden ontwijken. Nu echter buigen de lange, dunne, op borstels gelijkende spitsen van de baarden bij ’t sluiten van den mond achterwaarts, de verder naar voren gelegen platen komen onder de meer naar achteren geplaatste te liggen in het kanaal, dat aan weerszijden tusschen de tong en het onderkaaksbeen overblijft. Als de mond geopend wordt, strekken de baarden zich wegens hun veerkracht als een gespannen boog, die losgelaten wordt. Hoe ver ook de kaken van elkander verwijderd worden, steeds blijven de baarden als een zeef werken, die alleen het water doorlaat. Hierbij komt nog, dat de lange, dunne, buigzame uiteinden van de baarden, wegens de sterke ontwikkeling van de onderlip, die stijf omhoog rijst boven het kaakbeen, niet naar buiten kunnen worden gedreven door den waterstroom, die de mondholte verlaat, als haar inhoud bij het sluiten van den bek en het omhoogrijzen van de tong vermindert.
Noordsche of Groenlandsche Walvisch door Zwaardvisschen aangevallen.
Met uitzondering van eenige weinige borstelige haren aan het voorste uiteinde van beide kaken en van zachtere haren aan weerszijden van den kop, benevens eenige op 2 of 3 reeksen geplaatste, zeer korte, dikwijls uitvallende haren tusschen de ademgaten, is de huid volkomen naakt. De opperhuid is betrekkelijk dun en stevig; zij is zoo zacht als fluweel en gelijkt eenigszins op vetleer; daaronder ligt de 20 à 45 cM. dikke speklaag. De kleur vertoont, naar het schijnt, nog al eenig verschil. Aan de bovenzijde van den kop heeft melkkleurig grijsachtig wit de overhand, aan de spits van den snuit overgaande in een ongeveer 15 cM. breede, zwarte vlek; verder naar achteren heeft het lichaam overal nagenoeg dezelfde kleur; het is n.l. meer of minder donker blauw, bij de ouden naar zwart, bij de jongen naar lichtblauw zweemend. Bij oude Walvisschen strekt de donkere kleur zich ook over de kin uit, waar men bij jonge dieren gewoonlijk onregelmatige witte vlekken opmerkt. Gewoonlijk komen bovendien achter het oog en de bovenkaak twee witte vlekken voor; ook een deel van de oogleden en eenige onregelmatige teekeningen aan den staartwortel zijn wit. Sommige exemplaren zijn nagenoeg ivoorwit, andere sterk gevlekt. De wijfjes zijn grooter dan de mannetjes; hare lichtgekleurde tepels, die ongeveer zoo groot zijn als de uier van een koe, zijn door een witten kring omgeven.
Deze Walvisch bewoont de noordelijkste gedeelten van den Atlantischen en den Stillen Oceaan en de Noordelijke IJszee, zonder evenwel ergens een vaste verblijfplaats te hebben. Zijn aanwezigheid, zijn komst en zijn vertrek staan ongetwijfeld in nauw verband met den toestand van het ijs in de verschillende jaargetijden. Alle nauwgezette onderzoekers zijn van oordeel, dat hij meer dan zijne verwanten aan het ijs gebonden is, zich bij voorkeur uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van het ijs ophoudt en naar het zuiden of het noorden trekt, naarmate het ijs zich in deze richting uitbreidt of in gene terugtrekt. Onmiddellijk verlaat hij een zeegewest, waar het ijs gesmolten is. Zijn voorliefde voor het ijs gaat zoover, dat men hem zelfs te midden van verbazend groote ijsvelden aangetroffen heeft, waar hij ongetwijfeld alleen kon komen door een langen weg onder de ijsschotsen door af te leggen en waar hij, om te kunnen ademen, zich naar de weinige, door ebbe en vloed gevormde barsten moet begeven.
Evenals de Vinvisch is ook de Groenlandsche Walvisch een gezellig dier. Wel vindt men hem in den regel slechts in kleine troepen van ongeveer 3 of 4 stuks; bij de groote reizen, die deze dieren ondernemen, vereenigen zij zich soms tot talrijke scholen. Deze bestaan, naar door ervaren walvischvangers verzekerd wordt, gewoonlijk uit Walvisschen van gelijken ouderdom; de jonge en de oudere dieren vormen dus afzonderlijke troepen.
De bewegingen van den Walvisch zijn onregelmatig, maar volstrekt niet langzaam of log. “Het lichaam van den Walvisch, hoe plomp het ook is,” zegt Scoresby, “wordt zoo snel en behendig bewogen, dat hij in 5 of 6 seconden buiten het bereik van zijne vervolgers kan komen. Zulk een snelheid behoudt hij echter slechts gedurende weinige minuten. Soms geschiedt het opstijgen naar den waterspiegel met zooveel kracht, dat hij er geheel boven uit springt. Soms gaat hij op den kop staan en beukt met den boven water geheven staart met vreeselijk geweld de golven. Het hierdoor veroorzaakte gedruisch wordt bij stil weder op grooten afstand gehoord en de kringen, die in het water ontstaan, verbreiden zich over een aanzienlijke oppervlakte. De door een harpoen getroffen Walvisch schiet, hoewel slechts gedurende eenige minuten, als een pijl in de diepte; hij bereikt hierbij zulk een groote snelheid, dat hij soms door den schok tegen den bodem de kaken breekt.”
Van de hoogere begaafdheden van den Groenlandschen Walvisch valt niet veel te berichten. Naar het schijnt, zijn het gezicht en het gevoel de eenige zinnen, die tamelijk goed ontwikkeld zijn; men onderstelt echter, dat de zintuigen een voldoenden scherptegraad hebben voor het verblijf onder water en alleen in de lucht in gebreke blijven. Andere dieren van zijn soort worden door den Walvisch, naar men meent, op verbazend grooten afstand waargenomen; boven het water moet zijn gezicht echter niet ver reiken. Het gehoor is zoo zwak, dat hij een luid geschreeuw, zelfs op een afstand van een scheepslengte, niet opmerkt; bij stil weder echter wordt hij reeds door een gering geplas in ’t water, door een gerommel op het schip of door het een of ander gedruisch in de hem naderende booten verontrust en tot vluchten aangespoord. Van de eigenschappen van zijn geest verdienen vooral vermelding de gehechtheid aan zijne soortgenooten en de ook bij hem in hooge mate aanwezige genegenheid voor de jongen. Andere bewijzen van verstand heeft men niet veel kunnen opmerken; toch is het duidelijk gebleken, dat de ervaring zelfs den geest van den gewoonlijk als dom beschouwden Walvisch scherpt. Voor zoover mij bekend is, heeft men den Groenlandschen Walvisch nooit hooren “brullen”; waarschijnlijk gaat men evenwel te ver, door Scoresby’s meening te onderschrijven, dat hij in ’t geheel niet in staat is tot het voortbrengen van eenig geluid.
