Gewone Dolfijn (Delphinus delphis). 1/18 v. d. ware grootte.

Gewone Dolfijn (Delphinus delphis). 1/18 v. d. ware grootte.

Dit beroemde dier, dat aan de kusten der Middellandsche Zee zeer algemeen is, wordt van tijd tot tijd aan de kusten van Groot-Brittannië en van het noorden van Frankrijk gevangen; het verdwaalt soms ook in de Noordzee. Voor zoover bekend, is slechts éénmaal, vele jaren geleden een exemplaar van deze diersoort op de Hollandsche kust gestrand. Naar het schijnt, is zij over een groot deel van den aardbol verspreid; zij bewoont althans alle zeeën van het noordelijk halfrond, en draagt hier veel bij tot de tijdkorting van zeelieden en reizigers. De Dolfijn openbaart door zijne bewegingen zoo mogelijk een nog speelscher aard dan dien zijner verwanten. Nu eens zwerft hij op grooten afstand van de kust in de open zee rond, dan weer zwemt hij ver de rivieren op. Troepen van deze dieren naderen het schip en spelen langen tijd in de nabijheid, voordat zij een anderen koers nemen. Onophoudelijk duiken zij onder en komen weer boven, verheffen het hoogst gelegen deel van den kop gedurende eenige oogenblikken boven den waterspiegel, blazen met snuivend gedruisch, en verdwijnen weer in de diepte. Zij zwemmen zoo buitengemeen snel, dat zij niet alleen het snelste stoomschip met gemak bijhouden, maar intusschen ook nog allerlei spelende bewegingen maken, en, als zij dit verkiezen, om het schip heen zwemmen zonder achter te blijven. Van tijd tot tijd springt een van hen boven het water uit, valt, zonder luid gedruisch te veroorzaken, met een buiteling weer in de zee terug, en neemt ten spoedigste zijn vroegere houding weer aan.

Het gebit van den Dolfijn geeft duidelijk te kennen, dat hij een der ergste zee-roofdieren is; naar men zegt, verschoont hij zelfs zijne gewonde soortgenooten niet. Zijn voedsel bestaat uit Visschen, Schaaldieren, Koppootige Weekdieren en andere zeebewoners. Het liefst maakt hij jacht op Sardijnen, Haringen en Vliegende Visschen. Het wijfje werpt 10 maanden na de paring een jong van 50 à 60 cM. lengte, waaraan zij gedurende geruimen tijd groote genegenheid toont.

In den Zwaardvisch heeft de Dolfijn een gevaarlijker vijand dan in den mensch; want deze maakt alleen dan jacht op hem, als gebrek aan versch vleesch hem hiertoe noopt. Ook thans nog valt den Dolfijn van den kant van den mensch een zekere vereering ten deel.

In de Noordzee komen nog eenige andere vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht voor, o.a. de Witsnuitdolfijn [Delphinus (Lagenorhynchus) albirostris], zeer kennelijk aan de witte kleur van den snuit en van de achterhelft van het lichaam. Hij is minder rank dan de Gewone Dolfijn, met wien hij overeenstemt door zijn betrekkelijk zwak gebit; in elke kaakhelft heeft hij 25 tanden. Hij kan een lengte van 4 à 5 M. bereiken. In Juni 1851 werd een dier van deze soort in de Noordzee, dicht bij Texel waargenomen; kort daarna werd er een bij Oostende gevangen.

Even zeldzaam is op onze kust de Tuimelaar, de Nesarnak der Groenlanders (Delphinus tursio). Deze heeft in elke kaakhelft 20 à 24 tanden, welke sterker zijn dan die van den Gewonen Dolfijn; ook de skelet-bouw is steviger. Hij wordt 3½ à 4½ M. lang; van boven en aan de zijden is hij licht blauw-zwart, van onderen wit. Een voorwerp van deze soort strandde ongeveer 70 jaar geleden op de Groningsche kust, twee exemplaren spoelden op 20 April 1828 in Friesland nabij de Zwarte Haan aan wal.

Minder veelvuldig nog is de Snaveldolfijn (Delphinus rostratus), die door zijn gebit op den Tuimelaar gelijkt, maar door slankeren lichaamsbouw en door de minder duidelijke scheiding tusschen het minder gewelfde voorhoofd en den smalleren snuit van dezen verschilt. Zijn algemeene kleur is roetachtig zwart; deze gaat op den buik, de borst en den rand der onderkaak in rosachtig wit over. Lengte 2.5 M. Een exemplaar werd in 1829 gevangen bij den mond van de Schelde.

*

De eerste mededeelingen over een in de Zuid-Amerikaansche rivieren levenden Dolfijn kwamen voor in het groote werk over “de keerkringsgewesten van de Nieuwe Wereld” door A. von Humboldt en Bonpland, die echter geen volledige beschrijving van deze diersoort gaven (1819). Nauwkeuriger berichten danken wij aan de verdienstelijke Duitsche onderzoekers Spix en Martinz (1831). Kort daarna zag een uitmuntende studie over dit onderwerp van den Franschen geleerde d’Orbigny het licht.

De Inia of Bonto (Inia amazonica), vertegenwoordiger van het geslacht der Langsnuitdolfijnen (Inia), is een Dolfijn, wiens snuit zich verlengd heeft tot een smallen, rondachtigen, met stijve haren begroeiden snavel, die in elke kaakhelft 33 of 34 spitse tanden met gekromde, sterke kroon heeft. Het slanke lichaam draagt lange borstvinnen, die aan hun bovenste gedeelte uitgesneden, en naar de spits sikkelvormig versmald zijn, een niet gelobde staartvin en een zeer lange vetvin op den rug. De lichaamslengte wisselt af van 2 tot 3 M. Het wijfje bereikt, naar men zegt, slechts de helft van deze grootte. Op de geheele bovenzijde is de Inia bleek blauwachtig; de kleur van de onderzijde zweemt naar rozenrood. Er zijn echter vele kleurverscheidenheden opgemerkt: soms ontmoet men geheel roodachtige, soms ook geheel zwartachtige exemplaren. In den laatsten tijd heeft men verscheidene, nauw met elkander verwante soorten onderscheiden.

