Eerste hoofdstuk.

De Gun-club.

Amerika is een groot land, een land ook van groote dingen: groote steden, groote wildernissen, groote spoorwegen, groote mannen, groote rivieren, groote ondernemingen, groote plannen, groote vereenigingen, in dat groote land clubs genaamd.

Onder die clubs behoort de Gun-club niet het laatst vermeld te worden. Zij ontstond tijdens den oorlog tusschen de Noordelijken en Zuidelijken. Dat was een tijd van uitvindingen in het vak van menschen dooden—ook in het groot. ’t Was in dien tijd dat een zesendertigponder op driehonderd voet afstands dwars door zesendertig paarden en achtendertig man heen vloog, dat allen bleven liggen, man dood, paard dood. Maar dit was slechts kinderspel bij het stuk Rodman, dat nagenoeg drie uren gaans ver droeg en met een balletje van vijfhonderd kilo honderdvijftig paarden en driehonderd man kon neêrschieten. Ik zeg: kon; want de proef werd niet genomen, omdat, al spraken de paarden er niet tegen, de manschappen er niet voor te vinden waren. Maar ’t geen volgt gebeurde in een der gevechten tegen de Zuidelijken: een Rodman zond in één schot twee honderd vijftien dier Zuidelijken naar de andere wereld.

Indien het waar is, dat talrijke schermutselingen en gedurige gevechten de oorlogen vernielender maken, is het een waarachtige daad van menschlievendheid, middelen uit te denken om in het groot de gelederen te dunnen, want dan is de krijg zooveel te eer aan het einde van zijn renbaan. En uit dit oogpunt was het een edel denkbeeld van een oprichter der Gun-club, een vereeniging te stichten tot uitbreiding en volmaking der kunst om de vernielendst mogelijke kogels of andere dergelijke voorwerpen op den grootstmogelijken afstand weg te schieten.

De zaak vond bijval, en wel op echte Amerikaansche wijze. Als namelijk een burger der Vereenigde Staten een denkbeeld in de hersenen voelt opkomen, zoekt hij een medeburger die er mee instemt. Er zijn dus aanstonds een voorzitter en een secretaris. Komt er een derde bij, dan is ook de tweede voorzitter, zegge de vice-president, gevonden. Een vergadering wordt belegd, tal van leden sluiten zich aan, gewone, buitengewone, werkende, correspondeerende.... de club is in ’t leven.

Aldus ook de Gun-club. Drie maanden na haar oprichting telde zij 1833 werkende en 30 565 correspondeerende leden.

Tot het lidmaatschap werd vereischt, dat men een nieuwe soort van werpgeschut uitgedacht of minstens een bestaande soort verbeterd had; zoo geen kanon, dan toch een vuurwapen. De leden die aan revolvers knutselden, waren echter, schoon aan de letter van het reglement voldoende, niet machtig in tel.

»Wie eigenlijk een groot man onder ons wil zijn,” zoo sprak eens een der kundigste leden van de club, »moet eenvoudig worden berekend naar den regel, dat zijn verdiensten evenredig zijn aan het kaliber van zijn stuk, en aan het vierkant van de afstanden op welke het schiet.” De man dacht aan de wet van Newton betreffende de algemeene zwaarte.

Toen op een goeden dag de vrede tusschen Noord en Zuid geteekend was door personen die den oorlog overleefd hadden, taanden wel de practische inzichten der Gun-club, maar onverflauwd bleef de liefhebberij in plannen en berekeningen over werpgeschut en projectielen.

»’t Is toch beroerd,” zei op zekeren avond de dappere Tom Hunter, terwijl zijn uitgestoken houten beenen bijna vlam vatten in het kolenvuur, »niets te doen, niets te hopen! Waar is de tijd, toen het kanongebulder voor morgenwekker diende?”

»Voorbij is die schoone tijd!” was de uitroep van den vroolijken Bilsby, die met zijn armen zou gezwaaid hebben, als hij ze nog gehad had. »Dat was me een tijdje! Men verzon een nieuw mortier, en zoodra was het niet gegoten of ’t was terstond ook afgeschoten. Maar nu? Wat schieten zij weg? Bommen?—Ja wel—katoenballen?

»Gelijk heb je!” riep kolonel Blomsberry uit. »Toen was het leven, nu is het dood zijn, hier te Baltimore,”—want daar was de Gun-club gevestigd.

»En dan geen vooruitzicht,” voegde de stoutmoedige Maston er bij, terwijl hij met zijn ijzeren haakje aan zijn getah-pertja schedel krabde. »Geen wolkje aan den hemel! En toch heb ik, ik die tot u spreekt, juist dezen morgen een plan uitgedacht—nu! asjeblieft, een plan van een mortier, dat de tegenwoordige oorlogsregelen wegblaast.”

»terwijl zijn houten beenen bijna vlam vatten.” (Bladz. 2.)

»terwijl zijn houten beenen bijna vlam vatten.” (Bladz. 2.)

»Waarachtig?” vroeg Tom Hunter, onwillekeurig denkende aan de laatste uitvinding van Maston.

»Waarachtig!” antwoordde deze. »Maar wat geeft het? Men kan er toch niets meê uitvoeren, nu het menschdom van niets anders iets meer te duchten heeft, dan van een schrikbarende overbevolking.”

»Maar in Europa dan?” sprak kolonel Blomsberry, »daar vechten ze nog al eens voor de nationaliteit?”

»Waar denk je aan?” schreeuwde Bilsby uit; »uitvindingen doen voor vreemdelingen?”

»Beter nog dan geheel niets,” was het antwoord.

»Zeker,” voegde Maston er bij, »maar dat is zelfs niet om er aan te denken.”

»Kom, kom,” liet Tom Hunter zich hooren, terwijl hij met zijn knipmes in de leuning van zijn armstoel zat te snipperen. »De zaak leidt er toe, en ons rest niets dan tabak te planten of walvischtraan te koken.”

»Wat zeg je daar?” riep Maston uit. »Omdat nu niet meer tegen de Zuidelijken te vechten valt, zouden wij tot ledigheid gedoemd zijn? Men heeft toch waarlijk niet zoo ver naar een reden van oorlog te zoeken. Hebben onze Vereenigde Staten niet aan Engeland toebehoord?”

»Zeker,” zei Tom Hunter, met zijn kruk op den grond stampende.

