Cartuja de Miraflores, Beeld van Prins Alfonso, broeder van Isabella de Katholieke.

Cartuja de Miraflores, Beeld van Prins Alfonso, broeder van Isabella de Katholieke.

De verschillende kerken betwisten elkaar hier bijna de eer, de heerlijkste kunstwerken te bezitten. Velen beweren, dat de Maagd der Smarten van Hernandez, die in de kerk van la Cruz wordt bewaard, die van Juan de Juni nog in schoonheid overtreft. Misschien zou ook ik deze meening zijn toegedaan, als ik het andere beeld had aanschouwd in een passende omgeving; doch daar het uitkwam tegen een achtergrond van spiegels met vergulde lijsten, en rondom de tragische hoofdfiguur engeltjes zweefden, die als echte Cupido’s beter bij een triomftocht van Venus zouden hebben gepast, kreeg ik den indruk, alsof de maagd van Hernandez hier een vreemde verschijning was, uit een naburig klooster hierheen overgebracht, en meer uit eerbied, dan uit kunstzin voor dit altaar geplaatst, waar zij niet behoorde. Toch is zij zeer schoon, en jeugdiger opgevat, dan de maagd van Juan de Juni, wier trekken door het lijden verouderd zijn.

Deze beide beelden nemen geregeld deel aan de pasos, of optochten, die in de Paaschweek plechtig rondgaan, en in hooge mate de belangstelling en geestdrift der menigte gaande maken. In de Kerk van la Cruz wordt zulk een beeldengroep vertoond, die gereed is om aan den optocht deel te nemen; het geheel rust op een voetstuk, dat door vier zware wielen wordt voortbewogen. Als de poort der kapel wordt geopend, kan het zonder bezwaar naar buiten worden gereden. De groep stelt voor de afneming van Christus van het Kruis, met de weenende vrouwen aan den voet. Elk détail is zoo realistisch mogelijk weergegeven, tot een nog al leelijke ladder toe, en de geloovigen hebben niet kunnen nalaten, hun goeden wil te toonen, door de heilige maagd een prachtigen kanten zakdoek te vereeren, om haar tranen af te wisschen. Het lijkkleed, waarin Christus zal worden gewikkeld, is van fijn, geborduurd linnen, en de heilige vrouwen dragen keurig gesteven en gepijpte kanten kragen, die de strijkster veel werk moeten hebben gekost. Toen ik den pastoor, een zeer verstandig man, opmerkzaam maakte op de overbodigheid dezer versiersels, zeide hij: “Die nauwe vereeniging van zulk een ideale voorstelling met de dingen van het dagelijksch leven, doet het volk beter de beteekenis van het voorgestelde begrijpen. Als men dit naliet, zou de groote massa deze dingen minder goed verstaan; alleen de meer ontwikkelden zouden onder den indruk geraken.”

Christus in het graf, door Juan de Juni. (In het Museum te Valladolid.)

Christus in het graf, door Juan de Juni. (In het Museum te Valladolid.)

Nog meer kunstschatten zijn in de overige kerken der stad te vinden; maar op de rijkste verzameling mag zich de school van Santa Cruz beroemen, die als museum is ingericht voor de vele kunstwerken, die uit naburige kloosters hier zijn aangebracht, vooral uit San Benito el Real.

Kerk van La Cruz. II. Maagd van Hernandez.

Kerk van La Cruz. II. Maagd van Hernandez.

Zoo zien wij daar een prachtigen Christus in het graf van Juan de Juni; de doop van Christus door Hernandez; de St. Sebastiaan van Berruguete; een borstbeeld van de heilige Elizabeth, dat door de forsche behandeling aan Michel Angelo herinnert; St. Theresa, schrijvend wat de H. Geest haar voorzegt, een werk, dat, hoewel eenigszins theatraal opgevat, van groote technische vaardigheid getuigt, en voorts de prachtvolle kop van Paulus door Juan Alonso de Villabrille, uit het jaar 1707. In plaats van zelf verder over deze meesterstukken uit te weiden, verwijs ik liever den lezer naar het werk van mijn echtgenoot over de beschilderde beelden van Spanje, waarin hij ieder afzonderlijk uitvoerig heeft behandeld. Bij het prachtige museum der school van Santa Cruz, behoort ook een kerkgebouw, waar, behalve groote, historische doeken, die ten onrechte aan Rubens worden toegeschreven, zich twee heerlijke bronzen beelden bevinden, die den graaf en de gravin de Lerma voorstellen, en vervaardigd zijn door Pompeijo Leoni. Zij zijn, hoewel misschien niet zoo grootsch ontworpen, nog uitvoeriger behandeld, dan de groepen, die Karel V en Philips II met hun verwanten voorstellen, in de kerk van het Escuriaal. Evenals de koorstoelen, zijn zij afkomstig uit het klooster van San Benito, waar zich het grafgewelf der grafelijke familie bevond. Het gewaad van de gravin is zoo getrouw nagebootst en zóó minutieus behandeld, dat men elken naad en zoom der verschillende kleedingstukken, elken steek van het borduurwerk volgen kan. Toch schaadt deze uitvoerigheid niet aan den indruk van het geheel en sluit volstrekt geen dorheid van behandeling in.

Een fraaie trap leidt naar de bovenverdieping van het gebouw, waarvan de zalen eveneens tot bewaarplaats dienen van allerlei kunstvoorwerpen; ’t zij deze van groote waarde zijn of slechts als herinneringen door de Spanjaarden in eere worden gehouden. Een bonte mengeling van tapijten, inlegwerk in hout en ivoor, beeldjes van klei en beschilderd porselein, naast bijv. een half vergaan ledikant van verguld hout, waarin Napoleon eens heeft geslapen; en kunstig gesneden renaissance koorstoelen naast de grafkransen van een onlangs overleden verdienstelijk burger van Valladolid.

Geheel boven in het gebouw bevindt zich een gothische deur, even merkwaardig door de rijke versiering, als omdat zij zoo volkomen ongeschonden is bewaard gebleven.

De smalle deuropening geeft toegang tot een prachtige zaal, die als bibliotheek is ingericht. Vijftienduizend boekdeelen staan hier langs de wanden geschaard, grootendeels afkomstig uit naburige kloosters. In die stapels manuscripten, in hun perkamenten omhulling, zal wel veel merkwaardigs zijn te vinden. Vooreerst wordt dit heiligdom nog voor de meeste reizigers gesloten gehouden; een wijze maatregel; want dergelijke schatten mogen niet aan de onbescheiden blikken van nieuwsgierige lieden worden blootgesteld. Een belangrijke verzameling teekeningen staat echter ten dienste van kunstenaars, die in dergelijke zaken belang stellen; o. a. een reeks afbeeldingen van de kleederdracht der verschillende kloosterorden van de geheele wereld. Onder de schilderijen van zeer verschillende waarde, die hier in het museum worden tentoongesteld, is er een, die in ’t bijzonder de aandacht trekt, het portret van den stichter dezer school, den beroemden kardinaal Mendoza, die de vriend, raadsman en getrouwe dienaar was van Ferdinand en Isabella, en in zoo hooge mate hun gunst genoot, dat zij er zelfs geen aanstoot aan namen, hem den bijnaam van “den derden Koning” te hooren geven. Het is een echte spaansche kop, met groote donkere oogen, volle lippen, die niets ascetisch hebben, en de gladgeschoren wangen blauwachtig getint. De Mendoza was dapper in den oorlog, en een wijs raadsman. Hij bezat de deugden en gebreken, die behoorden bij zijn tijd. Zijn lichaamskracht, zijn strijdlust en zijn losbandigheid waren even bekend als eenige jaren later de strengheid van zeden en de ascetische leefwijze van Ximenes. De laatste liet zijn harde houten legerstede plaatsen naast het sierlijke praalbed in de met koninklijke pracht ingerichte vertrekken van zijn voorganger.

