De vergadering werd heropend met een motie van orde. Een der aanwezigen verzocht, dat men nu eens van de theoretische beschouwingen tot de practische zaken zou komen.
Aller blikken richtten zich naar den man die deze woorden uitte, en toen er niet spoedig genoeg naar zijn zin antwoord kwam, nogmaals zijn stem verhief: »Wij zijn hier om te spreken over de Maan, niet over de Aarde.”
»Gij hebt gelijk, mijnheer,” antwoordde Michel Ardan, »wij zijn van ons onderwerp afgeraakt en zullen tot de maan terugkeeren.”
»Mijnheer,” sprak de onbekende, »gij beweert, dat de Maan bewoond is. Maar dan moeten die luidjes leven zonder ademhalen, want er is geen aasje lucht op de Maan.”
»Wie zegt dat, asjeblieft?” vroeg Michel Ardan.
»Deskundigen!”
»Deskundigen!” sprak Michel Ardan met een ongeloovig lachje. »Deskundigen! In Frankrijk is een »deskundige,” die wiskundig heeft bewezen dat een vogel niet vliegen kan, en een ander »deskundige,” dat de visschen niet bestemd zijn om in water te leven.”
»Daarover handelen wij nu niet, mijnheer!”
»Gij hebt het zeer gemunt, mijnheer, op een armen weetniet, die niets liever verlangt dan onderricht te worden.”
»Waarom roert gij dan wetenschappelijke vraagstukken aan, als gij er geen kennis van hebt?” vroeg de onbekende vrij brutaal.
»Waarom? Omdat ik mij juist door mijn zwakheid sterk gevoel.”
»Uw zwakheid wordt dwaasheid,” merkte de onbekende zeer onbeleefd aan.
»Zooveel te beter!” riep de Franschman uit, »met mijn dwaasheid ga ik naar de maan.”
Barbicane en zijn medeleden sloegen blikken van afkeuring en misnoegen, maar ook van heimelijken angst op den onbekende, die het schip der discussie naar de klippen van de gevaren en onmogelijkheden der onderneming scheen heen te sturen.
»De Maan,” ging de vreemde voort, »heeft geen dampkring, en als zij er ooit een gehad heeft, moet die reeds sedert lang door de Aarde aan haar zijn onttrokken. Maar ik zal u liever feiten voorleggen.”
»Leg mij zooveel voor als gij wilt,” zei Michel Ardan met een zeer Fransch-hoffelijke buiging.
»Gij weet, dat wanneer de lichtstralen een middenstof, zooals de lucht doorloopen, zij van de rechte lijn afwijken, dat zij een zoogenaamde buiging of breking ondergaan. Welnu! Wanneer een ster door de Maan bedekt wordt, heeft men, als zij nabij de Maan gekomen was, nog nooit gezien, dat haar stralen eenige flectie ondergingen. De Maan vertoont dus geen spoor van dampkring.”
»Dat zegt weinig, want de maanrand is niet volkomen scherp begrensd. Maar zeg mij liever, of gij al dan niet gelooft aan vulkanen op de Maan.”
»Uitgedoofde wel, werkzame niet.”
»Die vulkanen moeten dan toch eens in werking zijn geweest.”
»Zeker, maar daar zij-zelven de ter verbranding noodige zuurstof konden leveren, bewijst het feit hunner uitbarsting niets voor het bestaan van een dampkring.”
»Ik zal u feiten leveren,” sprak Michel Arden bedaard. »In 1715 hebben de weerkundigen Louville en Halley, den 3den Mei van dat jaar een eclips waarnemende, eenige vuurschitteringen van zonderlingen vorm gezien. Zij bewogen zich snel en werden door de genoemde waarnemers voor onweders gehouden.”
»Die waarneming betreft niets dan vuurbollen, zooals wij ze op de aarde ook wel eens zien. Zoo hebben andere geleerden er over geoordeeld en ik doe het ook.”
»En heeft,” vroeg Michel Ardan met onverstoorbaarbare kalmte »Herschel dan in 1787 geen menigte lichtpunten op de donkere zijde der Maan gezien?”
»Zeker, maar Herschel heeft niet getracht dat verschijnsel te verklaren en er althans geen bewijs voor het bestaan van een dampkring der Maan uit afgeleid.”
»Goed geantwoord,” sprak Michel Ardan niet zonder bijtende scherts, »gij schijnt ver in de maankennis.”
»Ver genoeg om te weten, dat Beer en Mädler, sterrenkundigen die zeer hun werk van de Maan hebben gemaakt daaromtrent ook bepaald van hetzelfde gevoelen zijn.”