»Welnu,” liet Maston zich hooren, »waarom zou Engeland niet op zijn beurt eens het eigendom worden van onze Vereenigde Staten!”

»Dat ware niet meer dan rechtvaardig,” merkte kolonel Blomsberry aan.

»Stel het dan maar aan den President der Vereenigde Staten voor!” riep Maston uit, »en ge zult zien hoe hij u ontvangen zal.”

»Zeker slecht,” mompelde Bilsby tusschen de vier tanden die hij nog uit den oorlog had overgehouden.

»Dan behoeft hij bij de eerstvolgende verkiezing op mijn stem niet te rekenen!” schreeuwde Maston.

»Noch op de mijne,” voegden de overigen er bij.

»Hoe het zij,” sprak Maston weder, »als men mij geen gelegenheid geeft om mijn nieuw mortier op waardige wijze te beproeven, neem ik mijn ontslag als lid der Gun-Club en ga mij levend begraven in de Arkansas.”

»Dan volgen wij u!” riepen allen tegelijk uit.

Den anderen morgen ontvingen de leden het volgend briefje:

Baltimore, 3 October.

De voorzitter der Gun-Club heeft de eer u kennis te geven, dat in de vergadering van 5 dezer een mededeeling van hoog belang zal gedaan worden. Hij noodigt de leden dus dringend uit, die bijeenkomst met hunne tegenwoordigheid te willen vereeren.

De voorzitter voornoemd,
Impey Barbicane.

De voorzitter Barbicane. (Bladz. 5.)

De voorzitter Barbicane. (Bladz. 5.)

Tweede hoofdstuk.

De mededeeling.

Den 5den October ’s avonds 8 uur stroomde het naar de vergaderzaal der Gun-club, Union square, No. 21, te Baltimore. Al de daar ter stede woonachtige leden hadden gehoor gegeven aan de oproeping van hun voorzitter. Ook de elders gevestigden werden bij honderdtallen door de spoortreinen afgezet, en nog lang voor het uur van achten was er geen plaats meer te krijgen, zelfs voor geen goud.

Wij zullen de vergaderzaal niet beschrijven met haar banken, gaskroon en wat verder tot zulk een lokaal behoort; alleen dit, dat op een voor allen zichtbare plaats, onder glas, de overblijfselen lagen van een stuk geschut, uitgevonden door den dapperen Maston, maar vaneengesprongen door de werking van het kruit.

Aan het eene einde der zaal was de plaats van den voorzitter Barbicane. Daar stond een leuningstoel—maar wij laten den stoel den stoel, om iets van den man zelven te zeggen.

Impey Barbicane was een veertiger, bedaard, zelfs koud, streng; een heldere kop, zoo nauwkeurig als het beste uurwerk, onwrikbaar van karakter. Schoon juist niet ridderlijk van geest, was hij een stout ondernemer, maar het praktische stond bij hem op den voorgrond; van top tot teen was hij een man uit Nieuw-Engeland, volbloed Noordelijke, onverzoenlijk vijand van de Zuidelijken, een echte zoon der Rondhoofden, zoo verderfelijk voor de Stuarts. In één woord: Barbicane was een Yankee uit één stuk.

Goede, uitnemende zaken had hij gemaakt in den houthandel. Gedurende den oorlog bij de artillerie geplaatst, bleek hij vruchtbaar in uitvindingen. Door de stoutheid zijner denkbeelden bracht hij veel toe om dat wapen te verheffen; bij proefnemingen was hij onbetaalbaar.

Hij was iemand van middelbare lengte, en—wat in de Gun-club een zeldzaamheid wasongeschonden van lijf en leden. Zijn scherpgeteekende gelaatstrekken schenen met passer en liniaal getrokken te zijn; en indien het waar is, dat men, om iemand te kennen, hem op zijde moet zien, vertoonde Barbicane onbetwistbaar geestkracht, stoutmoedigheid en koelbloedigheid.

Vóór het openen der vergadering zat hij onbeweeglijk in zijn armstoel, in zichzelven gekeerd, gedekt met een hoogen, zwart zijden hoed, zooals die op Amerikaansche hoofden als vastgespijkerd zitten. Om hem heen was het gegons en getrappel; maar het ging hem niet aan—hij bleef onbeweeglijk.

Toen het acht uur sloeg, stond Barbicane op, zoo afgemeten alsof hij een automaat was. Hij gaf een teeken van stilte en sprak aldus:

»Vrienden! De vrede doemt de leden der Gun-club tot doffe werkeloosheid. Ik zeg het met luider stem: »welkom ware ons iedere oorlog, die ons de wapenen weer in de vuist gaf.”

»Ja! oorlog!” schreeuwde de hartstochtelijke Maston.

»Luistert! luistert!” klonk het aan alle zijden.

»Maar oorlog is niet te wachten,” ging de voorzitter voort; »derhalve moeten wij den steven elders heenwenden.”

Iedereen begreep, dat het er nu op aan zou komen. Diepe stilte.

»Sedert eenige maanden,” ging Barbicane voort, »heb ik mij afgevraagd, of wij, altijd blijvende op ons gemeenschappelijk grondgebied, niets zouden ondernemen, in overeenstemming met de hooge vlucht der negentiende eeuw, en hoe wij ons de ontwikkeling der geschutkennis konden ten nutte maken. Ik heb dus gezocht, gearbeid, berekend en ben tot de slotsom gekomen, dat wij moeten slagen in een onderneming onuitvoerlijk voor ieder ander land. Ik heb dat plan in het breede ontwikkeld en ga het u mededeelen; het is uwer waardig: het is de kroon op de geschiedenis der Gun-club; het zal de wereld in verbazing brengen!”

»In wat brengen?” vroeg een driftig artillerist.

»Niet in de rede vallen!” klonk het van verschillende zijden.

»Ik verzoek stilte!” vermaande de voorzitter.

Terwijl hij zich den hoed nog vaster op het hoofd drukte vervolgde Barbicane bedaard:

»Niemand is er onder u, geachte vrienden, of hij heeft de maan gezien, ten minste wel eens van haar hooren spreken. Het verwondere u niet, dat ik u ter dezer plaatse spreek over de verlichtster onzer nachten. Verstaat me, ondersteunt me met al uw macht. Misschien kunnen wij de Columbussen dezer onbekende wereld zijn. Ik zal u den weg naar die ontdekking wijzen, en de naam der maan zal staan naast de namen der zesendertig Staten van de Unie.”