Bij goed weder heeft men den Walvisch ook gedurende zijn slaap kunnen waarnemen. Hij ligt dan als een lijk aan den waterspiegel, zonder zich te bewegen, heft het hoogst gelegen deel van den kop boven de oppervlakte, ademt rustig zonder een straal uit te werpen en houdt zich met zijne borstvinnen in evenwicht. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine Schaaldieren (vooral verschillende soorten van Riempootige of Copepoden) en Weekdieren (vooral Vinpootige Slakken of Pteropoden), die in groote massas in de bovenste waterlaag aangetroffen worden daar, waar de zee een olijfgroene kleur vertoont. De bedoelde kleur wordt veroorzaakt door tallooze, microscopisch kleine plantjes—Kristalwieren of Diatomeeën—, die aan de genoemde kleine dieren tot voedsel dienen. Met uitzondering van de kleine soorten, die toevallig in den wijden muil van den Walvisch verdwalen en mede doorgeslokt worden, zal dit dier waarschijnlijk geen Visschen in noemenswaardige hoeveelheid (en in geen geval groote exemplaren) verzwelgen, daar zijn slokdarm hoogstens 10 cM. wijd is. Onberekenbaar groot is daarentegen het aantal kleine zeedieren, die door den Walvisch als voedsel worden gebruikt: millioenen of zelfs milliarden iederen dag.
In den regel brengt het wijfje één enkel jong ter wereld (zelden twee); de werptijd valt in Maart of April. Het jong zuigt langen tijd, misschien een vol jaar; de moeder gaat een weinig op zijde liggen om het den uier aan te bieden. De ontwikkeling heeft buitengewoon snel plaats, zoodat het jong reeds als zuigeling een lengte van minstens 6 M. bij een omvang van 4 M. en een gewicht van 6000 KG. kan bereiken. Alle waarnemers zijn het eens over de zelfopofferende liefde van de moeder.
Het voordeel dat de gedoode Walvisch oplevert, is zeer groot. Gemiddeld verkrijgt men van een Groenlandschen Walvisch 12- à 15000 Liter traan en 700 à 1000 KG. baarden. Deze worden, nadat zij van de bovenkaak losgemaakt zijn, van het aanhangende spek bevrijd, gesorteerd en bij pakken van 10 à 12 stuks gebonden. Ongeveer ⅚ van de ruwe grondstof is voor de fabricatie van baleinen artikelen geschikt. Hoewel de zeer variëerende prijzen van de traan en van het balein de berekening van de waarde van den Walvisch moeielijk maken, mag men haar gemiddeld op ƒ 12.000 stellen; een buitengewoon groot exemplaar kan echter ook wel het dubbele van deze som opleveren. De grootste helft van de geheele opbrengst komt van het balein, dat door geen andere Cetacee in zoo groote hoeveelheid en van zoo goede kwaliteit wordt voortgebracht. Het vleesch mag volstrekt niet oneetbaar genoemd worden: Fransche scheepskoks hebben het zeer goed weten te gebruiken; de inboorlingen van het hooge noorden eten het zonder eenig bezwaar, evenals ook het spek.
Behalve door den mensch, wordt de levende Walvisch waarschijnlijk alleen nog door den vreeselijken Zwaardvisch aangevallen. Verscheidene tot de Schaaldieren behoorende woekerdieren of parasieten, die zich aan het lichaam van den Walvisch hechten, zullen hem waarschijnlijk veel last veroorzaken. Een soort van Vlookreeft, de zoogenaamde Walvischluis, nestelt zich soms bij honderdduizenden in de huid van zijn rug en vernielt deze zoozeer, dat het dier er uitziet, alsof het aan een kwaadaardige huidziekte lijdt. Ook is hij niet zelden met een groot aantal Zeepokken (Rankpootige Schaaldieren) bezet, en deze leveren weer een geschikte aanhechtingsplaats op voor velerlei zeeplanten, zoodat men Walvisschen vindt, die een geheele wereld van levende wezens met zich rondvoeren.
Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Walvisschen voortdurend schaarscher worden, is het niet waarschijnlijk, dat de Groenlandsche Walvisch spoedig uitgeroeid zal zijn. Zijn ongastvrij woongebied biedt hem nog altijd een groot aantal toevluchtsoorden aan, die voor alle schepen onbereikbaar zijn; dit behoedt hem voor het lot van uit de rij der levende wezens weggevaagd te worden, dat hem anders zeker zou treffen.
De Walvisch, die in vroegere tijden vrij veelvuldig op de Europeesche kusten voorkwam en het eerst de begeerigheid van de kustbewoners opwekte, wordt ook nu nog soms (1844, 1850, 1854, 1877, 1873) op de Baskische kust gevangen. Naar men vermoedt, moet dit dier—onze Noordkaper, de Sarde der Fransch sprekende Basken, de Sletbag der IJslanders—als een afzonderlijke soort (Balaena biscayensis) beschouwd worden. Deze, hoewel kleiner en vlugger dan de Groenlandsche Walvisch, is wegens zijn meer zuidelijk gelegen woongebied nagenoeg uitgeroeid.—De vangst van andere Cetaceën in de noordelijke gedeelten van den Atlantischen Oceaan en de verder noordwaarts gelegen afdeelingen van de Noordelijke IJszee geeft evenwel ook thans nog aan vele handen werk. Dit blijkt uit de resultaten van de visscherij op de kusten van IJsland en van Noorwegen en uit het sterk vermeerderde verkeer met Spitsbergen, waar Engelschen, Russen en Noren elkander den vetten buit betwisten. In 1886 en 1887 werden hier meer “Walvisschen” gevangen, dan in eenig ander jaar van de laatste dertig, in 1887 niet minder dan 1311. Dat aan het bezit van Spitsbergen eenige waarde wordt gehecht, blijkt uit de annexatie van deze eilandengroep door Noorwegen in Sept. 1896.
