Voskoesoe (Trichosurus vulpecula). 1/6 v. d. ware grootte.
De Vos-koesoe bewoont Australië en Tasmanië, en is een van de veelvuldigste Australische Buideldieren. Evenals zijne verwanten leeft hij uitsluitend in de wouden op boomen, en leidt een volslagen nachtelijke levenswijze. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit plantaardige stoffen; kleine vogeltjes en andere zwakke Gewervelde Dieren worden echter volstrekt niet door hem versmaad.
Het wijfje brengt slechts twee jongen ter wereld en draagt deze gedurende langen tijd bij zich in den buidel, later ook wel op den rug, totdat het kroost de moederlijke zorgen niet meer noodig heeft.
De Voskoesoe kan gemakkelijk getemd worden. Levende exemplaren van deze diersoort komen in den laatsten tijd dikwijls naar Europa. De meeste diergaarden hebben er eenige. In de gevangenschap zijn zij zachtaardig en vredelievend, met andere woorden, zij trachten niet te bijten; zij zijn echter zoo dom, onverschillig en traag, dat men niet veel aardigheid aan hen kan hebben. De inboorlingen maken ijverig jacht op dit dier en beschouwen zijn vleesch, in weerwil van den voor ons hoogst onaangenamen geur, dien het verbreidt, als een kostelijke lekkernij; ook het vel gebruiken zij voor velerlei doeleinden. Een van koesoe-vellen vervaardigden mantel dragen zij met evenveel zwier als wij een pelsjas van sabel- of marterbont.
De Buideleekhoorntjes (Petauroides) gelijken door hun gestalte zoo sprekend op de meer bekende Vliegende Eekhoorntjes, dat zij met deze verward zouden kunnen worden, indien zij zich niet door hun gebit belangrijk van deze Knaagdieren onderscheidden.
De eenige soort van dit geslacht, het Buideleekhoorntje (Petauroides volans), heeft een vlieghuid, die zich naar voren tot aan den elleboog, naar achteren tot aan den wortel van den duim uitstrekt. Het kan een lichaamslengte van 50 cM. bereiken, zonder den ongeveer even langen staart, die aan de onderzijde bij de spits onbehaard is. De kop is klein, de snuit kort en toegespitst; de oogen zijn zeer groot, de breede ooren dicht, bijna ruig behaard. Aan de voeten bevinden zich stevige, gekromde en scherpe nagels. De zeer lange en zachte, aan den staart ruige vacht vertoont vele kleurafwijkingen. Gewoonlijk zijn de bovendeelen bruinachtig zwart, de kop is meer bruinachtig, de vlieghuid witachtig gesprenkeld; de snuit, de kin en de pooten zijn zwart, de keel, de borst en de buik wit.
De Buideleekhoorn bewoont Australië, van Queensland tot Victoria, vooral de groote wouden tusschen Port-Philipp en Moreton-baai; hij moet daar veelvuldig zijn, hoewel men hem slechts zelden gevangen of gedood in de handen van de inboorlingen ziet. Nachtdier zooals al zijne verwanten, verbergt hij zich tegen den morgen in de holten van groote, doode boomen en brengt hier den dag slapend door, beveiligd tegen al zijne vijanden behalve den altijd hongerigen en altijd op den loer liggenden inboorling. Men beweert, dat hij, in ’t nauw gebracht, met wanhopigen moed vecht en zijne tanden bijna even goed weet te gebruiken als zijne klauwen. Zijn vleesch wordt als een lekkernij beschouwd. Daar deze dieren betrekkelijk groot worden, maken niet alleen de zwarte oorspronkelijke bewoners van het land, maar ook de blanken ijverig jacht op hen.
In volkomen wakenden toestand onderscheidt de Buideleekhoorn zich door de vlugheid, behendigheid en zekerheid van zijne bewegingen. Hij vliegt letterlijk van den eenen tak op den anderen, springt over groote tusschenruimten heen, klimt buitengewoon snel weer naar een nieuwen boomtop omhoog en begeeft zich op deze wijze van den eenen boom op den anderen, van kroon tot kroon. Zijn lang, zacht, als zijde glinsterend haar is bij deze sprongen in golvende beweging; het vel, dat door zijn gladheid het bleeke schijnsel der maan op een eigenaardige wijze weerspiegelt, maakt in heldere nachten een waarlijk tooverachtigen indruk.
Het voedsel van dit dier bestaat uit bladen, knoppen, jonge twijgen en misschien ook uit wortels. Zelden daalt het op den bodem af om hier te grazen. Men zegt, dat het in gevangen staat lang in ’t leven kan blijven; het gelukt echter uiterst zelden het te krijgen.
*
De naaste verwanten van de Buideleekhoorntjes zijn de Suikereekhoorntjes (Petaurus), welker staart ook aan de spits behaard is. De meest bekende soort is de Suikereekhoorn (Petaurus sciureus) uit wiens naam men reeds zou kunnen afleiden, dat het een bij ’t volk geliefd dier is. Niet alleen door zijn gestalte, maar ook door zijn grootte gelijkt het dier op ons Eekhoorntje en nog meer op den Tagoean.
Men vindt den Suikereekhoorn van Queensland tot Victoria. Hij is een echt boomdier en evenals de meeste op hem gelijkende dieren des nachts werkzaam. Hij klimt met de behendigheid van een Eekhoorn in de boomen rond, altijd van onderen naar boven en is in staat buitengewone sprongen te doen en intusschen naar verkiezing een andere richting aan te nemen. Hij behoeft van geen grootere hoogte dan 10 M. af te springen om een boom te bereiken, die 20 à 30 M. van hem verwijderd is. Allen die dit dier in de vrije natuur waargenomen hebben, zijn eenstemmig in hun bewondering over deze beweging, die zooveel op vliegen gelijkt, door geen dier, dat met een behaarde vlieghuid uitgerust is, overtroffen wordt en even bevallig als behendig uitgevoerd wordt.