Voor zoover thans bekend, bewoont deze Dolfijn bijna alle stroomen van Zuid-Amerika, tusschen 10 en 17° Z.B. In den Amazonenstroom en zijne bijrivieren, alsmede in den Orinoko is hij overal een bekende verschijning. Naar men zegt, zijn de bewegingen van dit dier langzamer en minder levendig dan die van de in zee levende Dolfijnen; het zwemt rustiger, komt dikwijls aan de oppervlakte om adem te halen en vormt met zijne soortgenooten gewoonlijk slechts kleine gezelschappen. Deze mededeelingen worden echter door Von Humboldt niet bevestigd. “De lucht,” zegt hij, “werd weder stil; weldra begonnen groote Cetaceën uit de familie der Spuitvisschen, zeer veel gelijkende op de Dolfijnen van onze zeeën, in lange reeksen aan de oppervlakte te dartelen. De langzame en trage Krokodillen vermeden, naar het scheen, de nabuurschap van deze geraasmakende en onstuimige dieren; wij zagen ze onderduiken, als de Spuitvisschen dicht bij hen kwamen. Dat de Cetaceën op zoo grooten afstand van de kust voorkomen, is zeer opmerkelijk; men treft ze hier in alle jaargetijden aan; voor zoover men weet, is er niets, waaruit zou blijken, dat zij op bepaalde tijden als de Zalmen trekken.”

Volgens Bates wordt de Amazonenstroom door minstens drie verschillende soorten van Dolfijnen bewoond; overal zijn deze dieren talrijk, hier en daar vertoonen zij zich zelfs in verrassend grooten getale. “In de breedste gedeelten van den stroom,” zegt deze uitmuntende onderzoeker, “van de monding tot op een afstand van 1500 mijlen bovenwaarts, hoort men voortdurend, hoofdzakelijk echter ’s nachts, de een of andere soort buitelen, blazen en snorken; deze geluiden dragen er niet weinig toe bij om op den reiziger een indruk te maken, overeenkomende met dien, welke de uitgestrektheid en de verlatenheid van de zee teweegbrengt.” Hun voedsel bestaat grootendeels uit kleine Visschen; bovendien echter worden allerlei boomvruchten, die van de takken in de rivier vallen, niet door hen versmaad. Bij voorkeur houden de Inia’s zich op in de heldere en diepe bochten van de door hen bewoonde stroomen of op plaatsen, waar bijrivieren in deze stroomen uitmonden, blijkbaar omdat hier de meeste Visschen voorkomen.

De inboorlingen maken geen jacht op den Inia. Zijn vleesch wordt taai genoemd, zijn spek slecht, zijn huid is hoogstens geschikt voor het vervaardigen van schilden; de vangst van dit dier loont dus de moeite niet.

*

Plinius maakt melding van een Dolfijn, genaamd Platanista, die in den Ganges leeft en volgens zijn beschrijving 7 M. lang zou worden. Dit dier bestaat werkelijk, maar is veel kleiner dan de oude, beroemde onderzoeker aangeeft; zijn lengte bedraagt namelijk omstreeks 2 M. De Soesoek of Snaveldolfijn van den Ganges (Platanista gangetica) onderscheidt zich van zijne verwanten door den zeer slanken lichaamsbouw, de halvemaanvormige, in twee lobben verdeelde staartvin en den bovenwaarts gekromden, langen, snavelvormigen snuit. De bovenkaak is zijdelings samengedrukt en vormt zoo een kam, die aan de voorzijde uitpuilt en van achteren breeder wordt, daar waar hij zich met het hooge, bolle voorhoofd vereenigt en de lange, smalle, nevens elkander geplaatste neusgaten omgeeft. Elke kaakhelft bevat 30 à 32 stevige, kegelvormige, spitse tanden. De vetvin op den rug bestaat slechts uit een kleine uitbreiding van de huid. De kleur van de bovendeelen is grijsachtig zwart, die van de onderdeelen grijsachtig wit.

Deze merkwaardige Dolfijn—die volgens de nieuwste onderzoekingen niet de eenige vertegenwoordiger van de orde der Cetaceën in de rivieren van Zuidoost-Azië is—komt niet alleen in den Ganges en zijne bijrivieren voor, maar werd ook reeds in de Brahmapoetra en in den Indus aangetroffen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen en Schaaldieren. Nu en dan heeft men in zijn maag ook rijstkorrels en overblijfselen van Insecten gevonden; naar men meent, zijn deze echter uit de ingewanden van de als voedsel gebruikte Visschen afkomstig.

Het vleesch van dit dier wordt in sommige streken van Indië met smaak gegeten. Het levert een zeer vloeibare traan op, die als een uitmuntend smeermiddel voor leder beschouwd wordt.