»Leve de maan!” riep de Gun-club eenstemmig uit.

»Men heeft,” hervatte Barbicane, »veel werk van de maan gemaakt; haar stofhoeveelheid, haar specifieke zwaarte, haar dichtheid, haar natuurlijke gesteldheid, haar bewegingen, haar afstand, haar plaats in het zonnestelsel—dat alles is nauwkeurig bepaald; er bestaan maankaarten, die in juistheid voor de beste landkaarten niet behoeven te wijken; de photographie heeft prachtige afbeeldingen van de maan gegeven. In één woord, men weet van de maan al wat de wiskundige wetenschappen, de sterrenkunde, de geologie, de gezichtkunde er van kunnen leeren; maar tot dusver heeft men nog nooit een onmiddellijke gemeenschap met haar geopend.”

Algemeene stilte—gespannen aandacht.

»Vergunt mij, u in weinige woorden te herinneren hoe sommige levendige vernuften, op ingebeelde reizen, beweren te zijn doorgedrongen in de geheimen van den wachter der aarde. In de zeventiende eeuw beweerde zekere David Fabricius, met zijn eigen oogen de maanbewoners gezien te hebben. In het jaar 1649 gaf een Franschman, zekere Baudoin, een reis naar de maan in het licht, gedaan door Dominico Gonzales, Spaansch avonturier. Tezelfder tijd schreef zekere Fontenelle—de Franschen zijn zeer maanzuchtig—over de veelheid der werelden, een meesterstuk voor zijn tijd; maar de wetenschap schrijdt steeds voorwaarts en vernielt zelfs meesterstukken! Na het jaar 1833 verhaalde een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, dat sir John Herschel, toen hij naar de Kaap de Goede Hoop gezonden was tot het doen van sterrenkundige waarnemingen, door middel van een nieuw instrument de maan had aangehaald tot op een afstand van 80 yard1. Hij had dan ook nauwkeurig de stroomen waargenomen in welke de rivierpaarden wonen, en groene bergen gezien met goud omzoomd, schapen met ivoren horens, witte reeën, maanbewoners met vliesvleugels zooals die der vleermuizen. Dit stuk, gevloeid uit de pen van een Amerikaan, met name Locke, maakte grooten opgang. Maar weldra bleek, dat het een wetenschappelijk bedrog was, en de Franschen waren de eersten die er om lachten.

»Een Amerikaan uitlachen!” schreeuwde Maston; »als dat geen casus belli is....”

»Bedaar toch, waarde vriend. De Franschen waren, toen zij lachten, eerst prachtig in den strik van onzen landgenoot geraakt. Om dit korte overzicht te besluiten, er was een Duitscher, Krankhausen, die verklaarde omstreeks denzelfden tijd, dat hij zeer duidelijk op de maan een aanleg had waargenomen, die onmogelijk iets anders dan een stad kon zijn, en wel een Oude en een Nieuwe stad. Er is voor eenigen tijd een verhaal uitgegeven betreffende zekere reis, die iemand in een ballon zou gedaan hebben. Die ballon was zeven en zeventig maal lichter dan waterstofgas; hij bereikte de maan na een reis van negentien dagen.

»Maar zoo al die reizen vruchten der verbeelding waren, de laatste had tot schrijver iemand, wiens naam in Amerika zeer gevestigd is, Edgar Poë.”

»Leve Poë!” klonk het door de zaal.

»Hij gaf een teeken van stilte.” (Bladz. 7.)

»Hij gaf een teeken van stilte.” (Bladz. 7.)

»Ik beschouw al het geschrevene als spelen met de pen,” ging Barbicane voort, »maar het heeft ook niet ontbroken aan ernstig gemeende voorslagen om onmiddellijk met de maanbewoners te correspondeeren. ’t Is eenige jaren geleden, dat een Duitsch wiskundige voorstelde, een commissie uit geleerden bestaande, naar de steppen van Siberië te zenden. Daar moest men op groote schaal meetkundige figuren vervaardigen, verlicht door spiegels, b.v. van de stelling van Pythagoras, dat het vierkant op de hypothenuse van een rechthoekigen driehoek gelijk is aan de vierkanten op de beide rechthoekzijden samen. »Elk redelijk wezen,” meende de wiskundige, »moest de wetenschappelijke beteekenis van zoodanige figuur begrijpen. Indien er nu maanbewoners zijn, zullen zij met een soortgelijke figuur antwoorden, en als er nu eenmaal een aanknoopingspunt is, zal het niet moeilijk vallen, een alphabet te vinden, om zich door de maanbewoners te doen verstaan en wederkeerig door hen verstaan te worden.”

»Aldus sprak de Duitsche meetkundige, maar zijn ontwerp kwam niet tot uitvoering, en tot dusver bestaat er geen gemeenschap tusschen de aarde en de maan. Maar ziehier een veld voor de schranderheid der Amerikanen. Het middel om ons met een hemellichaam in betrekking te stellen is eenvoudig, gemakkelijk, zeker, onfeilbaar, ’t Is het onderwerp van mijn verhandeling.”

Ontelbare bravo’s en ontelbare uitroepingen: »stilte! luistert!” klonken door de zaal.

Barbicane vervolgde op nog ernstiger toon: »Gij weet welke vorderingen de kennis van het werpgeschut in den laatsten oorlog gemaakt heeft. Het is u niet onbekend dat de kracht der stukken en die van het kruit onbegrensd zijn. Welnu! Ik heb mij de vraag voorgelegd of er geen stuk te maken zou zijn van voldoend weerstandbiedend vermogen en voorzien van een genoegzaam sterke lading, om een projectiel naar de maan te schieten.”

Een kreet van verbazing ging op—een oogenblik van stilte volgde, evenals de kalmte die een onweder voorafgaat. Maar het onweder brak los, een donderbui van toejuichingen, die de zaal deden dreunen. De voorzitter wilde spreken; hij kon niet. Eerst na eenige minuten mocht hij doodbedaard aldus eindigen:

»Laat mij besluiten. Ik heb het vraagstuk van alle zijden bezien en mijn berekeningen hebben mij tot de onwrikbare overtuiging gebracht dat een projectiel met een aanvangssnelheid van 12,000 yards in de seconde, naar de maan gericht, haar onfeilbaar bereiken moet. Ik heb dus de eer u, mijn zeer geachte vrienden, het voorstel te doen om deze proef te nemen.”