Over ’t algemeen is de Suikereekhoorn een zeer aardig dier; hoewel hij zich verweren kan, is het niet moeilijk hem te temmen; bovendien is hij ’s nachts buitengewoon opgewekt, vlug en vroolijk, maar ongelukkig altijd eenigszins schuw. Men ontmoet hem volstrekt niet zelden in de huizen der kolonisten, die hem met groote zorgvuldigheid behandelen. Zijn verstand is gering; het gemis van geestesgaven wordt tot op zekere hoogte vergoed door vroolijkheid, opgewektheid en een lieftallig uiterlijk. Zonder groote moeite kan men hem aan allerlei kost gewennen, hoewel hij steeds aan vruchten, knoppen en Insecten de voorkeur blijft geven, welke stoffen in de vrije natuur zijn voedsel uitmaken. Bijzonder gaarne eet hij de eucalyptus-manna, een product van den Eucalyptus mannifera en eenige andere soorten van hetzelfde voor Nieuw-Holland karakteristieke plantengeslacht. De schors en de bladen van deze hooge boomen zweeten in kleine droppeltjes een grooten overvloed van een slijmerig, zoet sap uit, dat, aan de lucht drogend, in den vorm van groote schubben aan den boom hangt. Aan deze voorliefde dankt het dier zijn naam. Ongetwijfeld maken ook Insecten een hoofdbestanddeel van zijn voedsel uit. Bij gevangen exemplaren in den Londenschen dierentuin heeft men opgemerkt, dat zij doode Musschen en stukken vleesch, die men hun bracht, zeer gaarne opaten. Daarom meent men, dat zij ’s nachts, zonder gedruisch te maken, op de wijze der Lori’s, slapende Vogels en andere kleine dieren sluipend naderen en deze om ’t leven brengen. In sommige gewesten richten zij in de perziken- en sinaasappelgaarden een aanzienlijke schade aan.
De Suikereekhoorns zijn zeer gezellige dieren; men vindt er in de wouden altijd verscheidene bijeen, hoewel men niet kan opmerken, dat zij met hunne soortgenooten op bijzonder liefdevolle wijze omgaan. In de gevangenschap sluiten zij ook wel vriendschap met andere kleine dieren en toonen zelfs den mensch eenige gehechtheid.
*
De kleinste van alle Klimbuideldieren, de Buidelmuis of Opossummuis (Acrobates pygmaeus), wordt terecht als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd. Haar breede vlieghuid reikt tot aan den handwortel, de staart is tweerijig, vedervormig behaard; de beharing van de ooren is middelmatig lang. Dit sierlijke diertje is ongeveer zoo groot als een Huismuis. Als het op een tak zit, de rekbare vlieghuid tegen den romp aangelegd, vertoont het een merkwaardige overeenkomst in uitzicht met het in onze huizen levend, lieftallig en toch zoo gehaat Knaagdier. Zijn totale lengte bedraagt ongeveer 14.5 cM., waarvan een weinig meer dan de helft door den staart wordt geleverd. De korte, zachtharige vacht is van boven grijsbruin, van onderen geelachtig wit van kleur.
De Buidelmuis, die in Oost-Australië, van Queensland tot Victoria, inheemsch is, voedt zich, evenals hare verwanten, met bladen, vruchten, knoppen en andere malsche plantendeelen. Zij versmaadt ook een klein Insect niet, wanneer zij dit toevallig ontdekt. Door hare opgewektheid en vlugheid van bewegingen komt zij vrij wel met hare verwanten overeen; haar vaardigheid om met behulp van de uitgespreide vlieghuid groote afstanden door de lucht heen af te leggen, wordt slechts door weinige dieren met behaarde vlieghuid geëvenaard. Men zegt, dat dit diertje zoowel bij de inboorlingen als bij de kolonisten van Europeeschen oorsprong, die in de nabijheid van Port-Jackson wonen, zeer geliefd is en dikwijls getemd in kooien voorkomt.
De derde familie der Plantenetende Buideldieren omvat de Plompe Buideldieren of Wombats (Phascolomyidae), die aan Knaagdieren herinneren. Men kent tegenwoordig drie soorten van Wombats, die alle in gestalte en aard overeenstemmen. Hun lichaam is buitengewoon plomp gebouwd, de romp log en dik, de hals dik en kort, de kop onbehouwen van vorm, de staart een klein, bijna onbehaard stompje; de ledematen zijn kort en krom, de voeten met vijf teenen voorzien en met lange, forsche, sikkelvormige klauwen gewapend, die alleen aan den binnenteen der achterste ledematen ontbreken; de zolen zijn breed en onbehaard; de teenen, die op den binnensten volgen, vergroeien gedeeltelijk met elkander. Zeer opmerkelijk is het gebit, daar de breede, voorste snijtanden, waarvan elke kaakhelft er één bevat, met knaagtanden overeenkomen. Bovendien bevat elke helft van iedere kaak één valsche kies en vier lange, gekromde ware kiezen.
De Tasmanische Wombat (Phascolomys ursinus) kan een lengte van omstreeks 95 cM. bereiken en kenmerkt zich door korte, afgeronde ooren. Zijn kleur is gespikkeld donkergrijs bruin. Tasmanië en de eilanden van de Bass-straat zijn het vaderland van deze soort. De nevens haar afgebeelde Breedkoppige Wombat (Phascolomys latifrons) bewoont Zuid-Australië.
Buidelmuis (Acrobates pygmaeus). Ware grootte.
Alle soorten leven in dichte wouden, graven wijde holen en zeer diepe gangen in den bodem, en brengen hier den geheelen dag slapend door. Eerst nadat het volslagen nacht geworden is, waggelt de Wombat naar buiten om voedsel te zoeken. Dit bestaat hoofdzakelijk uit een hard, biesachtig gras, dat groote oppervlakten bedekt; overigens echter ook uit allerlei kruiden en uit wortels, die hij door flink te graven blootlegt.
