Strand van Zuid-Malekula met reuzenboomen.
Eerst was er algemeene ontsteltenis onder de vrienden van den gestorvene; niemand wou meer naar de rivier gaan, en spoedig trokken de menschen af, verschenen na een paar dagen met geweren en zwierven om het huis, om bloedwraak te nemen. De heer Ch. werd door de andere arbeiders, die van Malekula herkomstig waren, gewaarschuwd, anders zou hij stellig verraderlijk vermoord zijn. Hij wapende zijn lieden en ging zelf nooit ongewapend uit het huis; maar toch duurde de onbehagelijke toestand eenige weken, eer de inboorlingen tot kalmte waren gekomen en verdwenen. Voortaan kwamen nu echter ook geen arbeiders meer.
Men kon trouwens aan deze “men bush” geen vertrouwen schenken. Thans waren ze nog onder den indruk van een goed geslaagde strafexpeditie van een paar oorlogsschepen in het vorige jaar, toen eenige inboorlingen een ouden, goedmoedigen planter, die de inboorlingen van alle blanken wel het allerbeste had behandeld, plotseling doodgeschoten hadden en zijn beide dochters met bijlen hadden geslagen, om zijn, naar ze meenden, welvoorzien wapenmagazijn te rooven. Ze hadden echter niet veel gevonden en moesten hun daad met het verlies van hun dorp en hun have en goed boeten.
Vrouwen van Oost-Malekula bij den verkoop aan het strand.
Den derden avond was nu alles klaar voor de verzending. We zaten nog aan den avondmaaltijd in de gewone zware, vochtige lucht. Plotseling klinkt een lang gefluit: “De Pacific!” Alles springt op in blijde verrassing, want de stoomboot brengt een beetje beschaving, en haar aankomst is het besluit van een drukke week, de hoofdgebeurtenis aan het Canal du Segond, want men rekent hier niet naar maanden, maar per “Pacific”.
Alles snelt naar het strand en zet op bepaalde punten lantaarns neer, om het schip de ankerplaats te wijzen. Dan gaat men in huis terug, trekt een nieuw, wit pak aan en wekt de arbeiders uit den wel verdienden slaap. Ze komen langzaam en nog half in den dut en weten, dat hen een zware nacht wacht door het laden van de zakken in de boot. Intusschen komt het schip snel nader, kolossaal en feestelijk in de duisternis; dan zoekt het langzaam naar de plaats, waar het anker moet vallen, en na een oogenblik ligt de lange rij van helder verlichte vensters rustig op het water, en de spiegeling schommelt onregelmatig op de golven door het zwart van den nacht. Dan duiken ook al uit alle richtingen de bootslantaarns op van de aanvarende planters, die hun lading opgeven en de post afhalen, om aan boord een genoegelijken avond door te brengen.
Er waren dezen keer nog een paar reizigers aan boord, planters van andere eilanden, die naar Vila, Nouméa of zelfs naar Sydney wilden, en spoedig was men aan het drinken en spelen, waaraan eerst een eind kwam, toen de rooksalon gesloten werd. Den heelen volgenden dag bleef de “Pacific” in het Kanaal, nam van alle planters goederen in, en nog twee dagen duurde de feeststemming. Toen herstelde zich de rust met het eentonige leven van iederen dag.
Vrouwen en meisjes op Malekula.
Eenige dagen later beproefde ik aan den zuidwesthoek van Santo, waar de inboorlingen uit het bosch zich vaak moesten vertoonen, dienst personeel te huren. Een buurman van Ch. wou in zijn kleine kotter erheen varen, om verfhout van de inboorlingen te koopen, hout, dat ze gebruiken voor het verven van hun grasmatten. Hij dacht, dat dan weer op Malekula aan inboorlingen te verhandelen. Ik verzocht hem, mij mee te nemen, wat hij gaarne deed. Wij voeren dus op een regenmorgen door het Kanaal, maar moesten spoedig ankeren, omdat er geen wind was en de tegenstrooming ons dreigde, terug te voeren. We gebruikten den wachttijd voor een bezoek aan den heer R., die behalve anarchistische beginselen ook een kokos- en cacaoplantage kweekt, zoo flink in orde, dat ze in scherpe tegenstelling was met zijn antikapitalistische stellingen. Hij was een van die niet zeldzame fransche kolonisten, die, afkomstig uit zeer bescheiden boerenkringen, van de koloniën niets anders verwachten, dan zich een betere maatschappelijke positie te scheppen. Spaarzaam, vlijtig, aan harden veldarbeid gewend, had hij zich van een heel klein begin af langzaam omhoog gewerkt en was nu nog op jeugdigen leeftijd eigenaar geworden van een groote plantage, die hem tot een welgesteld man maakte en hem rijk zou kunnen doen worden. Dat goede boerenslag, waar Frankrijk zoo rijk aan is, levert de beste kolonisten, terwijl die menschen, die in korten tijd geld willen vergaren, zooals mijn gastheer, niet buiten schulden bij de handelshuizen in Nouméa kunnen blijven.
Offertafel in Zuid-Malekula.
Die huizen leenen geld tegen zeer hooge rente en verlangen bovendien, dat alle waren van hen betrokken worden en alle voortbrengselen aan hen moeten worden verkocht. De prijzen van hun goederen bepalen ze zelf, zoodat de renten van het geleende kapitaal wel oploopen tot dertig procent en meer.
Naast die beide categorieën van planters van fransche afkomst is er dan nog een derde, die ook met de Nouméa-groep in betrekking staat, maar met het eiland Nou. Men zal die later ook leeren kennen.