De Narwal, de Eénhoornvisch (Monodon monoceros), verschilt door belangrijke eigenaardigheden zoozeer van de overige Tandendragende Cetaceën, dat men hem in een afzonderlijke familie heeft geplaatst. Zijn gebit wijkt belangrijk af van dat zijner ordegenooten. Het mannetje heeft n.l. in de bovenkaak aan de linkerzijde één kolossalen stoottand met open wortel; deze steekt recht naar voren 2 à 3 M. buiten den bek uit, maar is naar verhouding van zijn lengte zwak; hij is van rechts naar links gedraaid; de hiermede overeenkomende tand aan de rechterzijde blijft in den regel onontwikkeld. Bij het wijfje blijven beide tanden meestal klein en in de kaak verborgen; slechts zelden groeien zij uit. Bij uitzondering heeft men Narwals met twee stoottanden gevonden; deze waren alle wijfjes; de tanden hadden dan steeds een veel geringere lengte dan die der mannetjes. De bovenkaak van het jonge dier bevat bovendien aan weerszijden twee kleine voortanden en een kies; bij volwassenen treft men deze bestanddeelen van het gebit in den regel niet meer aan. De onderkaak is altijd tandeloos. De rolronde, van voren afgeronde kop maakt ongeveer een zevende gedeelte van het langwerpige, bijna spoelvormige lichaam uit. Het platte voorhoofd gaat onmerkbaar over in den zeer korten, breeden en dikken, aan de rechterzijde een weinig verkorten snuit; deze daalt aan ’t voorste deel van ’t lichaam bijna loodrecht naar beneden. Een rugvin is niet aanwezig, hoewel door een huidplooi aangeduid. De borstvinnen zijn ongeveer op de grens van het eerste vijfde deel van ’t lichaam aangehecht, kort, eivormig, van voren dikker dan van achteren. De zeer groote staartvin is duidelijk in twee lobben verdeeld. De kleur van de glanzige en zachte, fluweelachtige huid vertoont, naar het schijnt, in verband met geslacht en leeftijd, een niet onbelangrijk verschil. Bij het mannetje is de witte of geelachtig witte grondkleur geteekend met talrijke donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm, die op den rug het dichtst opeengehoopt zijn, aan den buik het verst uiteenstaan en aan den kop bijna ineenvloeien. Jonge dieren zijn donkerder van kleur dan oude. Er worden echter ook wel nagenoeg zuiver witte en eveneens grijsachtige, effenkleurige exemplaren gevonden. De totale lengte van den Narwal kan, naar men zegt, tot 6 M. klimmen, bedraagt echter in den regel niet meer dan 4 à 5 M.

Narwal (Monodon monoceros). 1/40 v. d. ware grootte.

Narwal (Monodon monoceros). 1/40 v. d. ware grootte.

Dat onze voorouders van den Narwal fabelachtige dingen verhaalden, behoeft ons niet te verwonderen. Een dier, dat zulke in ’t oogloopende eigenaardigheden vertoont, moest wel de belangstelling van den mensch wekken; zoolang de wetenschap geen uitspraak deed, had de phantasie vrij spel. Vooral de stoottand heeft aanleiding gegeven tot allerlei onderstellingen. Albertus Magnus noemt dit dier een Visch, wiens hoorn op het voorhoofd dienen moet om andere Visschen en sommige schepen te doorboren; deze Visch is echter zoo lui, dat zij, die door hem aangevallen worden, gemakkelijk kunnen ontkomen. Wij daarentegen beschouwen deze tanden als wapens soortgelijk aan die, waardoor het mannetje zich zoo dikwijls van het wijfje onderscheidt.

De Narwal, een bewoner van de noordelijke zeeën, wordt het veelvuldigst aangetroffen tusschen 70 en 80° N. B. In de Davis-straat en de Baffins-baai, in de Poolzee tusschen Groenland en IJsland, rondom Nowaja Semlja en in de zee ten noorden van Siberië komt hij veelvuldig voor. Ten zuiden van den poolcirkel is hij zeldzaam: op de kusten van Groot-Britannië strandden, voorzoover mij bekend is, in de laatste eeuwen slechts vier Narwals; aan de Duitsche kusten heeft men nooit anders dan in 1736, maar toen tweemaal, zulke dieren waargenomen en gedood. In zijn eigenlijk woongebied ontmoet men hem bijna altijd in talrijke kudden: hij doet in gezelligheid voor geen zijner verwanten onder. “Gedurende den trektijd,” zegt Brown, “heb ik troepen Narwals gezien, die uit vele duizenden individuën bestonden. Tand naast tand, staartvin naast staartvin trokken zij noordwaarts; als een cavalerieregiment doken en rezen zij, naar allen schijn, met de grootst mogelijke regelmatigheid en vervolgden in golflijnen hun weg. Zulke troepen bestaan niet altijd uitsluitend uit dieren van hetzelfde geslacht; dikwijls zijn mannetjes en wijfjes hierin bont dooreengemengd.”

De zeereizigers uit lateren tijd roemen de vlugheid en de behendigheid van dit dier, dat door zijn herhaaldelijk oprijzen en onderduiken de zee weet te verlevendigen en de aandacht van den onderzoeker in hooge mate boeit. Het is zoo goed als zeker, dat hij aan andere Cetaceën nooit de gevechten levert, waarvan de oude schrijvers melding maken. Ook jegens zijne soortgenooten toont hij zich verdraagzaam, zoolang de liefde niet in ’t spel komt en de gemoederen der mannetjes verhit. Dat dit somtijds geschiedt en tot ernstige gevechten aanleiding geeft, mag men met zekerheid aannemen, daar men zelden een ouden Narwal doodt, wiens tand onbeschadigd is. In vele gevallen waren in de tandholte van zulke dieren andere tanden doorgedrongen en afgebroken.

Het voedsel van dit merkwaardig dier bestaat uit Zeekomkommers (Holothuriën), naakte Weekdieren en Visschen.

Velerlei gevaren en tal van vijanden bedreigen het leven van den Narwal. Van geen anderen Cetacee vindt men zoo dikwijls overblijfselen als van hem. Door den winter, die dikwijls onverwacht plotseling intreedt en de zee in het hooge noorden over een groote uitgestrektheid in boeien van ijs slaat, wordt op deze wijze het bestaan van alle door longen ademende zeebewoners in zeer hooge mate bemoeilijkt en in gevaar gebracht, zoodat honderden en duizenden sneven; de zee spoelt hunne lijken of wat hiervan overblijft, naar het strand. Zoo worden hier ook dikwijls narwaltanden gevonden.—Kleine parasieten kwellen, groote, weerbare vijanden bedreigen den Narwal. De mensch maakt ijverig jacht op hem. Dit doen echter alleen de inboorlingen, niet de uit zuidelijker gewesten komende jagers, die slechts enkele malen zich verledigen om Narwals te harpoeneeren, daar deze jacht voor het goedmaken van de kosten hunner reis te weinig voordeel oplevert. Zoowel het vleesch als de traan van deze dieren wordt hoog geschat. Alle in Groenland levende Deensche vrouwen brengen het Narwal-vleesch gekookt zoowel als gebraden en in een uit de spekachtige huid bereide gelei gelegd op den disch, vol vertrouwen dat zelfs de meest verwende vreemdeling dit gerecht eer zal aandoen. De inboorlingen van Groenland eten dit vleesch gekookt of gedroogd, de huid en het spek rauw; zij branden het vet in hunne lampen, vervaardigen uit de pezen naaigaren en uit de maag blazen, die zij bij de vischvangst gebruiken; zelfs van de darmen weten zij partij te trekken.