De Wombat ziet er onhandiger uit, dan hij is. Zijne bewegingen zijn langzaam, maar volhardend en krachtig. Een dier dat zoo stompzinnig en onverschillig is als hij, verliest niet zoo licht zijn kalmte. Hij gaat regelrecht op zijn doel af en gaat onverpoosd zijn gang, zonder zich door eenig bezwaar, van welken aard dan ook, te laten afschrikken. Wat hij zich eens voorgenomen heeft, tracht hij ondanks alle hinderpalen ten uitvoer te brengen. Een hol, waaraan hij eens begonnen is, zal hij met de zielsrust van een wijsgeer honderdmaal trachten te voltooien, al wordt het ook telkens weer dichtgestopt.
Evenals de meeste Australische dieren is ook de Wombat goed bestand tegen het leven als gevangene in ons werelddeel. Als hij goed verzorgd wordt en het voedsel krijgt dat hij noodig heeft, schijnt hij zich hier zeer op zijn gemak te gevoelen, en wordt dan ook tamelijk tam, d. w. z. hij geraakt in zoover aan den mensch gewoon, dat men hem kan veroorloven naar vrije verkiezing in huis rond te loopen. In Europa houdt men dit stompzinnige, onnoozele dier met groen voer, wortels, rapen, vruchten, zaden en graan zonder moeite in ’t leven. Wanneer men het bovendien een weinig melk geeft, verschaft men het een buitengewoon genot. In Engeland is het reeds gelukt van beide soorten jongen te telen; men heeft toen kunnen opmerken, dat het wijfje 3 à 4 jongen werpt en ze, althans zoolang zij zich nog in den buidel bevinden, met groote zorgvuldigheid en liefde verpleegt en opvoedt.
De tweede onderorde van de Buideldieren wordt gevormd door de Vleescheters (Polyprotodontia), die zich van de leden der eerste orde onderscheiden door hun groot aantal snijtanden, en hieraan hun wetenschappelijken naam ontleenen: in elke helft van de bovenkaak hebben zij er 4 of 5, in elke helft van de onderkaak 3 of 4. De kleine snijtanden, die met elkander nagenoeg in lengte overeenstemmen, worden in grootte ver overtroffen door de lange en spitse hoektanden.
Zelfs de leek zal de leden van de eerste familie van de Vleeschetende Buideldieren—de Buideldassen of Bandikoets (Peramelidae)—gemakkelijk kunnen onderscheiden. De sterk verlengde achterpooten en het zeer afwijkende maaksel van de teenen zijn kenmerken, die iedereen in ’t oog moeten vallen. Van de vijf voorteenen zijn slechts 2 of 3 van de middelste tot op behoorlijke lengte uitgegroeid en onafhankelijk van elkander; zij eindigen in stevige, sikkelvormige klauwen. De tweede en de derde teen van de achtervoeten zijn onderling vergroeid; de binnenteen ontbreekt of is gebrekkig ontwikkeld, de vierde teen is zeer lang. De romp is over ’t geheel genomen gedrongen; de kop, vooral het snuitgedeelte loopt zeer spits toe; de staart is gewoonlijk zeer kort en dun behaard, slechts bij uitzondering lang en ruig; de ooren zijn bij sommige soorten bijzonder groot.
De Buideldassen bewonen Australië en Nieuw-Guinea; zij leven in holen, die zij zich in den bodem graven en bij het geringste gevaar dat hen bedreigt, ten spoedigste opzoeken. Soms treft men hen aan in de nabijheid van plantsoenen of nederzettingen van den mensch; gewoonlijk echter houden zij zich op een afstand van den aartsvijand van alle dieren. De meeste soorten leven, naar het schijnt, gezellig met elkander en zijn uitsluitend ’s nachts werkzaam. Hunne bewegingen zijn tamelijk vlug en eigenaardig, daar hun gang uit een opeenvolging van kortere of wijdere, op sprongen gelijkende stappen bestaat. Zij voeden zich hoofdzakelijk met planten, vooral met sappige wortels en knollen, nu en dan gebruiken zij echter ook Insecten en Wormen, ook wel zaden.
Tot het geslacht der Buideldassen (Perameles), dat, behalve in Australië, ook in Nieuw-Guinea inheemsch is, behoort de Langneuzige Buideldas (Perameles nasuta), een dier van eigenaardige gestalte, dat bijna evenveel op een Konijn als op een Spitsmuis gelijkt. Volwassen-dieren zijn meer dan 50 cM. lang met inbegrip van den staart, welks lengte 12 cM. bedraagt.
De tweede familie van de onderorde der Vleescheters wordt gevormd door de Roofbuideldieren (Dasyuridae). Voor- en achterpooten zijn bij hen vrijwel van gelijke lengte; beide hebben vijf teenen; bij sommige soorten hebben de achterste ledematen er slechts vier. De staart is lang behaard en niet voor ’t grijpen ingericht.
Aan de onderfamilie van de Buidelmarters (Dasyurinae), wordt gewoonlijk de eerste rang toegekend. Alle hedendaagsche soorten, die tot deze groep behooren, bewonen het Australische faunistische rijk en zijn van Nieuw-Guinea tot Tasmanië verbreid.
Tasmanische Wombat (Phascolomys ursinus) en Breedkoppige Wombat (Phascolimus latifrons). 1/8 v. d. ware grootte.