Michel Ardan was niet uit het veld geslagen. »Laussedat, een bekwaam sterrenkundige, heeft in de eclips van 18 Juli 1860 de horens der zon afgerond en scheef gezien. Dit verschijnsel kon onmogelijk een andere oorzaak hebben dan een maandampkring.”
»Maar is die waarneming bewezen?”
»Bewezen.”
»Met uw verlof, boven de bergen dan toch niet,” meende de hardnekkige onbekende.
»Dan toch in de valleien, eenige honderden voeten lager.”
»Pas maar op dat ge dan komt waar gij wezen moet,” was de raad van den onbekende.
»Dank u; er is allicht lucht genoeg voor één persoon, en ik zal wat zuinig ademhalen.”
»Nu wij het,” ging Michel Ardan voort, nadat de ongelooflijke toejuiching van zijn laatsten kwinkslag genoegzaam bedaard was, »nu wij het over, zij het dan een dampkringetje, eens zijn, moeten wij ook aannemen dat er water op de Maan is. Blij toe. Maar mag ik mijn geachten bestrijder nog iets doen op merken? Wij kennen slecht éene zijde der maanschijf, en er moge dan op de naar ons toegekeerde zijde weinig lucht zijn, mogelijk is het aan den anderen kant anders. De Maan toch heeft door den invloed van de aantrekkingskracht der aarde den vorm van een ei aangenomen, dat wij op de punt zien. Vandaar dat, gelijk ook de berekening van Hansen uitwijst, haar zwaartepunt in de van ons afgekeerde zijde ligt. Vandaar de meening, dat al de lucht en al het water, bijna terstond na de schepping der maan, naar die voor ons onzichtbare zijde moeten geweken zijn.”
»Michel Ardan was niet uit het veld geslagen.” Bladz. 76.
»Praatjes voor de vaak!” riep de onbekende uit.
»Neen, geen praatjes, zuivere wetenschap, geput uit de wetten der beweging.”
»Gij zijt een roekelooze gek!” liet de onbekende zich ontvallen, maar het scheelde weinig of men zou hem om dien uitval buiten de vergadering geworpen hebben.
»Roekeloos?” vroeg Michel Ardan. »Ik ben zelfs zeer voorzichtig. Heb ik niet mijn vriend Barbicane om een projectiel verzocht, dat rechtuit schiet en niet als een kogel om en om rolt?”
»Ongelukkige, de schok zal u in het oogenblik van uw afreis te morsel slaan.”
»Mijn waarde heer, daar slaat gij juist den spijker op den kop en legt den vinger op de eenige kwetsbare plaats. Maar ik denk wel dat het schrander beleid der Amerikanen er in zal voorzien.”
»Maar de hitte, die door de snelle beweging van het projectiel door de lucht zal ontstaan?”
»De wanden zijn dik en ik zal in een oogenblik buiten den dampkring zijn.”
»Maar de levensmiddelen en water?”
»Ik heb berekend voor een jaar te kunnen medenemen en mijn reis zal vier dagen duren!”
»En de lucht om onderweg in te ademen?”
»Langs scheikundigen weg zal ik lucht maken.”
»Maar uw val op de Maan, gesteld dat ge er immer komt?”
»De val zal slechts 1/6 der kracht van een val op de Aarde hebben, aangezien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is.”
»Toch genoeg om u te verbrijzelen als glas.”
»En wie zal mij beletten mijn val te breken door middel van vuurpijlen, goed vervaardigd en op hun tijd aangestoken?”
»Wij willen nu eens aannemen, dat alles op zijn gelukkigst gaat en alle kansen in uw voordeel loopen; wij willen onderstellen dat gij heelhuids op de Maan aanlandt—hoe komt gij terug?”
»Ik kom niet terug.”
Dit antwoord, verheven door zijn eenvoud, bracht de vergadering in een stomme verbazing. Maar die stilte was welsprekender dan de luidste bijvalsbetuigingen zouden geweest zijn. De onbekende maakte er gebruik van om nog een laatsten pijl af te schieten.
»Ga voort, want inderdaad gij zijt een recht aangename profeet,” zei Michel Ardan met een vriendelijk lachje.
»Al genoeg,” was het antwoord. »Ik weet niet waartoe verdere schermutselingen dienen zouden. Ga uw gang met uwe dollemans onderneming. Met u is er geen praten over.”
»Geneer u anders niet!”
»Neen! het is een ander die de verantwoordelijkheid uwer dwaasheid draagt.”
