Beteekenis van eenige Oud-Germaansche naamstammen
volgens de opgaven van Förstemann en Heintze.
Vele woorden waarvan de beteekenis door deze schrijvers in het onzekere gelaten is, blijven hier onvermeld.
A
- ABA: man.
- AG: snijdend zwaard. (Lat. acies).
- AGIL = AG.
- AGIN = AG.
- AGIR = AG.
- AGIS: schrik.
- AID: eed.
- AIVA: eeuw.
- ALA: al, alles.
- ALB: elf (mythol.).
- ALDA: oud.
- ALFI: elf (mythol.)
- ALHI: tempel.
- ALJA: ander.
- ALJAN: sterke.
|
- AM: moeder.
- AMAL = AM.
- AMAT = AM.
- ANGIL: goddelijk wezen.
- ANSI: god.
- ANTI: reus.
- ARBI: erf.
- ARMA: arm (Lat. pauper).
- ARA: arend.
- ARIN: arend.
- ATHA: vader.
- ATHAL: adel.
- AUDA: erfgoed.
- AUGA: oog.
- AUSTA: oosten.
|
B
- BADU: strijd.
- BALDA: onversaagd.
- BANDA: krijgsvaan.
- BARDA: reus.
- BAUDA: gebieder.
- BAUGA: ring, halsband.
- BERA: beer.
- BERGA: bewaren, bergen.
- BERHTA: klaar, blinkend.
- BERIN: beer.
|
- BIG: houwen.
- BILI: strijdbijl: billijk.
- BLIC: glans, bliksem.
- BLIDI: blijd.
- BOD: gebieden, ontbieden.
- BON: (het Lat. bonus) goed.
- BOSI: vijandig.
- BRANDA: vlammend zwaard.
- BRUNJA: borstharnas.
- BURGI: bewaren, bergen. Vormt evenals BERGA vrouwelijke namen.
|
D
- DADI: daad.
- DAGA: dag.
- DAR: werpspiets.
|
- DEURJA: duur, dierbaar.
- DOMA: gericht, macht.
- DRUDI: trouw, dierbaar, veel voorkomend in vrouwenamen.
|
E
- EBUR: everzwijn.
- ERCAN: edel, echt.
- ERA: eer.
|
- ERIN = ERA.
- ERMIN = IRMIN: naam v.d. halfgod.
|
F
- FARA: geslacht, familie.
- FASTI: vast.
- FILU: veel.
- FLADI: zuiver, rein. Gelijk fleda en fledis in veel vrouwenamen voorkomend.
- FLAV (het Lat. flavus) blond.
|
- FRAVI: heerin.
- FRITHU: vrede.
- FRIUND: vriend.
- FRODA: vroed, wijs.
- FULCA: volk.
|
G
- GAILA: lastig.
- GAIRU: werpspeer.
- GANG: aanstormen.
- GARDI: gaard. Tweede helft van veel vrouwenamen.
- GARVA: ten strijde bereid.
- GASTI: gast, vreemdeling.
- GAUTA: goth.
- GAVJA: gouw.
- GIB: geven.
- GILD: geld.
|
- GIS, GISIL: gijzelaar.
- GODA: god, goed.
- GOZ: goth.
- GRAVA: grauw, grijs.
- GRIMA: helm, masker.
- GRISJA: grijs.
- GUDA: god.
- GUMA: (het Lat. homo) mensch.
- GUNDI: krijg.
|
H
- HAB: have.
- HAG, HAGAN: behagen.
- HAIDU: gestalte. Als haid en heid tweede deel van veel vrouwenamen.
- HAILA: heel, gezond.
- HAILAGA: heilig.
- HAIMI: heim, huis.
- HAL: man.
- HALIDA: held.
- HAM: dek, kleed.
- HAN: haan.
- HANDU: hand.
- HARDU: sterk, hard. Ook tweede deel van veel mannel. namen.
- HARJA: heir. Ook als har en her tweede deel van veel mannelijke namen.
- HATHU: strijd.
- HAUHA: hoog.
|
- HELMA: helm.
- HILDI: strijd. Ook tweede deel van veel vrouwenamen.
- HILP: helpen.
- HIMILA: hemel.
- HLODA: luid = beroemd.
- HOGA = HAGAN.
- HRABAN: raaf. Ook tweede deel van veel mannenamen
- HRINGA: ring.
- HROTHI: roem, zege.
- HUGU: geest, verstand.
- HULTHA: genadig.
- HUNI: reus.
- HUSA: huis.
- HVELP: welp.
|
I, J
- IDIS: maagd.
- IS, ISAN: ijzer.
|
- IW: taxusboom.
- JUNGA: jong.
|
K
- KARAL: man, kerel.
- KLAR: klaar, helder.
|
- KUNI: geslacht, kunne, en koen.
|
L
- LAIC: springen, dans.
- LAIFA: zoon.
- LAITHA: vijandig en leiden.
- LEUBA: lief, geliefd.
- LEUDI: volk.
|
- LEV, LEVON: leeuw.
- LIBA: lijf.
- LINDI: slang, gordel.
- LOH (het Lat. lucus): bosch.
|
M
- MAG, MAGAN: kracht, vermogen.
- MANA: man.
- MAND: blijde zijn.
- MARU: beroemd.
- MAURA: Moor.
- MATHAL: spraak, rede.
|
- MATHI: macht.
- MILDI: mild, vrijgevig.
- MODA: moed.
- MUNDA: voogd.
- MUNI: lust.
|
N
- NANTHI: koen.
- NATH: genade, gunst.
- NITHA: krijgsijver.
- NIVJA: nieuw, jong.
|
- NODI: nood.
- NORTHA: noorden.
- NUN: wicht.
|
O
- ORTA: lansspits.
|
- OTHAL: erfgoed, woonstede.
|
R
- RADI: raad.
- RAGAN: raad.
- RANG: worstelen.
|
- RICJA: rijk.
- RID: rijden.
- RIPJA: rijp.
|
S
- SANTHA: waar.
- SARVA: uitrusting.
- SCALCA: knecht.
- SEVA, SEVI: zee.
- SIBJA: maagschap.
- SIDU: zede.
- SIGIS: zege.
|
- SINTHA: weg, heirvaart.
- SMITHU: smid.
- SNEL: snel, stoer.
- STAINA: steen.
- SUNDA: zuiden.
- SVANA: zwaan.
- SVINTHA: krachtig, gezwind.
|
T
- TAT, TAITA: daad.
- THANC: gedachte.
- THEGAN: krijgsknecht.
- THEUDA: volk.
|
- THINGA: ding.
- THIVA: dienaar.
- THRASA: strijden.
|
U
- UN: geven, toestaan.
|
- URSA: (het Lat. ursus), beer.
|
V
- VAC, VACAR: wakker.
- VADJA: waden, gaan.
- VAG: wakker.
- VALD: besturen.
- VALHA: buitenlander, vreemdeling.
- VAN: verwachting.
- VAND: winden, wenden.
- VAR, VARIN: waarborgen en weren.
- VERTHA: waard.
- VID: woud.
- VIGA: kampstrijd.
|
- VIHA: wijden.
- VILJA: wil.
- VIND, VINID: winden, wenden.
- VINI: vriend.
- VINTAR: winter.
- VIS: aanvoerder.
- VIZ: wijs.
- VOLA: wel (goed).
- VOP: roepen.
- VULFA: wolf.
- VUNJA: lust.
|