De Buidelmarters houden zich zoowel in wouden als in rotsachtige gewesten of aan de oevers van de zee op; sommige leven hier in diepe holen of gaten in den grond, onder boomwortels of in rotskloven; andere zoeken holle boomen op. Sommige bewegen zich uitsluitend op den bodem, andere klimmen uitmuntend en eenige houden bijna uitsluitend verblijf op boomen. Zij hebben een sluipenden en bedachtzamen gang, daar zij de geheele voetzool op den grond laten rusten. Bijna alle zijn nachtelijke dieren, die den dag slapend in hunne schuilhoeken doorbrengen, en op roof uitgaan, zoodra de schemering invalt. Bij deze rondzwervingen bezoeken zij de zeekust, en verslinden alle dieren, die de zee aan land werpt, onverschillig of zij versch zijn of in rottenden toestand verkeeren. De op boomen levende vormen voeden zich hoofdzakelijk met Insecten; hoogstens maken zij bovendien nog op kleine Zoogdieren en Vogels, alsmede op eieren jacht. De grootste soorten dringen ook wel in menschelijke woningen door en dooden hier, op de wijze van de Marters, in een enkelen nacht alle Hoenderen of plunderen, evenals de brutale Poolvossen in het hooge noorden, de zolders en proviandkamers, waar zij vleesch en spek stelen. De kleinste soorten kunnen zelfs door zeer nauwe openingen het lichaam heenwringen en zijn om deze reden even gehaat als de Marters en Bunzingen bij ons; de grootste soort valt de schapenkudden aan en haalt zich af en toe een buit uit hun midden. Vele brengen het voedsel met de voorpooten naar den bek. Hun stem bestaat uit een eigenaardig geknor en een helderklinkend geblaf. De groote soorten zijn zeer wild, bijtlustig en ontembaar; wanneer zij aangevallen worden, verdedigen zij zich woedend met hunne scherpe tanden; de kleinere daarentegen hebben een zachtzinnig en goedaardig voorkomen; enkele kunnen gemakkelijk in gevangenschap in ’t leven gehouden en zonder groote moeite getemd worden; nooit laten zij echter eenige gehechtheid aan hun verzorger blijken.—In de lente werpt het wijfje 4 à 5 jongen.
Langneuzige Buideldas (Perameles nasuta). ¼ v. d. ware grootte.
De schade, die de leden van deze onderfamilie aanrichten, overtreft verre het nut, dat zij opleveren en rechtvaardigt de felle vervolgingen, die zij te verduren hebben.
*
De Buidelwolf, Zebrahond of Buidelhond (Thylacinus cynocephalus), de eenige thans levende vertegenwoordiger van zijn geslacht, draagt zijn naam niet ten onrechte, want hij gelijkt werkelijk op een Wilden Hond. Zijn gestrekte romp, de vorm van den kop, de scherp begrensde snuit, de rechtop staande ooren, de oogen, de wijze waarop de staart gedragen wordt herinneren aan de laatstgenoemde Roofdieren; de ledematen zijn echter betrekkelijk kort en het gebit vertoont met dat van den Hond een belangrijk verschil.
De Buidelwolf is het grootste van alle vleeschetende Buideldieren. Zijn lichaamslengte bedraagt meer dan 1 M., de lengte van den staart 50 cM.; de oude mannetjes zijn nog aanmerkelijk grooter en kunnen naar men beweert, een totale lengte van ongeveer 1.9 M. bereiken. De korte, los aanliggende vacht is grijsbruin, op den rug met 12 à 14 zwarte strepen geteekend.
Buidelwolf (Thylacinus cynocephalus). 1/10 v. d. ware grootte.
De Buidelwolf bewoont Tasmanië. Toen de kolonisatie van dit eiland door de Europeanen begon, kwam hij hier zeer veelvuldig voor, tot groote schade en ergernis voor de veefokkers, welker schapenkudden en pluimveefokkerijen hij ijverig brandschatte. Later werd hij door het schietgeweer meer en meer verdreven; tegenwoordig is hij in het binnenland teruggedrongen. Hier vindt men hem in sommige bergachtige gewesten nog altijd in tamelijk grooten overvloed, het veelvuldigst op een hoogte van ongeveer 1000 M. boven den zeespiegel. Rotsspleten in donkere, voor den mensch bijna ontoegankelijke ravijnen, diepe holen, die door de natuur gevormd of door hem zelf gegraven zijn, verschaffen hem toevluchtsoorden gedurende den dag; van hier uit onderneemt hij zijne rooftochten. Hij is een nachtelijk dier en schuwt het heldere licht in hooge mate. Hoewel hij niet het wildste van alle Roof-buideldieren is, overtreft hij toch al zijne familiegenooten, wat sterkte en koenheid betreft, en verdient reeds hierom zijn naam.
Het voedsel van den Zebrahond bestaat uit alle kleine dieren, die hij bereiken en overmeesteren kan, uit Gewervelde Dieren zoowel als uit ongewervelde, bij de Insecten en Weekdieren te beginnen en afdalend tot aan de Straaldieren. Als hij zeer hongerig is, versmaadt hij geen enkele spijs en deinst niet eens af voor het met scherpe verweermiddelen voorziene kleed van den Mierenegel. Wanneer de Buidelwolf zijne rooftochten uitstrekt tot in de gewesten, die door menschen bewoond worden, vangt men hem in vallen of maakt jacht op hem met Honden. Tegen deze weet hij zich goed te verdedigen en toont daarbij een wildheid, die buiten verhouding staat tot zijn geringe grootte.
*
Veel leelijker en in de hoogste mate afkeerwekkend is de naaste verwant van den Buidelwolf, die door de kolonisten Duivel wordt genoemd (Sarcophilus ursinus). Deze naam, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat, heeft hij te danken aan zijn ongeloofelijke wildheid en ontembaarheid. Volgens het eenstemmig oordeel van alle waarnemers kan men zich moeielijk een lastiger, woester, zinneloozer en kwaadaardiger schepsel voorstellen dan deze Buidelduivel, wiens booze stemming en wreveligheid nooit ophouden en wiens toorn bij de geringste aanleiding helder opvlamt. Niet eens in de gevangenschap en bij de zorgvuldigste verpleging verliest hij deze eigenschappen; nooit toont hij bekendheid met of genegenheid voor den persoon, die hem met voedsel en al wat hij verder noodig heeft, voorziet; zijn oppasser valt hij met evenveel haat en zinnelooze woede aan als ieder ander wezen, dat het waagt hem te naderen. Zijn vacht bestaat uit korte, stijve haren.
De borst van dit dier is met een witten halsband en in den regel bovendien met twee witte vlekken geteekend; het geheele overige lichaam is met een koolzwarte vacht bekleed. De totale lengte van dit dier bedraagt ongeveer 1 M. met inbegrip van den ongeveer 30 cM. langen staart.