»En wie dan, asjeblieft?” vroeg Michel Ardan op hoogen toon.
»De weetniet, die deze even onmogelijke als bespottelijke onderneming op touw heeft gezet.”
De steek was niet onder water. Barbicane had al van het oogenblik af dat de vreemde in het strijdperk verschenen was, alle moeite gedaan om zich in te houden. Nu hij zoo ongezouten bij den kraag werd gevat, stond hij op en trad op den onbekenden spreker toe, die hem uittartend afwachtte.
Plotseling werd hij van dien man gescheiden. Opeens namen honderd armen de tribune op, en de voorzitter der Gun-club benevens Michel Ardan werden in zegepraal rondgedragen, evenals bij de Ouden de held op een schild.
Het schild woog nogal zwaar, maar de dragers wisselden elkander onophoudelijk af, daar iedereen wedijverde om zijn schouders onder deze huldebetooging te zetten.
De onbekende had echter van de verwarring geen gebruik gemaakt om weg te sluipen. Hij zou het ook in dat dichte gedrang niet hebben kunnen doen. Hoe het zij, met de armen over elkander geslagen hield hij den strakken blik op Barbicane gevestigd.
Deze verloor hem niet uit het oog en de oogen der beide mannen schoten als bliksemstralen tegen elkander in.
Inmiddels bewoog zich de tribune stadwaarts, op de schouders wiegelende als een boot op het water, te midden van ontelbare hoeden, als golven bewogen. Nu en dan stampte en slingerde het vaartuigje wel wat, doch de beide passagiers stonden stevig en zij bereikten gelukkig de haven van Tampa-Town.
Michel Ardan slaagde er gelukkig in, zich aan de laatste toejuichingen zijner vurige bewonderaars te onttrekken. Hij vluchtte in het hotel Franklin, sloop naar zijn kamer en dook onder de dekens, terwijl een eerewacht van 100.000 personen onder zijn ramen verzameld stond.
Inmiddels had een kort, ernstig, beslissend tooneel plaats tusschen den geheimzinnigen kampvechter en den voorzitter der Gun-club.
Zoodra Barbicane de handen vrij had, ging hij op zijn partij af.
»Kom eens hier!” zeide hij kortaf.
De ander volgde hem op de kade. Zij waren met hun beiden alleen. Met toornige blikken zagen zij elkander aan.
»Wie zijt gij?” vroeg Barbicane.
»Kapitein Nicholl.”
»Ik dacht het half. Tot dusver heeft het toeval u nooit op mijn weg gevoerd....”
»Ik ben er met opzet op gekomen.”
»Gij hebt mij beleedigd.”
»In het openbaar.”
»En gij zult mij rekenschap geven van dien hoon.”
»Op ’t oogenblik.”
»Neen, ik verlang dat alles tusschen u en mij blijft. Drie mijlen van Tampa is een bosch, het bosch Skerman. Kent gij het?”
»Ja.”
»Is het u goed er morgen te 5 ure van den eenen kant in te gaan.”
»Zeker, indien gij er op denzelfden tijd van den anderen kant in komt?”
»En gij zult uw buks niet vergeten?” zei Barbicane.
»Zoo min als gij de uwe,” antwoordde Nicholl.
Na dit koele gesprek gingen de kapitein en de voorzitter der Gun-club elk huns weegs. Barbicane kwam thuis, maar in plaats van eenige uren rust te nemen, toog hij aan het zoeken van middelen om den weerstoot van het projectiel te voorkomen en het door Michel Ardan opgeworpen vraagstuk optelossen.
Terwijl de voorzitter en de kapitein de zooeven verhaalde afspraak maakten, trachtte Michel Ardan tevergeefs van de vermoeienissen der volksvergadering uitterusten, trachtte, zeg ik, want rusten is op Amerikaansche bedden een moeilijke zaak: zij kunnen zich in hardheid met de beste marmeren tafels meten. Ardan sliep dan ook slecht, en terwijl hij zich om en om keerde tusschen de servetten, die lakens moesten verbeelden, nam hij zich voor, in zijn projectiel een gemakkelijker rustbed aan te brengen.
Zijn overdenkingen daarover werden gestoord door een hevig kloppen op de kamerdeur en een schreeuwen: »open, in ’s hemels naam doe open.”
Nog eer hij van bed was, stortte iemand de kamer meer binnen dan hij er in stapte. ’t Was de secretaris der Gun-club, vriend Maston.