1 73 Meter.

Derde hoofdstuk.

Het lot van het voorstel.

Onmogelijk is het, de uitwerking der laatste woorden van den geachten voorzitter te beschrijven. De eene kreet van toejuiching verdrong de andere, hoe langer zoo luider, hoe langer zoo onstuimiger. Aller monden schreeuwden, aller handen klapten, aller voeten stampten. Geen wonder: het waren allen oud-gedienden, en dezen kunnen evenveel leven maken als hun kanonnen.

Barbicane bleef kalm. Hij scheen nog iets te willen zeggen, maar kon niet aan het woord komen, en niet lang duurde het of hij werd in zegepraal op de schouders zijner vrienden door een dicht gedrang langs de straten gedragen.

Een Amerikaan verbaast zich over niets. Men heeft elkander dikwijls nagezegd: het woord »onmogelijk” staat in geen Fransch woordenboek—men vergiste zich in den naam van dat woordenboek. In Amerika is alles gemakkelijk, gaat alles van zelf, en werktuigkundige bezwaren—zij zijn dood eer zij geboren zijn. Tusschen Barbicane’s plan en de verwezenlijking zou een echte Yankee zelfs geen schijntje van bezwaar hebben durven vermoeden. ’t Was er meê: zoo gezegd, zoo gedaan.

De zegetocht door de straat, onder het gejoel van Ieren, Duitschers, Franschen, Schotten—in éen woord van de bonte bevolking die Maryland heeft, werd voortgezet bij het licht van honderden fakkels, maar boven deze vertoonde zich de maan. En naar dit hemellichaam richtte zich menige blik; sommigen wierpen haar kushandjes toe, anderen gaven haar zoete woordjes, dezen beproefden op haar hun gezichtsvermogen, genen bedreigden haar met den vinger; binnen weinige uren was een instrumentenwinkel in Jone-Fall-straat ledig verkocht. De nachtvorstin werd met het gewapend oog beloerd, als ware zij een schoone dame uit den hoogen stand. De Amerikanen deden alsof Diana reeds een deel uitmaakte van de Vereenigde Staten. En toch gold het alleen de vraag om haar een projectiel toe te zenden—een zeer grove wijze van kennismaking, zelfs met een wachter; maar dat is zoo het gebruik bij beschaafde natiën.

’t Werd middernacht, maar het rumoer bedaarde niet; integendeel de geestdrift greep een groot gedeelte der bevolking van Baltimore aan; het gerucht liep als een vuurtje door de stad, en nu: het gold een nationale zaak! Dat ontvonkte allen die er van hoorden; jenever, brandewijn en bier deden het hunne om de lieden nog wat meer op te winden, en het duurde tot twee uur in den nacht eer aan het leven eenigermate een einde kwam. Toen had ook de voorzitter Barbicane eindelijk zijn woning bereikt, geknepen, gesold, geplukt. En zijn toehoorders en bewonderaars zochten ook hunne legersteden op, of verspreidden zich langs de vier spoorlijnen—den Ohio-, den Susquehanna-, den Philadelphia- en den Washington-spoorweg—door de Staten der Unie.

Meent echter niet, dat Baltimore de eenige stad was die overeind stond over het plan Barbicane. Reeds gedurende de zitting hadden de 30.000 correspondeerende leden der Gun-club, voor zoover zij niet aan de oproeping van hunnen voorzitter gehoor konden geven, zich onmiddellijk door de telegraaf doen seinen wat er aan de hand was. En zoo was het merkwaardig voorstel de treinen reeds vooruitgesneld met een snelheid van 248,447 mijlen in de seconde. Men kan dus met volle zekerheid zeggen, dat over het geheele grondgebied der Vereenigde Staten, tienmaal grooter dan Frankrijk, éen zelfde kreet op hetzelfde oogenblik werd aangeheven en dat 25 millioen harten tegelijk hoog klopten van nationale fierheid.

Den volgenden dag namen dag-, week- en maandbladen de zaak onder handen. Zij bekeken haar van verschillende zijden, van de natuurkundige, de sterrenkundige, de weerkundige, de staatkundige, de staathuishoudkundige en van nog al meer kanten. Men vroeg of de maan een afgewerkte wereld was; of zij geen veranderingen meer onderging; of zij naar de aarde geleek toen deze nog geen dampkring had; hoe het gesteld was op de helft die steeds van de aarde is afgekeerd. Het afzenden van een projectiel naar de kuische nachtvorstin was nog het minste; maar ieder zag daarin het aanvangspunt van groote dingen, ieder hoopte, dat Amerika de laatste vragen aangaande die geheimzinnige maanschijf zou oplossen, ja sommigen waren niet buiten vrees, dat als de Unie de maan annexeerde, het evenwicht der Staten in Europa wel eens in ongelegenheden kon komen.

Aan de verwezenlijking van het plan twijfelde de periodieke pers in geenen deele; onderscheiden vlugschriften deden er de voordeelen van uitkomen; de meeste wetenschappelijke genootschappen zonden aan de Gun-club niet alleen brieven van gelukwensching, maar ook aanbiedingen van hulp en geld.

Impey Barbicane werd dus van dien dag af een der roemruchtigste burgers van de Vereenigde Staten, de Washington der wetenschap.

De zegetocht.... werd voortgezet. Bladz. 11.

De zegetocht.... werd voortgezet. Bladz. 11.

Eenige dagen na de bewuste zitting der Gun-club kondigde een Engelsche troep tooneelspelers de vertooning aan van Shakespeare’s Much ado about nothing1. Maar de bevolking van Baltimore zag in dien titel een zoo beleedigende zinspeling op de plannen van Barbicane, dat zij de tent onder den voet haalde en den armen directeur dwong een ander stuk aan te kondigen. Deze, een schrandere kop, voegde zich naar den zin van het publiek en liet As you like it2, mede van Shakespeare, aanplakken, waarmeê hij eenige weken lang uitnemende zaken maakte.


1 Veel geschreeuw en weinig wol.

2 Zooals gij wilt.

Vierde hoofdstuk.

De sterrenwacht te Cambridge.