Nadat wij de plantage van den heer R. in voldoende mate hadden bewonderd, waarbij hij zich iemand toonde, die elke plant kende met naam en toenaam en overal een dor blad had af te plukken of een takje af te snijden, voeren we verder en kwamen in den vroegen morgen bij Tangoa aan. Op dat eilandje is de centrale school van de presbyteriaansche zending, waarheen uit den geheelen archipel de begaafdste inboorlingen worden gezonden, om te worden opgeleid tot onderwijzer. Het uiterlijk van die school maakte een aardigen indruk. De eene helft van het eiland had men ontboscht en tot groene weiden gemaakt, waar groote boomen wat schaduw op wierpen. Op een gedeelte ervan weidde het vee, een ander was tot park geworden, en daarin lagen de woonhuizen van den directeur en de onderwijzers. Men zou kunnen gelooven, een engelsch landgoed te zien. Ik gaf mijn brieven aan den directeur af, en hij vroeg mij, of ik van plan was, de “missing link” te vinden, wat hij heel grappig scheen te vinden. Ik nam al spoedig afscheid.
Wij brachten aan boord een paar dagen door; maar de inboorlingen kwamen trots talrijke dynamietontploffingen, waardoor men aangeeft, dat men met hen handel wil drijven, niet van de bergen naar beneden. We zagen hun vuren ver in het binnenland bij de Piek van Santo. Wij flaneerden langs den oever en vischten.
Ik zag toen een methode van visschen, die elders ook wel wordt toegepast,namelijk door vergiftiging van het water. Een der leerlingen van Tangoa gebruikte de tijd van eb, om op de steenen in de poelen van het rif een zekere vrucht kapot te wrijven. Het sap van die vrucht verdooft na eenigen tijd de visschen, die dan onbewegelijk aan de oppervlakte komen drijven of krampachtig in een kring rondzwemmen en gemakkelijk met de hand kunnen worden gevangen.
Groep op de dansplaats van een hooge kaste op Malekula.
Bovenaan den met snijwerk versierden paal is een pop bevestigd, het wapen van een hooge kaste op het eiland.
Nadat verscheiden dagen in ledigheid waren doorgebracht, geen prettigen lediggang, want het regende onophoudelijk, en aan boord van de kotter was weinig gerief, wou ik naar het Canal du Segond terugkeeren, want ik verwachtte met de engelsche stoomboot mijn bagage, daar ik niet alles aan boord van de “Gallia” had kunnen meenemen, en ik wilde mij meteen een en ander aanschaffen voor het geval, dat het mij gelukte, personeel te krijgen.
Ik moest te voet gaan, want de kotter was nog niet klaar met de zaken, maar ik kon voor den kleinen afstand geen gids huren. De afstand was ongeveer vijftien kilometer, en ik besloot, alleen te gaan, hoewel men het mij afried. Ik geloofde echter, met het kompas den weg te kunnen vinden en in staat te wezen, met behulp van enkele paden er mij door te slaan.
Daarom marcheerde ik dienzelfden morgen met wat proviand en een stomp kapmes weg, eerst op een goed pad, dat zich echter spoedig in het woud verloor. Ik volgde met het kompas de richting, maar kwam aan een lagune, die mij tot een grooten omweg noodzaakte. Toen volgde ik een pad, dat plotseling ophield. Ik stond voor bijna ondoordringbaar lianen-struikgewas, waar ik met mijn stomp mes haast niet doorheen kon. Vaak klauterde ik over stammen of moest op handen en voeten kruipen, en dan kwamen weer meer open plekken, moerassen, rotspartijen, kortom, ik maakte in korten tijd grondig kennis met het beruchte woud op Santo. Maar ik had toch het gevoel, verder te komen en was wel eens bang, dat ik mijn doel al voorbij was gegaan.
Tegen vier uur kwam ik aan een rivier, waarin ik waadde naar den overkant; maar mijn teleurstelling was groot, toen ik zag, dat ik mij niet meer dan vijftienhonderd meter van de op den morgen geziene lagune had verwijderd. Dat was een schrale belooning voor de inspanning van acht uren. Ik wou toch niet omkeeren en vervolgde mijn weg langs het strand. Het was niet bepaald prettig loopen, daar op het strand van die kantige stukken koraal lagen, en de uitgeslepen koraalbodem er messcherpe punten en kanten had. Daarbij kwam ik telkens aan spleten, waarin de branding bruiste, en waarover ik moest springen. Er brak een koraalplaat onder mij, en ik kwam in een spleet en schaafde mij het scheenbeen en de handen op onverkwikkelijke manier. Maar hier kwam ik tenminste vooruit, beter dan in het oerwoud. Soms werd de oever hoog, en er volgde een klimpartij. Tot overmaat van ramp overviel mij de nacht, en in donker kon ik geen pas doen, zonder de kans te loopen in een spleet te storten. Ik moest maar gaan zitten op den koraalbodem, waar die het minst scherp leek, en wachten. Een poging, om een vertroostend vuurtje aan te leggen, mislukte volkomen; de nacht was pikdonker en er viel een fijne regen.
Zelden heeft mij een nacht langer geschenen, en zelden voelde ik mij zoo verlaten. Maar de schemering bracht nieuw leven; ik klauterde verder, zwom door verscheiden lagunen, waarin, naar men mij later vertelde, het van haaien krioelde, en ten slotte hielden de koralen op. Nadat ik nog twee uren lang tot het middel door het zeewater langs de kust had gewaad, zonk ik uitgeput bij de plantage van den heer R. aan den oever neer. De eigenaar was afwezig, en de boys verwezen mij naar zijn buurman, waar ik juist tijdig aankwam voor het middagmaal. Dat smaakte uitstekend na de vermoeienis, al bestond het slechts uit vliegenden hond. Een kotter nam mij op en bracht mij “naar huis”, naar den heer Ch. Ik had de onherbergzaamheid van het oerwoud van nabij ervaren en heb sindsdien nooit meer wandelingen zonder gids ondernomen.