In vroegere tijden werden voor de stoottanden van den Narwal ongeloofelijke hooge sommen betaald. Men schreef hun allerlei wonderkrachten toe en hechtte er daarom veel meer waarde aan dan wij, die deze voorwerpen alleen begeeren, omdat zij op soortgelijke wijze als het ivoor gebruikt kunnen worden. Nog geen 250 jaar geleden waren er nog slechts weinig narwaltanden in Europa te vinden; die, welke de zeelieden tot aan dien tijd hadden meegebracht, vonden gretig koopers. Men hield ze voor afkomstig van den Bijbelschen Eenhoorn, welk dier, op fabelachtige wijze voorgesteld, deel uitmaakt van het Engelsche wapen. Keizers en koningen lieten zich dikwijls van deze tanden staven vervaardigen, die, met zeer sierlijk snijwerk versierd, hun nagedragen werden; de kostbare kromstaven van de bisschoppen waren van zulke tanden gemaakt. Nog in de 16e eeuw bewaarde men in het Bayreuther archief op den Plassenburg vier narwaltanden als buitengewone zeldzaamheden. Eén daarvan hadden twee markgraven van Karel V aangenomen tegen kwijtschelding van een grooten schuldpost. Voor den grootsten der beide tanden werd door de Venetianen nog in het jaar 1559 de ontzaglijke som van 30.000 zechinen geboden, zonder dat het hun gelukte den eigenaar tot den verkoop over te halen. Een Narwaltand, die in de keurvorstelijke verzameling te Dresden aan den gouden keten hing, werd op een waarde van 100.000 thaler geschat. De “Groenlandsche Compagnie” en andere kooplieden hebben gedurende eenigen tijd met deze tanden goede zaken gedaan bij de Moscovieten en bij de bewoners van Oost-Azië. Nog in de vorige eeuw kwamen zij trouwens in de apotheken voor en werd het poeder van de gebrande en ongebrande tanden soms als geneesmiddel voorgeschreven. Tegenwoordig kosten zij per K.G. hoogstens zes, of per stuk twaalf à achttien gulden.

De vijfde familie van de onderorde der Tandendragende Cetaceën omvat de Snavelwalvisschen (Hyperoodontidae) en is vooral in de zuidelijke zeeën door verscheidene soorten vertegenwoordigd. De hiertoe behoorende vormen onderscheiden zich van de Dolfijnen zoowel door den meer of minder snavelvormig verlengden snuit als door het gebit, daar in de onderkaak aan iedere zijde slechts één of twee (en overigens in beide kaken geen andere dan onontwikkelde, niet boven het tandvleesch uitstekende) tanden voorhanden zijn.

Een der meest bekende leden van deze familie is die, welke wij, in navolging van de bewoners der Fär-öer, Deugling (Hyperoodon bidens) zullen noemen. Na den Cachelot is de Deugling de grootste van alle Tandendragende Cetaceën. Hij kan een lengte van 8 M. bereiken, de omvang van den kop in de nabijheid van de oogen bedraagt dan 4 M. Het wijfje is slanker en kleiner dan het volwassen mannetje; de jonge mannetjes gelijken op de wijfjes. Vooral de vorm van den kop is merkwaardig: hier is als ’t ware een ganze- of eendesnavel aan den kop van een Zoogdier vastgehecht. Het lichaamsdeel achter den snavel wordt ten onrechte “voorhoofd” genoemd door de Walvischvangers; het bestaat uit de bovenkaak, die loodrecht omhoog rijst en zich tot een halfkogelvormigen bult verheft. Deze bult, welke zich uitstrekt tot den voorrand van het boven de oogen gelegen spuitgat wordt door een groote knobbelvormige uitbreiding van de bovenkaaksbeenderen gesteund en bestaat overigens uit een wijdmazig, met vloeibaar vet gevuld bindweefsel. In het skelet komt achter dezen knobbel een (uitwendig niet waarneembare) diepe, zadelvormige inzinking voor, van achteren door het eigenlijke voorhoofd begrensd. Bij het door Vrolik ontlede, ruim 7.6 M. lange dier was het spuitgat 1.3 M., het loodrecht opstijgende “voorhoofd” ongeveer 45 cM. achter het voorste deel van den snavel gelegen. Soms echter is de snavel wel 60 cM. lang en het loodrechte deel van den kop 80 cM. hoog. De jongen en de wijfjes hebben een lager, minder vlak, meer achteruitwijkend voorhoofd. Deze werden daarom tot voor korten tijd als leden van een afzonderlijke soort beschouwd. Thans echter is men, o. a. door de onderzoekingen van Axel Ohlin, tot de overtuiging gekomen, dat de Hyperoodon’s van de noordelijke zeeën één soort vormen. Van haar aanwezigheid in het noordelijke deel van den Stillen Oceaan is niets bekend; terwijl men den Hyperoodon van ’t zuidelijk halfrond terecht of ten onrechte als een afzonderlijke soort beschouwt. [In de noordelijke zeeën leeft behalve de Deugling nog een andere soort van Snavelwalvisch, n.l. de Spitsdolfijn (Mesoplodon Sowerbyi, Hyperoodon micropterus), die ook nu en dan in de Noordzee verdwaalt en er herhaaldelijk op ’t strand gekomen is, o.a. 1835 bij Ostende.] Verscheidene namen heeft de Deugling gekregen op grond van den eigenaardigen vorm van den kop. Zeer algemeen is de naam Butskop (“stompkop”), die echter ook aan verscheidene Dolfijnen met stomp eindigenden kop gegeven wordt. Hieraan is de Engelsche naam Bottlenose ontleend. De IJslanders noemen dit dier Andarnefia (“eendensnavel”), de Groenlanders Anarnak, de Duitschers Entenwal. Aan ’t voorste uiteinde van de onderkaak komen bij het volwassen mannetje geregeld twee kegelvormige tanden voor van ongeveer 4 cM. lengte en 2 cM. dikte; deze zijn dikwijls geheel afgesleten: door stevig bindweefsel zijn zij met hun breede basis aan het kaakbeen vastgehecht (niet in tandkassen geplaatst). Het deel van de onderkaak waarin de bedoelde tanden zich bevinden steekt voorbij de bovenkaak uit; deze tanden zijn dus als ’t ware slagtanden in miniatuur. Ohlin zag ze bijna altijd bedekt met kleine, vastzittende zeedieren (Rankpootige Schaaldieren) waaruit blijkt, dat zij zoo goed als niet gebruikt worden. Bovendien komen iets verder naar achteren in iedere helft van elke kaak een reeks van zeer kleine tandjes voor, die ook wel in één kaak of in beide kaken geheel kunnen ontbreken; hun aantal schijnt afwisselend te zijn; zij blijven steeds in het tandvleesch verborgen. Bij de jonge dieren zijn zij duidelijker zichtbaar. Aan de benedenzijde van den kop, ongeveer in ’t midden van de onderkaak, beginnen twee korte, maar diepe, naar achteren uiteenwijkende groeven; een dergelijke groeve is verder achterwaarts aan de keel gelegen; overigens is de huid glad en glanzig, meer of minder gelijkmatig zwart; de bovendeelen zijn echter in den regel donkerder dan de onderdeelen. De hooge spits, aan de achterzijde uitgesneden rugvin komt voor aan het begin van het laatste derde gedeelte van het lichaam.