»Gisteren avond,” stootte deze hijgende uit, »is onze voorzitter in ’t openbaar beleedigd. Hij heeft zijn partij uitgedaagd, ’t is niemand anders dan kapitein Nicholl. Dezen morgen vroeg vechten zij in het bosch Skerman, ik heb dat uit den mond van Barbicane zelf. Als hij valt, ligt onze gansche zaak in duigen. Zij moeten elkander niet te lijf. Er is in de wereld maar één persoon die invloed genoeg op Barbicane heeft om dat duel te verhinderen, en die persoon is Michel Ardan.”
»in zegepraal rondgedragen.” Bladz. 78.
Intusschen had Michel Ardan zijn kleeren aangeschoten en eenige minuten later namen de beide vrienden den weg naar de voorsteden van Tampa-Town onder de voeten. Onderweg bracht Maston den Franschman op de hoogte der zaak, namelijk van den ouden grond der vijandschap tusschen Barbicane en den kapitein. Hij verhaalde hoe personen, met beiden bevriend, nog altijd een persoonlijke ontmoeting van beiden hadden weten te verhinderen, en dat Nicholl nu eindelijk de gelegenheid had te baat genomen om oude veeten op te rakelen.
Niets is afschuwelijker dan de persoonlijke veeten in Amerika, gedurende welke de beide partijen elkander beloeren op hoeken en wegen en als wilde beesten elkander in het houtgewas aanvliegen. In zulke gevallen moet ieder van hen jaloersch zijn op die verwonderlijke hoedanigheden, van nature eigen aan de Indianen der prairiën, hun snelle bevatting, hun schrandere list, hun ruiken van de voetstappen hunner vijanden. Bij dat rondsnuffelen naar hunnen vijand gaan de Yankees er dikwijls op uit met hunne honden, en terwijl zij jager en wild tegelijk zijn, liggen ze uren lang op de wacht.
»Welk een duivelsch volk zijt gij!” riep Michel Ardan uit, toen Maston hem de geheele geschiedenis verhaalde.
»Zoo zijn wij nu eenmaal,” antwoordde de secretaris, »maar wij moeten ons haasten.”
Doch hoe ook aanstappende, het bosch Skerman konden zij niet vóór halfzes bereiken. Barbicane was aan zijn kant reeds een half uur geleden het bosch ingetreden.
Zij zagen een bejaarden houthakker takkebossen binden. Maston ging naar hem toe en riep reeds uit de verte: »hebt gij iemand met een buks het bosch zien inkomen,.... mijnheer Barbicane, den voorzitter....
De secretaris der Gun-club dacht in zijn eenvoud, dat zijn voorzitter als zoodanig aan de geheele wereld bekend moest zijn. Maar de houthakker scheen hem niet te begrijpen.
»Een jager,” voegde Michel Ardan er bij.
»Een jager? ja,” antwoordde de houthakker.
»Is het lang geleden?”
»Bijna een uur.”
»Te laat!” riep Maston uit.
»En hebt gij geweerschoten gehoord?” vroeg Michel Ardan.
»Neen.”
»Geen enkel?”
»Geen enkel. De jager schijnt platzak thuis te zullen komen.”
»Wat nu?” zei Maston.
»Het bosch ingaan, op gevaar af een schot te krijgen, dat niet voor ons bestemd is.”
’t Was de secretaris der Gun-club. Bladz. 80.
»Ach!” klaagde Maston op droevigen toon. »Ik had liever tien kogels in het hoofd dan éen in dat van Barbicane.”
»Vooruit dan!” sprak Michel Ardan.
Zij gingen verder, een uur lang, maar vruchteloos. Zij riepen van tijd tot tijd: »Barbicane!” »Nicholl!” Maar tevergeefs. Nog een uur—even vruchteloos.
Reeds begonnen zij den moed op te geven, toen Maston iemand meende te zien. Hij vergiste zich niet. ’t Was kapitein Nicholl. Maar wat deed hij? Niets anders dan een vogeltje uit het net eener reusachtige vergiftige spin bevrijden!
De kapitein hoorde geritsel. Hij keek op en riep: »Michel Ardan! Wat komt gij hier doen, mijnheer?”
»U de hand drukken, Nicholl, en u beletten Barbicane dood te schieten of door hem doodgeschoten te worden.”
»Barbicane,” riep de kapitein uit, »ik zoek hem sedert een paar uren, maar ik kan hem niet vinden. Waar zit hij?”
»Barbicane,” antwoordde Michel Ardan, “is een man die achting verdient, en wat gij ook met hem gehad moogt hebben, dat moet uit zijn. Ik gedoog niet, dat ge met hem duelleert.”
»Ik zal met hem duelleeren.”