Na eenige dagen kwam de engelsche stoomboot, maar daarmee nog geen uitzicht op verbetering van mijn positie. Ook de opmetingsexpeditie kwam aan, maar daar ze zelf niet genoeg bediening had en vooreerst aan de onbewoonde kust werkte, kon ik van haar vriendelijke aanbiedingen geen gebruik maken. Ik bleef op de plantage en hield mij bezig, zoo goed het ging, en las de heele collectie fransche romans van den heer Ch., tot het hoofd mij omliep van al de dwaasheid.
Eindelijk kwam er dan een gelegenheid, om ten minste “wilden” te zien.
Greorges, de zoon van een buurman, had zich bereid verklaard, voor den heer Ch. arbeiders te werven. Zooals ik al zei, is het krijgen van werkkrachten voor den planter op de Nieuwe Hebriden het hoofdprobleem. Vroeger had de werving plaats niet door de planters zelven, maar door beroepswervers en was geworden tot een formeele slavenjacht. Met hun schepen kwamen ze aan de kust, schonken sterken drank aan de inboorlingen en sleepten ze in dronkenschap aan boord, om ze te verkoopen, of lokten ze door allerlei voorspiegelingen op het schip, om ze dan op te sluiten. Veelzijdig en wreed waren de middelen, die deze zeeschuimers gebruikten. Moord en doodslag waren aan de orde van den dag, en het was dan ook geen wonder, dat de wervers door de inlanders gehaat werden en aangevallen werden, waar de gelegenheid zich maar voordeed.
De betere elementen onder de kolonisten konden met die toestanden geen vrede hebben, en de regeering ziet tegenwoordig op de werving toe; beroepswervers zijn er nog maar weinige, daar de inboorlingen zich alleen willen laten huren door een eigenaar van een plantage, dien ze hebben gezien, en ieder planter vaart thans zelf op zijn zeilboot uit, om arbeiders te zoeken, waar hij maar denkt, ze te zullen vinden.
Terwijl van engelsche zijde zeer strenge voorschriften de werving regelen, en aan de bepalingen nadrukkelijk de hand wordt gehouden, is het bij de Franschen, precies als bij den alcoholhandel, de regeering drukt een oogje toe en bemoeit zich op de noordelijke eilanden zoo goed als niet met de werving en de behandeling van de arbeiders. Er gebeuren daar in stilte nog allerlei gruwelen, en men mag gerust beweren, dat de slavernij er nog bloeit.
Op de volgende bladzijden zal men nog hooren van een paar gevallen; maar ik wil hier toch een en ander over de werving vertellen.
Terwijl in vroeger jaren de inboorlingen door onervarenheid, door reislust en begeerte naar handelsartikelen bij honderden op de werfschepen werden gedreven, is dat tegenwoordig slechts in weinige en zeer afgelegen districten het geval. Daarentegen kennen de inboorlingen de toestanden, die ze zullen aantreffen, en ze kunnen, indien ze willen, al wat hun hart begeert, zich door den handel in copra verschaffen. Dus nu komen er heel andere prikkels in werking, die de inboorlingen naar den arbeid drijven.
Vaak is het bij jonge mannen de wensch, naar den vreemde. te trekken, andere eilanden te zien en uit de engte van den eigen kring te komen, waar, vooral op sexueel gebied, strenge regels gelden, en waar de heele stam op hen toeziet. Menigmaal is het ook de wensch, geld te verdienen voor den aankoop van de thans zeer dure vrouwen, die ze niet kunnen missen bij het winnen en bereiden van de copra. Dan drijft velen de angst voor de vervolging van machtige hoofden en toovenaars, om een toevlucht te zoeken op de werfschepen. Maar behalve aan hen bieden deze schepen ook een schuilplaats aan allerlei misdadigers, wien de grond onder de voeten thuis te warm is geworden, en aan de liefdespaartjes, die aan de woede willen ontkomen van een wraakgierig bloedverwant of een bedrogen echtgenoot. Zoo wordt het werfsysteem indirect een steun voor de toch al voor het ras zoo nadeelige anarchie en zedeloosheid, ja, het is daarop eigenlijk alleen gebaseerd. Dit zien de wervers wel in, en daarom stoken ze zoo dikwijls de vuurtjes, die wanorde stichten.
Als men weet, dat er ergens in het land oorlog is, dan verzamelen zich aan de kust de schepen, om de vluchtelingen op te nemen. Is er geen oorlog, dan zoekt men ook wel door intriges verwarring te stichten. Men deelt alcohol uit, die twist veroorzaakt, en neemt den volgenden morgen de inboorlingen, die physieken en moreelen Katzenjammer hebben, aan boord of overreedt dronken knapen tot meegaan door voorspiegelingen van de vreugde, die hen wacht op de plantages, waar wijn en vrouwen zijn en dansen. Lukt het ook dan niet, dan overvalt men badenden aan het strand of drijft heele familiën door gewapenden, die veelal van de Loyalty-eilanden komen, naar de schepen. Ook tracht men vrouwen te lokken, om door haar de jongelieden aan te trekken. Neen, het zijn geen mooie middelen, die het meerendeel der wervers aanwenden, en het is gemakkelijk te begrijpen, dat ze bijna overal, waar ze zijn geweest, een verscheurd familieleven, ontevredenheid en wrok achterlaten en een sterken haat tegen zichzelven en tegen de blanken in het algemeen.
Er zijn vooral onder de engelsche kolonisten velen, die zich, hetzij noodgedrongen of uit principe, in het geheel niet van zulke middelen bedienen. Dan hebben verscheiden van die kolonisten een bepaald recruteeringsdistrict, waar zij en hun plantages goed bekend zijn, waar de inboorlingen dus weten, welke behandeling hen wacht, en weten, dat ze ter rechter tijd naar huis worden gebracht en hun volle loon meekrijgen. Die kolonisten hebben dan ook bijna altijd een voldoend aantal arbeiders.
