Gedurende langen tijd heeft er verschil van meening bestaan over de plaats, die aan de Kloakdieren in het dierenrijk moet worden toegekend; thans is deze strijd beslecht. Hoewel de meening van de dierkundigen uit een vroegere periode, die de Kloakdieren voor een op zichzelf staande klasse van het dierenrijk hielden, een tijdlang haar waarde had verloren, wordt thans een soortgelijke opvatting opnieuw gehuldigd. De Mierenegels en Vogelbekdieren die men met het volste recht als een afzonderlijke onderklasse van de Zoogdieren zou kunnen beschouwen, worden door geen enkelen hedendaagschen dierkundige tot de Buideldieren of zelfs tot de Tandeloozen gerekend, zooals sommige hunner voorgangers deden.
Dat de Kloakdieren hunne jongen werkelijk zoogen, is reeds sinds lang boven allen twijfel verheven; eerst door de nauwkeurige onderzoekingen van Gegenbaur echter heeft men den waren aard van hunne zoogorganen leeren kennen. De melkklieren, die zijdelings aan den onderbuik voorkomen, hebben tot afvoerbuizen een groot aantal fijne gangen in de huid, die evenwel ook op deze plaatsen met haar begroeid is. Daar nu de mannelijke Zoogdieren soortgelijke klieren op dezelfde plaatsen hebben, geloofden de eerste ontleedkundigen, die zich met het Vogelbekdier bezighielden, niet, dat zij hier echte zoogorganen voor zich hadden, tot dat Meckel aantoonde, dat de genoemde klieren bij het mannelijke Vogelbekdier niet ontwikkeld zijn, en Bär opmerkte, dat de melkklieren van de Cetaceën een soortgelijken bouw vertoonen. Owen, die in het jaar 1832 deze klieren onderzocht, vond bij ieder van deze ongeveer 120 openingen in de huid, waardoor een voor de voeding geschikte vloeistof werd afgevoerd, die hij in gestolden toestand in de maag van de jongen aantrof. Dit noopte hem de Vogelbekdieren tot de klasse van de Zoogdieren te rekenen. Den 2en September 1884 berichtte Haacke echter aan de Zuid-Australische “Koninklijke maatschappij van wetenschappen” te Adelaïde, dat hij eenige weken te voren in den grooten, tot dusver onbekenden broedbuidel van een levend Mierenegel-wijfje, het ei gevonden had, dat in de vergadering door hem vertoond werd. Op denzelfden dag werd in Montreal een door den onderzeeschen telegraafkabel overgebracht bericht voorgelezen, waardoor aan de daar vergaderde leden van de “Britsche Vereeniging” werd medegedeeld, dat een andere, destijds in Australië werkzame onderzoeker, Caldwell, de Kloakdieren als eierleggende dieren had herkend. Door deze ontdekking werd natuurlijk de nauwe verwantschap van de Kloakdieren met de overige Zoogdieren weder in twijfel gesteld. Vooral was dit het geval, toen Gegenbaur in het jaar 1886 aantoonde, dat de klieren, die voedsel leveren aan de uitgebroede jongen van de Kloakdieren, niet, evenals de melkklieren van alle overige Zoogdieren, in maaksel met de huidsmeerklieren overeenstemmen, maar als gewijzigde zweetklieren moeten worden beschouwd. Een nieuwe reden voor twijfel leverde een ontdekking, die in het jaar 1888 door Oldfield Thomas werd gedaan: hij vond, dat het Vogelbekdier gedurende een groot deel van zijn leven tanden heeft, die, hoewel zij werkelijk dezen naam verdienen, toch aanmerkelijk verschillen van de tanden van alle overige Zoogdieren.
De temperatuur van het bloed is lager bij de Kloakdieren dan bij eenig ander warmbloedig Gewerveld Dier. Reeds in 1883 berichtte de Russische onderzoekingsreiziger Michluko-Maclay, dat hij bij den Mierenegel een temperatuur van 28°, en bij het Vogelbekdier eene van 24.8° had waargenomen. De zoöloog Richard Semon van Jena, die van 1891 tot 1893 Australië doorreisde, vond bij 7 Mierenegels niet alleen een zeer lage, maar ook een zeer veranderlijke temperatuur, varieerende tusschen 26.5° en 34°. Dus, schommelingen van 7°, terwijl bij andere Zoogdieren de grootste waargenomen schommelingen niet meer dan 2 à 4° bedragen. Bovendien bleek volstrekt niet, dat deze variaties, zooals men allicht zou vermoeden, met verschillen in luchttemperatuur, jaargetijde of leeftijd van het dier samenhangen. Volgens deze waarnemingen zouden dus de Kloakdieren niet alleen door hun lichaamsbouw, maar ook door den aard van hun stofwisseling in zekeren zin een verbindenden schakel vormen tusschen de dieren met veranderlijke lichaamstemperatuur of koudbloedige dieren (meer bepaaldelijk de Kruipende Dieren), en die met standvastige lichaamstemperatuur of warmbloedige dieren (meer bepaaldelijk de Zoogdieren). Wanneer men dit alles bedenkt, zal men moeten erkennen, dat er voldoende redenen bestaan om de Kloakdieren als afzonderlijke onderklasse te onderscheiden van die, waarin men de Buideldieren en alle hooger ontwikkelde Zoogdieren—de Zoogdieren met echte melkklieren dus—moet vereenigen. Zelfs zou het gerechtvaardigd zijn, de beide bedoelde groepen op nog grooteren afstand van elkander te plaatsen, door aan beide den rang van klassen toe te kennen. Misschien zal men later wel tot deze scheiding moeten besluiten; voorloopig laten wij de Kloakdieren de tot dusver door hen ingenomen plaats in het stelsel behouden, en beschouwen ze als de laatste en laagste Zoogdieren-orde.