Naar het schijnt, is het verbreidingsgebied van den Deugling tot de Noordelijke IJszee en de noordelijke gedeelten van den Atlantischen Oceaan beperkt; van hier uit onderneemt hij echter geregeld reizen in zuidelijke richting; ieder jaar komt hij in de nabijheid van de Fär-öer, niet zelden ook aan de kusten van Groot-Britannië, waar hij zelfs nu en dan eenige, voor hem gunstig gelegen rivieren opzwemt. Op de Atlantische kusten van Europa en Noord-Amerika zijn dikwijls gestrande Deuglings gevonden, ook eenige malen op de kusten van de Noordzee. Het exemplaar, dat den 24en Juli 1846 bij Zandvoort op de Hollandsche kust strandde, gaf aanleiding tot de uitvoerige beschrijving van het dier door Prof. Vrolik.

De Deugling voedt zich met Koppootige en andere Weekdieren, die niet door een schelp omgeven zijn; ook wel met kleine Visschen, o.a. Haringen. Vrolik schatte het aantal snavels van Inktvisschen in de maag van den door hem onderzochten Deugling op ruim tien duizend. Uit de aanwezigheid van Zeesterren in de maag blijkt, dat dit dier ook wel op den zeebodem voedsel zoekt, waarvoor zijn snavel zeer geschikt schijnt. Zijn vaardigheid in het duiken wordt bevestigd door een mededeeling van Kükenthal, die een geharpoeneerden Deugling 300 vademen lijn medenemen en volle 45 minuten onder water blijven zag.

Evenals de traan van den Cachelot, bevat ook die van den Deugling “spermaceti.” Hoewel het spek een zekere hoeveelheid van deze uitmuntende vetsoort bevat, komt zij echter, naar het schijnt, vooral voor in het bindweefsel, waaruit een groot deel van den bult op den kop bestaat. Bij jonge exemplaren kan men hieruit, nadat het “kalotje” er afgesneden is, 2 of 3 liter van een heldere, zeer vloeibare traan scheppen, deze is bij zeer oude exemplaren niet meer aanwezig. Door het vinden van spermaceti in de Deugling-traan steeg de prijs van dit artikel aanmerkelijk, hetgeen het sein gaf tot de meedoogenlooze vervolging, waaraan het dier tegenwoordig is blootgesteld van de zijde der Engelsche en Noorsche visschers. In 1891 hielden niet minder dan 70 vaartuigen zich met de jacht op Deuglings bezig; zij vingen er niet minder dan 3000.


De zesde familie der Tandendragende Cetaceën is die der Potvisschen (Catodontidae), zoo genoemd naar zijn belangrijksten vertegenwoordiger, den Potvisch of Cachelot, de Sperm whale der Engelschen de Kegoetilik der Groenlanders, de Tweldhal der IJslanders (Catodon macrocephalus), het plompste lid der geheele orde. De Potvisschen worden gekenmerkt door den buitengewoon grooten kop, die ongeveer ⅓ van de geheele lichaamlengte heeft. De snuit is in bovenwaartsche richting zeer sterk gezwollen en van voren als ’t ware recht afgeknot. Er is slechts één ademgat aanwezig, dat een weinig naar links van het middenvlak afwijkt. De zeer lange en smalle onderkaak is korter dan de bovenkaak en wijkt van die der overige Cetaceën af, doordat de beide onderkaaksbeenderen over het grootste deel van hun lengte tegen elkander aan liggen en niet alleen van voren met elkander vereenigd zijn. Zij bevatten ieder een reeks van kegelvormige tanden zonder email en van nagenoeg gelijke lengte; de bovenkaakstanden verdienen ternauwernood dezen naam, daar zij, evenals bij de leden der vorige familie, zeer weinig ontwikkeld zijn.