»Gij zult het wel laten. Gij hebt iets te doen dat vrij wat beter is.”
»En dat zou zijn?”
»Dat zeg ik alleen als Barbicane er bij is.”
»Dan zullen wij hem opzoeken.”
’t Geschiedde, en eindelijk vonden zij den voorzitter der Gun-club aan den voet van een boom zitten. Zoodra deze hen zag sprong hij op en riep uit: »Gevonden!”
»Wat?” vroeg Michel Ardan.
»Het middel om den weerstoot van het projectiel onschadelijk te maken. Water, niets dan water”....
»Zijt gij daar ook, Maston!” riep hij, zijn secretaris ziende.
Michel Ardan stelde hem aan kapitein Nicholl voor.
»Ik was het glad vergeten,” stotterde Barbicane, »maar ik ben tot uw dienst.”
»Daar komt niets van,” sprak Michel Ardan met nadruk. »Ik heb u iets voor te stellen. Vriend Barbicane gelooft dat zijn projectiel rechtuit naar de maan zal vliegen.”
»Zonder twijfel,” merkte de voorzitter aan.
»En vriend Nicholl is overtuigd, dat het naar den grond zal terugkomen.”
»Zonder twijfel,” liet de kapitein zich hooren.
»Mooi! Ik, Michel Ardan, matig mij niet aan, u tot elkander te brengen, maar wel bij elkander. Gij gaat met mij mede, dan weet gij waar wij blijven.”
De beide kampioenen stonden versuft. Barbicane wachtte op het antwoord van den kapitein. Nicholl keek naar Barbicane’s lippen.
»Er is toch geen weerstoot te duchten,” sprak Michel Ardan.
»Gij gaat met mij mede.” Bladz. 84.
»Top!” herhaalde de kapitein onmiddellijk daarop.
»In orde!” eindigde Michel Ardan. »Thans noodig ik de heeren tot een ontbijt.”
Nog dienzelfden dag vernam geheel Amerika het gebeurde tusschen kapitein Nicholl en den voorzitter Barbicane, met en benevens de zonderlinge ontknooping. Alles liep daarbij samen om de populariteit van Michel Ardan te doen stijgen; de rol door dezen ridderlijken Europeaan gespeeld, zijn onverwacht voorstel om den knoop door te hakken, de gelijktijdige toestemming der beide kampioenen, de overwinning behaald op het maangebied door Frankrijk en de Vereenigde Staten. Men weet hoe de Yankees zich afsloven voor enkele personen. In een land, waar overheidspersonen zich spannen voor het rijtuig eener danseres om het in zegepraal voort te trekken—in zulk een land alleen kan een stoutmoedige knaap opgang maken. Dat men zijn paarden niet afspande, was waarschijnlijk omdat hij er geen had, maar overigens regende het bijvalsbetuigingen. Men gunde hem geen oogenblik rust; de eene deputatie voor, de andere commissie na had hij te ontvangen, en zijn maag kreeg het kwaad tegenover de vele maaltijden die hem werden aangeboden. Zelfs had zich onder de arme drommels die niets te verliezen hadden een vereeniging gevormd onder den naam van seleniten, maanmannen, die hun hof aan den gevierden man meenden te maken met te beweren, dat zij de maantaal, het selenitisch verstonden en het hem wilden leeren.
Overigens werd ondersteld dat hij reeds alles aangaande de maan wist. Zoo vroeg men hem ook wat hij dacht van haren invloed op ziekten.
»Gelooven,” zeide hij, »doe ik er niet aan, maar er zijn toch zonderlinge feiten. In 1693 heerschte een epidemie, en den 21sten Januari, gedurende een eclips, stierven buitengewoon veel menschen. Baco viel bij elke maaneclips in zwijm, en dat duurde zoolang als de eclips. Koning Karel VI verloor gedurende het jaar 1399 tot zesmalen het verstand, telkens met Nieuwe of Volle maan.
»Er zijn geneesheeren, die de verschijnselen der vallende ziekte afhankelijk achten van den stand der maan. Mead spreekt van een kind, dat bij Volle maan stuipen kreeg. Er zijn ontelbare waarnemingen van dezen aard aangaande bezwijmingen, kwaadaardige koortsen, en het slaapwandelen, ten blijke dat de maan een geheimzinnigen invloed heeft op de ziekten der menschen. Hoe weet ik niet, maar de zaak schijnt buiten twijfel.”