Ook op den Zuidelijken Walvisch (Balaena australis), die de koude zeeën van het Zuidelijk Halfrond bewoont, en zich van zijn in ’t noorden levenden stamgenoot door geringere grootte en breederen snuit onderscheidt, wordt ijverig jacht gemaakt.
De eerste familie van de onderorde der Tandendragende Cetaceën (Denticete) omvat de Dolfijnen (Delphinidae), middelmatig groote of kleine Vischachtige Zoogdieren, welker beide kaken over haar geheele lengte (of over een deel daarvan) met bijna gelijkvormige, meer of minder kegelvormige tanden bezet zijn, en welker neuskokers in den regel slechts door één enkel, dwars gelegen ademgat naar buiten monden. De romp is regelmatig gestrekt, de kop betrekkelijk klein, zijn snuitgedeelte dikwijls verlengd en toegespitst, een rugvin gewoonlijk aanwezig.
De Dolfijnen bewonen alle zeeën der aarde en ondernemen groote reizen; zij zijn de eenige Cetaceën, die ver de rivieren opzwemmen; sommige brengen zelfs hun geheele leven in de rivieren en in de hiermede samenhangende meren door. Alle zijn in hooge mate gezellig; sommige vereenigen zich tot zeer talrijke scholen, om dagen en weken achtereen gezamenlijk de zee te doorkruisen. Wegens hunne vlugge bewegingen, hun geringe schuwheid tegenover den mensch en hunne spelen, hebben de Dolfijnen zich sinds overouden tijd de vriendschap der zeelieden en der dichters verworven.
Bijna alle Dolfijnen zwemmen met buitengewone behendigheid en snelheid en zijn hierdoor bijzonder geschikt voor de vischvangst. Zij behooren tot de roofzuchtigste zeebewoners; sommige soorten durven zelfs den grootsten Walvisch aan te vallen en weten hem, dank zij hun volharding in den strijd, werkelijk te overmeesteren. Grootendeels bestaat hun voedsel uit Koppootige en andere Weekdieren, uit Schaaldieren en Straaldieren. Men beweert, dat sommige ook gebruik maken van zeewieren en van boomvruchten, en deze zelfs van de boven ’t water hangende boomtakken afplukken. Alle zonder uitzondering zijn vraatzuchtig, roofgierig en wreed. Al wat eetbaar is, beschouwen zij als een goeden buit; zelfs de jonge dieren van hun eigen soort of van hunne naaste verwanten worden niet door hen gespaard. De wijfjes werpen na een draagtijd van ongeveer 10 maanden één of twee jongen, die zij lang zoogen, met den meesten zorg verplegen en in tijden van gevaar verdedigen. Naar men onderstelt, groeien de jongen niet snel.
Alle Dolfijnen zijn veel minder dan de overige Cetaceën aan de vervolgingen van den mensch blootgesteld. Hunne ergste vijanden zijn de leden van hun eigen familie. Meer nadeel dan eenig roofdier, berokkent hen echter hun eigen onstuimigheid. Zij vervolgen hun prooi met zooveel begeerigheid, dat zij hierdoor dikwijls geheel buiten het vaarwater geraken, naar het verraderlijke strand worden gelokt en op het droge het leven moeten verliezen. Soms vinden de visschers ze bij dozijnen op het strand liggen. Gedurende hun doodstrijd hoort men van sommige gesteun en gejammer, en ziet men eenige zelfs een vloed van tranen vergieten.
Van vele soorten trekt de mensch een niet onbelangrijk voordeel, van enkele kan hij bijna alle lichaamsdeelen gebruiken: hij eet het vleesch, het vet en sommige ingewanden, vervaardigt allerlei benoodigdheden voor zijn bedrijf van de huid en van de darmen en kookt uit het spek een zeer gezochte, fijne soort van traan.
Van de onderling veel verschillende soorten, waaruit deze familie bestaat, verdient de Zwaardvisch, vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht (Orca), in de eerste plaats genoemd te worden. Reeds sinds overouden tijd zijn deze dieren bekend en wegens hun vraatzucht berucht. Hun meest in ’t oogloopende kenmerk is de zeer lange, naar boven gerichte rugvin. De romp is krachtig, de kop kort, het voorhoofd rijst schuin omhoog, de snuit is tamelijk breed; het vreeselijke gebit bestaat uit een betrekkelijk gering aantal tanden, die dikker zijn dan bij alle andere Cetaceën, met uitzondering van den Cachelot.
De Zwaardvisch, Moordenaarsvisch, Sabeldolfijn of Butskop (Orca gladiator), kan een lengte van 9 M. bereiken, maar is in den regel kleiner; gemiddeld wordt hij 5 à 6 M. lang. De kleur biedt, naar het schijnt, veel verscheidenheid aan. Een meer of minder donker zwart strekt zich over het grootste deel van de bovenzijde uit; de onderzijde, met uitzondering van de spits van den snuit en van den staart, is tamelijk zuiver wit. Achter het oog staat in den regel een langwerpige, witte vlek; een halvemaanvormige, vuil-blauwachtige of purperkleurige vlek bevindt zich achter den rugvin, en zet zich vandaar in den vorm van een streep aan weerszijden van de rugvin en nog verder voorwaarts uit; zij kan ook geheel ontbreken. Men ontmoet ook zeer licht gekleurde exemplaren: helderbruine en ivoorwitte. Elke bovenkaakshelft bevat 13, elke onderkaakshelft 12 tanden.