De Kloakdieren komen met de andere Zoogdieren overeen door de bekleeding van de huid: het Vogelbekdier heeft een vacht, de Mierenegel een stekelkleed; voor ’t overige verschillen zij; ook door hunne uitwendig waarneembare eigenschappen belangrijk van alle andere bekende vormen der klasse. Een met een droge huid bedekte snavel, welke aan dien van een Zwemvogel herinnert, vervangt bij hen den snuit. Het spijskanaal en de afvoerbuizen van de urine en van de geslachtsproducten monden gezamenlijk uit in de zoogenaamde “kloak”. Dit is een inrichting, welke ook voorkomt bij de Vogels, waaraan de Kloakdieren, behalve door hunne met een grooten dooier voorziene eieren, ook nog herinneren door het bezit van twee paar sleutelbeenderen, waarvan de beide voorste met elkander tot een vorkbeen vergroeid zijn, en door het gedeeltelijk ontwikkeld blijven van den rechter eierstok. Door deze eigenaardigheden toonen zij op onmiskenbare wijze hun verwantschap met de Vogels, de Kruipende Dieren en de Amphibiën; terwijl daarentegen uit het bezit van den buidelbeenderen aan het bekken hun betrekking tot de Buideldieren blijkt.
De Kloakdieren zijn kleine Zoogdieren, met een gedrongen, eenigszins plat gedrukt lichaam, dat zeer laag op de pooten staat en in een korten staart eindigt. De snavelvormige kaken zijn met een droge huid bedekt. Alleen bij ’t Vogelbekdier komen tanden voor; zij bestaan uit platte, aan den rand met knobbels of inkervingen voorziene, schotelvormige platen, die zoo goed als zonder wortels aan de kaken vastgehecht zijn, weldra uitvallen en door hoornplaten vervangen worden. De oorschelp ontbreekt geheel; de oogen zijn klein. De naar buiten gerichte voeten zijn met krachtige klauwen voorzien; de hiel van het mannetje is bovendien nog gewapend met een doorboorde, holle spoor, welker holte met een eigenaardige klier in gemeenschap staat.
Behalve beenderen van een uitgestorven soort van Mierenegel, die zich door aanzienlijke grootte onderscheidde, heeft men tanden van voorwereldlijke dieren gevonden, welke op die van het Vogelbekdier gelijken. Tegenwoordig bestaat deze eigenaardige orde uit slechts twee familien: de Mierenegels en de Vogelbekdieren.
De familie der Mierenegels (Echidnidae), uit twee geslachten bestaande, welke ieder slechts één soort omvatten, wordt gekenmerkt door den plompen vorm van den romp, die grootendeels bedekt is met een vacht, waarin talrijke stekels voorkomen, door den rolvormigen, tandeloozen snavel met een mondspleet, die zich niet verder dan het voorste uiteinde uitstrekt, door het korte staartstompje, door de vrije, onvolkomen beweeglijke teenen en door de zeer lange, dunne, wormvormige tong, die, evenals bij de andere Miereneters, ver buiten den bek kan worden gestoken. Naar het uitwendige wijken de Mierenegels veel meer van de Vogelbekdieren af dan door hun inwendig maaksel. De beide zogklieren hebben honderden afvoergangen, liggen zijdelings aan den buik van het wijfje in ondiepe groeven, die, volgens Haacke, bij den Mierenegel althans, zich kort voor het leggen van het ei in de zijdelingsche plooien van een broedzak bevinden. Deze is reeds in den aanvang zoo groot, dat er een zakhorloge in kan; hij dient tot berging en bebroeding van het ei, bevat later het jong en neemt in omvang toe, naarmate dit zich ontwikkelt, verdwijnt echter weer allengs, nadat het jong geheel zelfstandig is geworden, zoodat men er tijdelijk niets meer van bespeurt. R. van Lendenfeld heeft opgemerkt, dat de temperatuur in den broedzak ten tijde van de bebroeding hooger is dan die van het overige lichaam, en dat de huid die den broedzak vormt, in den genoemden tijd door den sterken aandrang van het bloed er zeer rood en als ’t ware ontstoken uitziet. Naar het schijnt, legt de Mierenegel nooit meer dan één ei; dit is klein, maar heeft een grooten dooier en een perkamentachtige schaal. De duur van de bebroeding is nog niet bekend. Het jong is bij het verlaten van het ei nietig klein, naakt en blind, evenals dat van de Buideldieren; het verschilt van zijne ouders vooral door den korteren snuit. Hoe het zuigt, weet men nog niet recht. Naar het schijnt, blijft het geruimen tijd in den broedzak van de moeder.