Aanvankelijk hadden de kolonisten op Tasmanië veel last van den Buidel-duivel, daar hij hun het fokken van Hoenderen en andere Vogels bijna geheel onmogelijk maakte. Op de wijze van de Marters drong hij in het hoenderhok door en hield hier huis met een bloedgierigheid zooals overigens alleen door de dieren van het Martergeslacht getoond wordt. Hij werd daarom van den eersten aanvang af fel gehaat en op de meest wraakzuchtige wijze vervolgd, te meer omdat men zijn vleesch als smakelijk of althans eetbaar had leeren kennen. Vallen van allerlei soort werden op zijn weg geplaatst en groote verdelgingsjachten gehouden; zeer schielijk leerde hij de heerschappij en het verstand van den mensch eerbiedigen en vreezen; het gevolg hiervan was, dat hij zich in de dichte, moeielijk toegankelijke wouden van het gebergte terugtrok. In vele districten is hij reeds uitgeroeid; daar waar hij nog voorkomt, ziet men hem slechts zelden.
Hij is een echt nachtdier en schuwt het daglicht evenzeer als de Buidelwolf of als een van onze Uilen.
*
De Buidelmarters (Dasyurus) vertegenwoordigen een afzonderlijk geslacht. Zij houden, wat hun uitwendig voorkomen betreft, ongeveer het midden tusschen de Vossen en de Marters, zonder evenwel met deze of met gene een bijzonder in ’t oog vallende overeenkomst te vertoonen. De romp is slank en gestrekt, de hals tamelijk lang, de kop naar voren toegespitst. De staart is lang, slap en gelijkmatig ruig behaard; de pooten zijn laag en middelmatig dik; de achterste zijn iets langer dan de voorste en missen den binnenteen; de teenen zijn vaneengescheiden en met stevige, sikkelvormig gekromde, spitse nagels gewapend.
Een van de meest bekende soorten, de Gevlekte Buidelmarter (Dasyurus viverrinus), is van boven vaalbruin, nu eens lichter dan weer donkerder, en van onderen wit. De geheele bovenzijde is bezet met onregelmatige, witte vlekken, die op den kop kleiner zijn dan op den romp. Een volwassen exemplaar bereikt een lichaamslengte van 40 en een staartlengte van 30 cM., bij 15 cM. schofthoogte. De leden van deze soort zijn over Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië verbreid.
Gevlekte Buidelmarter (Dasyurus viverrinus). 1/4 v. d. ware grootte.
Bij voorkeur bewoont de Gevlekte Buidelmarter de wouden aan de zeekust. Hier verbergt hij zich overdag onder boomwortels en steenen of in holle boomstammen. Nadat de nacht is aangevangen, zwerft hij om voedsel te zoeken ver rond. Hij vreet hoofdzakelijk doode dieren, die door de zee aan land geworpen zijn, maar vervolgt in het woud ook kleine Zoogdieren of op den grond nestelende Vogels; ook insecten worden niet door hem versmaad. Het aantal jongen wisselt af van 4 tot 6.
Buidelmiereneter (Myrmecobius fasciatus). 1/3 v. d. ware grootte.
De Buidelmarter wordt met even grooten haat vervolgd als de vroeger genoemde Roofbuideldieren. Men vangt ze dikwijls in grooten getale in ijzeren vallen, die met het een of ander dierlijk voedsel als lokaas voorzien zijn. Van het gevangen dier beleeft men weinig genoegen, daar het een van de vervelendste schepsels is.
De Buidelmiereneter (Myrmecobius fasciatus) is de eenige vertegenwoordiger van de tweede onderfamilie der Roofbuideldieren, van de Spitsbuideldieren (Myrmecobiinae). Zijn lichaam is lang, de kop zeer spits; de achtervoeten hebben vier, de voorvoeten vijf teenen; de achterpooten zijn iets langer dan de voorpooten, de zolen onbehaard, de teenen van elkander gescheiden. De staart is slap, lang en ruig. Het wijfje heeft geen buidel. Opmerkelijk is het goed voorziene gebit; het aantal tanden bedraagt meer dan bij eenig ander Zoogdier; hij heeft er niet minder dan 50 à 54 in iedere kaakhelft.
Terecht wordt de Buidelmiereneter als een der fraaiste en opmerkelijkste Buideldieren beschouwd. In grootte komt hij ongeveer met onzen Gewonen Eekhoorn overeen. Zijn kleur is hoogst eigenaardig. Het okergeel van ’t voorste deel van de rugzijde van ’t lichaam, dat door de hiermede gemengde, witte haren lichter schijnt, gaat verder achterwaarts onmerkbaar in donkerzwart over, dat het grootste deel van de achterste helft van het lichaam inneemt, maar door witte of roodachtige dwarsbanden afgebroken wordt. Het voornaamste voedsel van den Buidelmiereneter is reeds door zijn naam aangeduid. Men vindt hem daarom vooral in zulke boschrijke gewesten, waar de Mieren in grooten overvloed voorkomen. Geheel op dezelfde wijze als de Mierenleeuw steekt hij de tong te midden van de wemelende schaar en trekt haar schielijk in den bek terug, nadat een groot aantal van de vertoornde Insecten zich er aan vastgebeten hebben. Bovendien verslindt hij, naar men zegt, ook andere Insecten en in sommige gevallen het hars, dat door de twijgen van de eucalypten wordt uitgezweet, ja zelfs gras. In tegenstelling tot de reeds genoemde Roofbuideldieren is de Buidelmiereneter in den volsten zin van het woord ongevaarlijk. Zonder eenige tegenstribbeling schikt hij zich in de gevangenschap, waarin hij het gewoonlijk niet lang uithoudt, daar men hem het noodige voedsel niet in voldoende hoeveelheid verschaffen kan. Het aantal jongen in iederen worp bedraagt, naar men zegt, 5 à 8.