Wel moet Valladolid de geliefkoosde verblijfplaats van Koningin Isabella zijn geweest, want bij elken stap dringen zich herinneringen aan haar op. Al bleef zij het voorbeeld volgen harer vorstelijke voorgangers, die gewend waren, nu eens in het Noorden, dan in het Zuiden van hun rijk hun tenten op te slaan; al hield de kamp om Granada haar langen tijd terug in Andalusië; al moest zij, schoon met tegenzin, somtijds in Catalonië vertoeven, Valladolid, waar haar huwelijk was voltrokken, dat haar had bijgestaan in den strijd om haar gezag te bevestigen, Valladolid, dat omringd was door burchten en sterke vestingen, zooals Medina del Campo, Rioseco en Simancas, was haar een machtige en getrouwe steun; en binnen de muren dezer stad wist zij, dat noch haar, noch het castiliaansche koningschap eenig gevaar zou dreigen. Onder de naburige vestingen is het kasteel van Simancas het best bewaard gebleven. Ondanks enkele veranderingen, die het heeft ondergaan, maakt het nog een strengen en dreigenden indruk, met zijn zwaren ringmuur van grijzen steen, zijn somberen kerkertoren, en zijn kale, verlaten omgeving. Men zou geneigd zijn het voor een gevangenis te houden, inplaats van wat het werkelijk is: de bewaarplaats der archieven van het koninkrijk.

Pulgar, de kroniekschrijver, die het leven der katholieke vorsten beschreef, deelt naar aanleiding van deze vesting, een voorval mede, dat de kloekheid en geestkracht der koningin in het licht stelt, zoowel als het ontzag, dat zij wist in te boezemen.

Toen Ferdinand zich eens in Aragon bevond, en Isabella alleen in Valladolid was achtergebleven, ontstond een twist tusschen twee hovelingen, den jongen Don Fabrique, zoon van graaf Amirante, een oom des Konings, en Ramiro Nunez de Guzman, Heer van Torral. Daar de koningin het gerucht van hun geschil was ter oore gekomen, en zij vreesde dat deze oneenigheid noodlottige gevolgen na zich zou slepen, beval zij haar majordomo, Garcilaso de la Vega, den jongen Ramiro in zijn huis te doen bewaken, terwijl zij Don Fabrique liet bevelen, zich als gevangene te beschouwen in het slot van zijn vader, en dit niet zonder haar verlof te verlaten. Voorts gebood zij den twee tegenstanders, erin te berusten, dat zij zelve den strijd tusschen hen beslechten zou.

Daar hij de bedoelingen der koningin wel vermoedde, had Don Fabrique reeds in ’t geheim de stad verlaten, wijl hij voornemens was, zich met eigen hand te wreken op zijn vijand. Toen de koningin dit vernam, schonk zij Ramiro Nunez de Guzman zijn vrijheid, en verzekerde, dat hem geen leed zou geschieden. Doch toen de jonge man, vertrouwend op de belofte der vorstin, des anderen daags zich op de Plaza Mayor vertoonde, werd hij door drie gemaskerde personen aangevallen en zoo geslagen, dat hij bewusteloos bleef liggen. Op het hooren van dit bericht was de koningin buiten zich zelve van toorn. Zij liet haar paard zadelen en reed in storm en regen, zonder gevolg, naar het kasteel Simancas, het eigendom van den vader van Don Fabrique. Toen de poort haar geopend was, eischte zij op gebiedenden toon de uitlevering van den schuldige, die haar bevelen niet was nagekomen. Toen Don Amirante beweerde, niet te weten waar zijn zoon zich bevond, zeide zij: “Daar gij weigert, mij te gehoorzamen, eisch ik, dat gij mij deze vesting, zoowel als Rioseco, overgeeft. Gij zijt niet waardig, hier het bevel te voeren.”

Zonder tegenspraak liet de graaf zich zijn eigendom ontnemen; doch Isabella’s toorn was nog niet geweken. Zij liet het kasteel door haar eigen manschappen bezetten, onder den kapitein Alonso de Fonseca, en rustte niet, eer men het tot in zijn geheimste schuilhoeken had doorzocht. Don Fabrique werd echter niet gevonden. Toen de koningin, welvoldaan over de wijze waarop zij zich van twee sterke vestingen had meester gemaakt, naar Valladolid was teruggekeerd, werd zij ziek door de uitgestane vermoeienis, en antwoordde op de deelnemende vragen naar haar gezondheid, dat zij nog steeds leed door de stokslagen, die Don Ramiro hadden getroffen, ondanks de door haar beloofde bescherming.

Don Fabrique’s vader niet alleen, doch zijn geheele familie moest van nu af de ongenade der vorsten ondervinden, zoodat men eindelijk in een familieraad besloot, den jongen man op genade en ongenade aan de koningin over te leveren. Hoewel zijne verwanten nadruk legden op het feit, dat hij nog geen twintig jaar was, en door zijn jeugd nog niet genoegzaam was doordrongen van den eerbied en de volstrekte gehoorzaamheid, die hij zijn souvereine vorstin was verschuldigd, baatte dit alles niet, om den toorn der koningin te verzachten. Hoewel hij smeekte, aan hare voeten schuld te mogen belijden, wilde zij hem zelfs niet ontvangen, doch liet hem geboeid naar de Plaza Mayor voeren, het tooneel van zijn misdrijf, en vervolgens gevangen zetten, in den kerker van Arevalo. Mogelijk had hij nimmer zijn vrijheid herwonnen, als hij niet op voorspraak zijner verwanten had verkregen, dat zijn vonnis in levenslange verbanning werd veranderd.

Toen ik het kasteel verliet, waar ik met eigen oogen het handschrift der groote vorstin had aanschouwd, hoorde ik in de verte muziek. Op het naburige dorpsplein waren jonge meisjes aan het dansen, en een blinde man begeleidde haar vroolijk gehuppel op zijn guitaar, terwijl hij nu en dan zonderlinge klagende keelgeluiden uitstiet. De herfstwind deed de gele, ritselende bladeren mededwarrelen in dien rondedans; en toch was er in dat najaarslandschap niets treurigs; want de hemel, niet langer zoo onverbiddelijk strak-blauw als in den zomertijd, welfde zich over bosch en veld in harmonische tinten van zacht-grijs en teer rose, waartusschen zich die wonderbare schakeeringen van groen vertoonden, welke Velasquez met voorliefde te schilderen placht. De opwekkende, frissche geur van wilde thijm en rozemarijn vervulde de lucht, de gezichteinder ging schuil in een gulden waas, en boven ons hoofd kleurden zich de avondwolken steeds vuriger rood, met een gloed als van gesmolten metaal. Doch weldra verflauwde het fluweelig purper van den avondhemel; de schemering viel, geheimzinnig en vervuld van vage, verwijderde geruchten; vogels en insecten gingen ter rust en de bloemen sloten haar kelken bij het naderen van den schoonen en kalmen nacht.

Terwijl ik mijn tocht door Castilië voortzette, waarbij zich overal herinneringen opdrongen aan Spanje’s groote koningin Isabella, bezocht ik ook het kasteel van la Mota, niet ver van Medina del Campo gelegen, eene vroeger zeer welvarende stad, waar de groote jaarmarkten al de bewoners van het Noorden van Spanje tot zich trokken, doch die bij den opstand der communeros verbrand, en thans geheel van hare vroegere glorie beroofd is. Van het kasteel zijn niet anders overgebleven dan de hooge torens van rooden steen en de bouwvallen van een zwaren ringmuur. De velden in den omtrek zijn onbebouwd en verlaten; de eenige levende wezens, die zich vertoonen, zijn dichte zwermen kraaien, die rondom de torentinnen vliegen, en de stilte verbreken met hun gekras. Die sombere omgeving is wel in overeenstemming met den toestand daar binnen, waar alles in een staat van treurig verval verkeert, en het slotplein ligt bedolven onder het puin der neergestorte muren. Binnen die muren heeft de groote Isabella den laatsten adem uitgeblazen; doch niemand wist mij te zeggen, in welk vertrek zij gestorven was, en nergens zag ik eenig inschrift, dat mij licht had kunnen geven.