Het verbreidingsgebied van de Mierenegels strekt zich van Nieuw-Guinea over Australië tot in Tasmanië uit.
De Australische Mierenegel (Echidna aculeata typica), wiens grootte het midden houdt tusschen die van Papoeaanschen en die van den Tasmanischen Mierenegel heeft een betrekkelijk langen snavel. Het aangezicht en de omgeving van de ooren zijn geheel of grootendeels met gladde borstels bedekt, die op het voorhoofd en op iederen wang een streep onbedekt laten. De rugstekels zijn lang, stijf en dik, bereiken dikwijls een lengte van 6 cM. en bedekken gewoonlijk de daartusschen groeiende haren geheel. De kleur van ieder haar is van onderen bleekgeel, in het midden oranje-geel, aan den top zwart. De haren op den rug zijn zwart of donkerbruin, ontbreken evenwel dikwijls bijna geheel, terwijl zij soms (misschien alleen in bepaalde tijden van het jaar) boven de stekels van ’t achterste gedeelte van den rug uitsteken. De pooten en de geheele onderzijde van het lichaam zijn bedekt met een donkerbruine vacht, die vele gladde borstels bevat. De lengte van het dier bedraagt ongeveer 40 cM., met inbegrip van den iets meer dan 1 dM. langen staart. Deze ondersoort behoort op het geheele vasteland van Australië thuis en wordt ook op het Kangoeroe-eiland aan de zuidkust van Australië aangetroffen.
Van de genoemde Australische ondersoort onderscheidt zich de Papoeaansche Mierenegel (Echidna aculeata Lawesii) door zijn geringere grootte, door de kortere rugstekels, waartusschen het haar van den rug zichtbaar wordt, door het grooter aantal stekels in de vacht van den kop, de pooten en den buik en door den betrekkelijk langeren snavel. Alleen bij Port-Moresby in het zuidoosten van Nieuw-Guinea heeft men deze ondersoort gevonden.
De Tasmanische Mierenegel (Echidna aculeata setosa) verschilt van de Australische ondersoort door zijn meerdere grootte (hij kan wel 50 cM. lang worden) en doordat in de beharing van den kop, van de zijden, van den buik en van de pooten geen borstels voorkomen. De kleur van den kop is gewoonlijk lichter dan die van het overige lichaam.
De Mierenegel is veeleer een bewoner van bergachtige streken dan van de vlakten en komt op sommige plaatsen nog wel voor op een hoogte van 1000 M. boven den zeespiegel. Droge wouden, waar hij holen en gangen graven kan onder boomwortels, maken zijn meest geliefde verblijfplaats uit. Hier verbergt hij zich over dag; des nachts komt hij te voorschijn en gaat snuffelend en gravend zijn voedsel zoeken. Zijne bewegingen zijn levendig, vooral bij het wroeten in den grond, welke kunst hij meesterlijk verstaat. Zijn voedsel bestaat uit Insecten en Wormen, hoofdzakelijk echter uit Mieren en Termieten. Deze zoekt hij op met behulp van de zeer gevoelige spits van zijn snuit, die minder voor het speuren dan wel voor het tasten geschikt schijnt. Hij eet op de wijze van de andere dieren met wormvormige tong, n.l. door de tong uit te steken en haar, wanneer zij met Mieren bedekt is, snel in den bek terug te trekken. Evenals alle overige miereneters verzwelgt hij tegelijk met zijn voedsel veel zand en stof en ook droog hout, want men vindt zijn maag hiermede steeds gevuld. Soms komt er ook wel gras in voor.
Australische Mierenegel (Echidna aculeata typica). 1/5 v. d. ware grootte.
Als men een Mierenegel aanvat, rolt hij zich oogenblikkelijk als een bal ineen; het is dan zeer moeielijk hem vast te blijven houden, daar de scherpe stekels bij de hevige beweging van het ineenrollen gewoonlijk gevoelige wonden veroorzaken. Een ineengerolde Mierenegel kan niet gemakkelijk vervoerd worden; het best kan dit nog geschieden, door hem bij de achterpooten te vatten, zonder zich verder over zijn tegenspartelen te bekommeren. Als hij eens een kuil van eenige diepte gegraven heeft, kost het zeer groote moeite hem er uit te trekken. Op de wijze van de Gordeldieren schoort hij zich aan alle zijden en drukt de stekels zoo stevig tegen de wanden van het hol, dat hij er als ’t ware aan vastgekleefd is. De bewering van de inboorlingen, dat het mannetje zijn aanvaller met de spoor aan den achtervoet verwondt en uit dit wapen een vergiftige vloeistof in de wonde laat vloeien, moet, blijkens alle proefnemingen, die hiermede gedaan zijn, als een fabel beschouwd worden.
Dit vreemdsoortig dier laat, als het zich zeer beangst gevoelt, een zwak geknor hooren. Onder zijne zintuigen nemen die van het gehoor en van het gezicht de eerste plaats in; de overige zijn zeer stomp.