De techniek van het werven houdt in, dat het kleine zeilschip een paar honderd meter uit de kust voor anker gaat liggen en twee booten met gewapende bemanning naar den wal stuurt, waar één boot zich dichtbij de kust ophoudt en met de aan het strand op het hooren van de dynamietontploffing te zamen gekomen bevolking een bespreking houdt, terwijl de andere boot verder naar buiten de inboorlingen bewaakt, om bij den eersten aanval op hen te vuren en de eerste boot den terugtocht gemakkelijk te maken. De blanke blijft meestal aan boord van de zeilboot achter. Die voorzichtige taktiek is nu nog maar op weinig plaatsen noodig, doch daar men nooit kan weten, wat de blanke voorganger op zulk een plaats heeft uitgevoerd, en de inboorlingen dan daarvoor op den volgende blanke wraak nemen, is het wijs, den ouden regel te volgen.
Ik wil hiermee niet beweren, dat de inboorlingen nooit zonder provocatie aanvallen. Dat overkwam al aan Cook op Erromango, en hij had toch stellig nooit de inboorlingen gekwetst, op welke manier ook. De Melanesiër echter is een bloeddorstig wezen, als hij meent, de sterkste te zijn; maar tegenwoordig moeten stellig zonder uitzondering alle aanvallen op werfschepen op de Nieuwe Hebriden aan misgrepen van blanken worden toegeschreven.
Daar een van de regeeringen van het condominium zoo goed als niets uitvoert, wat de misbruiken kan tegengaan, en aan den anderen kant de plantages zonder voldoende werkkrachten te gronde moeten gaan, zou het in het belang van de inboorlingen zijn, alsook in dat van de planters, als het tegenwoordige werfsysteem geheel werd afgeschaft en daarvoor in de plaats een arbeidersconscriptie werd ingevoerd van wege de regeering. Daarmee zou het ras zijn gediend en de degelijke kolonisatie eveneens.
Het werven van arbeiders is dus volstrekt geen onschuldig of gevaarloos werk, vooral niet aan de noord westkust van Malekula, waar nog totaal primitieve en zeer krijgshaftige en groote stammen wonen.
Georges, onze kapitein, was een merkwaardige knaap. Hij was zeventien jaar, maar men zou hem best veertig kunnen geven. Bleek, met kleine, grijze oogen en een wantrouwigen blik, een zwak gekromden neus, smalle lippen, liep hij met hooge schouders en gebogen knieën altijd blootsvoets, in een blauwen werkmansbroek, een groen hemd en met een ouden, verweerden vilten hoed. Hij sprak weinig, en als hij praatte, gebeurde het zoo snel en zacht, dat haast niemand hem kon verstaan behalve zijn boys, die instinctmatig zijn bevelen begrepen. Maar hij was een uitstekend zeeman, kende de zee op zijn duimpje en wist zijn scheepje te besturen. Dat scheepje, drie meter breed en zes tot zeven meter lang, was zeer geschikt voor een verblijf van een dag of twee, drie; maar voor een reis van verscheiden weken was het totaal onvoldoende, vooral omdat het dek door talrijke kisten en voorraden was ingenomen, zoodat voor ons beiden slechts een kleine ruimte bij het stuur en de miniem kleine hut overbleef. Die hut was twee meter lang, anderhalven meter hoog, en daar waren al onze voorraden gepakt, de kleêren, de geweren, de ruilgoederen enz. Alleen kruipend kon men er zich bewegen, en als we met ons beiden waren, moesten we ons in de onmogelijkste bochten wringen, om naar dit of dat te reiken.
Mannen uit Big Nambas met grooten bastgordel en snidergeweren.
Bij mooi weêr, als men zich op dek in de frissche lucht kon ophouden, leek het best uit te houden, maar bij regen, en het regende zeer dikwijls en hevig, als men zich redden moest naar de kajuit, was het heel onaangenaam aan boord. Maar de heer Greorges had geen oog voor dergelijke kleinigheden. Ofschoon hij alles met gemak veel dragelijker had kunnen maken, gaf hij zich daarvoor geen moeite. Het zonne- en regenzeil werd zoo laag gespannen, dat men er net niet meer recht onder kon staan, en hoe irriteerend dat op den duur werkt, weet ieder die het heeft ondervonden, terwijl het even goed anders zou hebben kunnen gebeuren. Voor het eten had hij daarbij volstrekt geen zin. Niet enkel had hij blijkbaar geen fijnen smaak, maar ook geen menschelijke maag, want als hem maar het een of ander eetbaars in de hand kwam, rauw of gekookt, etenstijd of niet, hij slikte het begeerig naar binnen, en hij vond het een overbodige beslaglegging op zijn boys, wanneer ik nu en dan mij wat rijst kookte of een bord liet wasschen. Zoo had hij eigenlijk altijd gegeten, en als ik hem vertelde, dat het etenstijd was en de maaltijd klaar stond, hulde hij zich in zijn dekens en legde zich, zonder een woord te zeggen, neer, om te slapen.
Het gevolg van een en ander was, dat ieder van ons zijn eigen leven leidde, wat de materiëele zijde betrof. Maar de gemoedelijkheid, die voor de vele ontberingen aan boord wat vergoeding had kunnen geven, ontbrak geheel. Intusschen, het ging zoo ook wel.
Sinds vele weken was het de eerste zonnige dag, toen we ons door de strooming uit het Kanaal lieten drijven; de riemen moesten helpen, als het al te langzaam ging. Na verscheiden uren kwamen we in de open zee; een frissche bries kreeg vat op ons, en vliegensvlug lieten we Santo en de kleinere eilanden Aoré, Malo, Tutuba achter ons.
Blauwe, met wit schuim gekroonde golven hieven ons op, zoodat we ver de prachtige zee konden overzien; maar dan zonken we weer in een golfdal, van waaruit we de nabijzijnde golven dreigend zagen naderen. Achter ons schommelde de eene roeiboot zigzagsgewijze mee, zwevend als een eend op het water.