Gedurende de laatste jaren harer regeering, de eerste dus der zestiende eeuw, had Isabella de vruchten geplukt van haar onvermoeiden arbeid en haar krachtig beheer.

De grenzen van het koninkrijk waren uitgebreid tot aan de overzijde van den Oceaan; Sicilië, Napels, de Canarische eilanden behoorden aan Spanje, en de naburige natiën waren of vriendschappelijk gezind, of onderworpen. Vrede en voorspoed heerschten in het geheele land. Ondanks zoo veel oorzaken tot vreugde en voldoening, ging Isabella onder zwaar leed gebukt. De dood van haar Zoon Don Juan, van de Infante Isabella, de erfgename van den castiliaanschen troon, en haar zoontje Don Miguel; de geestestoestand van haar dochter, prinses Juana, op wie thans de plicht zou rusten, een zoo uitgebreid rijk te besturen, het waren even zoovele slagen van het lot, die haar weerstandsvermogen op zware proef stelden, en eindelijk deden bezwijken. Haar onderdanen moesten haar verliezen, terwijl zij met het volste recht hadden mogen hopen, nog lang de zegeningen van haar krachtvolle regeering te genieten. Neergebogen door de smart, aan zwaarmoedigheid ten prooi, overleed zij in November van het jaar 1504, op drie en vijftigjarigen leeftijd.

Aan haar wijsheid en beleid had Spanje een welvaart te danken, die zichtbaar verminderde na haar dood; daar haar opvolgers het door haar gegeven voorbeeld niet navolgden, en het door haar begonnen werk niet hebben voleindigd.


Als ik mij te Segovia dikwijls heb laten verleiden tot uitingen van wrevel en ongeduld, dan moet ik tot mijn verontschuldiging zeggen, dat daartoe wel eenige reden bestond. Men zou daar werkelijk gaan wenschen, stokdoof te zijn, of tot de zevenslapers te behooren, als men reeds lang voor het aanbreken van den dag uit den diepsten slaap wordt gewekt door het aanhoudend gelui van tallooze klokken, begeleid door het geblaf van een menigte honden, die eveneens heftig protesteeren tegen dat oorverdoovend gedruisch, dat zij echter helaas nog vermeerderen door hun uitingen van tegenzin.

Eerst kondigt het klokje van het Carmelietenklooster met een fijn stemmetje de vroegmis aan; een oogenblik later valt het groote klokkenspel van Santa Maria in met een vroolijke aria, door San Miguel met zwaren galm beantwoord, waarop de klokken van San Millan als ’t ware goedkeurend en aanmoedigend beginnen mee te beieren. Als men denkt, dat de ergste vlagen van den muzikalen orkaan zijn uitgewoed, beginnen waarlijk de kleinere kerkjes hun beste beentje voor te zetten; San Esteban, El Salvador, el Corpus, San Antonio en Real bengelen om het hardst, tot alles overstemd wordt door het daverend gedreun der klokken van de kathedraal, die de muren der naburige huizen doen schudden, de ruiten doen rinkelen, en bijna gevaarlijk zouden worden voor alle glas- en aardewerk, dat niet veilig geborgen is. En nog geloof ik niet, dat ik de helft der kerken van Segovia heb opgenoemd; de stad is er vol van; in elke straat is minstens één kerk of klooster, en in de omgeving der stad is het precies hetzelfde. Wanneer men zich er eenmaal in heeft geschikt, slechts drie of vier uren te slapen, en de schade over dag in te halen, is het wel uit te houden in Segovia. De stad maakt den indruk van een uiterst effectvol geschilderde tooneeldecoratie. Op een krijtrots gebouwd, die als de voorsteven van een vaartuig vooruitsteekt in een zee van groen, omringd door breede wegen, die afdalen naar de onstuimig stroomende Clamares en Eresma; gekroond door een kasteel, aan welks voet zich de bogen verheffen van een prachtigen romeinschen aqueduct, kan de oude castiliaansche stad, wat schilderachtigheid van ligging betreft, wedijveren met het Alhambra van Granada; al bezitten beiden schoonheden van zeer uiteenloopend karakter.

Omtrent den oorsprong der stad is weinig bekend. Hercules en Pyrrhus, zoo verhalen de dichters, namen aan de stichting deel, en tot dank daarvoor werd de grieksche vorst beloond met de hand der schoone prinses Iberia, de oudste en geliefde dochter van den koning van Castilië, die reeds de aanzoeken van andere minnaars, zoowel uit Afrika als uit Schotland gekomen, had afgeslagen. Zeer oude geschiedschrijvers spreken van een celtischen oorsprong; anderen gelooven aan verwantschap met Egypte; doch het meest waarschijnlijk is wel, dat de stad het toppunt van haar bloei onder de romeinsche keizers heeft bereikt. Het volk echter, veel meer geneigd, aan legenden geloof te slaan, dan aan geschiedkundige waarheid, houdt vast aan een overlevering, volgens welke Satan, de vorst der Duisternis, in eigen persoon, uit liefde voor een jonge schoone van Segovia, de geheele romeinsche waterleiding in een nacht uit den grond deed verrijzen, ten einde zijn beminde de moeite te besparen, elken dag af te dalen naar de bron. Het eerwaardig bouwwerk, dat waarlijk geen diabolischen oorsprong verraadt, heeft vele eeuwen achtereen het kasteel en de stad van frisch water voorzien. Het zijn honderdzeventig bogen, over een vallei, die achtentwintig meter diep is. Zij dragen de sporen van herhaalde herstellingen, reeds in lang vervlogen tijden geschied; zoo zijn bijv. zes en dertig der rondbogen door gothische puntbogen vervangen, het werk van den architect Juan Escobeda. Vandaar dan ook, dat Maarschalk Ney opmerkte, toen men hem de legende van den duivel had verhaald: “Maar hier begint dan toch het werk van menschenhanden,” terwijl hij naar de gothische bogen wees. Thans wordt het kasteel niet meer op deze wijze van water voorzien, doch wel het lager gelegen gedeelte van de stad. Het Alcazar, dat hier boven op de rots gebouwd is, was van den beginne een uiterst gewichtig strategisch punt. Als men de fondamenten ziet, die hier en daar als één schijnen met de rots waaruit zij verrijzen, begrijpt men, dat zij naar alle waarschijnlijkheid uit nog veel vroeger tijd dateeren, dan de romeinsche booggewelven. Langzaam werd de eene versterking na de andere aan de vesting toegevoegd, die, op honderd mijlen afstand van Burgos gelegen, in de dagen van Alfonsus VI als het ware de wachter was aan de grenzen des rijks, en een veilig toevluchtsoord voor zijn vorsten.

Valladolid. Kloosterhof in het College Saint-Grégoire.

Valladolid. Kloosterhof in het College Saint-Grégoire.

In 1256 stortte een gedeelte van het kasteel in, en deze ramp werd als de gerechte straf beschouwd, welke volgde op een al te hoogmoedige uitspraak van Alfonsus X, door zijn tijdgenooten de Wijze bijgenaamd. De vorst had zich namelijk eens in een gesprek met verschillende geleerden en wijsgeeren laten ontvallen: “Als God mij geraadpleegd had, toen hij de wereld schiep, zou Hij allicht eenige vergissingen hebben vermeden.”