Haacke heeft in Australië verscheidene Mierenegels in ’t leven gehouden; de berichten die hij over hun levenswijze geeft, hebben voornamelijk betrekking op hun vaardigheid in ’t klimmen, hun voortplanting en hun geschiktheid om geruimen tijd in ’t leven te blijven zonder voedsel te gebruiken. “De eerste Mierenegel, dien ik kreeg,” schrijft hij, “had ik in mijn werkkamer onder een onderstboven gekeerde kist geplaatst, waar het hem niet goed scheen te bevallen. Onophoudelijk deed hij zijn best om uit deze gevangenis te ontsnappen; overal waar tusschen den vloer en de kist genoeg ruimte was, stak hij voortdurend de lange tong tastend naar buiten. Eindelijk gelukte het hem gedurende den nacht de zware kist op te tillen en zijn vrijheid terug te krijgen. Langen tijd zocht ik hem tevergeefs. Eindelijk vond ik hem tot mijn groote verwondering in een andere, ongeveer 40 cM. hooge kist, die van boven open en voor de helft gevuld was met in papier gewikkelde stukken goudhoudend kwarts, die ongeveer de grootte van een vuist hadden. Bijna verborgen sliep hij op zijn gemak tusschen deze ingepakte stukken steen, die hem waarschijnlijk als leger geschikter voorkwamen dan de effene vloer. Twee andere Mierenegels plaatste ik, gedachtig aan het waargenomen klimvermogen dezer dieren, in de uitgestrekte onderste verdieping van het museumgebouw te Adelaïde, in een omstreeks 1 M. hoogen en 50 cM. wijden ton. Het ontsnappen uit deze gevangenis, die den vorm van een gewonen ton had, scheen onmogelijk. Toch gelukte het een van deze dieren zich te bevrijden. Nadat ik het dagen lang tevergeefs gezocht had, vond ik het weder bij zijn metgezel in de ton; waarschijnlijk was het op het geluid dat deze maakte, afgegaan, had zich tusschen den muur en de ton weder omhoog gewerkt, tot aan den rand en zich van hier in de ton laten vallen. Daar ik de dieren ontleden en voor dit doel van het hinderlijke vet bevrijden wilde, liet ik ze vasten en vond, dat zij zonder merkbare vermindering van hun welstand minstens een maand lang zonder voedsel konden blijven. Den darm van een Mierenegel, die ongeveer zes weken lang gevast had, vond ik uitsluitend gevuld met het zand uit zijn hok. Dit is een vingerwijzing voor de bereiding van het voedsel, dat men aan gevangen dieren van deze soort kan geven. Mijns inziens zal men ze lang in ’t leven kunnen houden met een fijnkorrelig mengsel van gelijke deelen vleeschmeel, fijn gewreven eidooier, fijn gemalen hennep, gestampte beschuit, fijn gewreven wortels en schoon zand. Misschien zullen zij dan in de gevangenschap zich voortplanten. Door aan het voedsel mierenpoppen en meelwormen toe te voegen, zal het nog geschikter worden; de Mierenegels moet men geheel op de wijze van insectenetende Vogels behandelen. De meesten zouden de reis van Australië naar Europa, die door de snelvarende stoombooten zeer afgekort is, wel vastend kunnen afleggen.”
*
Het tweede geslacht en de tweede soort der Mierenegels wordt gevormd door een eerst onlangs ontdekt dier van Nieuw-Guinea. dat wij (om het te onderscheiden van het reeds genoemde) Vachtegel (Proëchidna Bruynii) zullen noemen. Dit geslacht is gekenmerkt door het aantal teenen, dat slechts drie aan elken voet bedraagt. De naar onderen gekromde snavel is bijna tweemaal zoo lang als het overige deel van den kop. Het dier is ongeveer 0.5 M. lang; zijn dichte, effen donkerbruine of zwarte vacht, waarin slechts een gering aantal stekels verborgen zijn, bestaat uit grof wolhaar, dat met weinig of geen gladde borstels gemengd is.
Tot dusver werd de Vachtegel alleen in het noordwesten van Nieuw-Guinea gevonden; over zijn levenswijze zijn nog geen berichten tot ons gekomen.
Het Vogelbekdier (Ornithorhynchus anatinus, O. paradoxus) is de eenige bekende vertegenwoordiger van de tweede familie der Kloakdieren. Aan E. T. Bennett danken wij de eerste goede beschrijving van dit werkelijk zonderlinge dier, dat nog lang na zijn ontdekking deskundigen en leeken in verbazing bracht. Zijne gestalte en levenswijze schenen zoo vreemdsoortig, dat Bennett uitsluitend met het doel om dit dier te leeren kennen, een reis naar Australië deed. Tot aan dien tijd waren slechts onbepaalde berichten over deze diersoort bekend geworden. Het eenige dat men vernomen had, was, dat het smakelijk gebraad oplevert. Bovendien werd toen reeds gesproken over het eierleggen van dit dier, welke mededeeling men echter als een fabel meende te moeten beschouwen, totdat Caldwell in 1884 berichten kon, dat hij zelf deze eieren had gevonden.