De Potvisch wordt, wat de grootte betreft, slechts door eenige van de langste Baardendragende Cetaceën overtroffen. Hoewel sommige berichtgevers melding maken van oude mannetjes, die 30 M. lang waren, komt men, wegens het ontbreken van nauwkeurige metingen, die de juistheid van de bedoelde berichten bevestigen, waarschijnlijk nader bij de waarheid door

Potvisch (Catodon macrocephalus). 1/125 v. d. ware grootte.

Potvisch (Catodon macrocephalus). 1/125 v. d. ware grootte.

aan te nemen, dat een totale lengte van 20 à 23 M., een lichaamsomvang van 9 à 12 M. en een staartbreedte van 5 M. de grootste afmetingen zijn, die dit dier bereiken kan. Deze gelden trouwens alleen voor de mannetjes, want de wijfjes zijn zonder uitzondering aanmerkelijk kleiner; stellig worden zij niet half zoo lang. In verhouding tot de lichaamslengte zijn de borstvinnen bijzonder klein; bij de grootste exemplaren zijn zij hoogstens 2 M. lang en 1 M. breed. De kolossale, op een blok gelijkende, van voren afgeknotte kop heeft dezelfde hoogte en breedte als de romp en gaat onmerkbaar hierin over. De beide voorste derde gedeelten van den romp zijn zeer dik en breed; van hier tot aan het begin van de staartvin nemen de dikte en breedte allengs af. Op het laatste derde gedeelte verheft zich een lage, knobbelvormig uitgezette, onbewegelijke rugvin of vetvin, die van achteren dikwijls als ’t ware afgesneden is, van voren echter onmerkbaar in den romp overgaat. De korte, breede, dikke borstvinnen staan onmiddellijk achter de oogen en hebben aan haar bovenzijde vijf overlangsche plooien: het eenige, uitwendig waarneembare spoor van een verdeeling in vijf vingers; de onderzijde is glad. De staartvin is niet diep ingesneden, hoewel men er twee lobben aan opmerkt; bij jonge dieren is hij aan den rand ingekorven. Het ademgat, een bijna S-vormig gekromde spleet van 20 à 30 cM. lengte, ligt, niet zooals bij de andere Cetaceën aan het achterste, maar aan het voorste deel van den snuit bovenaan; het oog is zeer klein en ver naar achteren geplaatst; de gehooropening, een kleine, overlangsche spleet, ligt even onder het oog. De muil is groot, de mondspleet strekt zich tot dicht bij de oogen uit. De onderkaak is aanmerkelijk smaller en korter dan de bovenkaak, die haar bij ’t sluiten van den bek geheel omvat. Beide kaken zijn bezet met kegelvormige, wortellooze tanden, welker aantal aan veel afwisseling onderhevig is, daar er op lateren leeftijd verscheidene uitvallen en andere door het tandvleesch bijna geheel overdekt worden. Betrekkelijk groote tanden komen alleen in de onderkaak voor, ten getale van 39 à 52; in de eene onderkaakshelft zijn er meer dan in de andere. De schedelhelften zijn zeer ongelijk ontwikkeld (evenals bij de leden van de vorige familie); bovendien zijn de buitengewoon logge gedaante en het behouden van dezelfde dikte van voren tot achteren zeer opmerkelijke eigenaardigheden van dezen kop. Onder de verscheidene cM. dikke speklaag van den kop breiden zich bindweefsellagen uit, die een groote ruimte bedekken, welke door een loodrechten wand verdeeld is in twee door verscheidene openingen met elkander in gemeenschap staande kamers. De geheele ruimte is gevuld met een olieachtige, heldere massa, spermaceti of walschot; dit vet bevindt zich bovendien nog in een buis, welke zich van den kop tot aan den staart uitstrekt, en in vele kleine in het vleesch en het spek verstrooide zakjes. Het vleesch is hard en grofvezelig en met vele dikke en stijve bindweefselstrengen doorvlochten. Het is bedekt met een speklaag van verschillende dikte en hierover breidt zich de kale, bijna volkomen gladde, glanzige huid uit; deze heeft een dof zwarte of zeer donkerbruine kleur, die aan den staart en de onderkaak op sommige plaatsen lichter is; bij zeer oude exemplaren is ook de bovenzijde van den kop lichter van kleur. De tong is met haar geheele onderzijde aan den bodem van de onderkaak vastgegroeid. De maag is in vier afdeelingen verdeeld. Bovendien verdient nog de eigenaardige urineblaas vermelding. Zij is gevuld met een donkere, oranjekleurige, olieachtige vloeistof; soms bevinden zich hierin bolvormige kluiten van 8 à 30 cM. middellijn en 6 à 10 KG. gewicht, waarschijnlijk ziekelijke producten, te vergelijken met de blaassteenen van andere dieren; dit is de bekende, buitengewoon hooggeschatte grijze amber (het ambergrijs).

De Potvisch is bijna een wereldburger. Alle zeeën der aarde, met uitzondering van de IJszeeën en de hieraan grenzende afdeelingen van den Oceaan, dienen hem tot woonplaats. Als het eigenlijke gebied van den Potvisch moet men, volgens Pechuel-Loesche, de zeeën tusschen 40° N.B. en 60° Z.B. beschouwen; van hieruit trekt hij op onregelmatige wijze noordwaarts en zuidwaarts tot aan den 50en breedtegraad en soms verder; hij volgt hierbij de warme stroomingen. Alle exemplaren evenwel, die op 55 à 60° N. of Z.B. en op nog grooteren afstand van den evenaar waargenomen zijn, moeten als afgedwaald beschouwd worden. Troepen of kudden, zoogenaamde “scholen”, van deze dieren heeft voorzeker geen ervaren en betrouwbare walvischvanger in deze gedeelten van de zee ooit gezien.