Michel Ardan in één woord was de held van den dag. Vooral ook bij de vrouwen. Voor een »goed huwelijk” kon hij aan elken vinger er een krijgen, ook met het vooruitzicht hem naar de maan te vergezellen. Maar hij had geen plan, zeide hij, dáár de rol van Adam met een dochter Eva’s te spelen. »Ik ben te bang voor slangen,” voegde hij er bij.
Secretaris Maston had in die dagen een aanvechting om de vierde man in het projectiel te zijn. Maar Michel Ardan beduidde hem, dat hij niet compleet genoeg was om er fatsoenlijk te verschijnen. Wat zouden de maanbewoners wel van de aardbewoners denken, als zij een zoo verminkt exemplaar onder de oogen kregen?
Maston merkte op, dat Michel Ardan, Barbicane en kapitein Nicholl toch ook incompleet zouden zijn, als zij er aan stukken en brokken aankwamen.
»Dat is waar,” werd hem geantwoord, maar wij zullen er wel en goed geconditionneerd aanlanden.”
Den 18den October werd een proefreis in het klein gedaan, die zonder eenige stoornis afliep. Barbicane wilde volstrekt het zijne hebben van den invloed, dien de weêrstoot op het oogenblik van het afschieten van een projectiel uitoefende. Hij liet daarom een mortier van 32 duim (0,75 meter) uit het arsenaal te Pensacola komen. Men stelde het op aan het strand der reede van Hillisboro, ten einde de bom in zee te doen vallen. Een hol projectiel werd voor die proef met de meeste zorg ingericht. Maston watertandde om mee te gaan, maar hij kon niet in de bom.
Maar wel konden er een groote kat en een klein eekhoorntje in. Het mortier werd geladen met 300 kilo kruit. De bom er op. Vuur!
Oogenblikkelijk werd een boot afgezonden, om ter plaatse waar de bom nederkwam een duiker af te laten. Deze vond de bom, bond een touw aan haar ooren en zoo werd ze aan land gebracht.
De sluiting werd geopend en de kat sprong er uit, maar van het eekhoorntje was geen spoor te vinden. Na vele gissingen en redeneeringen kwam men ten laatste tot de gevolgtrekking, dat de kat het beestje denkelijk zou hebben verorberd.
Michel Ardan vond daarin een steun voor zijn beweren, dat het goed was voor mondbehoeften te zorgen; Barbicane was van oordeel, dat het gevaar van een weêrstoot denkbeeldig was.
Een paar dagen later ontving Michel Ardan een boodschap van den President der Unie, waarbij hem het eereburgerschap der Vereenigde Staten van Amerika werd aangeboden.
Zoodra de Columbiad zelve kant en klaar was, wierp zich de belangstelling van het publiek op het projectiel. Barbicane hechtte niet machtig veel aan de gedaante die het hebben zou, want het doorvloog den dampkring toch in weinige seconden en zweefde dan in de ledige hemelruimte. Aanvankelijk dus was de kogelvorm gekozen, ten einde het projectiel naar welgevallen zou kunnen rollen en buitelen. Maar nu er menschen in moesten, werd de vorm gewijzigd. Daarom werden dan ook nieuwe orders gezonden aan het huis Breadwill en Comp., met last tot onverwijlde uitvoering. Het projectiel werd dan ook naar het gewijzigde plan den 2den November gegoten en terstond met den Oosterspoortrein naar Stone’s Hill gezonden.
’t Was een prachtig stuk metaal, een meesterstuk van Amerikaansche gietkunst. Het was reeds verbazend, dat een zoo geweldige hoeveelheid aluminium voor één voorwerp gebruikt was. Het projectiel schitterde in de stralen der zon. Naar de gedaante geleek het wel een dier torens, die de ridders der middeleeuwen als reusachtige peperbossen op de hoeken hunner kasteelen plaatsten; slechts werpgeschut en weerhaan ontbraken er aan.
Barbicane was hoog met het projectiel ingenomen, maar Michel Ardan had wel wat meer kunst er aan ten koste gelegd willen zien. Het was, vond hij, uitwendig te glad, te kaal; lofwerk en dergelijke zou, meende hij, gunstiger indruk op de maanbewoners maken. Maar het was nu eenmaal niet anders, en Barbicane meende ook, dat het vrij wat meer aankwam op de maatregelen tegen den weêrstoot. Hij vertrouwde dit vraagstuk in het Bosch Skerman opgelost te hebben. Ziehier hoe.