Barbicane liet zich door den wierook die hem werd toegezwaaid, niet afleiden van spijkers met koppen te slaan. De Gun-club besloot de sterrenkunde te raadplegen; als deze wetenschap haar gevoelen had geuit, zou men zijn aandacht aan het werktuigkundige gedeelte der zaak wijden. Niets werd verzuimd om de verwezenlijking van het grootsche plan tot stand te brengen.

Men wendde zich dus tot de sterrenwacht te Cambridge in den staat Massachusetts, een beroemde zetel der wetenschap, waar zich de prachtige kijker bevindt, waarmee Bond de nevelvlek in Andromeda verklaarde en Clarke den wachter van Sirius ontdekte.

Het volgend antwoord werd den voorzitter Barbicane ter hand gesteld.

De directeur der Sterrenwacht te Cambridge aan den voorzitter der Gun-club te Baltimore.

In antwoord op uwen geëerde van 6 dezer heeft het bestuur der sterrenwacht de eer te berichten:

1º. Op de vraag: is het mogelijk een projectiel naar de maan te schieten?—Ja, indien men er een snelheid van 12,000 yard in de eerste seconde aan geven kan. De berekening toont, dat deze snelheid toereikend is. Naarmate men zich van den aardbol verwijdert, neemt de werking der zwaartekracht af in omgekeerde rede tot het vierkant van den afstand: dat is te zeggen: op driemaal grooter afstand werkt de zwaartekracht negenmaal minder. Bijgevolg zal het gewicht van het projectiel met snelheid afnemen; het zal geheel nul worden wanneer het punt bereikt is waar de aantrekkingskracht der maan volmaakt gelijk is aan die der aarde, te weten 47/52 van den geheelen maanafstand. Op dat oogenblik zal het projectiel in ’t geheel niet meer naar de aarde worden getrokken, maar op de maan vallen ten gevolge van haar aantrekkingskracht. Theoretisch is dus de mogelijkheid der zaak volkomen bewezen: wat het welslagen betreft, dit hangt geheel af van de kracht der uitwerping.

2º. Op de vraag: hoe groot is de juiste afstand van de maan tot de aarde?—De maan beschrijft om de aarde geen cirkel, maar een elliptische baan, in een van welker brandpunten de aarde staat; vandaar dat de afstand nu grooter, dan kleiner is; het grootst—sterrenkundig gesproken—in haar apogeüm, het kleinst in haar perigeüm. Het verschil is zoo groot, dat men het niet mag verwaarloozen. In haar apogeüm is de maan 398.560 kilometer, in haar perigeüm 352,040 kilom. van de aarde verwijderd, hetwelk een verschil maakt van 46.520 kilom., meer dan 1/9 van het geheel. De perigeüm-afstand moet dus ten grondslag der berekening gelegd worden.

3º. Hoe lang zal de reis van het projectiel duren bij een toereikende aanvankelijke snelheid, en waarheen moet men het dus richten, ten einde de maan op een bepaald punt te bereiken?—Indien het projectiel de aanvankelijke snelheid van 12,000 yard in de seconde bleef behouden, zou het slechts nagenoeg negen uren onderweg zijn; maar daar deze snelheid aanhoudend afneemt, zal het projectiel volgens de berekening 300,000 seconden, zegge 83 uren en 5 minuten noodig hebben om het punt te bereiken waar de aantrekkingskracht der maan en die der aarde in evenwicht is; van dit punt zal het op de maan vallen in 50.000 seconden of 13 uur 53 min. 20 sec. Derhalve in ’t geheel 96 u. 58 min. 20 sec.

4º. Op welk oogenblik zal de maan zich in den gunstigen stand bevinden om door het projectiel bereikt te worden?—Uit het bovenstaande blijkt, dat men het maan-perigeüm kiezen moet, en tevens het oogenblik waarop de maan in het zenith (toppunt, schedelpunt) staat, dat den stand met het bedrag der lengte van den straal der aarde vermindert, namelijk ruim 19,820 kilom. Maar ofschoon de maan in iederen omloop door haar perigeüm gaat bevindt zij zich op dat oogenblik niet altijd in het zenith. Het samenvallen der beide omstandigheden moet dus worden afgewacht. Gelukkigerwijs nu is dit den 4den December van het volgende jaar het geval; de maan bevindt zich dan te middernacht in haar perigeüm, d. i. op haren kortsten afstand van de aarde, en zij staat op hetzelfde oogenblik in het toppunt.

5º. Op welk punt van den hemel moet men het stuk richten?—Volgens het voorafgaande moet het stuk juist loodrecht opwaarts gericht worden: bij deze richting is het projectiel het spoedigst aan de aantrekkingskracht der aarde onttrokken. Maar zal de maan door het toppunt eener plaats gaan, dan moet die plaats geen hooger breedte hebben dan de declinatie der maan, m. a. w. tusschen 0° en 28° Noorder- of Zuiderbreedte. Op ieder ander punt moet de richting noodwendig schuins zijn, hetgeen nadeelig zou wezen voor het slagen der proef.

6º. Op welk punt zal de maan aan den hemel staan op het oogenblik, dat het projectiel wordt afgeschoten?—Daar de maan dagelijks 13°10′35″ boogs in haar baan voortrukt, moet zij het vierdubbele daarvan van het toppunt verwijderd zijn, t.w. 52°52′5″, overeenkomende met den tijd dien zij besteedt om voort te rukken van het punt, waar zij zich bevindt op het oogenblik van afschieten, tot dat, waarop het projectiel haar bereikt. Maar men moet ook in rekening brengen den invloed van de aswenteling der aarde op de richting van het projectiel; en daar het projectiel eerst de maan bereikt na het afleggen van 60 stralen der aarde, moet men deze 11° voegen bij den reeds vermelden weg der maan, 64° in een rond getal. Derhalve moet de richting van het stuk op het oogenblik van afschieten een hoek van 64° met de loodlijn hebben.

Ziehier de opgegeven vragen beantwoord.

Resumeere:

1º. Het stuk moet geplaatst worden op een punt, minder dan 28° N. of Z. Breedte hebbende.

2º. Het moet gericht worden naar het toppunt der plaats.

3º. Het projectiel moet een snelheid hebben van 12.000 yard in de eerste seconde.

4º. Het moet worden afgeschoten den 1sten December des volgenden jaars, en wel te 11 u. 46 min. 40 sec.

5º. Het projectiel zal de maan bereiken vier dagen na het afschieten, den 4den December te middernacht, als wanneer de maan in het toppunt staat.