Naar het schijnt, waren de Zwaardvisschen in vroegere eeuwen meer algemeen verbreid dan thans. De Romeinsche natuuronderzoekers noemen ook de Middellandsche Zee als een deel van het door hen bewoonde gebied; in den laatsten tijd heeft men ze hier echter niet meer waargenomen. Zij bewonen de noordelijke gedeelten van den Atlantischen Oceaan, de IJszee en het noorden van den Stillen Oceaan. Geregeld bezoeken zij de kusten van Engeland, Nederland, Duitschland en Frankrijk. Volgens Van Bemmelen is de Zwaardvisch “meermalen aan onze kusten waargenomen. Een voorwerp is in 1811 bij Ameland op de Engelsche plaat gestrand, één op 15 April 1832 aan de Friesche kust nabij de Zwarte Haan, een wijfje op 30 November 1841 levend aan den Voet der Velzer zeeduinen op eenigen afstand van Wijk-aan-Zee.” Het laatstgenoemde exemplaar stelde den bekwamen natuuronderzoeker Schlegel in staat, voor ’t eerst een nauwkeurige beschrijving van den Zwaardvisch te geven. Aanvankelijk prijkte het dier “met een fraai, in alle kleuren van den regenboog irizeerend zwart”, terwijl het wit door zuiverheid en glans aan porselein herinnerde. Reeds weinige dagen daarna was van dit kleurenspel niets meer te zien; de opperhuid geraakte langzamerhand los; na verloop van een week was het dier door beginnende verrotting geheel misvormd en verminkt. Nu werd het verkocht; een van de vele kooplustigen kocht het voor ƒ 140; de kooper had zich echter verrekend, want hij kreeg slechts voor ƒ 40 traan uit dit dier en ongeveer evenzooveel voor het geraamte, dat een sieraad uitmaakt van het rijke Leidsche Museum. Soms worden Zwaardvisschen in rivieren gevangen. Zoo kent men drie gevallen van het harpoeneeren van een dergelijk dier in de Theems.
Opmerkelijk is het, dat de Zwaardvisch zich meestal in de zomermaanden in de zuidelijke zeeën ophoudt, waar hij in den regel in Mei aankomt om in het laatste gedeelte van den herfst weder te vertrekken. Volgens Tilesius ziet men hem in de Noordzee gewoonlijk in troepjes van vijf exemplaren, die als een troep soldaten, met den kop en den staart naar onderen gekromd, de rugvin als een sabel boven het water opgeheven, uiterst snel voortzwemmen en met een waakzaam oog de zee afzoeken. Zij zijn nergens veelvuldig, maar komen zoowel te midden van den Oceaan als in de nabijheid van de kusten voor; bovendien dringen zij hier niet zelden in de baaien door en zwemmen zelfs de rivieren op. “Wanneer men dezen Moordenaarsvisch,” zegt Pechuel-Loesche, “op de voor hem eigenaardige wijze door het water ziet strijken of bij hooggaande zee volgens een fraai afgeronde golflijn bij de baren op en af ziet glijden, komt men onwillekeurig tot het vergelijken van hun zwembeweging met de kunstige vlucht van de Zwaluwen, waarvoor ook wegens de eigenaardige verdeeling van de kleur over de huid van dit dier reden bestaat. In allen gevalle moet men van de Cetaceën aan hem den prijs der schoonheid toekennen.”
De Zwaardvisschen maken niet alleen op kleine Visschen jacht, maar ook op de reuzen der zee; zij zijn niet alleen de grootste, maar ook de roofgierigste en vraatzuchtigste van alle Dolfijnen. Reeds Plinius noemt den Zwaardvisch een gevaarlijk roofdier. Vele schrijvers uit lateren tijd maken vooral gewag van zijn strijd met den Walvisch, “wien hij,” zegt o. a. Steller, “dag en nacht lagen legt. Als de Walvisch zich in een baai verbergt, loeren de Zwaardvisschen op hem; zij wachten de komst van een voldoend aantal makkers af, om hem als een gevangene in hun midden te nemen en onder ontzettend geschreeuw en gesteun naar de zee te brengen, waar zij onderduiken en hem met hun vreeselijk gebit te lijf gaan.” Drie of vier van deze vraatzuchtige roovers vallen zonder aarzeling zelfs den grootsten Walvisch aan, die door ’t zien van zijne vreeselijkste vijanden als ’t ware verlamd schijnt en zich soms ternauwernood inspant om hun te ontkomen. “De kamp van deze Wolven van den Oceaan,” zegt Scammon, “met zulk een reusachtigen buit herinnert aan den strijd tusschen een troep jachthonden en een door de vervolging afgemat Hert. Eenige hechten zich aan den kop van den Walvisch, andere vallen hem van onderen aan, terwijl verscheidene hem bij de lippen aanpakken en onder water houden, of hem, als hij den ontzaglijken bek opent, de tong verscheuren. In de lente van het jaar 1858 was ik ooggetuige van een strijd van drie Zwaardvisschen met een vrouwelijken Grijzen Walvisch en haar jong. Het jong was reeds driemaal zoo groot als de grootste van zijne vijanden en werd minstens een uur lang door hen bestookt. De kwaadaardige roovers vielen beurtelings de moeder en haar jong aan; zij doodden eindelijk het kind, dat op den bodem zonk, die hier ongeveer 5 vademen diep was. Ook de kracht van de moeder was nagenoeg uitgeput door het gevecht, waarin haar verscheidene diepe wonden aan de borst en aan de lippen waren toegebracht. Toen echter het jong bezweken was, doken de Zwaardvisschen naar den bodem om hun slachtoffer te verscheuren; zij keerden naar den waterspiegel terug met groote stukken vleesch om deze hier te verslinden. Terwijl zij dit deden, ontkwam de beangste moeder, die op den door haar gevolgden weg een bloedig spoor achterliet.”—Terecht duidt Linnaeus den Zwaardvisch aan met den naam: “Tiran en pijniger van de Walvisschen en Robben.” De Haaien en alle andere Zee-roofdieren staan in roofzucht bij hem achter. Hij is de schrik van alle waterbewoners, die elk oord, waar hij verschijnt, ten spoedigste verlaten, voor zoover dit nog mogelijk is. Zijn vraatzucht noodzaakt hem dikwijls zich dicht bij de kust op te houden; vooral de monden der rivieren, waar het water zeer vischrijk is, lokken hem aan. Bij het vervolgen van een grootere prooi zwemt hij echter ook wel mijlen ver zeewaarts; het duurt dan dagen en misschien zelfs weken, voordat hij weer in de nabijheid van het land komt. Waar Groenlandsche Walvisschen, Beloega’s en Zeehonden zijn, zal men stellig ook den Zwaardvisch, hun rusteloozen vijand, aantreffen. De Beloega zoowel als de zeehond spoeden zich vol angst naar de kust, zoodra zij hem ontwaren: de eerste gaat op deze wijze in den regel zijn verderf te gemoet; ook de laatste vindt bij de kust niet altijd de gezochte uitkomst. Alle walvischvangers zien met leede oogen den Zwaardvisch naderen, daar zijn jachtgebied door iederen Walvisch gemeden wordt, al zou deze zich tusschen het ijs moeten verbergen om de hem dreigende vervolging te ontgaan. Eschricht vond in de maag van een Zwaardvisch van 5 M. lengte 13 Bruinvisschen en 14 Robben, en in zijn bek een vijftienden Rob, die de oorzaak was geweest van zijn dood, daar hij hem niet had kunnen verzwelgen. Ook Scammon vond de maag van een door hem gedooden Zwaardvisch met jonge Zeehonden gevuld. Hij kon opmerken, dat zelfs de grootste Zeeleeuwen een ontmoeting met dit roofdier vermijden, en, zoolang het in ’t gezicht is, hunne veilige schuilplaatsen op de rotsen niet verlaten.