De Buidelratten (Didelphyidae), die de derde familie van de onderorde der Vleescheters vormen, zijn Buideldieren, die hoogstens de grootte van een Kat bereiken, maar ook dikwijls die van een Muis niet overtreffen. De romp is gedrongen, de kop aan den snuit min of meer toegespitst. De staart is meestal lang en in dit geval een aan de spits naakte grijpstaart, soms echter kort en meer of minder behaard. De achterste ledematen zijn iets langer dan de voorste; de pooten hebben vijf teenen, die bij één geslacht door zwemvliezen verbonden zijn; de duim van de achterste ledematen kan tegenover de andere teenen gesteld worden. Bij het wijfje van eenige soorten ontbreekt de buidel, of is door twee huidplooien aangeduid; bij andere is hij volledig aanwezig, maar heeft de opening vaker van achteren dan van voren. Het gebit vertoont alle eigenaardigheden van een roofdierengebit.
In den voortijd kwamen ook in Europa Buidelratten voor. Tegenwoordig bewonen 2 geslachten (met 24 soorten) van deze dieren Amerika, en wel hoofdzakelijk het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk; daar in Noord-Amerika slechts één soort aantroffen wordt, die ook in het zuiden vertegenwoordigd is. Zij leven bijna alle in wouden of in het dichte struikgewas, waar zij holle boomen of gaten in den grond bewonen, of zich eenvoudig tusschen dicht bijeenstaande grassen en struiken neervlijen. Eén soort bevolkt de oevers van kleine rivieren en beken, zwemt uitmuntend en zoekt een toevlucht in gaten in den grond. Alle zijn nachtdieren, doorgaans leven zij eenzaam en zwerven rond. Haar gang op den vlakken bodem, waarbij zij op de geheele zool rusten, is tamelijk langzaam en onvast; de meeste zijn echter in staat om in boomen te klimmen, zich met haar voor ’t grijpen geschikten staart vast te houden en uren lang in deze houding te volharden. Naar het schijnt, is de reuk de volkomenste van hare zinnen. Hare geestvermogens zijn zeer gering, hoewel men haar een zekere sluwheid niet kan ontzeggen; deze blijkt o.a. hieruit, dat zij vallen van allerlei soort weten te vermijden. Haar voedsel bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels en vogeleieren, ook wel uit kleine Reptielen en Amphibiën, Insecten en insectenlarven en Wormen; in geval van nood eten zij ook vruchten. De in ’t water levende Zwembuideldieren voeden zich hoofdzakelijk met Visschen. De grootste soorten van Buidelratten bezoeken de woningen van den mensch en dooden alle zwakke dieren, die zij hier vinden, drinken hun bloed en worden er letterlijk bedwelmd van. Haar uit eigenaardige sisklanken bestaande stem laten zij alleen dan hooren, als zij mishandeld worden. Vervolgde Buidelratten verweren zich niet, maar zijn gewoon zich dood te houden, als zij zich niet meer verbergen kunnen. In haar angst verbreiden zij een onaangename, knoflookachtige lucht.
De levenswijze van de Buidelratten heeft in bekwame natuuronderzoekers ijverige en zorgvuldige beoefenaars gevonden; veel van ’t geen ons over de voortplanting der Buideldieren bekend is, berust op de mededeelingen van deze geleerden. “In het midden van den winter,” zegt Rengger van de in Paraguay levende soorten van Buidelratten, “in Augustus n.l, vangt bij haar, naar ’t schijnt, de paartijd aan; in deze maand althans ontmoet men dieren van verschillend geslacht dikwijls bij elkander; in de daarop volgende maand vindt men drachtige wijfjes. Deze werpen slechts éénmaal per jaar jongen. Het aantal jongen is zoomin bij de verschillende soorten, als bij de wijfjes van één soort gelijk. Bij één en dezelfde soort vond ik soms 14 jongen per worp, dikwijls echter 8 of 4, eens slechts één enkel jong. De draagtijd duurt een weinig meer dan 3 weken. In het begin van October komen de jongen ter wereld; onmiddellijk daarna worden zij in den buidel gebracht of geborgen onder de huidplooien aan den buik van de moeder, waar zij aan de tepels worden gelegd en zoo lang vastgehecht blijven, totdat zij hun volledige ontwikkeling bereikt hebben. Dit geschiedt na ruim 50 dagen. Zij verlaten dan den buidel, maar nog niet de moeder; daar zij zich, zelfs wanneer zij reeds eten kunnen, aan haar vacht vasthouden om zich nog eenigen tijd door haar te laten dragen.
“De grootte van de pas geboren jongen bedraagt hoogstens 12 mM.; zij komen niet alle gelijktijdig ter wereld. Hun lichaam is naakt, hun kop in verhouding tot de overige lichaamsdeelen groot; de oogen zijn gesloten, de neusgaten en de mond echter open; de ooren zijn volgens de lengte en de breedte opgevouwen, de voorpooten over de borst, de achterpooten over den buik gekruist; de staart is naar onderen opgerold. Zelfs op uitwendige prikkels antwoorden zij niet door eenige beweging. Toch vindt men ze, korten tijd nadat ze in den buidel gekomen zijn, aan de tepels vastgezogen. De jongen blijven bijna twee maanden in den buidel, en laten in al dien tijd de tepels nimmer los, behalve in de laatste dagen. In de eerste twee weken bemerkt men geen verandering aan hen, behalve dat zij flink groeien en dat de borstelige haren bij den mond zich beginnen te vertoonen. Vier weken na de geboorte hebben zij ongeveer de grootte van een Huismuis bereikt; de beharing is nu op alle deelen van hun lichaam zichtbaar; ook kunnen zij eenige bewegingen met de voorpooten maken. Ongeveer in de zevende week zijn zij bijna zoo groot als een Rat; dan openen zij de oogen. Van dezen tijd af hangen zij niet meer gedurende den geheelen dag aan de tepels; ook verlaten zij soms den buidel, waarin zij echter dadelijk terugkeeren, zoodra hun gevaar dreigt. Weldra echter laat de moeder hen er niet meer in toe; zij draagt hen evenwel nog gedurende verscheidene dagen met zich mede op den rug en de schenkels, waar zij zich aan de haren vasthouden, totdat zij in staat zijn om zelf in hun onderhoud te voorzien.”