De leden der Gun-club moeten derhalve onverwijld de voorbereidende maatregelen nemen, teneinde op het opgegeven oogenblik gereed te zijn. Indien zij dit tijdstip laten voorbijgaan, zal de maan eerst na 18 jaren en 21 dagen op hetzelfde punt terugkeeren.

Het bestuur der Sterrenwacht voornoemd stelt zich gaarne ter uwer beschikking voor de vraagstukken, de theoretische sterrenkunde betreffende en voegt zijn gelukwenschen bij die van geheel Amerika.

den 7den October.

Namens het bestuur,
J. M. Belfast,
Directeur der Sterrenwacht.

Vijfde hoofdstuk.

De maan.

Als door een tooverslag werd zij te Baltimore de heldin van den dag. Naar haar richtten zich aller oogen, gewapend en ongewapend; over haar spraken aller monden, bevoegd en onbevoegd. ’t Was alsof de maan pas was ontstaan en nooit te voren geschenen had; maar ’t was ook alsof handel en nijverheid plotseling hadden moeten wijken voor de sterrenkunde.

De sterrenwacht te Cambridge. (Bladz. 14.)

De sterrenwacht te Cambridge. (Bladz. 14.)

Geen wonder! De dagbladen hadden het rapport der beroemde sterrenwacht te Cambridge getrouwelijk opgenomen. De dagbladen namen bovendien de moeite om het publiek in te lichten aangaande allerlei bijzonderheden, betrekking hebbende op de maan en haren loop.

»Alles wel,” sprak een heer met eerbiedwekkenden lichaamsomvang, »maar ’t wil er bij mij niet in, dat men zou weten hoe ver de maan van ons vandaan is; men moet dat met stokken of een lijn meten, en zoolang men met geen projectiel op de maan is aangekomen, weet geen sterveling hoe lang de lijn van hier naar de maan zou moeten zijn, een lijn of een koord, om ’t even.

»En toch weet men dat nog zekerder dan hoe ver Baltimore van Washington ligt,” zei een klein mager manneke met een halfversleten rok en driekwart dito pantalon. »Men weet dat door de parallaxis.”

»Wat is dat voor een ding?” vroegen onderscheidene stemmen. Het manneke bedacht zich een oogenblik en sloop behendig de zaal uit. ’t Was iemand die partij wist te trekken van zijn kundigheden en het voor dwaas hield om weg te smijten wat men goed verkoopen kon. Hij had zoowat gebeunhaasd in de scheikunde, in de gymnastiek, in boekhouden, in vertalen, in wat niet al.

Den anderen morgen las men in de voornaamste dagbladen en op bijna alle aanplakplaatsen door de geheele stad met kolossale letters, dat de heer James, professor in de sterrenkunde—waar, stond er niet bij—eenige voorlezingen zou houden over de maan, de eerste over haar parallaxis. Dat woord werkte als een electrieke schok, de kosten waren matig, en het manneke sloeg zich een nieuw pak uit de maan-parallaxis.

»Parallaxis,” onderwees hij, »is de hoek, onder welken men een voorwerp ziet als men het van twee punten beschouwt. Knijpt uw éen oog, het rechter eens dicht en kijk door het linker naar het een of ander punt, ieder naar zijn welgevallen.”

»Ik heb geen linker oog,” zei een lid der Gun-club.

»Stilte, stilte!” werd geroepen.

»Onthoudt uw punt wèl,” ging de redenaar voort, »en sluit nu het linker, en ziet met het rechter of het punt waar gij den blik op richttet, niet een weinig meer links staat van een ander voorwerp er achter.”

De spreker moest de zaak nog eens herhalen, maar verwierf toejuiching—de aandacht was er. En nu ging hij verder en betoogde, dat men door hoekmetingen den versten afstand der maan tot de aarde bepalen kan op 54,644 geographische mijlen, den kleinsten op 48,961, den gemiddelden op 51,803, alles met een zeer kleine onzekerheid.

In een volgende bijeenkomst gaf hij een andere opheldering. Hij had vernomen, dat iemand, in een dagblad gelezen hebbende dat de maan een omwenteling om haar as volbrengt in denzelfden tijd als een omloop om de aarde, en dat zij altijd dezelfde zijde naar de aarde toekeert, verklaard had dit onmogelijk te kunnen vereenigen, omdat, als de maan altijd dezelfde zijde naar de aarde toekeert, zij zijns bedunkens in ’t geheel geen omwenteling om haar as had. »Vergunt mij,” sprak hij, »u te verzoeken, dat gij u verbeeldt aan een ronde tafel te staan; op het midden der tafel staat een schotel oesters. Gij gaat om de tafel heen, indiervoege, dat gij altijd het gelaat naar de oesters gewend hebt. Als gij nu om de geheele tafel zijt gegaan, altijd naar de oesters gekeerd, dan hebt gij immers bij dat maken van een toer om de tafel uw gelaat naar alle zijden van de kamer gewend?”

»Goed, goed! ja, ja!” klonk het van alle zijden.

»Welnu, de schotel oesters is de aarde, uw gelaat de maan.”

En zoo duidelijk wist het manneke het eene voor, het andere na uit te leggen. Dit maakte, dat zijn lezingen nog al lang bijval vonden: over de voorstellingen, die de ouden zich van de maan maakten, over de latere—te beginnen met de Egyptenaars, die haar onder den naam Isis, en de Phoeniciërs die haar als Astarte vereerden, en zoo voortgaande tot Thales, die de stelling opperde, dat de maan door de zee verlicht werd; tot Hevelius, die er bergen op waarnam; tot Gruithuizen, die er vestingwerken op zag; tot Beer en Mädler, die allernauwkeurigste maankaarten gaven en de hoogte der hoogste maanbergen op veel meer dan die van de hoogste bergen der aarden bepaalden. »Betrekkelijk zijn dus,” voegde hij er bij, »de maanbergen veel hooger dan de onze, want de maan is vijftigmaal kleiner dan de aarde, en nu moet gij u voorstellen twee pasteien, even groot maar de eene moet dienen voor acht volwassen uitgehongerde personen en de andere voor een weldoorvoeden kleinen jongen. Nu is immers de laatste pastei niet op haarzelve, maar betrekkelijk grooter dan de eerste.”

Loopbaan der maan om de aarde. (Bladz. 19).