Op gelijke wijze als de Dolfijnen in zeer verschillend aantal tot nauw aaneengesloten scholen vereenigd, doorkruisen deze reusachtige dieren de zee, welker diepste gedeelten zij uitzoeken. Gaarne houden zij zich op in de nabijheid van steile kusten; angstvallig vermijden zij echter de voor hen zoo gevaarlijke ondiepten, hoewel zij ook hier af en toe zich vertoonen. Meestal bestaat een school uit 20 à 30 leden; in sommige tijden echter vereenigen zich verscheidene van deze troepen en trekken dan bij honderden gemeenschappelijk verder.

De Potvisch staat door de snelheid van zijne bewegingen niet ver achter bij de snelste leden zijner orde. Reeds wanneer hij bedaard voortzwemt, legt hij 3 à 6 zeemijlen in het uur af; in opgewonden toestand doorklieft hij echter de golven met de snelheid van een stoomschip. Reeds van verre herkent men hem aan zijne bewegingen. In kalme gemoedsstemming glijdt hij onder den waterspiegel voort, zonder deze in hevige beroering te brengen; zijn snellere verplaatsing gaat gepaard met zulke hevige, boven- en benedenwaartsche slagen met den staart, dat zijn kop op ’t eene oogenblik diep onderzinkt, op ’t andere zich ver boven ’t water verheft. Niet zelden neemt hij een loodrechten stand in ’t water aan, zoodat nu eens de kop, dan weer de staartvin zich ver boven de oppervlakte verheft, een verschijnsel dat bij de meeste andere Cetaceën niet voorkomt. Bij ’t spelen steekt hij soms de eene, soms de andere borstvin in de lucht, en slaat vervolgens met groote kracht op het water of beukt dit met den staart, zoodat men het geluid op een grooten afstand hoort; er worden dan kolossale, witte watermassa’s opgeworpen, die op heldere dagen wel 10 zeemijlen ver zichtbaar zijn, en als een goed voorteeken worden beschouwd door ervaren walvischvangers. Bij windstilte liggen de Potvisschen niet zelden volkomen onbeweeglijk in het water, en laten zich door de deining schommelen. Soms steken zij, terwijl zij in ’t water overeind gaan staan, den kop op komische wijze er boven uit. Men zou ze dan kunnen aanzien voor den uiteinden van verbazend groote boomstammen of voor de halzen van ontzaglijk wijde flesschen, die met de golven zachtjes op en neder wiegelen.

Verschillende soorten van Koppootige Weekdieren maken hoofdzakelijk het voedsel van den Potvisch uit. Kleine Visschen, die toevallig in zijn grooten muil verdwaald raken, worden natuurlijk meteen doorgeslikt; de Cachelot maakt echter geen jacht op hen. De zeelieden uit vroegeren tijd verhaalden, dat hij ook Haaien, Robben, Dolfijnen en zelfs Walvisschen aanvalt; nauwgezette onderzoekers uit lateren tijd hebben echter nooit iets van dien aard opgemerkt. Wel zegt men, dat hij soms plantaardig voedsel gebruikt, althans velerlei boomvruchten verslindt, die door de rivieren naar zee gevoerd zijn.

In alle tijden van het jaar heeft men moeders met zuigende jongen aangetroffen. De pasgeboren Potvisschen hebben ongeveer het vierde deel van de grootte van het oude wijfje en zwemmen vroolijk naast haar. Bij ’t zoogen gaat de moeder, naar men zegt, op zijde liggen en laat het jong den tepel met den mondhoek, maar niet met den top van de kaak aanvatten.

Op den Potvisch werd reeds in den ouden tijd jacht gemaakt; in navolging van de Amerikanen leggen de walvischvangers zich sedert het einde van de 17e eeuw met bijzonderen ijver op de cachelottenvangst toe. Sedert het begin van onze eeuw is de Zuidzee hun voornaamste jachtgrond; de jagers zijn bijna uitsluitend Engelschen en Noord-Amerikanen. In de jaren 1820–1830 zijn door Engelsche walvischvangers 45.933, gemiddeld per jaar dus bijna 4600 ton walschot buitgemaakt; in de jaren 1831 en 1832 steeg de opbrengst tot 7605 en 7165 ton. Sedert ongeveer een menschenleeftijd is het voordeel, dat de potvischvangst oplevert, aanmerkelijk verminderd. Van een volwassen mannelijken Potvisch verkrijgt men 30 à 120 vaten traan; de waarde van zulk een exemplaar wisselt wegens de buitengewoon groote variatie van den prijs der traan en der andere producten, ongeveer tusschen 5400 en 12000 gulden af; de veel kleinere wijfjes zijn niet half zoo veel waard.

De jacht op den Cachelot is met grootere gevaren verbonden dan de vangst van andere Cetaceën. Slechts bij uitzondering tracht een Walvisch of een Vinvisch zijn vermetelen vijand kwaad te doen; de Potvisch echter zal, als hij aangevallen wordt, zich verdedigen, moedig op zijn vijand afgaan en als wapen niet alleen zijn staart, maar ook zijn vreeselijk gebit gebruiken. Uit een aantal feiten blijkt, dat hij werkelijk zich ook met de tanden verdedigt. Er zijn alleenlevende oude mannetjes gedood, welker onderkaak geheel verminkt was; blijkbaar hadden deze vroeger een strijd met hunne soortgenooten of met een nog onbekenden Leviathan der diepte gevoerd. Bovendien weten de walvischvangers door noodlottige ervaringen, dat de vertoornde Potvisch niet slechts met de kop tegen de booten aanrent of ze met den staart stuk slaat, maar ze ook wel in den bek neemt en met gemak vergruist. Dat hij in dit geval zijn met groote tanden bezette onderkaak van de bovenkaak kan doen afwijken, totdat beide een rechten hoek met elkander vormen, is overtuigend gebleken; ook zijwaarts kan hij haar opmerkelijk ver bewegen. Als hij getroffen wordt, blijft hij soms eenige oogenblikken als verlamd in het water liggen; dit geeft den opmerkzamen walvischvanger de gelegenheid, om hem schielijk af te maken; in den regel echter verdedigt hij zijn leven met wanhopigen moed, beantwoordt den tegen hem gerichten aanval met woede en boosheid en zoekt volstrekt niet altijd zijn heil in de vlucht. Alle ervaren zeelieden weten te verhalen van ongelukken, die door den Cachelot veroorzaakt zijn; het is wel mogelijk, dat sommige van deze verhalen opgesierd of zelfs geheel verzonnen zijn, van andere echter is de waarheid ontwijfelbaar en wordt door authentieke bescheiden gestaafd.