Van scherts hadden de Castilianen geen begrip en zelfs eens vorsten humor viel bij hen niet in goede aarde. Eenige dagen later kwam een Franciskaner broeder Alfonsus zijn godsbelastering verwijten, en eischte, dat hij daarvoor boete zou doen. Toen de koning dit weigerde, brak een verschrikkelijk onweer los; de bliksem sloeg in het kasteel, waarvan muren instortten, terwijl de vertrekken der koningin in brand geraakten, en in de zaal, waar zich de vorst bevond, een streep langs den wand zichtbaar werd, waar deze door het hemelvuur was geschroeid. De kroniekschrijver voegt erbij, dat de koning, hevig verschrikt, zijn schuld erkende, en deze openlijk beleed, in tegenwoordigheid van Fray Antonio van Segovia.

Herhaaldelijk kwamen de Cortes samen binnen de muren dezer burcht, waar de hoogste belangen van het rijk werden overwogen. In 1383 werd hier besloten, de christelijke jaartelling aan te nemen. Zes jaar later ontving de koning van Castilië er den armenischen vorst Leon, en kort daarop stichtte hij hier ter plaatse de orde van den Heiligen Geest, welker ordeteekenen bestonden uit een keten van zilveren stralen, waaraan een duif hing van wit émail.

Juan II, de vader der groote Isabella, gevoelde groote voorliefde voor dit verblijf, waar hij zijn jeugd had doorgebracht, onder voogdijschap zijner moeder, Catharina van Lancaster. Onder de beroemde feesten, die hier toen ter tijde werden gevierd, wordt een tournooi beschreven van twintig castiliaansche edellieden met twintig duitsche ridders, waarbij de eersten de voldoening smaakten, als overwinnaars uit den strijd te voorschijn te treden. Aan de vreemde gasten werden door den koning kostbare geschenken uitgedeeld; doch zij weigerden deze en verzochten enkel om de gunst, de orde van Escama te ontvangen. De koning liet toen voor ieder der deelnemers een prachtige zilveren keten vervaardigen, en schonk de beide dappersten dit eereteeken in goud.

De Heilige Theresa, door Hernandez.

De Heilige Theresa, door Hernandez.

Segovia was de eerste stad, die Isabella van Castilië als koningin begroette, toen na den onverwachten dood van haar broeder Enrique IV, de jonge vorstin den troon moest betwisten aan haar zoogenaamde nicht, la Bertraneja (dochter van Bertrand.)

Philips II bewoonde het Alcazar met zijn zusters Dona Maria en Dona Juana, toen hij troonopvolger was, en ook Philips III vertoefde er dikwijls; o. a. ten tijde der verschrikkelijke pest in het jaar 1600, en later, toen hij de stad een bezoek bracht met zijn schoondochter, Isabella van Bourbon. Bij die gelegenheid werd een beroemde historische en geographische optocht gehouden, waarin niet alleen de verschillende volken werden voorgesteld; doch ook de vier windstreken, de vier elementen, de vier werelddeelen, de zeven planeten en de twaalf sterrebeelden van den dierenriem.

Philips IV voerde hier als iets geheel nieuws de stierengevechten te water in, waarbij in het riviertje de Eresma fraai gekleede edellieden in lichte bootjes zich te water begaven, om de stieren te bestrijden, die in de rivier werden geduwd, terwijl anderen, met lansen gewapend, aan den oever stonden, om de dieren te beletten, hun vijanden te ontsnappen. Het schouwspel vond grooten bijval en werd als een aangename afwisseling beschouwd.

Toen Madrid eenmaal de hoofdstad van Spanje was geworden, en de vorsten den zomer in het Escuriaal doorbrachten, begon de glorie van Segovia te tanen, en het kasteel, dat eerst als staatsgevangenis had gediend, werd later gebruikt als artillerie-kazerne. Zoo raakte het langzamerhand in het vergeetboek, tot in 1862 de aandacht erop werd gevestigd door een verschrikkelijken brand, waarbij de heerlijkste kunstschatten, hier in den loop van vele eeuwen verzameld, een prooi der vlammen werden. Al die kostbare manuscripten, kunstvoorwerpen, beschilderde glazen, smeedwerk, wapens en tapijten, buitgemaakt gedurende vele oorlogen, in Granada, Italië, Vlaanderen, Bourgondië en Duitschland, gingen bij deze ramp verloren, evenals een geheele reeks beschilderde beelden, waaronder vele gelijkende portretten, die al de koningen van Castilië voorstelden, een onherstelbaar verlies.

Omstreeks twintig jaren geleden is men begonnen met den herbouw van het kasteel, waarbij men de oude plannen volgde, al zijn thans in de buitenmuren meerdere vensteropeningen aangebracht, zoodat de kadetten, die er thans gehuisvest zijn, vrij kunnen genieten van het prachtig uitzicht over het landschap aan den voet der rots.

Een verblijf van zes maanden in Segovia zou ternauwernood voldoende zijn geweest, om ons in staat te stellen, een beschrijving te geven van de vele adellijke paleizen, waarop de stad met recht trotsch is. Hier ontdekt men een verrukkelijk binnenplein met zuiver moorsche versiering; daar een monumentale trap met prachtig gesmede leuning, overwelfd door een zoldering van kostbaar ingelegd hout; elders weer heerlijke plafonds en wandbekleedingen, beschilderd met voorstellingen, ten nauwste verbonden aan het verleden der stad. Een van deze paleizen trekt in ’t bijzonder de aandacht door zijn merkwaardigen voorgevel, die op geheel oorspronkelijke wijze is versierd met lange rijen in steen gehouwen spijkerknoppen. Het wordt de Casa de los Picos, of het huis met de punten genoemd, en diende eertijds om de naburige poort van St. Martin te verdedigen in oorlogstijd. In dit paleis legden ook de vorsten, die de stad bezochten, den eed af, de fueros of privilegiën van Segovia te zullen eerbiedigen. In de 16de eeuw behoorde het aan den Castiliaanschen geschiedschrijver Don Pedro de Ayala; thans is het het eigendom van den graaf van Santibanez.

Onder de woningen, waaraan historische herinneringen zijn verbonden, is er een, tegenover het oude romaansche klooster St. Martin gelegen, die nog beroemder is dan het huis met de punten, doch waarin zich menig drama heeft afgespeeld. Het is een schilderachtig gebouw, met zijn luchtige galerij, zijn wapenschild en zwaarbeslagen poortdeuren. Doch als men het opschrift leest, dat eenige jaren geleden in den gevel werd aangebracht, voelt men zich treurig gestemd. Hier toch woonde de dappere communero Don Juan Bravo, die den 24sten April 1521 te Villalar werd onthoofd; dezelfde, die het Alcazar had belegerd, en daarbij was gevangen genomen. Niet zonder aandoening kan men den bloedigen strijd herdenken, door zoovele dappere mannen gevoerd tegen wat zij als een inbreuk op hun rechten beschouwden; het heftig verzet der Spanjaarden tegen de onrechtvaardige bevoorrechting der Vlamingen, dat door Karel V slechts in een bloedbad kon worden gesmoord.

De opstand der communeros wordt heden ten dage beschouwd als de uiting van denzelfden geest van fiere onafhankelijkheid, die ook thans nog het spaansche volk bezielt, en noopt, zijn rechten en vrijheid tot het uiterste te verdedigen.

Terugkeerend van de Casa de los Picos, die aan het uiterste einde der stad is gelegen, gaan wij tusschen het Ayuntamiento aan onze rechterhand, en links de kathedraal, met het beroemde beeld Piedad, door Juan de Juni, door de St. Andreaspoort, en bereiken weldra de overzijde van den Clamares, waar wij een prachtig gezicht hebben op de stad. Weldra ontdekken wij, tusschen het groen der bosschen, die zich uitstrekken aan den voet van het Alcazar, het klooster van Parral. Dit werd gebouwd in het midden der 15de eeuw, onder de regeering van Enrique IV, en was door milde vorstelijke gaven een der rijkste kloosters van Castilië geworden. Thans echter is het van al zijn schatten beroofd; alles wat eenige kunstwaarde had, is naar het museum te Madrid overgebracht, en niets is gebleven, dan een schoon altaarstuk, en de prachtige graven der familie de Villena, in het middenschip der kerk.