Het projectiel moest ter hoogte van 3 voet gevuld worden met een laag water, bestemd tot het dragen van een houten schijf, als een zuiger sluitende in het projectiel. Op dezen vloer moesten de reizigers zich plaatsen. Het water was door vlakliggende afschutsels verdeeld, die op het oogenblik van het afgaan van het stuk achtereenvolgens verbroken moesten worden. Aldus zou elk watervlak, door afvoerbuizen naar het bovengedeelte van het projectiel geleid, den dienst doen eener springveer, en de schijf, voorzien van zeer sterke proppen, zou niet kunnen stooten dan na het achtervolgend verbrijzelen der verschillende afschutsels. Zeker zouden de reizigers nog wel een hevigen weerstoot voelen wanneer het water geheel was weggeloopen, maar de eerste schok zou toch aanmerkelijk gebroken zijn door een zoo krachtig werkende veer.
’t Was een prachtig stuk metaal. Bladz. 88.
’t Is waar, 3 voet water moest over een oppervlakte van 54 vierk. voet bijna 6000 kilo wegen; maar de gassen in de Columbiad zouden, volgens Barbicane, dit gewicht gemakkelijk overwinnen, bovendien moest de schok al het water in minder dan een seconde wegspuiten en het projectiel zou dan terstond zijn normaalgewicht hebben.
Dit denkbeeld van den voorzitter der Gun-club werd door de ingenieurs van het huis Breadwill en Comp. uitstekend ten uitvoer gebracht; wanneer het water eenmaal zijn dienst had bewezen en weggespoten was, konden de reizigers gemakkelijk den onnoodig geworden toestel wegwerpen.
Het projectiel was 9 voet doorsnede buitenwerks op 12 voet hoogte. Ten einde het bepaalde gewicht niet te overschrijden, had men de dikte der wanden een weinig verminderd en het benedengedeelte versterkt, daar dit al de kracht der ontploffingen moest weerstaan.
De ingang van het gevaarte was bovenaan. Men kon dien hermetisch sluiten door middel van een plaat van aluminium, van binnen door sterke schroeven vastgezet. De reizigers konden dus naar welgevallen hun gevangenis openen, zoodra zij op de maan zouden zijn aangeland.
Om licht in het projectiel te hebben en te kunnen uitzien, waren in den wand vier dikke glazen lenzen vastgezet, twee op zijde, een boven en een beneden. De reizigers konden dus onderweg ’t oog wenden naar de Aarde die zij verlieten, naar de Maan, het doel van den tocht, naar den sterrenhemel om hen heen. Tegen de schokken bij het afgaan waren die lichtvenstertjes voorzien van stevige platen, die men van den binnenkant kon losschroeven.
Ook de inwendige inrichting van het projectiel getuigde van de vindingrijkheid der ingenieurs.
Er waren stevig vastgezette bewaarplaatsen van water en levensmiddelen. Vuur en licht konden zij zich verschaffen door middel van gas, bewaard in een gashouder, onder drukking van verscheiden atmosfeeren. Men behoefde slechts een kraan te openen en men had voor zes dagen gas. Ruimte hadden zij genoeg; slechts ontoereikend voor den kunstzin van Michel Ardan, die wel een museum van kunstvoorwerpen zou hebben willen meenemen.
Een zeer gewichtig punt was de versche lucht. In de binnenruimte van het projectiel was deze niet toereikend voor ademhaling van drie menschen gedurende vier dagen. Barbicane zelf, zijn twee reisgenooten en twee honden, die men dacht mede te nemen, hadden in een etmaal 2400 liter zuurstof noodig. De lucht in het kamertje—want zoo mocht men het wel noemen—moest dus kunnen ververscht worden. Hoe? Volgens een eenvoudig middel, dat van Russet en Regnault.
Men weet, dat de gewone dampkringslucht bevat 21 deelen zuurstof en 79 deelen stikstof. De ademhaling bestaat daarin, dat men die vermengde lucht in-, maar alleen de stikstof uitademt. Niet evenwel al de zuurstof wordt door de longen opgenomen, alleen 5%, waarvoor koolstof in plaats komt, ontstaan door een chemische verbranding der ingeademde zuurstof. In een besloten ruimte wordt dus in een bepaalden tijd al de zuurstof van lieverlede omgezet in koolstof, en deze is doodelijk.
De vraag is dus: 1) de zuurstof aan te vullen, 2) de koolstof te verwijderen. Dit geschiedt het gemakkelijkst door zoogenoemd chloraat-potasch (Chlorat. potass.) en brand-potasch (Potass. caust.) Het eerste heeft de eigenschap van zuurstof vrij te maken; het tweede om in den vorm van dubbel potasch koolzuur (bicarbonas potassae) de koolstof op te slorpen. Door dus deze beide middelen vereenigd te bezigen brengt men te weeg, dat de lucht geschikt blijft voor inademing. De proeven daarmede waren door Russet en Regnault genomen, men wist wel niet proefondervindelijk of de theorie door de practijk werd bevestigd, maar—de wetenschap geeft het aan.