Vogelbekdier (Ornithorhynchus anatinus). ¼ v. d. ware grootte.
Het Vogelbekdier is een weinig grooter dan de Mierenegel, ongeveer 60 cM. lang met inbegrip van den nagenoeg 14 cM. langen staart. De mannetjes zijn opmerkelijk grooter dan de wijfjes. De van boven naar onderen als ’t ware samengedrukte romp, gelijkt in sommige opzichten op dien van den Bever of van den Vischotter. De pooten zijn zeer kort, alle voeten hebben vijf teenen en zijn met zwemvliezen voorzien. Aan de voorvoeten, die de grootste spierkracht bezitten en zoowel voor ’t zwemmen als voor ’t graven dienen, reikt het zwemvlies een weinig voorbij de klauwen; dit deel is zeer buigzaam en rekbaar en wordt, als het dier graaft, teruggeschoven. Alle teenen zijn zeer forsch, stomp en uitmuntend voor ’t graven geschikt. De beide middelste zijn de langste. De korte achtervoeten zijn naar achteren gericht, en herinneren aan die van den Zeehond; ook werken zij hoofdzakelijk achterwaarts en buitenwaarts. Hun eerste teen is zeer kort, de nagels zijn alle naar achteren gekromd, langer en scherper dan die van de voorvoeten; het zwemvlies reikt hier echter niet verder dan tot aan den wortel der klauwen. Bij het mannetje vindt men aan iederen achtervoet, een weinig boven de teenen, een naar binnen gekromde, puntige en beweeglijke spoor, die tamelijk ver gedraaid kan worden. De staart is plat, breed en aan het einde (waar lange haren groeien) plotseling afgeknot, bij oudere dieren is hij van onderen geheel naakt of slechts met eenige weinige grove haren bedekt, bij jonge dieren echter overal behaard; waarschijnlijk slijten deze haren eerst mettertijd af. De kop is tamelijk plat en klein; door zijn breeden eendensnavel onderscheidt hij zich van iederen anderen Zoogdierenkop. De beide kaken zijn verlengd en over haar geheele oppervlakte bedekt met een hoornachtige huid, die zich achterwaarts voortzet in een eigenaardig schild. Bij het volwasschen dier bevat elke kaakhelft twee hoorntanden: de voorste is lang, smal en scherp, de achterste is breed en plat en heeft over ’t geheel het voorkomen van een kies. In de plaats van deze hoorntanden bezit het Vogelbekdier vóór het tijdstip, waarop het een derde of een vierde van de grootte van ’t volwassen dier bereikt heeft, acht echte tanden, die op platte, onregelmatig afgeronde schotels gelijken, en aan den rand met groote en kleine knobbels bezet zijn. Deze eerst voor korten tijd ontdekte, echte tanden herinneren aan die van kleine Zoogdieren uit het Jura tijdperk. Nadat zij bijna geheel afgesleten en eindelijk uitgevallen zijn, komen de reeds genoemde, door verhoorning van het slijmvlies gevormde kauworganen er voor in de plaats. De neusgaten liggen aan de bovenvlakte van den snavel dicht bij zijn uiteinde; de kleine oogen staan hoog aan den kop; de gehooropeningen kunnen gesloten worden en zijn dicht bij den buitensten ooghoek gelegen. De huidplooi, die, aan den snavel beginnend, als een schild over het voorste deel van den kop en over de keel valt, is van groot nut voor het dier, daar zij bij het zoeken van voedsel de aangrenzende deelen van de vacht tegen het slijk, en bij ’t graven in den grond de oogen tegen het zand beschut. De tong is vleezig, maar met hoornachtige tanden bezet en van achteren met een eigenaardige opzwelling voorzien, die den mond volkomen afsluit. Zoo wordt de snavel tot een uitmuntende zeef, waarmede het dier het water kan doorzoeken, eetbare bestanddeelen van oneetbare kan scheiden en de eerstgenoemde in de ruime wangzakken kan bergen, die zich langs de zijden van den kop uitstrekken, om ze later op zijn gemak te kauwen.
De vacht van het Vogelbekdier bestaat uit dicht bijeengeplaatste, grove borstels van donkerbruine kleur met zilverwitten weerschijn, die het zeer zachte grijsachtige wolhaar bedekken, welks zachtheid aan de vacht van den Zeehond en den Zeeotter herinnert. Zij verbreidt, vooral wanneer zij nat is, een eigenaardige vischlucht, die waarschijnlijk door een olieachtige huidafscheiding veroorzaakt wordt. Ondanks deze afkeerwekkende uitwaseming beschouwen de Australiërs het vleesch van dit dier als een smakelijk gerecht.
Het liefst bewoont het Vogelbekdier stille plaatsen bij rivieren, waarin talrijke waterplanten groeien en welker oevers door lommerrijke boomen overschaduwd worden. Hier graaft het aan den waterkant een min of meer kunstig hol. Een ongeveer 6 M. lange gang, die zich herhaaldelijk kronkelt, mondt uit in een ruime kamer, die evenals de gang met droge waterplanten bestrooid is. Gewoonlijk heeft elk hol echter twee ingangen: de eene onder den waterspiegel, de andere ongeveer 30 cM. er boven.