Het klooster zelf is slechts een bouwval; in de tuinen en op de binnenpleinen woekert het onkruid, en in de vroegere kloosterzalen versperren de ingestorte daken gedeeltelijk den weg.

Al bezit Spanje te veel bouwvallige kloosters, om ze allen weer in hun vroegere glorie te herstellen, het klooster van Parral was toch zeker een beter lot waardig geweest. Als in de zomervacantie de kadetten het Alcazar ontvlieden, richt zich de aandacht der inwoners van Segovia naar het koninklijk paleis La Granja, waar het hof elk jaar eenigen tijd pleegt te vertoeven. Het is een bekoorlijk lustverblijf. Philips V, nog onder den indruk van Versailles, liet het hier oprichten, te midden van bosschen en liefelijke beekjes, op de plek, waar Enrique IV reeds in 1450 een hermitage had gebouwd. Het park heeft heerlijke vijvers en waterpartijen, en als de fonteinen springen, die beeldengroepen vertoonen van de Gratiën, de Winden, Amphitrite en Neptunus, komt de bevolking van Segovia en de naburige dorpen feestvieren in het kleine plaatsje van 3000 inwoners, dat in de buurt van het koninklijk lustverblijf is gelegen.

Vele adellijke families, die vreezen zouden, onbescheiden te zijn, als zij zich te dicht in de buurt der koninklijke bezoekers gingen vestigen, gedachtig aan den wijzen raad van Francisco de Rojas aan alle hovelingen: “Het vuur, dat op een afstand verwarmt, brandt van nabij,” komen des zomers naar Segovia, waar zij gelegenheid vinden, hunne Majesteiten althans van uit de verte, te huldigen.

Over ’t algemeen moest men de spaansche steden liefst zien bij mooi weer, blauwe lucht, en helderen zonneschijn. Doch Avila maakt hierop een uitzondering; het stadje is te oud, zwaarmoedig en mystiek, om in het volle zonlicht tot zijn recht te komen. Bij de zware vestingmuren en dreigende wachttorens past beter het geheimzinnig nachtelijk duister, en het licht der sterren. De geboorteplaats der heilige Theresa moet niet voor het eerst in het nuchtere daglicht worden aanschouwd.

Bij mijn aankomst scheen de volle maan, die nu en dan wegschuilde achter een voorbijdrijvende wolk, zilveren schamplichten wierp op de kanteelen der torens, en lichtopeningen teekende in de kijkgaten der zware poortdeuren, die des nachts gesloten worden, als bij een vesting in oorlogstijd. Het gelukte mij zonder veel bezwaar, den drempel van een dier poorten te overschrijden; door het eenige deurtje, dat opengelaten was, en waarachter geen gewapende krijgsbende op den loer lag; doch slechts een moderne douanenbeambte op zijn post zat. Vóór mij lag toen een warnet van nauwe, bochtige, wonderlijke straatjes, als verzwolgen in de schaduw der muren van hooge kloosters en paleizen. De geest der middeneeuwen zelfs schijnt hier te huizen, in die vensterlooze woningen, met haar strenge torreons op de hoeken, haar bogengalerijen, en gebeeldhouwde wapenschilden boven de majestueuse ingangspoort. Kon ik niet elk oogenblik verwachten, de geesten van Torquemada en zijn handlangers door die verlaten straten te zien dwalen, vervolgd door de zielen der ongelukkige slachtoffers van hun dweepzieken godsdiensthaat? Doch neen, ook zij rusten in vrede; als zij zondigden, dan was het ter goeder trouw, in het geloof, den God, dien zij vereerden, een welgevallig offer te brengen. Het eenige spooksel, dat ik hier zag rondwaren, en met den mantel hoog over het gezicht opgetrokken, gewapend met zijn lantaarn en piek, langs de muren zag glijden, was een wezen van vleesch en bloed, de goedaardige sereno, die waakt voor de veiligheid der bewoners, en met luider stem het nachtelijk uur verkondigt, terwijl zijn eentonige zang, die als een boetpsalm klinkt, overstemd wordt door het luid en aanhoudend gebengel der klokken van het veertigtal kerken en kloosters, dat binnen de muren van het kleine plaatsje is saamgedrongen. Veel beter dan in Segovia was het hier dus in dit opzicht ook al niet. Toch is Avila een zeer gezocht uitspanningsverblijf, niet alleen om de zuivere en versterkende lucht, die men er inademt, maar ook, omdat het zoo rustig gelegen is. Hier zoeken diegenen verpoozing, welke kalmte en stilte verkiezen boven het luidruchtig gewoel der drukbezochte badplaatsen. In den zomer is Avila een plaats van bijeenkomst voor tal van vertegenwoordigers der hoogste spaansche aristocratie, die hier hun buitenverblijven bezitten, en voor wie l’Escurial te druk en te burgerlijk, St. Sebastiaan te kostbaar en verafgelegen is. Al dat bezoek brengt natuurlijk druk verkeer van buitenaf mede. Zoodra des morgens de poorten geopend zijn, komen de boeren uit de naburige dorpen van alle kanten aanstroomen. Van Arevalo ter eener zijde, van Cerebro aan den anderen kant, komen zij naar de stad getogen, op hun muilezels of kleine paardjes, en brengen in groote manden hun mooiste vruchten, versche eieren en melk, lammetjes en kalkoenen voor de tafel der deftige gasten, die gesteld zijn op goede waar, en deze hier tegen ongewoon lage prijzen kunnen bekomen. De mannelijke dorpsbewoners dragen kleederen van grauwe of bruine wol, de vrouwen zijn echter keurig uitgedost, om haar hoofd dragen zij bonte doekjes, van een anderen tint dan de meekraproode of saffraangele rokken van grove zware stof. Zij zijn forsch gebouwd en dikwijls schoon, ofschoon haar trekken een ietwat mannelijk karakter hebben. Zoodra de buitenlui zijn aangekomen, haasten zij zich om hun deel te ontvangen van den watervoorraad, die de stad, wel wat zuinig, aan haar bewoners gelieft te verstrekken, en daarna begeven zij zich naar de markt, waar zij de tenten opslaan; die hun sierlijk uitgestalde waren voor de zon zullen beschermen. Weldra verschijnen, met groote manden gewapend, de aardige spaansche keukenprinsessen, keurig gekapt, in lichte japonnetjes, zwierig en frisch, en het loven en bieden begint om de versche bossen wortelen, meloenen, vette kippen, prachtige forellen, en risten kolossale uien, genoeg om alle koks van Castilië, ja van heel Spanje, nacht en dag te laten doorhuilen.

Iets later op den dag verschijnen de geestelijken der dorpen in den omtrek, die na de mis hun ezeltje bestijgen en zich naar de stad begeven, om tegen een geringe vergoeding in de verschillende kerken te bidden voor de zielen der afgestorvenen, wier familieleden hunne nagedachtenis op die wijze wenschen te eeren. De klokken zijn intusschen alweer aan het luiden voor de talrijke godsdienstoefeningen, die elken dag worden gehouden in de kathedraal, in de oude kerk van San Vicente, met haar beroemd beeldhouwwerk uit de dertiende eeuw, en in kloosters en kapellen zonder tal.

De morgens zijn hier niet vroolijk; het is waarlijk, of er een verschrikkelijke ziekte in de stad heeft geheerscht, zooveel lijkdiensten worden hier gevierd.