Op dit dier wordt nergens geregeld jacht gemaakt. Voordeel levert deze jacht niet op.
*
De Bruinvisch, de kleinste van alle Dolfijnen van ons werelddeel, de eenige die geregeld de Noordzee en de Oostzee bewoont, is een vertegenwoordiger van het niet zeer soortenrijke geslacht van dien naam (Phocaena); het is gekenmerkt door een kort, spoelvormig lichaam, een zacht afhellend voorhoofd, een driehoekige, op het midden van het lichaam gezeten rugvin van geringe hoogte en breede basis en een uit talrijke, scherpkantige tanden samengesteld gebit.
De Bruinvisch, door de Duitschers Meerschwein (Zeevarken), door de Franschen Marsouin, door de Engelschen Porpoise of Seapig genoemd, (Phocaena communis), bereikt een lengte van 1.5 à 2, in zeldzame gevallen van 3 M. De kale huid is zacht, glanzig; de kleur van de bovendeelen is zwartbruin, ook wel zwart met een groenachtige of paarsche tint; de zuiver witte kleur van de onderdeelen begint bij de spits van de onderkaak als een smalle strook, die zich verder achterwaarts verbreedt; de borstvinnen zijn meer of minder donkerbruin. Elke kaakhelft bevat 20 à 25 tanden met zijdelings samengedrukte en nagelvormig verbreede kroon.
Bruinvisch (Phocaena communis). 1/15 v. d. ware grootte.
Bruinvisschen ontmoet men op iedere reis in de Noordzee of Zuiderzee. Bij troepen treft men ze aan voor de monden der rivieren; niet zelden zwemmen zij deze op en komen zoo op grooten afstand van de zee. “Zoo werd er,” zegt Schlegel, “één in de Seine bij Parijs gevangen, twee anderen in 1825 in de Elbe in het hertogdom Dessau; een voorwerp, hetwelk een vijftigtal jaren geleden, waarschijnlijk door de sluis van Katwijk, in den boezem van Rijnland doorgedrongen was, werd gedurende een maand, dan eens in het Haarlemmermeer en de rondomliggende wateren, dan eens in de grachten der stad Leiden gezien en eindelijk gevangen.”
Het eigenlijke verbreidingsgebied van den Bruinvisch omvat het geheele noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan, van Groenland tot Noord-Afrika. Ook hij begeeft zich, naar het schijnt, in het begin van den zomer noordwaarts, om, als de winter nadert, weder zuidwaarts te trekken. In de lente gaat hij de Haringen achterna; hij vervolgt ze met zulk een ijver, dat de visschers hem in hooge mate lastig vinden. Zijn vraatzucht is spreekwoordelijk; zijn buitengewoon snelle spijsvertering maakt het gebruik van een groote hoeveelheid voedsel noodig. De visschers houden niet van hem, omdat hij hun concurrentie aandoet en dikwijls ook hunne bezittingen beschadigd: zonder moeite verscheurt hij de met visch gevulde, dunne netten en vreet op zijn gemak de gevangenen op. Sterkere netten worden trouwens noodlottig voor hem, daar hij er in blijft steken en hierdoor stikt.
Zooals reeds uit het zooeven gezegde afgeleid kan worden, behoort de Bruinvisch tot de weinige Cetaceën, die duidelijk de voorkeur geven aan het water langs de kust boven de open zee. Hoewel deze dieren gezellig zijn, evenals alle Dolfijnen, vereenigen zij zich echter zelden tot groote scholen; liever zwemmen zij ieder afzonderlijk of bij paren, ook wel in kleine gezelschappen van 2 à 8 stuks. De Hollandsche zeeman noemt een troep dezer dieren: “de boer met zijne varkens.” De Bruinvisch is een uitstekend zwemmer; met groote kracht en bewonderenswaardige snelheid klieft hij de golven; ook kan hij boven het water uitspringen. In al deze opzichten moet hij echter voor de overige Dolfijnen onderdoen; hij houdt zich althans niet zoo dikwijls bezig met de lichaamsoefeningen, waarmede de andere Dolfijnen zich vermaken, als zij met elkander spelen. Buitengewoon druk zijn zijne bewegingen vóór of gedurende een storm: hij duikelt of hobbelt dan, schijnbaar opgewonden van blijdschap in en over de rollende golven, buitelt over den kop en wordt dan in den letterlijken zin van het woord een “tuimelaar.” [Deze naam, die wij tot aanduiding van een andere diersoort zullen bezigen wordt dikwijls aan den Bruinvisch of hem verwante vormen gegeven.] Zelfs de hevigste branding levert voor hem geen bezwaar op; veeleer zoekt hij deze met duidelijk in ’t oogvallende voorkeur op; behendig weet hij te ontkomen aan alle gevaren, die de andere Cetaceën op de kust loopen en die dikwijls voor hen zoo noodlottig worden. Hij volgt ook de stoombooten na, in welker nabijheid hij zich echter niet zoo indringerig en volkomen onbevreesd beweegt als bij de stiller voortglijdende zeilschepen. Steeds ziet men hem de gewone koopvaardijschepen bijgeleiden, zoolang deze zich in de nabijheid van de kust bevinden.