In alle tijden van ’t jaar ziet men het Vogelbekdier in de rivieren van Australië, het veelvuldigst echter gedurende de lente- en zomermaanden; het is mogelijk, dat zij winterslaap houden. Zij zijn eigenlijk schemering-dieren, hoewel zij ook over dag hunne schuilplaatsen voor korten tijd verlaten om voedsel te zoeken. Als het water zeer helder is, kan men den weg, dien het nu eens duikende, dan weer aan de oppervlakte verschijnende dier volgt, gemakkelijk met de oogen nagaan. Als men het waarnemen wil, moet men volkomen bewegingloos blijven staan, want zelfs de geringste beweging wordt door zijn scherpziend oog opgemerkt; zijn fijngevoelig oor hoort het zachtste gedruisch. Zelden blijft het langer dan 1 of 2 minuten boven water, daarna duikt het en komt een klein eind verder opnieuw te voorschijn. Bij gevangene exemplaren heeft Bennett opgemerkt, dat het Vogelbekdier zich gaarne dicht bij den oever, op korten afstand boven het slijk ophoudt, om tusschen de wortels van de waterplanten, die de voornaamste schuilplaats van zwemmende Insecten zijn, te slobberen. Het voedsel, dat het gedurende deze werkzaamheid opneemt, hoofdzakelijk kleine in ’t water levende Insecten en Weekdieren, wordt voorloopig in de wangzakken bewaard en later, terwijl het dier rust neemt, verslonden.
“Op een mooien zomeravond,” verhaalt Bennett, “kwam ik met mijn gids in de nabijheid van een riviertje in Australië, in de hoop hier een Vogelbekdier te zien te krijgen; ik wist, hoeveel dit dier van de schemering houdt. Met het geweer in de hand bleven wij rustig bij den oever staan. Het duurde niet lang of wij zagen aan de oppervlakte van ’t water, en wel tamelijk dicht bij den oever, een zwart lichaam, welks spits, de kop, slechts weinig boven den waterspiegel uitstak. Wij maakten geen beweging om het dier niet te verjagen, keken goed uit en trachtten zooveel mogelijk de bewegingen van het dier te volgen. Men moet zich gereed maken om te schieten, zoodra het Vogelbekdier duikt, om hem op het oogenblik van zijn terugkomst aan de oppervlakte te treffen. Daar de hagel door de losse, dikke vacht niet gemakkelijk heendringt, moet men den kop zien te raken. Wij wondden er een, dat blijkbaar zwaar getroffen, oogenblikkelijk zonk, maar spoedig weder boven kwam. Toen de Hond het ons bracht, bemerkten wij dat het een flink mannetje was. Het was nog niet geheel dood, maar bewoog zich nu en dan, hoewel het geen ander gedruisch maakte, dan dat het dikwijls door de neusgaten ademde. Weinige minuten nadat het uit het water was gehaald, kwam het weder bij en liep oogenblikkelijk, hoewel met onvaste beweging, in de richting van de rivier. Ongeveer 25 minuten later buitelde het herhaaldelijk over den kop en stierf. Daar ik vaak gehoord had, hoe gevaarlijk een steek met de spoor van dit dier is, zelfs nadat het doodelijk gewond werd, hield ik, toen ik het voor de eerste maal aanvatte, mijn hand dicht bij de “giftige” spoor. Bij de hevige pogingen, die het dier deed om te vluchten, krabde het mij een weinig met zijne achterpooten en ook met de spoor; hoe hard ik het echter betastte, het stak mij volstrekt niet met opzet. Daar men ook verhaalt, dat het dier op den rug gaat liggen om zijne wapens te gebruiken—hetgeen trouwens door ieder, die het dier maar eenigzins kent, niet waarschijnlijk zal worden geacht—bracht ik het dier in dezen stand. Zonder de spoor te gebruiken, deed het eenvoudig zijn best om weder op de pooten te komen. Kortom, ik beproefde op allerlei wijzen, maar steeds tevergeefs, het dier te noodzaken met de spoor te steken. Hierdoor ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de spoor niet als wapen dient, te meer daar latere proefnemingen bij gewonde dieren altijd dezelfde uitkomst opleverden. Wel is waar noemen de inboorlingen de spoor “neuswijs”, waarmede zij over ’t algemeen schadelijk of vergiftig bedoelen; zij gebruiken echter dezelfde uitdrukking ook voor het aanduiden van het krabben met de achterpooten; ook schromen zij volstrekt niet het levende Vogelbekdier aan te vatten. Als het zonderlinge schepsel over den bodem loopt, ziet het er zoo onnatuurlijk uit, dat de schrik, dien het door zijn vreemde gestalte inboezemt, licht aanleiding kan hebben gegeven tot het vermoeden van giftigheid. Katten gaan gewoonlijk voor dit dier op de vlucht; Honden, die niet opzettelijk voor deze jacht afgericht zijn, kijken hun tegenstander met gespitste ooren aan en blaffen, maar durven hem niet aanraken.”