Gelukkig wordt de stemming, na het vervullen dier vrome plichten, merkbaar opgewekter, en des middags worden, onder het drentelen langs de galerijen van het marktplein lonkjes over waaiers geworpen, en met glimlachjes beantwoord, ook al blijft de andere hand het onafscheidelijk gebedenboek vasthouden, zonder hetwelk zich geen fatsoenlijke dame in ’t openbaar zal vertoonen.

Op den dag van mijn bezoek was er een feest in het klooster St. Thomas, waar reeds meer dan vier eeuwen, onder de hoede der Dominikaner broeders, de stoffelijke overblijfselen rusten van Don Juan, den eenigen mannelijken erfgenaam der katholieke koningen. Welke droeve herinneringen roept de gedachte aan dien jongen, begaafden en vurig beminden vorstentelg op! Isabella, die al hare kinderen met groote zorg opvoedde, had vóór alles getracht, haar zoon vroegtijdig liefde voor kunst en wetenschappen in te boezemen en zijn karakter te vormen. Zijn leermeester was Don Franco Diego de Deza, later bisschop van Toledo. In de boeken der koningin, te Simancas bewaard, staan nog de titels opgeteekend der latijnsche opstellen, door den prins gemaakt, evenals zijn vorderingen in teekenen en muziek, en de namen der personen, die zijn onmiddellijke omgeving uitmaakten. Dit waren een vijftal volwassen edellieden, en vijf jonge knapen van zijn eigen leeftijd, die dezelfde vakken moesten bestudeeren als hij.

Dit stelsel van opvoeding, door Isabella zelf uitgedacht, getuigt van helder doorzicht; want het hield door de mededinging met zijn kameraden den ijver van den prins gaande; terwijl de tegenwoordigheid zijner oudere vrienden hem steeds gedachtig deed zijn aan zijn hooge waardigheid, en de zware verantwoording, welke op hem rustte. De koningin wenschte zoo vurig, in haar zoon die deugden aan te kweeken, waarin velen van zijn voorvaderen waren te kort geschoten, dat zij geen page liet kiezen onder zijn gevolg, zonder nauwkeurig onderzoek te hebben gedaan naar zijn neigingen en karakter.

Toen Don Juan achttien jaar was, wilde Isabella hem reeds de zorgen der werkelijke regeering doen leeren kennen; daar zij bij ondervinding wist, hoe gevaarlijk het is, zonder overgang uit den zorgeloozen staat der kindsheid geroepen te worden tot het bestuur van een machtig rijk. Zij schonk hem dan ook toen reeds de voorrechten en den rang, dien de prinsen van Asturië anders slechts op het tijdstip van hun huwelijk ontvingen; en plaatste hem aan het hoofd van een raad, samengesteld uit de wijste mannen van Castilië. Voor de eerste maal nam hij deel aan de Cortes van Almanza, in 1496, toen hij achttien jaren telde. Zoo begon het leven van den jongeling, die door zijn natuurlijke gaven bestemd scheen, om een der grootste vorsten van zijn tijd te worden. Don Juan was even geoefend in den strijd, bij de jacht en alle lichaamsoefeningen, als gevorderd in de beoefening der schoone letteren en der kunst. Zijn levensbeschrijver, Gonzale Fernandez de Oviedo, vermeldt o. a., dat hij een vurig beminnaar was van zang en muziek, een eigen orkest bezat, en zelf verschillende instrumenten bespeelde. Elken morgen kwam zijn kapelmeester, vergezeld van eenige knapen, die een bijzonder schoone stem bezaten, om zich met hem te oefenen in den zang, en de prins, die een vrij goeden tenor had, vond hierin steeds veel behagen. In zijn kamer bevonden zich, behalve een orgel en een clavicordio, guitaren, violen en fluiten, en al deze instrumenten bespeelde hij met veel vaardigheid. De jeugdige prins trad in het huwelijk met de lieftallige Margaretha van Oostenrijk. Hun echtvereeniging werd met groote praal gevierd, en het scheen thans, alsof voor Ferdinand en Isabella, rustend op de behaalde lauweren, en een blijde toekomst tegemoet ziende, een gezegende ouderdom zou aanbreken. Doch thans eerst zou de grootste ramp huns levens hen treffen. Zij bevonden zich te Valence d’Alcantara, op de grens van Portugal, toen een bode uit Salamanca hun de verpletterende tijding kwam brengen, dat Don Juan door heftige koortsen was aangetast, midden in de feestelijkheden, ter eere van zijn aankomst in die stad. Ferdinand begaf zich in allerijl naar het ziekbed van zijn zoon, wiens toestand echter reeds hopeloos was verklaard. Don Juan was bij zijn volle bewustzijn en wist, dat hij eene wereld ging verlaten, die, zooals hij erkende, ook voor de grooten der aarde slechts vergankelijk heil en veel teleurstelling beschoren had. Hij stierf met den moed en de kalme gelatenheid van den waren Christen, welke hij gedurende zijn ziekte nimmer had verloochend, op den 4den October 1497, nog geen twintig jaren oud. Geheel Spanje was door zijn sterven in rouw gedompeld; want de overledene vereenigde in zich de deugden zijner ouders, zonder zijns vaders gebreken te bezitten. Met de grootste praal werd zijn lijk van Salamanca overgebracht naar het klooster St. Thomas te Avila. Het hof droeg den allerdiepsten rouw over hem; grof zaklinnen verving thans de witte wollen rouwkleederen, die anders bij dergelijke gelegenheden waren voorgeschreven. Veertig dagen bleven alle openbare vermakelijkheden gesloten, en zwarte vlaggen wapperden van de poorten van alle steden in het koninkrijk. Isabella bleef uiterlijk gelaten, en droeg haar smart heldhaftig, en ook Ferdinand bleef meester van zijn aandoeningen. Pedro Martyr schrijft van het vorstelijk echtpaar: “Zij deden zich geweld aan, om hun leed voor elkander te verbergen; doch wij gevoelden maar al te zeer, aan welke kwelling hun ziel ten prooi was. Naast elkander gezeten, wisselden zij somtijds blikken, die, ondanks hun pogingen tot zelfbedwang, uitdrukten, wat hun gemoed vervulde. Zes jaren na dit smartelijk verlies, stierf ook Isabella, wier krachtig gestel door veel grievend leed was ondermijnd.

Een schilderachtig hoekje in Avila.

Een schilderachtig hoekje in Avila.

De fraaie beeltenis van den prins, met zijn uitdrukking van verheven kalmte, ligt uitgestrekt op een graftombe van prachtig carrarisch marmer, ontworpen door den Florentijn Domenico Alessandro Francelli en uitgevoerd te Genua door een beeldhouwer uit Barcelona, Bartolome Ordonez. Het monument staat op het kruispunt van de middenbeuk met het transept, terwijl het altaar, achter in het koor gelegen, dat zich eenige meters boven den beganen grond verheft, als het ware een achtergrond vormt voor het heerlijk praalgraf. Daar het koor niet veel ruimte biedt en het aantal Dominikaner monnikken in deze provincie zeer groot is, moeten velen van hen, bij godsdienstige plechtigheden, waaraan allen verplicht zijn, deel te nemen, in het schip der kerk nederknielen. Wanneer men de gelaatstrekken aanschouwt dier jeugdige priesterknapen, in hun wit gewaad, bijna even schoon als het marmeren beeld, dat zij omringen en bezield door godsdienstige geestdrift, wanneer de wierook omhoogwolkt, en de vlam der vele kaarsen hun biddend opgeheven gelaat verlicht, schijnt het, alsof een viertal eeuwen ware uitgewischt, en men in waarheid den lijkdienst bijwoonde van den erfgenaam der dubbele kroon van Castilië en Aragon.

Boer en Boerin uit de provincie Segovia.

Boer en Boerin uit de provincie Segovia.