Opossum (Didelphys marsupialis). 1/5 v. d. ware grootte.
De meest bekende Buidelrat is ongetwijfeld de Opossum (Didelphys marsupialis). Dit dier onderscheidt zich zoomin door een aangename kleur als door bevalligheid van vorm; ook heeft het niets aantrekkelijks in zijn levenswijze; terecht wordt het als een zeer afstootend dier beschouwd. Zijn lichaamslengte bedraagt ruim 47 cM., zonder den ongeveer 43 cM. langen staart. Deze is rond en tamelijk dik, spits toeloopend, alleen aan den wortel met haar bekleed, van hier tot aan de spits onbehaard, maar met fijne, kranswijs geplaatste schubben bedekt, waartusschen hier en daar eenige korte haren te voorschijn komen. Het wijfje heeft een volkomen buidel. De pooten zijn kort, de teenen van elkander gescheiden en nagenoeg even lang, de binnenteen van de achtervoeten kan als een duim gebruikt worden.
Amerika, van de noordelijke Vereenigde Staten tot aan Chili en Zuid-Brazilië, is het vaderland van den Opossum. In de middelste gedeelten van dit uitgestrekte gebied wordt hij overal veelvuldig gevonden, geenszins tot genoegen van den mensch. Wouden en struikbosschen dienen hem tot verblijfplaats; hoe dichter zij zijn, des te beter acht de Opossum ze ter bewoning geschikt.
“Het is mij,” zegt Audubon, “alsof ik thans nog den Opossum voor mij zie, zooals hij langzaam en voorzichtig over de smeltende sneeuw voorttrippelt, op den bodem speurend naar hetgeen hem het best zal smaken. Daar ontmoet hij het versche spoor van een Hoen of van een Haas; hij richt den snuit omhoog en snuffelt. Eindelijk heeft hij een besluit genomen; met de snelheid van een flinken voetganger rept hij zich voort op den door hem gekozen weg. Nu zoekt hij en schijnt onzeker te zijn, welke richting hij moet volgen; de door hem nagejaagde buit heelt òf een grooten sprong gemaakt, òf misschien “een haak geslagen”, op de plaats waar de Opossum het spoor heeft waargenomen. De roover richt zich op, blijft een poos op de achterpooten staan, kijkt om zich heen, speurt opnieuw en draaft daarna verder. Hier aan den voet van een ouden boom maakt hij zonder aarzeling halt. Hij loopt om den kolossalen stam heen over de met sneeuw bedekte wortels en vindt daartusschen een opening, waar hij oogenblikkelijk binnensluipt. Verscheidene minuten gaan voorbij; daar verschijnt hij weder, een reeds gedood Aardeekhoorntje in den bek naar buiten sleepend, en begint den boom te bestijgen. Langzaam klimt hij naar boven, totdat hij verborgen is te midden van de dichte twijgen, die met wingerdranken doorvlochten zijn. Hier gaat hij rustig zitten, slingert den staart om een tak en verscheurt met de scherpe tanden het ongelukkige Eekhoorntje, dat intusschen voortdurend met de voorpooten vastgehouden wordt.
“De liefelijke lentedagen zijn gekomen en krachtig ontwikkelen zich de bladen; de Opossum echter moet nog steeds honger lijden en is bijna geheel uitgeput. Hij bezoekt de oevers van de poelen en is blijde, dat hij een jonge Kikvorsch ziet, die hem een dragelijk maal verschaft. Langzamerhand ontwikkelen zich de spruiten van de boschbessen en van de netels; met smaak verorbert hij de jonge stengels. De morgenroep van den Wilden Kalkoen klinkt als verrukkelijke muziek in de ooren van het listige dier; want het weet zeer goed, dat het weldra ook de hen zal hooren en haar spoor zal kunnen volgen tot aan het nest; daar is het voornemens zich heerlijk te vergasten door de eieren uit te slurpen. Op zijne tochten door het woud, nu eens over den bodem, dan weer hoog boven den grond van boom tot boom, hoort het een haan kraaien, en zijn hart zwelt van vreugde bij de herinnering aan de kostelijke spijs, waaraan hij zich in den vorigen zomer op de naburige boerenplaats te goed deed. Hoogst voorzichtig echter schrijdt hij voort en kruipt eindelijk in ’t hoenderhok.
“Wakkere boer! waarom hebt gij in den vorigen winter zooveel Kraaien doodgeschoten en bovendien ook nog Raven? ’t Is waar, gij hebt toen pret gehad: haast u nu echter naar het naaste dorp en koop een behoorlijke voorraad schietbehoeften! poets uw roestig jachtgeweer, zet vallen uit en leer uw luien Hond om op den Opossum te loeren! Daar komt hij! De zon is pas ter ruste gegaan, maar de hongerige gauwdief is al sinds lang wakker. Hoort gij het schreeuwen van uw beste hen, die hij gepakt heeft? Het listige dier heeft zich met zijn buit uit de voeten gemaakt. Er is nu niets meer aan te doen; hoogstens kunt gij op den loer gaan liggen en ook op de Vossen en Uilen het oog houden, die grinniken van pret bij de gedachte, dat gij hun vijand en uw vriend, de arme Kraai, het levenslicht hebt uitgeblazen. De kostelijke hen, die gij zoo pas op een dozijn eieren te broeden hebt gezet, is thans van de moeite van ’t broeden bevrijd. Ondanks haar angstgeschreeuw en het overeindzetten van hare vederen heeft de Opossum de eieren het eene na het andere opgegeten. Dat komt van uw kraaienschieten! Als gij barmhartiger en verstandiger waart geweest, zou de Opossum wel in ’t bosch gebleven zijn en zich tevreden gesteld hebben met een jongen Eekhoorn of een Haasje, met de eieren van den Kalkoen of met de druiven, die zoo rijkelijk de takken van de boomen onzer wouden versieren: maar het helpt toch niet, dat ik u dit zeg!