Loopbaan der maan om de aarde. (Bladz. 19).

Door zulke uitleggingen werd de sterrenkundige wetenschap aangaande de maan te Baltimore zeer bevorderd, terwijl de dagbladen door allerlei kwinkslagen de aandacht op den wachter onzer aarde gevestigd hielden. En wel zoo gevestigd hielden, dat de maan astronomisch, geologisch, politisch, moralisch, socialistisch en nog meer-istisch bekeken was, terwijl de Gun-club zich voorbereidde om de proef op al die sommen te leveren. ’t Is niet noodig te zeggen, dat onder al die geleerdheid ook de Amerikanen—want de maandrift sloeg ook buiten Baltimore over—het voor betamelijk hielden ook kennis te dragen van het wezen en de oorzaak der zon- en maan-eclipsen. Aan vermetelen, die durfden beweren dat de maan oorspronkelijk een komeet was geweest, werd het zwijgen opgelegd door de doodeenvoudige, maar alles afdoende opmerking dat de kometen bijna geheel uit dampkring bestaan, terwijl de maan volstrekt geen dampkring heeft. Ook het geloof aan den invloed der maan op het weder moest hier en daar een veer laten; zoo ook de vaste overtuiging, dat jongens moesten geboren worden bij wassende, meisjes bij afnemende maan.

De maan. Bladz. 19.

De maan. Bladz. 19.

Zesde hoofdstuk.

Het projectiel.

De Sterrenwacht te Cambridge had in haar merkwaardig schrijven van 7 October de zaak van haar sterrenkundige zijde behandeld. De technische zou in ieder ander land op onoverkomelijke bezwaren gestuit zijn: in Amerika was het slechts kinderspel.

Barbicane had als voorzitter der club onverwijld een commissie benoemd, die in drie zittingen het stuk, het projectiel en het kruit in overweging moest nemen. Drie leden, grondige kenners van het vak, maakten met den voorzitter de commissie uit: generaal Morgan, kolonel Elphiston en Maston. De laatste zou de functiën van secretaris en rapporteur op zich nemen; aan den voorzitter werd zoo noodig een beslissende stem toegekend.

Reeds den 8sten October vergaderde de commissie ten huize van Barbicane, Republican-street 3. Na den inwendigen mensch behoorlijk te hebben versterkt, opende de voorzitter de beraadslaging met een lofrede op de wetenschap der ballistiek, dat wil zeggen: der beweging van voorwerpen, die uit eenig voorwerp, met behulp der kracht van zekere voorwerpen, in de vrije lucht worden afgeschoten.

»De ballistiek! De ballistiek!” riep Maston uit.

»’t Ware, dunkt mij, het best, de eerste zitting aan de lading te wijden,” meende de voorzitter.

»De lading,” zei generaal Morgan.

»Ik vraag het woord!” riep Maston.

»Het woord is aan u.”

Maston maakte daarvan gebruik door op te merken, dat men het projectiel moest beschouwen als een gezant, door de aarde naar de maan gezonden, en dat de gezant zelf de voorkeur wel diende te hebben boven het vervoermiddel dat den ambassadeur naar zijn ambassade overbracht.

Deze opmerking gaf den doorslag: het projectiel werd aan de orde gesteld.

Maston zou kort wezen—hij zeide het zelf—en de gewone, stoffelijke, moorddadige projectielen op hun plaats laten, om de beteekenis van het projectiel in hare hoogste vormen op te vatten: het projectiel was voor hem de meest sprekende uitdrukking van ’s menschen macht; het was van een alomvattende beteekenis. »De Schepper,” meende hij, »heeft de sterren en planeten voortgebracht, de mensch het projectiel, dien vertegenwoordiger van het krachtsbegrip, vertegenwoordigende de verschijnselen aan den sterrenhemel. Van den Schepper de snelheid der electriciteit, de snelheid van het licht, de snelheid der sterren, de snelheid der kometen, de snelheid der planeten, de snelheid harer wachters, de snelheid van het geluid, de snelheid van den wind! Maar van ons de snelheid der projectielen!”

Maston werd opgewonden. Maston werd dichterlijk, Maston werd welsprekend. »Wilt gij cijfers?” riep hij uit. »Neemt een eenvoudigen vierentwintig ponder; hij heeft, ja, 800.000 maal minder snelheid dan de electriciteit, 640.000 maal minder dan het licht, 76 maal minder dan de aarde in hare beweging om de zon; maar zijn aanvankelijke snelheid overtreft toch die van het geluid; hij legt 400 meter in de seconde af en zou, zijn eerste snelheid behoudende, in 11 etmalen de maan, in 12 jaren de zon bereiken. Dat kan een eenvoudige kogel, het werk onzer handen! Leve het projectiel!”

»Leve het projectiel!” juichten de overigen hem na.

»Nu ter zake,” verzocht de voorzitter. »’t Is de vraag, hoe aan een projectiel een snelheid van 12,000 yard in de seconde te geven. Zullen wij die hopen te bereiken, dan moeten wij eerst weten hoe ver men het reeds gebracht heeft. Generaal Morgan zal ons daaromtrent wel willen voorlichten.”

»Gemakkelijk,” antwoordde de generaal, »want ik ben in den oorlog lid geweest der commissie van onderzoek. Ik kan u dus zeggen, dat het kanon Dahlgreen, dat 5000 meter ver droeg, aan het projectiel een snelheid gaf van 500 yard in de seconde. Het Rodman-stuk, dat op het fort Hamilton bij New-York beproefd werd, schoot een projectiel van een halve ton gewicht met een snelheid van 800 yard in de seconde af—een snelheid, nooit door de Armstrongs en Pallisers in Engeland bereikt. Gij weet wel, het stuk kreeg den naam Columbiad....”

»En is dat niet de grootste snelheid tot hiertoe bereikt?” vroeg Barbicane. De generaal sprak het niet tegen.

»Was mijn stuk maar niet gesprongen!” klaagde Maston, »dan zoudt ge wat anders gezien hebben.”