Man van Big Nambas.
In den laten namiddag naderden we de noordpunt van Malekula en volgden dan de westkust naar het Zuiden, naar het land van de “Big Nambas”, ons reisdoel. In tegenstelling met de andere eilanden van den archipel biedt Malekula hier niet den aanblik van een dicht, groen tapijt. We zagen hier niet het ondoordringbare oerwoud met de wuivende kronen, de vele schakeeringen van het groen en de veelsoortigheid van den plantengroei, maar een nog al magere vegetatie, gras op de koraalriffen, eenige boschjes erachter, dan schraal woud tegen steile heuvels, op welker ruggen hoog bruingroen gras groeide. In het grijze licht, dat door nevels brak, was het niet juist een verheugende aanblik.
Langs een verbrokkelde koraalkust, waar nu en dan een lichtgekleurd strand zich vertoonde, voeren we langzaam verder en wierpen tegen den nacht het anker uit in helder water, waarin men tot op een diepte van wel vijftien meter de wonderbare vormen van de koraalbanken en hun diepe, geheimzinnige kleuren kon herkennen. Het water was kalm als in een vijver, en toch bevonden we ons aan het strand van die reuzenzee, die zich naar het Westen tot aan de Torresstraat uitstrekt.
Wolkenflarden dreven over de steile heuvels aan den oever, de sterren schenen waterachtig; het was heel eenzaam en stil, nergens een vuur of eenig geluid. Op het dek uitgestrekt, luisterde ik naar de branding, die zich in de vele bochten nu eens luider, dan weer zachter deed hooren. Het is het geweldige reinigingsproces van de zee, het onophoudelijke vermalen en uitwerpen van alle onreinheden, het langzame, onweerstaanbare verkleinen en vernietigen van allen afval van het vasteland, ja, van het vasteland zelf.
Man van Big Nambas.
De streek Big Nambas, aan welker kusten we ons bevonden, draagt haar naam naar de grootte van een zeker kleedingstuk, dat ten deele onze broek vervangt. In verschillende vormen is de nambas bijna in den geheelen archipel bekend, maar nergens vindt men het kleedingstuk in zoo kolossale afmetingen als hier. Big Nambas is nog de minst bekende streek van de eilandengroep; bijna nog nooit heeft een blanke het binnenland daar betreden. In tegenstelling met andere streken hebben de inboorlingen hier nog hun strenge organisatie behouden, en dat is waarschijnlijk de reden, waarom ze niet gedegenereerd en machteloos zijn geworden.
Onder hen is nog de oude hoofdeninstelling krachtig, wat een waarborg is voor de orde in hun staatswezen. Het hoofd heeft natuurlijk het grootste belang bij het in standhouden van zijn machtsmiddelen, in de eerste plaats bij het aantal van zijn krijgers; hij onderzoekt daarom streng iederen moord of doodslag en iedere daad van wraak, die hem op een krijger kon komen te staan. Evenzoo verhindert hij kindermoord, zoodat hij, trots zijn willekeur, zijn hebzucht en wreedheid, over het geheel voor den stam zegenrijk werkt.
Bijna overal is de eerbied voor het hoofd sterk verminderd, en het gevolg is, dat ieder alleen voor zijn eigen belangen zorgt, en zich recht verschaft en voordeel door wapengeweld en vergift, zoodat heele stammen binnen een enkele generatie geslonken zijn tot op een tiende van hun aantal. Daarbij kwamen kindermoord en veel ziekten, om het vernielingswerk te voltooien.
Maar, zooals gezegd, Big Nambas is nog krachtig en kan de blanken op een afstand houden. Omdat echter van daar de opgewektste en flinkste arbeiders komen, beproeven de wervers telkens weer, er vasten voet te krijgen, wel met weinig resultaat, maar ze winnen toch enkelen. Op onze boot was als tolk een man uit Big Nambas, en van de vijf andere boys waren vier van Aoba, die een heel ander type vertoonden in voorkomen en taal, terwijl er één van Malekula bij was.
Zorgvuldig gebouwd mannenhuis op Vao.
Bourbaki, zoo heette onze man uit Big Nambas op de plantage, had zich vóór twee jaren laten aanwerven. Toentertijd was hij de moordenaar geweest van het groote hoofd met honderd-vijftien vrouwen, en nu was hij een zeer bruikbaar arbeidsleider op de plantage van den heer Georges. Een gemoedelijke, vroolijke vent, met brutaal gezicht en kleine, sluwe oogen, die zich in de europeesche kleeding zeer goed kon schikken. Hij was een van de weinige inboorlingen, die openlijk erkende, hoe smakelijk menschenvleesch was, en een jaar geleden moet hij ontroostbaar zijn geweest, toen hij bij een bezoek thuis een dag te laat kwam voor een kannibalenmaaltijd, en moet zijn vader bittere verwijten hebben gedaan, dat hij niet een portie voor hem had bewaard. Maar, afgezien van die smaakafdwaling, was Bourbaki een zeer net mensch, betrouwbaar, dienstvaardig en innig verheugd, nu en dan zijn papa en mama weer te zien. Wij hoopten, dat hij ons bij het werven goede diensten zou bewijzen en beloofden hem commissieloon.
Toen Bourbaki zich had laten aanwerven, was het hoofd woedend geweest, dat hij zijn beul verloor en had bevel gegeven, den werver, een zwager van den heer Georges, te dooden. Eenige inboorlingen loerden op hem aan het strand en schoten op hem, toen hij in zijn boot ging; de blanke werd licht gewond, en een inlandsche vrouw, die achter hem in de boot zat, werd gedood. De boot verwijderde zich snel. Bourbaki vond het zoo erg niet, nu er maar één vrouw bij was omgekomen.