*
Martens, die als barbier op een walvischvaarder in het jaar 1671 Spitsbergen bezocht en mededeelingen heeft gedaan over dieren, welke de noordelijke zeeën bewonen, is de eerste schrijver, die melding maakt van een der meest in ’t oog vallende Dolfijnen: de Witvisch of Beloega, een vertegenwoordiger van het geslacht der Witvisschen (Beluga). Als het belangrijkste kenteeken van de dieren dezer groep, kan men het ontbreken van een rugvin beschouwen. Het sterk gewelfde voorhoofd is loodrecht geplaatst ten opzichte van den breeden, afgeknotten snuit, welks kaken gewapend zijn met een gering aantal kegelvormige, op lateren leeftijd meestal uitvallende tanden. De korte en stompe borstvinnen, die aan het eerste vierde gedeelte van het dier aangehecht zijn, hebben een eivormige gedaante.
De Beloega of Witvisch (Beluga leucas) wordt 4 à 6 M. lang. De kleur van de oude dieren is geelachtig wit, die van de jongen bruinachtig of blauwachtig grijs, later met lichter gekleurde vlekken geteekend, welke zich uitbreiden, totdat de kleur gelijk geworden is aan die der oude dieren.
Het verbreidingsgebied van den Beloega omvat alle zeeën, die de Noordpool omgeven, maar strekt zich niet ver zuidwaarts uit. Soms, doch zelden, dwaalt hij naar zuidelijker breedten af; ook aan de kusten van Middel-Europa is hij reeds eenige malen waargenomen. Zijn voedsel bestaat uit kleine Visschen, Schaaldieren en Koppootige Weekdieren; bovendien vindt men geregeld ook zand in zijn maag; hierom zeggen de Groenlanders schertsenderwijs: “dat hij zonder ballast niet zwemmen kan.”
De Beloega verschilt door zijne bewegingen en zijn voorkomen in allerlei opzichten van de onstuimige Zwaardvisschen en van de Bruinvisschen. Bijna nooit ziet men de dieren van deze soort alleen; in den regel zijn zij tot gezelschappen vereenigd, die tot ontzaglijke scholen kunnen aangroeien. Zulk een kudde moet een prachtig schouwspel opleveren, daar de schitterend witte dieren bij ’t ademhalen soms de helft van het lichaam boven de donkere golven opheffen.
De walvischvangers zien den Beloega gaarne, omdat zij hem beschouwen als een voorlooper van den grooten Walvisch; daarom zeilen zij dikwijls in zijn gezelschap verder, zonder hem lastig te vallen. In dit geval komt hij vaak bij het schip en speelt hier in de golven, afwisselend er onder en er boven; altijd echter blijft hij schuw, en vlucht bij het geringste gedruisch. De voornaamste reden, die de Walvischvangers doet afzien van de jacht, op dit dier, welks vangst een niet te versmaden voordeel zou opleveren, is eigenlijk, dat het door zijn vlugheid en behendigheid aan een vervolging in de open zee dikwijls weet te ontkomen, en dat bovendien deze jacht te veel tijd vereischt, om voor de Europeanen de moeite waard te zijn. Anders is het gesteld met de inboorlingen van het hooge noorden; voor hen is de Beloega, wegens zijn traan en zijn vleesch een van de belangrijkste Cetaceën. De meeste worden gevangen met behulp van netten, die aan den ingang van de fjorden of zeeboezems of in de zeeëngten tusschen de eilanden worden geplaatst. De borstvinnen en de staartvin worden na goede toebereiding als een buitengewone lekkernij beschouwd. De huid wordt gedroogd en gelooid en voor velerlei doeleinden gebruikt. Zoo maken de Kamtschadalen er riemen van, die wegens hunne zachtheid en stevigheid zeer geroemd zijn.
*
Van alle geschenken der zee is er geen van meer belang voor de bewoners der noordelijke gewesten dan dat, hetwelk zij hun aanbiedt, in den vorm van den Dolfijn, die op de Fär-öer bekend is onder den naam van Grind of Grindewal (Globiocephalus melas). Dit dier is een vertegenwoordiger van het geslacht der Rondkopdolfijnen (Globiocephalus), dat gekenmerkt is door den werkelijk nagenoeg bolvormigen, als ’t ware opgezwollen kop, door de ver naar achteren aangehechte, sikkelvormige borstvinnen, door de op ’t midden van ’t lichaam zich verheffende rugvin, door de beide tusschenkaaksbeenderen die de bovenkaak bedekken. De romp is niet spoelvormig, maar zijdelings samengedrukt. In elke helft van iedere kaak bevinden zich 12 à 14 dikke en tamelijk lange, over ’t geheel genomen kegelvormige tanden, die tamelijk groote tusschenruimten overlaten; de kroon eindigt in een scherpe spits en is een weinig naar binnen en naar achteren gebogen; bij gesloten bek passen de tanden van de eene kaak in de ruimten tusschen die van de andere. Daar vele tanden op lateren leeftijd uitvallen, vindt men er meestal in iedere kaakhelft niet meer dan 9, die tot de voorzijde van den bek beperkt zijn. De kale en glanzige huid is aan de bovendeelen donkerzwart, aan de onderdeelen grijsachtig zwart; aan de onderzijde van den hals bevindt zich een breede, witte, hartvormige vlek. Zeer oude mannetjes bereiken een lengte van 6 à 7 M.
Grind (Globiocephalus melas). 1/36 v. d. ware grootte.
De Grind is eigenlijk een bewoner van de Noordelijke IJszee en van het noordelijke deel van den Stillen Oceaan. Van de IJszee uit begeeft hij zich vaak naar het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan en komt soms zelfs op de breedte van de straat van Gibraltar; hierbij volgt hij echter niet, evenals de andere Cetaceën, bepaalde wegen. Gezelliger dan de andere leden van hun familie en van hun orde, zijn deze dieren steeds tot troepen vereenigd, die van 10 à 20 tot meer dan duizend exemplaren kunnen aangroeien; deze scholen worden steeds door oude, ervaren mannetjes aangevoerd, die door hunne metgezellen met dezelfde onverschilligheid, of liever onnadenkendheid gevolgd worden, als de belhamel door zijne Schapen, al zouden zij hierdoor ook hun verderf tegemoet gaan.
Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit verschillende soorten van Koppootige Weekdieren (Inktvisschen); in de maag van het gedoode dier heeft men echter ook wel Dorschen, Haringen en andere kleine Visschen, Weekdieren van allerlei klassen en dergelijken buit gevonden.
Geen enkele andere Cetacee wordt zoo dikwijls, en bij zoovele exemplaren tegelijk, op het strand geworpen als de Grind, wiens lust tot gezelligheid hem op gevaarlijke plaatsen in den regel noodlottig wordt; misschien is het geen overdrijving te zeggen, dat deze diersoort niet in de zee, maar op het land zijn leven besluit. Er gaat bijna geen jaar voorbij, waarin niet een meer of minder groot aantal Grinden hier of daar stranden. In het jaar 1779 verongelukte een kudde van 200, in 1805 een van 300 stuks op de Shetlandsche eilanden; in de jaren 1809 en 1810 werden 1100 exemplaren in een zeeboezem van IJsland, die men naar de Grinden Walfjord genoemd heeft, op den oever geworpen. Ook op onze kusten gebeurt dit soms. “Het laatste voorbeeld van dezen aard,” zegt Schlegel, “had den 9den April 1825 in de Zeeuwsche stroomen bij St. Annaland plaats, waar er tegelijk 35 stuks gedood werden, van welke het grootste een lengte van 20 voet had. Verscheidene van deze voorwerpen werden toen voor het Rijks-Museum van Natuurlijke Historie aangekocht, waar zij zich nog bevinden.”
Op alle noordelijke eilanden tracht men reeds sinds overouden tijd het stranden van de Grinden, die zich in de nabijheid van de kust ophouden, te bevorderen. Graba beschrijft de vangst van den Grindewal op de Fär-öer op een even duidelijke als aangename wijze.
“Den 2en Juli,” zoo verhaalt hij, “weerklonk plotseling van alle zijden het luid geroep “Grindaboed”. Dit geschreeuw geeft te kennen, dat een der op zee aanwezige booten een troep Grindewalen ontdekt heeft. In een oogwenk was geheel Thorshaven in beweging; alle kelen herhaalden “Grindaboed”; de hoop dat men weldra weer aan een stuk grindevleesch zal smullen, veroorzaakte een algemeen gejubel. De menschen renden met zooveel haast door de straten, alsof er een landing van de Turken te vreezen was. Hier liepen er eenige naar de booten, daar kwamen andere met walvischmessen aandragen; ginds draafde een vrouw haar man achterna met een stuk gedroogd vleesch, dat zij hem als leeftocht wilde medegeven; kinderen werden omvergeloopen en uit puren ijver viel een van de visschers uit zijn boot in zee. In den tijd van tien minuten waren elf achtmansbooten gereed en stieten van wal; de pijjakkers werden uitgetrokken en de roeiriemen met zooveel ijver gehanteerd, dat de vaartuigen als pijlen vooruitschoten. Wij begaven ons naar den ambtman, wiens booten en manschappen gereed waren om te vertrekken; vooraf gingen wij met hem op de schans om van hier te zien waar de Grindewalen zich bevonden. Door onzen verrekijker ontdekten wij de beide booten, die “Grinaboed” aangekondigd hadden. Nu verhief zich bij het naastbijgelegen dorp een hooge rookkolom; onmiddellijk daarna verscheen er ook een op een naburigen berg; overal zag men vuursignalen; naar alle plaatsen in de buurt werden boden gezonden; het fjord wemelde van vaartuigen. Wij gingen aan boord van het jacht van den ambtman en hadden weldra de overige ingehaald. Nu zagen wij den troep Grinden, die door de in een halven kring geschaarde booten van de open zee afgesloten werd. De op deze wijze omsingelde zeedieren, werden door 20 à 30 booten, waarbij wij ons hadden aangesloten, en waarvan de eene ongeveer 100 schreden van de eerstvolgende verwijderd was, langzaam in de richting van de baai van Thorshaven voortgedreven. Ongeveer het vierde gedeelte van alle Grinden was zichtbaar; nu eens kwam een kop boven water en spoot zijn waterstraal (?) uit, dan weer kreeg men den hoogen rugvin te zien, later weer het geheele bovenlijf. Als de dieren aanstalten maakten om onder de vaartuigen door te zwemmen, werden steenen en stukken lood, aan touwen bevestigd, in ’t water geworpen; als zij snel vooruitstoven, werd er uit alle macht geroeid, zoodat zelfs sommige roeiriemen braken. Toen de Grinden dicht bij den mond van de haven waren en niet gemakkelijk meer ontsnappen konden, begaven wij ons naar de stad. Het strand wemelde van menschen, die de vermakelijke eindscène van de jacht, het dooden van den buit, aanschouwen wilden. Wij kozen een goede standplaats uit, van waar wij alles van nabij konden zien.
“Hoe nader de Grinden bij de haven en het land kwamen, des te onrustiger werden zij; tot een hoop dicht opeengedrongen, gaven zij weinig acht meer op het werpen met steenen en het slaan met de roeiriemen. Steeds dichter werd de kring der booten om de ongelukkige slachtoffers, steeds langzamer trokken zij, het gevaar bevroedend, de haven binnen; thans, in de Westervaag gekomen, die slechts ongeveer 250 schreden breed en dubbel zoo lang is, wilden zij zich niet meer als een kudde Schapen laten drijven en maakten aanstalten om om te keeren. Nu naakte het beslissend oogenblik. Bezorgdheid, hoop, moordlust stonden te lezen op de gelaatstrekken van alle Färingers. Zij lieten een woest geschreeuw hooren; alle booten snelden op den troep toe; de manschappen staken met hunne breede harpoenen naar de dieren, die niet dicht genoeg bij de booten waren om deze door een slag met den staart te kunnen beschadigen. De gewonde dieren spoedden zich met vreeselijke snelheid voort; de geheele troep volgde hen na en liep op het strand.