Het schip “Nantucket” werd in het jaar 1807 niet ver van de kust van Massachusetts door een Potvisch geheel wrak gestooten.—In het jaar 1820 maakten de booten van het schip “Essex” in de Zuidzee jacht op een school Potvischen, terwijl het schip met gereefde zeilen hen volgde. Opeens kwam niet ver van het schip een reusachtige mannelijke Potvisch boven; deze zwom op zijn gemak voort in een richting loodrecht aan die van het schip, ging er onder door en stiet intusschen, bloot toevallig naar men meende, tegen den romp. De bemanning gevoelde een hevigen schok en bemerkte spoedig, dat er een lek was ontstaan; ook de Potvisch scheen zwaar gekwetst te zijn, want hij wentelde zich, alsof hij razend was, in ’t water om; weldra echter kwam hij weer bij en verwijderde zich—zoo dachten althans de manschappen, die aan de pompen werkten. Op een afstand van 100 vademen zag men echter den Potvisch plotseling tot stilstand komen, rechtsomkeert maken en woedend op het schip losschieten; hij trof het aan den voorsteven en vernielde het zoo zeer, dat het onmiddellijk begon te zinken.—Verscheidene oude dieren van deze soort zijn wegens hun strijdlust aan de walvischvangers goed bekend en hebben als “vechtende” of “bijtende Walvisschen” een zekeren roem verworven, zooals b.v. “Nieuw-Zeelandsche Tom”, een reusachtige Cachelot, die zijn naam ontleent aan het deel van den Oceaan, waar hij zich bij voorkeur ophoudt. Men zegt, dat hij door de ervaring zoo schrander geworden is, dat hij iederen aanval voorkomt en de booten stukslaat of stukbijt, als zij niet tijdig zijn vaarwater verlaten. De schepen zelf laat hij echter met vrede. In liederen en verhalen wordt zijn roem verkondigd; naar men beweert, steekt zijn rug zóó vol harpoenen, dat hij op dien van een Stekelvarken gelijkt.—Uit het zooeven gezegde blijkt, dat men den Potvisch als den flinksten en edelsten van alle Cetaceën mag aanmerken; hij is het type van een echt zeemonster.

De groote gevaren, die de potvischjagers bedreigen, worden ternauwernood opgewogen door de winst, die zij hopen te behalen, hoe groot deze ook is. Behalve het spek, dat een zeer goede traansoort oplevert, worden van den Potvisch ook nog spermaceti (walschot) en ambergrijs verkregen. De doorzichtige en bijna kleurlooze spermaceti-olie, die uit de holten van den kop geschept wordt, is aanvankelijk vloeibaar, n.l. zoolang zij nog de temperatuur van het levende dier heeft. Bij bekoeling scheiden zich uit deze olie plaatvormige, paarlmoer-glanzige kristallen van een vast vet af, waardoor zij weldra tot een witte massa stolt; hieruit wordt door persen en omsmelten het nog overige vloeibare vet verwijderd. Het zuivere walschot bestaat uit een eigenaardige vetsoort (cetine) en bevat ook een kleine hoeveelheid cetyl-alcohol; het smelt bij 45° C. Het wordt gebruikt voor de bereiding van pleisters, zalven, blanketsel, lippenpommade enz., verder voor het vervaardigen van zuiver witte kaarsen, die als luxe-artikel vooral in Engeland aftrek vinden en ook bij photometrische onderzoekingen te pas komen, eindelijk ook voor het appreteeren van linnen garen. De prijs in den groothandel was in 1895 per K.G. ƒ 2.10. Een gewone Cachelot levert 12 ton ruwe spermaceti. Kostbaarder nog is de ambra (het ambergrijs); de prijs van dit artikel stijgt voortdurend en bedroeg in 1891 ƒ 4200 per K.G. Over den oorsprong van deze stof zijn sedert overouden tijd vele vermoedens geuit, totdat men haar als een product van den Potvisch leerde kennen: zij is een lichte, wasachtige, ondoorzichtige, brokkelige massa, meestal grijsbruin of lichtgrijs met lichte en donkere aders en vlekken; bij ’t kneden tusschen de vingers wordt zij week; zij smelt bij 60° C. Bij verwarming verbreidt zij een aangenamen, eenigszins aan benzoë en in de verte aan muskus herinnerenden geur, daar zij nevens het bij hooge temperatuur vluchtige ambra-vet de gemakkelijker verdampende ambra-olie (hoogstens 13 percent) bevat. In het Oosten wordt zij voor berookingen, in Frankrijk, opgelost in alcohol en gemengd met andere welriekende oliën, voor het bereiden van reukwaters en het parfumeeren van zeep gebruikt. Veelvuldiger dan uit het lichaam van den Potvisch vischt men het ambergrijs uit zee op (bij Java, Madagaskar, Suriname enz.). Het is aan geen twijfel onderhevig, dat men werkelijk stukken van 90 KG. gewicht, 1.5 M. lengte en meer dan 0.5 M. dikte in de zee drijvend heeft gevonden; meestal vindt men echter kleinere stukken.—Bovendien worden ook nog de tanden van den Cachelot gebruikt, n.l. in plaats van ivoor. Zij zijn van binnen eenigszins geelachtig, maar bestaan uit een zeer dichte, vaste en duurzame stof; men maakt er dikwijls knoopen en fiches van. De prijs per KG. bedraagt ƒ 3 à ƒ 4.80.