»Nu ja,” merkte de voorzitter aan; »het is gesprongen. Wij hebben dus een snelheid van 800 yard per seconde, die moet dus vertwintigvoudigd worden. Hoe—daarover zullen wij in een volgende zitting handelen. Ik stel nu de vraag aan de orde, welke afmetingen het projectiel moet hebben. Zeer groot moet het zijn; vooreerst om de aandacht der maanbewoners—indien zij er zijn—te trekken; en ten tweede, vooral om het met het oog te kunnen volgen. Gij weet, dat de kijkers een zeer hoogen graad van volkomenheid bereikt hebben. Er bestaan kijkers met een 6000-malige vergrooting, sterk genoeg om de maan te doen schijnen als op een afstand van 160 kilometer. Op dien afstand moeten voorwerpen van 60 voet afmeting duidelijk zichtbaar zijn. Dat men het met de kijkers nog niet verder heeft gebracht, vindt daarin zijn reden, dat met de verhooging van de vergrootingskracht de helderheid vermindert: de maan, die geen eigen licht heeft, maar als een spiegel het zonlicht terugkaatst, bezit te weinig lichtsterkte om meer vergrooting toe te laten.”

»En hoe nu?” vroeg de generaal. »Zult gij aan uw projectiel, een doorsnede van 60 voet geven?”

»Neen.”

»Dan de lichtsterkte der maan verhoogen?”

»Juist.”

»’t Is sterk,” riep Maston uit.

»’t Is eenvoudig,” antwoordde Barbicane. »Indien ik de lucht verdun, de lucht namelijk door welke het licht der maan heendringt, heb ik immers de lichtsterkte verhoogd? Welnu, ik heb slechts mijn kijker op een hoogen berg op te stellen. Dat doen wij. Dat zal een vergrooting van de lichtsterkte geven tot het 48000voudige, zoodat de maan een afstand van slechts 20 kilometer schijnt te hebben en de voorwerpen slechts 9 voet doorsnede groot behoeven te zijn om zichtbaar te wezen.”

»Dus—ons projectiel een doorsnede van 9 voet!” riep Maston uit.

»Juist.”

»Maar het gewicht?” merkte majoor Elphiston aan.

»O, wat dat betreft,” antwoordde de voorzitter, »dat is geen bezwaar. Om projectielen van onbegrijpelijke zwaarte te schieten heeft men het reeds in vroeger dagen ver gebracht. Bij de belegering van Constantinopel door Murad II, in 1453, schoot men steenen kogels van bijna 1000 kilo.”

»Het is sterk, zeer sterk,” zei de majoor.

»Op Maltha stond in den tijd der Maltheser ridders een stuk geschut, dat projectielen van 1250 kilo afschoot.”

»Dat is niet mogelijk.”

Barbicane gaf op deze laatste aanmerking geen acht. Althans hij vervolgde: »alles samengenomen schijnt het, dat, indien al de stukken aan draagverte gewonnen hebben, de projectielen aan zwaarte hebben verloren. In het kort, wij hebben eenvoudig het gewicht der projectielen uit de tijden van Murad II en de Maltheser ridders te vertienvoudigen.”

»Goed en wel,” hernam de majoor, »maar van welk metaal wilt gij het projectiel maken?”

»Eenvoudig van gegoten ijzer,” antwoordde generaal Morgan leuk weg.

»opende de voorzitter de beraadslaging” (Bladz. 22).

»opende de voorzitter de beraadslaging” (Bladz. 22).

»“Dat’s te gemeen voor een gezantschap naar de maan,” vond Maston.

»In allen gevalle,” liet majoor Elphiston zich hooren, »daar het gewicht van het projectiel evenredig is aan zijn grootte, moet een van 9 voet doorsnede nog verbazend zwaar zijn.”

»Ja, als het massief, niet als het hol is,” zei Barbicane.

»Hoe? Wilt ge er dan een bom van maken?”

»Waarmeê men berichten kan verzenden,” vulde Maston aan, »en monsters van onze aardsche voortbrengselen.”

»Zeker een bom,” sprak Barbicane, »dat moet volstrekt. Een massieve kogel van 108 duim zou meer dan 100,000 kilo wegen, en dat is te veel; maar daar het projectiel toch sterk genoeg moet zijn, stel ik voor, 2500 kilo.”

»En hoe dik zijn dan de wanden?” vroeg de majoor.

»Dat zal volgens de gewone regeling op hoogstens een paar voet komen,” meende Morgan.

»Te veel,” hernam Barbicane; »onthoudt het wel: het is geen stuk om ergens door heen te schieten; het behoeft niet sterker te zijn dan noodig is om weerstand te bieden aan de kracht van het kruit. Het vraagstuk komt dus hierop neer: hoe dik moet een gegoten ijzeren bom zijn om niet meer te wegen dan 10,000 kilo? Onze handige rekenaar Maston zal ons dat wel in deze zitting zelve willen zeggen.”

»Niets gemakkelijker dan dat,” sprak de secretaris der commissie. En hij zette vlug eenige algebraïsche formules op het papier en na een wijle cijferens liet hij zich hooren: »Nauwelijks een paar duim.”

»Is dat genoeg?” vroeg de majoor.

»Waarachtig niet, op geen stukken na,” verzekerde de voorzitter.

»Wat dan?”

»Een ander metaal nemen.”

»Welk?”

»Aluminium.”

»Aluminium!” schreeuwden de drie medeleden uit.

»Aluminium,” herhaalde de voorzitter Barbicane. »Gij weet, dat een vermaard Fransch scheikundige, Henri Sainte-Claire Deville, in 1854 geslaagd is, aluminium tot een vaste massa te brengen. Dit metaal is zoo blank als zilver, zoo vast als ijzer, zoo taai als goud, zoo smeltbaar als koper en zoo licht als glas. Het laat zich gemakkelijk bewerken; het is zeer verspreid in de natuur, daar de meeste rotsen aluminium bevatten; het is driemaal lichter dan ijzer—ja, het schijnt opzettelijk geschapen om ons de stof voor ons projectiel te leveren.”

»Leve het aluminium!” riep de secretaris uit.

»Maar komt het niet te hoog in prijs?” vroeg de majoor.

»Nu niet meer; vroeger was het veel duurder. Men heeft het tegenwoordig voor 18 dollar het kilo.”

»’t Is toch nog een handvol geld.”

»Zóo erg niet. Het projectiel zou naar mijn berekeningen een gewicht hebben van 33,720 kilo; van aluminium nog geen 10,000 kilo. Derhalve tegen 9 dollar nog geen 100,000 dollar. En aan geld zal het ons niet ontbreken.”

»Top, aluminium,” was het eindbesluit en de zitting der commissie werd gesloten.