“Maar stel eens, dat de boer den Opossum op heeterdaad betrapt heeft, en uit ergernis het arme dier op schoppen tracteert. In ’t volle besef van zijn ongeschiktheid om weerstand te bieden rolt het zich als een bal ineen. Hoe meer de boer raast, des te minder laat het dier iets blijken van de pijn die het voelt. Daar ligt het, niet dood, maar uitgeput; de bek is geopend, de tong hangt er uit; de oogen zijn dof. Zoo zou het blijven liggen, tot de Vleeschvlieg eieren op zijn vel ging leggen, indien zijn pijniger niet eindelijk wegging. ”“Het dier zal nu toch stellig wel dood zijn,”” zegt de boer. Denk er om, lezer, het ”“opossumt”” hem wat voor. Nauwelijks heeft de vijand de hielen gelicht, of het staat alweer op de pooten en drentelt naar het woud terug.”
De Opossum is, zooals uit zijn geheele organisatie blijkt, een boomdier; op den bodem beweegt hij zich tamelijk langzaam en onbeholpen. Bij ’t gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten. Al zijne bewegingen zijn traag; zelfs bij ’t vluchten komt hij niet snel vooruit, hoewel zijn gang dan uit een opeenvolging van op passen gelijkende sprongen bestaat. In de boomkronen daarentegen klautert het dier met groote zekerheid en tamelijk vlug rond. Daarbij komen de duim van de achterhand—die ver van de overige teenen afstaat, zoodat hij takken omspannen en zich vasthouden kan—en de rolstaart, hem goed te pas. Niet zelden gaat hij aan den staart hangen en blijft uren lang in deze houding.
In de groote, donkere wouden sluipt de Opossum over dag zoowel als ’s nachts rond, hoewel hij aan de duisternis de voorkeur geeft boven het licht. Overal echter, waar hij gevaar ducht, ja reeds daar, waar hij hinder heeft van het daglicht, komt hij alleen ’s nachts te voorschijn en brengt den geheelen dag slapend door in gaten van den grond of in holle boomen. Alleen in den paartijd leeft hij met zijn wijfje samen, voor ’t overige leidt hij een eenzaam leven evenals al zijne naaste verwanten. Hij heeft geen bepaalde woning, maar maakt gebruik van iederen schuilhoek, dien hij bij ’t einde van zijn nachtelijken zwerftocht, als de dag aanbreekt, ontdekt. Als de fortuin hem bijzonder gunstig is en hij het geluk heeft een hol te vinden, waarin het een of ander zwak Knaagdier woont, zoo is dit hem natuurlijk des te aangenamer; daar de eigenaar van het huis hem niet alleen inwoning, maar ook den kost zal verschaffen. Zooals uit Audubon’s beschrijving blijkt, verslindt hij alle kleine Zoogdieren en Vogels, die hij krijgen kan, bovendien eieren, velerlei Reptielen en Amphibiën, groote Insecten zoowel volwassene als larven, en zelfs Wormen. Bij gebrek aan dierlijk voedsel stelt hij zich ook met vruchten tevreden, b.v. met maïs en voedzame wortels. Boven alle overige spijzen verkiest hij bloed; daarom gaat hij, telkens als hiertoe gelegenheid bestaat, met onbeschrijfelijken moordlust te keer. Bij een bezoek aan ’t hoenderhok doodt hij dikwijls alle bewoners; hij zuigt dan alleen hun bloed uit, zonder iets van hun vleesch op te eten. Door dit bloedig festijn wordt hij, naar men zegt, evenals onze Marters, als ’t ware dronken, zoodat men hem niet zelden ’s morgens te midden van de doode Vogels slapende vindt. Hoewel over ’t geheel voorzichtig, is hij, zoolang hij zijn bloeddorst bevredigen kan, blind en doof; hij denkt dan om geen gevaar en laat zich, zonder van het moorden af te zien en zonder weerstand te bieden, door de Honden doodbijten of door den vertoornden landman doodslaan. Dat dit niet gemakkelijk gaat, daar het dier een taai leven heeft, is ons reeds gebleken.
Het nagaan van den handel en den wandel van den gevangen Opossum kan den waarnemer slechts weinig genoegen verschaffen. Door ervaring weet ik, dat dit dier nog vervelender is dan andere Roofbuideldieren. Bewegingloos ineengerold ligt hij gedurende den geheelen dag in zijn hok; alleen als men hem plaagt, geeft hij zich de moeite een beweging te maken: hij opent den bek zoo wijd mogelijk, zoolang men vóór hem blijft staan, alsof hij mondklem heeft. Hij is traag, lui en slaperig en schijnt verschrikkelijk dom te zijn.
*
Van de Buidelratten in engeren zin onderscheiden zich de Schoepati’s (Philander) hoofdzakelijk door den onvolkomen buidel van het wijfje. Deze wordt namelijk slechts door twee huidplooien gevormd, die zich over de nog onontwikkelde, aan de tepels hangende jongen heenvleien.
De grootste soort van dit geslacht en een van de grootste Buidelratten in ’t algemeen is de Kreeftenschoepati (Philander philander), een dier van 24 cM. lichaamslengte, met een 32 cM. langen staart. Zijn dik, zacht en wollig haar is vuil geelachtig grijs of roodachtig grijs, van onderen geel. Het bleekgrijze aangezicht is met een bruine middelstreep en met donkere ringen om de oogen geteekend, terwijl de eindhelft van den staart er witachtig uitziet.
De Kreeftenschoepati is tamelijk ver, misschien over geheel tropisch Amerika verbreid; hij komt talrijk voor in de wouden van Brazilië, het liefst in de nabijheid van moerassen, die hem Kreeften en Krabben leveren. Hij leeft bijna uitsluitend op boomen en daalt alleen dan op den bodem af, als hij hier jagen wil.