De morgen was donker en regenachtig. We lieten een dyamietpatroon ontploffen en wapenden ons tot de tanden. Elk van ons had een revolver en een repeteerkarabijn; de boys kregen een oud geweer en vier patronen. De boot lag ongeveer tweehonderd meter van den wal; we konden het vlakke strand overzien. Daarachter steeg de dicht beboschte oever steil omhoog tot honderd meter hoogte.
Op het water waren wij volkomen veilig, want de inboorlingendorpen liggen vrij ver naar het binnenland, en de menschen zelf schuwen de zee en komen enkel naar het strand, om nu en dan tusschen het koraalgesteente wat schelpen en mossels te zoeken. Ook bezitten ze geen vaartuigen, in tegenstelling met de oeverbewoners uit andere streken, die met hun primitieve boombooten met uitleggers vaak verre reizen naar naburige eilanden ondernemen.
Wij brachten Bourbaki, die zeer er naar verlangde, zijn verwanten te zien, naar land; op een smal pad verdween hij in het bosch met het geweer over den schouder.
We keerden naar de boot terug en wachtten. Men mag bij het werven niet op tijd zien, maar moet zich wapenen met veel geduld, want alleen daardoor kan men op eenig succes hopen. De zwarten zelf hebben geen idee van de waarde van den lijd en geen begrip van de haast, die onze beschaving in het leven heeft geroepen.
In den namiddag verschenen eenige naakte gestalten aan het strand. Eén van hen wenkte met een tak. Weldra kwamen er meer, en op het laatst waren het ongeveer vijftig man; op den achtergrond, half verborgen in het bosch, stonden eenige vrouwen, ongeveer een dozijn.
We gingen in de booten, telkens twee boys en een blanke, en naderden langzaam de kust. De inboorlingen droegen geweren in de rechterhand en in de linker groote yamsknollen. Ze wilden ruilen. We beduidden hun, dat ze de geweren moesten neerleggen. Toen ze dat niet deden, spanden wij de hanen van onze geweren en toonden ons gereed, om te schieten. Daarop legden enkelen de wapens aan den boschrand neer, en de anderen gingen met hun geweren zitten en keken naar ons. Toen legden ook wij de geweren in de boot en toonden onze ruilwaren, tabak, lucifers, aarden pijpen en katoen.
Het waren meest allen knappe mannen van iederen leeftijd. Hun uitzien was echter wild en dreigend, toen ze met hun yams naar de booten toekwamen. De knollen waren zeer groot en wij gaven één of twee rollen tabak ervoor of pijpen. Katoen en lucifers waren niet erg in trek. De menschen waren geheel naakt buiten een gordel van palmbast, dien ze eenige malen om het lijf hadden gewonden, zoodat hij als een dikke rol afstond. Daaromheen hadden ze gevlochten banden geslingerd van rood gekleurd gras, waarvan de uiteinden als langen kwasten ter zijde afhingen. Onder den gordel hing de nambas, die ook van rood gekleurd gras was vervaardigd. Daarbij kwamen nog kleinere sieraden, als oorringen van schildpad, bamboe-kammen, armbanden en halskettingen van schelpen. Maar op de mooie, lenige lichamen zat een hoofd, dat aan de geschiedenissen van menscheneters uit sprookjesboeken kon herinneren.
Boven de oogen en den neuswortel stak het voorhoofd vooruit en daaronder gluurden de oogen loerend en onrustig, en hun duistere blik werd niet verzacht door de bruinachtige kleur van het oogwit. De neus was een beetje gebogen met dikke neusvleugels, die door een bamboestaafje nog verbreed leken. De bovenlip was meestal kort en bedekte maar half een opvallend breeden mond met een stevig gebit. Men denke zich het heele gezicht omgeven door lange, ruige haren en baard en besmeerd met een zwarte vetlaag, dan heeft men een goede voorstelling van de zoo moderne kannibalen.
Wij hadden in het begin niet veel trek, aan land te gaan en hielden onze vis-à-vis goed in het oog. Die werden langzamerhand vertrouwlijker, vergaten hun schuwheid en gedroegen zich als luidruchtige, vroolijke kinderen; maar de minste heftige beweging van onzen kant deed hen opschrikken en achteruit gaan. Zoo gingen velen op de vlucht, toen ik haastig een aarden pijpje wou grijpen, dat van de zitplaats ging vallen.
Nadat onze booten met yams waren gevuld, waagden we, aan land te gaan. Wantrouwend stonden ze om ons heen, elke onzer bewegingen bespiedend. We lieten hun onze wapens zien, die ze met bewondering en verbazing bekeken. Hoe grooter de patronen en de kogels waren, des te meer indruk maakten ze, en onze revolver beschouwden ze met een verachtelijk schouderophalen, tot we ermee begonnen te schieten. Bij elken knal wendden ze zich verschrikt af en lachten dan om hun eigen angst, maar hadden van toen af groot respect voor “them small fellow musquets”.
Geleidelijk werden ze driester, kwamen nader en begonnen ons aan te raken, eerst met de toppen van de vingers, dan met de hand. Ze wilden alles zien, onze patroontasschen, onze kompassen, enz. Fluiten en smakken met de lippen waren de teekenen van eerbied en bewondering. Toen er niets meer te kijken viel, werden wij zelf de voorwerpen van onderzoek, en daar ik daaraan niet gewend was, kon ik het moeilijk verdragen. Het ging nog, dat ze hun donkere armen en beenen naast onze lichtere huid hielden, en dat ze liefkoozend over de zachte huid van de binnenzijde der armen streken; maar toen ze ook de stevigheid van de bovenarmen en de dijen onderzochten en met kennersdruk de consistentie van onze spieren nagingen, daarbij onverstaanbare klanken uitend en heftig smakkend, blijkbaar tevreden over het resultaat, toen werd het mij hoogst onbehagelijk te moede, vooral toen ik een man van begeerte zag trillen en van den eenen voet op den anderen zag springen. In zoo’n geval is het gevoel, met zijn beiden te zijn en een wapen te hebben, innig troostrijk.