Het is, alsof in deze streken van Spanje alles, natuur en kunst, menschen en dingen tot ons spreken van het verleden, en van de persoonlijkheden, die daarin zulk een gewichtige rol vervulden. Eene figuur echter betwist in de harten van het volk den voorrang aan de onvergetelijke koningin en hare naaste verwanten. Die eéne is la Santa, de heilige, wier naam niet eens behoeft te worden uitgesproken, daar geen andere haar nabijkomt in de oogen der inwoners van de stad, waar zij het levenslicht aanschouwde. Zij is in waarheid de ziel van het stadje. Geen blinde bedelaar, geen ongelukkige kreupele, (en die zijn er in menigte te Avila,) die niet aan den vreemdeling een of ander treffend verhaal weet te doen omtrent haar vroom en welbesteed leven.

Zoodra zich een reiziger op den drempel van een der hôtels vertoont, komen zwermen kleine jongens, zoo brutaal als musschen, op hem afstormen, trippelen als hongerige vogels om hem heen, en roepen om strijd, terwijl zij met hun vuile, bruine handjes in de lucht schermen: “Ik zal u den kortsten weg wijzen naar de Santa! Ik kan u de kapel vertoonen! En ik de relieken! Ik weet de mooiste wonderen te vertellen! Neen, ik, ik!” En met schitterende oogen beginnen zij maar vast hun naïeve verhalen op te zeggen, om den vreemdeling te boeien en te bewegen, hen te volgen naar de plaats, waar de geliefde heilige rust.

St. Theresa werd te Avila geboren uit een adellijk geslacht van het zuiverste bloed, “sangre limpia.” De natuur schonk haar een lichaam, haren geest waardig. Reeds vroeg gaf zij blijk van een wijsheid, die anderen eerst door een lang leven vol ondervindingen moeten verwerven. Op haar zevende jaar las zij ijverig met haar broertje in haar gebedenboek, en besprak zeer ernstig de onderwerpen, die daarin werden behandeld. De beide kinderen namen zich voor, evenals de martelaren, hun leven op te offeren in den dienst van God, en verlieten op een goeden dag het ouderlijk huis, om de heidenen te gaan bekeeren. Ongelukkig kwamen zij op de brug over de Alaya hun oom tegen, die verbaasd was hen zoo vroeg, met hun reisbundeltje onder den arm, op weg te zien, en vroeg, waar zij heen wilden. Toen zij hem de waarheid zeiden, nam de booze oom hen mee terug naar hun ouders, die hen streng berispten. Doch toen zij bitter begonnen te schreien, vergaf hun moeder hunne onvoorzichtigheid en daarop begonnen zij huisjes van klei te bouwen, waarin zij als kluizenaars wilden leven.

Het klooster van de Incarnatie, waar Theresa de Cepeda y Ahmuda op haar zestiende jaar den sluier aannam, in 1531, is niet ver gelegen van een thans geheel vervallen gedeelte der stad, dat vroeger door de Joden werd bewoond. Deze zijn echter door Filips III verdreven, hetgeen de stad volstrekt niet ten goede kwam. De bevolking is sedert dien tijd van twintigduizend inwoners gedaald tot elfduizend.

Van het klooster zijn thans slechts twee kapellen voor het publiek toegankelijk, die overladen zijn met verguldsel en versieringen. In de sacristie vertoont er een monnik met aandoenlijken eerbied eenige reliquieën, en een kistje waarin een der vingers van de heilige wordt bewaard.

In dit klooster onderging Theresa zware beproevingen; want hier werd het haar voor het eerst openbaar, dat op haar de zware taak rustte, vele ingeslopen misbruiken te onderdrukken, en de geestelijke zusters weder terug te brengen op den rechten weg, waarvan zij schromelijk waren afgedwaald.

Het zag er met de Karmelieten-orde toen ter tijd treurig uit. In den beginne waren slechts mannen tot deze orde toegelaten, doch in 1452 had paus Nicolaas V een bul uitgevaardigd, waardoor ook vrouwen tot de Karmelieter orde konden toetreden. Dit verlof sleepte noodlottige gevolgen mede. Want de Karmelieter nonnen wisten den overste der orde te bewegen, bij den Paus aan te dringen op verzachting der strengste levensregels; zooals het vasten van 14 September tot Paschen, het strikte stilzwijgen, en de afzondering van de buitenwereld. Toen Theresa dus haar gelofte aflegde, waren vrouwenkloosters geen plaatsen van rust en stille beschouwing meer. De wereld, met al haar verleidingen, was erin doorgedrongen. Hoe voorzichtig zich de heilige Theresa ook in haar geschriften poogt uit te drukken, zij geeft duidelijk te kennen, dat de vrijheid, welke men zich hier veroorloofde, de grenzen van het betamelijke verre overschreed. Geen vader kon thans over de eer zijner dochter waken, door haar toe te vertrouwen aan de veilige hoede van het klooster, want “wat buiten het klooster als zonde werd beschouwd,” schrijft zij, “werd binnen de muren met verschooning behandeld.”

Teleurgesteld door de bezwaren, welke zij hier ontmoette, en die haar beletten, een strengeren levensregel te volgen, verliet Theresa het gesticht, en vormde, geholpen door eenige harer familieleden, de kleine vereeniging der ongeschoeide Karmelieten, onder de bescherming van den heiligen Jozef, met het voornemen, den vroegeren eenvoud der orde weder te herstellen. Deze stap wekte heftige verontwaardiging bij de overige Karmelieter zusters, die hierdoor op haar eigen gedrag een blaam zagen geworpen, welke haar onverdiend scheen, daar het gebruik hare overtredingen reeds in zekere mate had gewettigd. Nog veel heftiger werd haar verzet, toen, na een bezoek van den voorganger der Orde aan het klooster van St. Jozef, aan zuster Theresa werd verzocht, het bestuur van die inrichting aan een der andere nonnen over te laten, om zelf als priores aan het hoofd te staan van het klooster der Incarnatie. Eenparig besloten de zusters de indringster niet binnen hare muren te dulden, en zij gingen zelfs zoover, de verdediging der kloosterpoort op te dragen aan eenige bevriende edellieden, die er vrijelijk toegang hadden. Na lange overleggingen besloten deze trouwe wachters, een weinig in het nauw gebracht door de priestelijke bedreigingen, den overste der orde door een zijdeur binnen te laten, om hem zoodoende gelegenheid te verschaffen, openlijk in de kapel de acte te kunnen voorlezen, waarbij Theresa als abdis werd aangesteld. Doch thans ontstond een geweldig rumoer, en terwijl twaalf van de zusters, kruisen en banieren dragend, zich een weg zochten te banen naar het koor, waar de nieuw benoemde abdis zou moeten plaats nemen, overstemde het driftig geschreeuw van tweehonderd woedende vrouwen de woorden van den overste, die te vergeefs stilte gebood. Theresa lag intusschen biddend voor het altaar geknield. Haar kalm en waardig gedrag en haar verzoenende houding verzachtten de stemming van enkele der zusters, die zich door haar zachten invloed gunstiger lieten stemmen.