“Nu begon een angstwekkend tooneel. Alle booten schoten achter de Grinden aan en voeren in ’t wilde weg tusschen hen in, terwijl de manschappen dapper in ’t rond staken. De menschen, die aan land stonden, gingen tot aan de oksels in ’t water op de gewonde dieren af en sloegen hen ijzeren haken, waaraan een touw gebonden was, in ’t lijf of in de blaasgaten; 3 of 4 mannen trokken daarna den Grind geheel op het land en sneden hem de keel tot aan de rugwervels door. In zijn doodstrijd beukte het stervende dier de zee met zijn staart, zoodat het water ver in ’t rond spatte; het vroeger kristalheldere water van de haven had een bloedroode kleur aangenomen; bloedstralen werden uit de blaasgaten opgespoten. De bloedige arbeid wond de Färingers tot woede en vermetelheid op. Ten naastenbij 30 booten, 300 menschen, 80 doode of nog levende Grinden bevonden zich op een ruimte van weinige vierkante roeden bijeen. Geschreeuw en geraas overal. De met bloed bevlekte kleederen, aangezichten en handen, deden de in werkelijkheid zoo goedaardige Färingers op de kannibalen van een Zuidzee-eiland gelijken; geen spoor van medelijden toonden zij bij deze afschuwelijke slachting. Toen een man door een slag met den staart van een stervenden Grind neergeveld en een boot aan stukken geslagen was, werd het laatste gedeelte van dit treurspel met meer voorzichtigheid afgespeeld. 80 gedoode Grinden bedekten het strand; geen enkele was ontkomen. Zoodra het water door het bloed der gekwetste dieren gekleurd en door de stuiptrekkende staartbewegingen der stervenden troebel geworden is, kunnen de nog levende dieren zich niet meer redden en draaien als ’t ware in een kring rond. Wanneer er al toevallig een naar het heldere water ontsnapt, keert hij toch dadelijk naar zijne kameraads in den bloederigen poel terug.
“Na een rusttijd van een uur werden de gedoode Grinden naast elkander gelegd, gewaardeerd en voorzien met een in de huid ingesneden merk in Romeinsche cijfers, dat hun grootte aangeeft. De verdeeling van den buit heeft plaats naar evenredigheid van het grondbezit en geschiedt reeds sedert onheugelijke tijden op deze wijze.
“Nadat het aandeel van iedere boot in de vangst bepaald was, werden de dieren afgehouwen. Eerst snijdt men hun de vinnen af en het lichaam midden door. Nu wordt het spek in breede strooken en vervolgens het vleesch in stukken losgemaakt. De lever, het hart en de nieren, die volgens de Färingers de smakelijkste stukken zijn, worden uit de lichaamsholte genomen; ten slotte keert men den romp om en behandelt de andere zijde evenzoo. Het voordeel, dat door deze jacht verkregen wordt, is zeer groot. Gemiddeld rekent men, dat ieder dier een ton traan oplevert. Het vleesch en het spek worden versch gegeten of door inzouten en drogen voor bederf bewaard. Van de huid der vinnen worden de strooken leer vervaardigd, die aan de roeiriemen bevestigd zijn; de beenderen dienen voor het maken van de omrastering der landerijen; de maag wordt opgeblazen en als bergplaats voor traan gebruikt. Eigenlijk blijven dus alleen de darmen en eenige andere ingewanden over; om van de verrotting dezer overblijfselen geen last te hebben, worden zij door booten naar de zee gebracht.”
*
Geen der Vischachtige Zoogdieren en zelfs geen der zeedieren in ’t algemeen, hebben zoozeer de belangstelling gewekt van de dichters en de natuuronderzoekers der oudheid en aanleiding gegeven tot zulke gloeiende beschrijvingen en zonderlinge vertelsels als de Dolfijn. Hij is het, die Arion redde, toen deze beroemde lierdichter en citherspeler over boord sprong, om het gevaar te ontgaan van vermoord te worden door roofzuchtige matrozen; hij nam hem op den rug en droeg hem naar kaap Taenarus. Hij is het, van wien Plinius een aardig sprookje vertelt: een knaap had, door herhaaldelijk een Dolfijn met brood te voederen, diens genegenheid in zoo hooge mate gewonnen, dat dit dier hem verscheidene jaren achtereen, iederen dag over het meer Lucrinus naar de school in Puteolie droeg en op dezelfde wijze weer thuis bracht. Toen de knaap stierf, verscheen de Dolfijn nog steeds iederen dag op de gewone plaats en treurde zich weldra dood over het verlies van zijn lieveling.” Van de Dolfijnen wordt voorts verhaald, dat zij in den ouden tijd den mensch behulpzaam waren bij het vangen van de Zeebarbeelen, door geheele scholen van deze Visschen in de netten te drijven, voor welke dienst zij beloond werden met een deel van den buit en met brood, dat in wijn gedoopt was.
De Dolfijn vertegenwoordigt met eenige andere, zeer na verwante soorten een afzonderlijk geslacht van dezen naam (Delphinus). De betrekkelijk kleine kop eindigt van voren in een snavelvormig verlengden snuit, welks kaken met buitengewoon talrijke, kegelvormige, blijvende tanden bezet zijn; de borstvinnen staan geheel zijdelings, ongeveer op de grens van het eerste vijfde gedeelte van de lichaamslengte: de rugvin zit ongeveer op het midden van de rugzijde; de staartvin is naar verhouding zeer groot en bijna zuiver halve-maanvormig.
De Gewone Dolfijn (Delphinus delphis) bereikt gemiddeld een lengte van 2 M. Zijn huid is buitengewoon glad; zij is niet slechts glanzig, maar prijkt ook met allerlei regenboogkleuren. De bovendeelen zijn groenachtig bruin of groenachtig zwart, welke kleur scherp, maar niet volgens een rechte lijn gescheiden is van de schitterend witte kleur der onderdeelen, die aan de zijden op enkele plaatsen grijsachtige of zwartachtige vlekken vertoont. Het aantal tanden is zeer verschillend. Gewoonlijk vindt men er 42 à 50 in iedere kaak; men heeft er echter ook wel Dolfijnen gedood, die in elke kaakhelft 53, dus in het geheel het opmerkelijke groote aantal van 212 tanden hadden. Deze tanden zijn regelmatig over de kaak verdeeld; zij laten kleine tusschenruimten over, zoodat die van de bovenkaak tusschen die van de onderkaak vallen en omgekeerd; zij zijn lang, kegelvormig, zeer puntig en van buiten naar binnen zwak gekromd.