Langzamerhand waren we den boschrand genaderd en konden tersluiks eens naar de vrouwen kijken. Zij hadden grasschorten om het lijf en een merkwaardige hoofddracht van gerolde vlechten van gras. Allen hadden haast kinderen, die ze op de heupen droegen. Velen hadden groote wonden van het zitten in vocht en vuil aan haar beenen en enkels. Men drong ons echter vlug weg van de vrouwen en joeg ze in het woud; na eenigen tijd was het strand eenzaam, en wij keerden naar de boot terug.
Tegen den avond kwamen weer eenige mannen aan het strand. Vergenoegd over de gekochte tabak, dansten ze een vreugdedans, van den eenen voet op den anderen springend, zich draaiend en erbij zingend met lagen, eentonigen klank. Het rumoer en het hinnikende lachen klonken door de schemering. Toen de nacht aanbrak, werd het rustig, en ze verspreidden zich aan het strand, ontstaken vuren en roosterden hun yams. In de verte bliksemde het, de branding bruiste, het scheepje stampte, en de roeibooten stieten er onrustig tegenaan. De wind ruischte door het oerwoud, en nu en dan rolde de donder. Wij voelden ons eenzaam; zou er storm komen? Op ons notedopje waren we niet veilig. Na de lamp te hebben uitgedaan, gingen we op het dek liggen. Daar sliepen we in, tot een hevige regen ons opschrikte. In een oogwenk was het dek overstroomd; we trokken ons in de hut terug en brachten in de benauwde ruimte een onaangenamen nacht door.
Den volgenden morgen waren weer een twintigtal mannen aan het strand. Het spelletje van den vorigen dag herhaalde zich. Nu en dan trokken we ons op de boot terug; maar de menschen werden vertrouwelijker, kwamen zonder wapens, en toen hun voorraad yams was uitgeput, gingen ze naar het dorp terug. Een oogenblik van rust gebruikten we, om langs het smalle, glibberige pad den hoogen oever te bestijgen. Halverwege stieten we op twee oude mannen, die yams droegen. Bij onzen aanblik beefden ze sterk, bleven staan en begonnen te praten. Wij legden de geweren neer en wenkten, dat ze naderbij moesten komen. Toen wierpen ze hun yams weg en vluchtten in het dichte struikgewas. We gingen maar terug, om niemand te prikkelen.
Des avonds kwamen langs de kust uit het Zuiden een troep inboorlingen met yams. Ze naderden voorzichtig en tot schieten klaar. Ze waren van een anderen stam, die met den stam hier oorlog voerde. Ze hurkten neer, altijd bereid, om op te springen en nauwkeurig den boschrand bespiedend. Eén van hen sprak een beetje pidgin-Engelsch. Ze noodigden ons uit, bij hen te komen en yams te ruilen. We beloofden het voor later. Daar klonken roepstemmen uit het bosch. Plotseling sprongen ze op en liepen weg. Georges wou met hen spreken en ijlde achter hen aan, met de karabijn in de hand. Toen zwaaiden ze dreigend met hun geweren en verdwenen achter de rotsen. Ze meenden, dat wij op ze wilden schieten. Zoo ontstaan wel meer misverstanden, die met schieterijen en moord eindigen, als men niet de grootste kalmte bewaart.
Den heelen dag regende het in sterke buien; alles was vochtig, en de nacht was donker en stil. We leden in de stiklucht van de hut.
Des morgens kwam Bourbaki terug met een schaar inboorlingen. Weer werden wij betast en bewonderd. Ik liet enkele mannen met een geweer schieten, waarbij ze het wapen ver van hun lichaam hielden en op goed geluk schoten. Bourbaki vertelde, dat er over een paar dagen een groote slachtpartij van varkens zou plaats hebben, en dat tot dien tijd alle menschen het druk hadden. Het hoofd was niet te spreken en bleef voor ieder onzichtbaar, behalve voor een bediende, die hem zijn eten bracht.
Het inwendige van een mannenhuis op Zuid-Malekula, met beelden van voorouders.
Wij landden een geitje en twee varkens. Het geitje wekte groote verwondering, en niemand waagde, het aan te raken. Bourbaki gelukte het, drie oude mannen aan boord te lokken. Onhandig gingen ze in de booten en angstig hurkten ze op het dek van het schip, stom en met groote oogen. Slechts langzaam overwonnen ze hun schuwheid en bekeken alles. Een kookpan bracht hen in verrukking en smakkend betastten ze de planken van het schip, terwijl de aanblik van de hut hen sprakeloos maakte van bewondering. Als ze iets niet begrepen, haalden ze den rechterschouder op. We lieten hun een spiegeltje zien. Het duurde lang, eer ze het gebruik uitvonden; maar toen ze begrepen, dat ze zichzelf erin konden zien, lachten ze luid en staken de tong uit. Al spoedig zagen ze in, dat de spiegel een toiletinstrument kon wezen en staken lucifers in hun haar ter verfraaiing. Een horloge wekte een geresigneerd schouderophalen en maakte verder geen indruk. Geld wilden ze zien; maar ze waren teleurgesteld en hadden het zich heel anders voorgesteld.
Zelfs een goudstuk liet hen koud; een stukje papier hadden ze liever. Daarentegen imponeerde hen onze voorraad patronen kolossaal. We lieten Bourbaki vragen, of wij het groote feest mochten bijwonen, en of ze ons niet zouden opeten.
Na een uur verlieten ze ons weer, wel minder angstig dan ze waren gekomen, maar toch blij, het schip te kunnen verlaten met al zijn wonderen. Bourbaki maakte zich vroolijk over hun naïeveteit en kwam zich verbazend beschaafd voor; maar hij is zelf nog ruw en vertrouwt mijn fotografietoestel maar half. “De blanke man weet te veel”, is zijn uitspraak.