Bennett liet Vogelbekdieren opgraven en kwam hierdoor in de gelegenheid verscheidene van deze wezens in gevangen toestand waar te nemen. “Ik liet,” zegt hij, “een hol openen, in weerwil van de tegenwerpingen van een luien inboorling, die maar volstrekt niet begrijpen kon, waarom ik, nu er zoo’n grooten overvloed van Runderen en Schapen was, ook nog Vogelbekdieren wenschte te bezitten. De ingang of de voorhof van de woning was groot in verhouding tot de breedte van de gang, die er op volgde, want deze werd nauwer, naarmate wij er verder in doordrongen, totdat haar wijdte ten slotte overeenkwam met de dikte van ’t dier. Wij gingen haar na tot op een diepte van ongeveer 3 M. Plotseling kwam uit den grond de kop van een Vogelbekdier te voorschijn, juist alsof het pas in zijn slaap gestoord werd en gekomen was om te zien, wat wij verlangden. Naar het scheen, kwam het tot het besluit, dat onze geraasmakende arbeid niet voor zijn bestwil ondernomen werd, want het maakte ten spoedigste rechtsomkeert. Bij het omdraaien werd het bij den achterpoot gegrepen en uit den grond getrokken. Het scheen zich hierover zeer te verontrusten en te verwonderen. Wij plaatsten onze gevangene, een volwassen wijfje, in een vat vol gras, rivierslib, water enz. Het krabbelde overal om uit zijn gevangenis te ontsnappen; toen het echter vond, dat al zijn moeite nutteloos was, hield het zich stil, kroop in elkander en scheen weldra te slapen. Gedurende den nacht was het zeer onrustig en krabbelde weder met de voorpooten, alsof het een gang wilde graven. Des morgens vond ik het in vasten slaap, den staart onder het lichaam naar voren, den kop met den snavel onder de borst teruggebogen, het lichaam ineengerold. Toen ik het in zijn sluimering stoorde, knorde het ongeveer als een jonge Hond, maar een weinig zachter en misschien op welluidender wijze. Gedurende den dag hield het zich meestal stil des nachts trachtte het opnieuw te ontkomen en knorde aanhoudend. Alle Europeanen in de nabijheid, die het dier zoo dikwijls dood hadden gezien, waren blijde er eindelijk eens een levend te kunnen aanschouwen; ik geloof, dat dit werkelijk de eerste maal is geweest, dat een Europeaan een Vogelbekdier levend gevangen en het hol van dit dier doorzocht heeft.
“Toen ik afreisde, stak ik mijn “Mallangong” in een kistje met gras en nam hem mede. Om hem een uitspanning te verschaffen, maakte ik hem eenigen tijd later wakker, bond hem een lang touw aan den achterpoot en zette hem aan den oever. Hij vond spoedig zijn weg naar het water en zwom stroomopwaarts, klaarblijkelijk zeer ingenomen met de plaatsen, die het dichtst met waterplanten bedekt waren. Nadat mijn gevangene zijn bekomst had gekregen van het duiken, kroop hij uit het water op den oever en vermaakte zich met in zijn vacht te krabbelen en deze uit te kammen.
“Eenige dagen later liet ik hem nogmaals een bad nemen, ditmaal in een rivier met helder water, waarin ik zijne bewegingen duidelijk kon waarnemen. Schielijk dook hij tot op den bodem, bleef hier een korte poos en kwam weder aan de oppervlakte. Hij zwierf langs den oever, waarbij hij zich liet leiden door de gevoelsindrukken van zijn snavel, die, naar het schijnt, een zeer fijn tastwerktuig is en veelvuldig gebruikt wordt. Blijkbaar kon hij gemakkelijk aan den kost komen, want zoo vaak hij den snavel uit het slijk terugtrok, had hij er stellig iets eetbaars in, daar de eetwerktuigen dan zijwaarts gericht waren, in overeenstemming met de beweging, die zij bij het kauwen gewoonlijk maken. Verscheidene Insecten, die dicht bij het dier rondfladderden, liet hij ongestoord, hetzij dat hij ze niet zag, òf dat hij de voorkeur gaf aan het voedsel, dat het slijk hem verschafte. Na den maaltijd ging hij dikwijls op den met gras begroeiden oever half buiten het water op den buik liggen, of wendde den rug naar onderen om zijn vacht te kammen en te reinigen. In zijn gevangenis keerde hij zeer ongaarne terug en ditmaal wilde hij volstrekt niet tot rust komen. Gedurende den nacht hoorde ik hem krabbelen aan zijn kist, die in mijn slaapkamer stond, en ziet: den volgenden dag vond ik haar ledig. Het Vogelbekdier was zoo gelukkig geweest een lat te kunnen losmaken en had de vlucht genomen. Zoo was dus mijn verwachting, dat ik nog meer waarnemingen zou kunnen doen, verijdeld.”