De volgende dagen echter kenmerkten zich door een lijdelijk verzet, een ijzige koelheid en stijfhoofdigheid van den kant der zusters, waarop alle pogingen tot verzoening moesten afstuiten. Toen Theresa voor het eerst den zetel der abdis in het koor zou innemen, plaatste zij daarin een beeld van de heilige Maagd, met de sleutels van het klooster in de hand, en zette zich neer aan de voeten der moeder Gods. Door dit bewijs van nederigheid getroffen en ontwapend, luisterden de nonnen thans met meer gewilligheid naar de aandoenlijke en ernstige toespraak harer nieuwe superieure, die haar herinnerde aan de jaren, waarin zij als een zuster onder haar had verkeerd, en gaarne beloofde, niet streng te zullen optreden, en nooit te zullen vergeten, dat zij hier aan het hoofd geplaatst was van een vereeniging, die bijzondere voorrechten genoot. Werkelijk wist zij door toegevendheid en geduld haar positie niet alleen te handhaven; doch gaandeweg vele verbeteringen aan te brengen en misbruiken uit den weg te ruimen. Zoo werden o. a. guitaar en clavecimbel verbannen; het dansen en komedie spelen afgeschaft; en de al te behaagzieke kleederdracht, de sierlijke kappen en kragen, verwisseld voor een eenvoudiger en stemmiger gewaad, met welke verandering zij wijselijk bij de oudste en het minst aan pronk gehechte zusters een aanvang maakte. De vriendschappelijk gezinde edellieden waren met deze wijzigingen minder ingenomen; doch tegen hen trad Theresa vrijwat strenger op. Zij dreigde zelfs, den koning, ja, zoo noodig, den Paus te hulp te roepen, als zij zich niet goedschiks wilden terugtrekken. Van toen af had het publiek in het klooster der Incarnatie geen vrijen toegang meer.

Zoo had Theresa haar eerste groote moeilijkheid overwonnen. Maar door hoeveel zwaren strijd zou deze niet worden gevolgd; hoeveel grooter en gevaarlijker struikelblokken zouden, gedurende de dertig jaren van haar apostelschap, Theresa den moeilijken langen weg niet versperren, waarop zij thans de eerste schreden had gezet. Het was een bezwaarlijke tocht, dien zij ondernam door de woeste bergstreken van Spanje, afwisselend blootgesteld aan uitersten van koude en hitte, zonder andere reisgezellen dan hoop, geloof en armoede, en met het eenig doel, hervorming en verbetering te brengen in onwaardige toestanden, ijdele vreugde te doen plaats maken voor gebed, zinledig gebabbel voor plechtig stilzwijgen, en wereldsche vermaken voor stichtelijke overpeinzing.

“Ons voertuig is ons kerk en klooster beide,” zeide de H. Gregorius tot zijn makkers, die psalmzingend met hem de arabische woestijn doortrokken. Datzelfde had Theresa op haar omzwervingen tot haar gezellinnen kunnen zeggen. Zij droeg wijwater mede, om den weg te besprenkelen, een beeld van het Jezuskind, om den uittocht naar Egypte in herinnering te brengen, een bel om te luiden voor de godsdienstoefening, en een zandlooper, om nauwkeurig de uren te bepalen, waarin strikt stilzwijgen was voorgeschreven. Welk een bezielend voorbeeld gaf die kleine gemeente, die zonder geld, zonder levensmiddelen, bijna zonder voldoende kleeding langs bergen en door dalen haars weegs ging, vertrouwend op hulp van boven, en in de vaste overtuiging, haar liefdewerk tot een goed eind te zullen voeren. Moeilijkheden en bezwaren wakkerden steeds Theresa’s ijver aan, in plaats van dien te doen verflauwen. Van dezen eigenaardigen karaktertrek getuigen voortdurend haar persoonlijke uitingen, zooals die in haar brieven zijn bewaard gebleven, een letterkundige nalatenschap van groote waarde, en de heerlijkste openbaring van mystieke vroomheid. Haar geheele ziel ligt in die bladzijden voor ons open.

Men heeft zich met recht verwonderd over het feit, dat Theresa, die in geestvervoering, visioenen, gebed en prediking niet alleen, maar ook onder arbeid van allerlei aard haar dagen en nachten placht te slijten, terwijl zij door velerlei beslommeringen werd gekweld, toch zulk een heldere, eenvoudige, treffende wijze van uitdrukking voor haar gedachten wist te vinden, zoodat haar volmaakte stijl ons thans nog met bewondering vervult. Haar vroegste opvoeding had haar zeer zeker niet in staat kunnen stellen, haar gedachten in dien onberispelijken vorm te kleeden. De ridderromans, die haar moeder gaarne las, en de godsdienstige werken, die haar oom haar te leen gaf, werkten misschien in haar jeugd op haar vurige verbeelding. Doch als zij haar diepere gemoedsbewegingen wilde schilderen, behoefde zij slechts in te keeren tot haar eigen hart, en daar ons rond te leiden te midden der verborgen schatten van dat heiligdom, met een oprechtheid, een overgave, een natuurlijke waardigheid, die als van zelf alle onnatuur of overdrijving buitensloot.

Het proza harer brieven is doorzichtig helder, en weerspiegelt als het ware alle wisselingen des hemels in zijn liefdevollen en verheven drang naar het goddelijke.

Tevens verraadt zich overal de vrouw van edele afkomst en beschaafde vormen, in haar natuurlijke terughouding, haar gelukkige woordenkeus en gekuischtheid van uitdrukking, terwijl ondanks het waas van heiligheid, dat haar omstraalt, haar simpel vrouw-zijn eene bekoring te meer uitmaakt van haar innemende persoonlijkheid. Zelve geheel vrouw, wenscht zij, dat haar geestelijke dochters sterker zullen zijn dan zij zelve, daar zij zegt: “Gij moet u in acht nemen voor die liefkoozende uitdrukkingen, die in de wereld zoo dikwijls worden gebezigd, als ‘mijn leven, mijn ziel, mijn hoogste goed,’ want hoe zoudt gij dan God moeten toespreken? Ik weet wel, dat vrouwen gewoon zijn, zoo te spreken; maar ik kan niet wel verdragen, dat gij als vrouwen wordt beschouwd. Ik wenschte u sterk te zien als mannen.... als sterke mannen....”

Misschien heeft geen der mystieke schrijvers zulk een belangrijk werk nagelaten als de H. Theresa, of zich, als zij, mogen verheugen in trouwe leerlingen en navolgers, die zich met de uitgaaf harer gedenkschriften hebben belast.

Haar biechtvaders trachtten wel enkele gedeelten te wijzigen, die tot misvatting aanleiding zouden kunnen geven, doch gelukkig werden hun de geschriften ontnomen en toevertrouwd aan den geleerden Augustijner monnik, Fra Luis de Leon. Zelf geleerde, dichter en bijbelverklaarder, in zijn vertaling van het Hooglied; mysticus en wijsgeer, door zijn werk “de namen van Christus”; fijn menschenkenner, getuige zijn leerdicht “de volmaakte Echtgenoote,” begreep de begaafde man, dat de taal, waarin de H. Theresa zich uitdrukte, eer een hemelsche dan een aardsche taal genoemd mocht worden, en dat in haar werk niets mocht worden weggelaten, tenzij zij zelve dit had geschrapt.

“Op vele plaatsen,” zegt hij, “komt het mij voor, dat zij het niet is, die tot mij spreekt; maar de H. Geest, die zich door haar openbaart.”

Nadat hij haar werken in het licht had gegeven, wilde Fra Luis, bezield door zijn heerlijk onderwerp, het leven beschrijven der heilige, die hij vereerde, en wier zieleleven hij had verstaan. Doch de dood nam hem weg, eer hij die schoone taak had kunnen volvoeren.

Bij het verlaten van het klooster zagen wij nog in een gebouw, dat buiten de eigenlijke kloostermuren lag, een beeld van de H. Theresa, gehuld in een fluweelen, rijk met goud geborduurden mantel, en met den doctorshoed boven op den conventioneelen sluier, die haar hoofd bedekt. Het gelaat was hier vol, jeugdig en frisch, zeer verschillend van het portret, dat in het Ayuntamiento-paleis wordt bewaard, en dat in 1581 naar het leven werd geschilderd, toen Theresa reeds zeventig jaar was, en ondermijnd werd door de kwaal, die haar een jaar later ten grave sleepte. De oogen zijn vol uitdrukking; maar het gelaat vertoont geen sprekende trekken, noch een krachtig karakter; het doet eenigszins aan de oudere portretten van George Sand denken.