Het regende den geheelen dag, en eerst tegen den avond klaarde het op. Eenige inboorlingen bleven den nacht over aan het strand. Ze maakten vuur en zongen. Onze boys lachten om hen, bootsten het gezang na en voelden zich ver verheven boven de wilde boschmenschen, vergetend, dat voor slechts enkele jaren zij zelf niet veel beter waren, en dat ze, als ze naar hun dorp terugkeerden, al gauw alle beschaving weer zouden hebben afgeschud.
Man met misvormd hoofd uit Zuid-Malekula.
Langzamerhand werd het stil; alleen de branding was te hooren. We sliepen weer op het dek en werden als te voren door een regenbui opgeschrikt, om ons te redden in de nauwe hut. Den volgenden dag verschenen er haast geen inboorlingen. Ze hadden het druk met de voorbereiding van hun feest. Wij hadden niets te doen. Onder de grauwe lucht en den stofregen kreeg de verveling vat op ons. Men bespeurt de ongerieflijkheden van het leven en krijgt een gevoel, zijn tijd te verliezen, wordt prikkelbaar, stoot zich aan kleinigheden en maakt zich noodeloos boos. Als mijn metgezel maar minder slecht gehumeurd was, zou het beter gaan. Men mist het rustige praatuurtje ’s avonds bij een kopje thee en een pijp. Alleen zijn zou beter wezen dan deze eenzaamheid met z’n tweeën.
Onder het luisteren naar de branding begreep ik voor de eerste maal dat verlangen, dat de wind toch bericht mocht brengen uit het vaderland. Is dat heimwee? Toen er een paar heldere dagen kwamen, werd alles dadelijk beter. De boot leek geriefelijker, en het groene tapijt van het oerwoud langs de rotsen maakte meer indruk. Het was doodstil; alleen lokte in de verte een vogel in het woud. Dan deed het goed, in het zand te liggen en te vegeteeren, zonder gedachten, slechts overgegeven aan de zaligheid van het bestaan.
Twee groote wilde zwijnen kwamen dien avond aan het strand en groeven uit het zand de yams, die de inboorlingen er begraven hadden. Een jacht, die niet slaagde, gaf ons wat beweging en afleiding. We konden gerust ons van de boot verwijderen, want de inboorlingen waren allen boven, in hun dorpen. Heerlijke zonsondergangen besloten heldere dagen. Een wolkenbank bedekte half de zon, die gloeiend zich met de zee scheen te verbinden. Naar boven schoten heldergele stralen in den staalblauwen hemel. Daarna loste alles zich op in een zee van vuur, en spoedig viel de nacht. De sterren blonken, eerst het zuiderkruis. Halley’s komeet was nog flauw te zien.
Man met misvormd hoofd uit Zuid-Malekula.
Des morgens was de hemel wolkenloos en doorliep alle kleuren, tot de stijgende zon hem stralend blauw kleurde. Dan ziet men op den bodem van de zee elken steen, ziet de wonderbare koraalbanken, de bizarre vormen van de afzonderlijke groepen, de gedempte en toch vurige kleuren, rose, violet en geel, dat schittert als gedegen goud. Daarop liggen groote, blauwe zeesterren; reusachtige visschen in heldere tinten strijken langzaam en welbehagelijk langs de klippen; kleine schieten haastig als dol ertusschen door, sommige zuiver blauw getint. Alles ademde welbehagen en vrede.
Bourbaki kwam met zijn broertje. Hedenavond zou het groote feest beginnen; ik vroeg hem, of er veel varkens zouden wezen, om te worden geslacht. “O”, antwoordde hij, “dat beteekent niets; wij hebben een mensch. Gisteren hebben we hem in het bosch gedood en hedenavond zullen we hem opeten”. Hij zei het met het kalmste gezicht ter wereld, alsof hij het over het weêr had. Ik moest mij geweld aandoen, niet van hem weg te gaan en keek hem ongerust in het gelaat. Hij keek verloren in de ruimte, alsof hij al aan het maal smulde, nam een stuk kokosnoot en rukte met zijn sterk gebit het vleesch van de schaal. Dien heelen morgen was hij zeer vergenoegd en behulpzaam.
Des middags ging Bourbaki weer weg en twee dagen lang zagen wij geen inboorlingen. Ze waren allen boven in het dorp bij het groote feest, terwijl wij de dagen in doffe rust doorbrachten. Eentonigheid overal; de zee en het strand en het oerwoud, alles werd vaal en grauw onder de regenlucht. Wat is men toch afhankelijk van de omgeving! Een zonnestraal kan leven brengen en onze stemming meteen verhelderen.
Den derden dag kwam Bourbaki terug, wat vermoeid en gedrukt, maar zichtbaar tevreden. Eenige vrienden vergezelden hem. Hij bracht een boodschap van het hoofd, waar we zeer mee waren ingenomen. Het hoofd liet zeggen, dat hij ons welgezind was en niet ongenegen, ons boys te leveren. Hij had echter nu nog in het dorp te doen en zou eerst over tien dagen aan zee komen, om ons te bezoeken. Tot zoo lang moesten we geduld hebben.
Om de tien dagen te benutten, besloten we, dadelijk naar de Tesbelbaai in het Zuiden te gaan, om daar ons geluk met de werving te probeeren. We hadden ook van daar een boy, Macao, aan boord, door wien we hoopten, te zullen slagen. Bourbaki, die in de weinige dagen, die hij thuis had doorgebracht, wat verwilderd was, kreeg verlof tot onze terugkomst. Hij moest in dien tijd flink voor ons werken. Hij scheen over die vacantie niet weinig in zijn schik, en dus waren we des te meer verbaasd, toen hij kort vóór ons vertrek aan boord terugkeerde en zich zonder nadere uitlegging verdienstelijk maakte. Wij zagen daarin een teeken van zijn aanhankelijkheid en vergaven hem sommige ongemanierdheden.