Gedurende een andere reis had Bennett het geluk een hol te ontdekken met drie reeds behaarde jongen, die hij een tijdlang kon nagaan. “Toen wij het nest met de jongen vonden,” zegt Bennett, “en ze op den grond zetten, liepen zij wel rond, maar maakten toch niet zulke woeste sprongen om te ontvluchten als de oude dieren. De inboorlingen, die bij het zien van deze vette jonge dieren watertandden, zeiden, dat zij reeds 8 maanden oud waren en voegden er bij, dat de jonge Vogelbekdieren door hun moeder slechts in den beginne met melk, later met Insecten, kleine Schelpdieren en slijk gevoederd worden.
“Ik kon de jongen zonder bezwaar in de kamer laten rondloopen; een oud dier groef echter met zooveel volharding aan den muur, dat ik het opsluiten moest. Toen lag het gedurende den geheelen dag stil, maar herhaalde des nachts zijne pogingen om zich te bevrijden. Als ik de dieren in hun slaap stoorde, hoorde ik steeds een algemeen gemor.
“Mijn klein gezin van Vogelbekdieren bleef nog eenigen tijd in leven; ik was dus in staat hunne gewoonten na te gaan. Dikwijls leek het, alsof de diertjes van zwemmen droomden, want hunne voorpooten maakten dikwijls de hierop doelende beweging. Als ik ze over dag op den grond zette, zochten zij een donker plekje uit om er te rusten; hier of in hun gevangenis rolden zij zich ineen en sliepen spoedig in; aan hun gewone rustplaats gaven zij echter de voorkeur boven iedere andere plek.
“Eens op een avond kwamen mijne beide kleine lievelingen omstreeks het schemeruurtje te voorschijn en vraten hun voedsel als naar gewoonte; daarna begonnen zij echter te spelen als een paar jonge Honden, elkander met den snavel aan te vatten, de voorpooten op te lichten, over elkander heen te klauteren enz. Bij het rondloopen waren zij buitengewoon levendig, hunne oogjes straalden van opgewondenheid en hunne gehooropeningen werden zeer snel achtereen geopend en gesloten. Zij kunnen, daar hunne oogen zeer hoog aan den kop geplaatst zijn, niet goed volgens een rechte lijn voor zich uitzien, stooten daarom tegen alles aan en werpen dikwijls lichte voorwerpen om.
“Kort na mijn aankomst in Sydney werden de diertjes tot mijn groote droefheid magerder, en hun vel verloor het fraaie, glanzige uitzicht. Uit allerlei verschijnselen bleek, dat zij ziek waren; hun aanblik kon nog slechts medelijden inboezemen. Den 29en Januari stierf het wijfje, den 2en Februari het mannetje. Ik had ze slechts ongeveer 5 weken in ’t leven gehouden.”
Het Vogelbekdier legt verscheidene eieren met weeke schaal, waarin, volgens de ontdekkingen van Caldwell, de kiemen zoover ontwikkeld zijn als in een kippenei, dat 36 uren lang bebroed is geworden. Het uitbroeden der eieren geschiedt in het nest. De jongen, die uit de eieren komen, zijn klein, naakt, blind en onbeholpen zooals die van den Mierenegel en van de Buideldieren. Hunne snavels zijn kort.
In den dierentuin te Melbourne worden in den laatsten tijd nu en dan Vogelbekdieren gehouden; geen enkel exemplaar van deze diersoort is tot dusver levend in Europa aangekomen.
Misschien moet een eerst voor kort ontdekt, onder den grond levend dier van het binnenland van Australië ook nog bij de Kloakdieren gerekend worden. Tot dusver kent men het slechts door een enkel, ongelukkigerwijs verminkt exemplaar. Het is met metaalglanzig haar bekleed, maar wacht nog op een meer gedetailleerde beschrijving. Het heeft nog geen naam gekregen.
Een nog belangrijker bijdrage tot de natuurlijke geschiedenis van de laagst ontwikkelde Zoogdieren zal waarschijnlijk geleverd worden door het eenige oorspronkelijke op het land levende Zoogdier van Nieuw-Zeeland. Naar het uitwendige gelijkt dit dier op een Vischotter; het leeft bij en in het water, evenals deze, en is thans waarschijnlijk beperkt tot de meren van het gebergte van het zuidelijkste der beide groote Nieuw-Zeelandsche eilanden. Men heeft dit dier herhaaldelijk gezien, éénmaal op zoo korten afstand, dat men het een zweepslag kon geven, waarna het met een schel geschreeuw in het water verdween. Julius Von Haast zag de sporen van dit dier in de sneeuw. Het is evenwel nog niet gelukt er een exemplaar van te vangen. Van alle landen der aarde heeft Nieuw-Zeeland de laagst ontwikkelde Vogels; het zou dus kunnen zijn, dat zijn eenig hedendaagsch, inheemsch Zoogdier evenveel bij de Kloakdieren achter staat, als deze lager ontwikkeld zijn dan de Buideldieren. In dit geval zou het belangrijke en misschien onverwachte inlichtingen kunnen geven over den oorsprong van de hoogst georganiseerde klasse van de Gewervelde Dieren, die ook den mensch onder hare leden telt.