Michel Ardan bood zich aan tot de proefneming, maar Maston Stond er op, dat hij daarmede zou worden begunstigd. »Daar ik nu toch niet kan meegaan,” verklaarde hij, »mag ik toch wel een dag of acht in het projectiel doorbrengen.”
Het zou niet heusch zijn geweest, dit den verdienstelijken secretaris te weigeren. ’t Gebeurde dan ook. Voorzien van de beide genoemde bestanddeelen en van levensmiddelen voor acht dagen, drukte hij den 12den November zijn vrienden de hand, verbood uitdrukkelijk zijn gevangenis vóór den 20sten te openen en werd hermetisch in het projectiel opgesloten.
Hoe het hem in dien tijd ging, kon niemand weten, de wanden waren te dik om iets van hem te hooren. Maar den 20sten November, met klokslag van 6 uur ’s avonds, werd de aluminiumplaat weggenomen—een juichtoon ging er uit op—Maston stak het hoofd uit het venster, vervolgens armen en buik, hij was waarlijk dikker geworden.
Reeds ten vorige jare, den 20sten October, na het sluiten der inschrijvingslijsten, had de voorzitter der Gun-club de sterrenwacht te Cambridge in staat gesteld tot het vervaardigen van een kijker, sterk genoeg om er een voorwerp van 9 voet doorsnede op de maan mede te kunnen waarnemen.
Maar wat zou het zijn, een kijker of een telescoop?
Tusschen beide voorwerpen is een groot verschil. Een kijker is de buis die aan de eene zijde een bol geslepen glas heeft, het objectief, en aan de andere, naar het oog, een kleiner glas, het oculair.
De lichtstralen vallen van het voorwerp der waarneming in het objectief, worden er gebroken en vertoonen in het brandpunt, in de buis, een omgekeerd beeld, dat door het oculair, als vergrootglas werkende, wordt waargenomen.
De telescoop is anders ingericht. Aan de naar het voorwerp gekeerde zijde is hij open. De van het voorwerp komende lichtstralen vallen op een hollen spiegel in de buis. Zij worden weerkaatst naar een kleineren spiegel, in welken zij door het oculair kunnen worden waargenomen. Bij den Gregoriaanschen telescoop heeft een der groote spiegels een opening in het midden waardoor het oculair gemeenschap heeft met den kleinen spiegel; bij den Newtoniaanschen bevindt zich het kijkertje met het oculair op zijde nabij den kleinen spiegel, en in de allergrootste telescopen, zooals de reusachtige van Herschel en lord Rosse, plaatst zich de waarnemer op een stellage aan den mond van den telescoop, waar hij in de buis kan zien.
De eerstbeschreven kijkers zijn dus refractors (die door de straalbreking werken) de eigenlijke telescopen reflectors (die door terugkaatsing der lichtstralen werken). Beiden zijn, als men groote werktuigen verlangt, zeer moeilijk te vervaardigen. De moeilijkheid ligt daarin, dat de objectieven, hetzij lensglazen of spiegels, uiterst moeilijk gegoten en geslepen kunnen worden. Groote telescopen, hetzij dan refractors of spiegeltelescopen, zijn zeer kostbaar, zooals b.v. het groote instrument op den Pulkowa in Rusland met een doorsnede van 38 centim., dat op de sterrenwacht te Cambridge in Amerika met een van 48 centim., en vooral dat te Bircastle op last van lord Rosse vervaardigd, met een doorsnede van 193 centim.; de buis heeft een lengte van 48 v. en is geplaatst tusschen zwaar muurwerk met toestellen tot verschuiving van het instrument, dat 10.000 kilo weegt.
»Hij was waarlijk dikker geworden!” Bladz. 91.
Maar bij al deze reusachtige afmetingen is de vergrooting toch niet meer dan een 6000-malige, en deze laat slechts die voorwerpen waarnemen, welke 60 voet doorsnede hebben, kleinere zouden bijzonder kenbaar moeten zijn.
Om een projectiel van 9 voet hoogte en 15 voet dikte op de maan kenbaar te maken, zou een 48,000-malige vergrooting vereischt worden, en ’t was de vraag hoe die te bereiken. Op geld kwam het niet aan. Het gold alleen het overwinnen van technische moeilijkheden.
De eerste vraag was een kijker of een spiegeltelescoop? Een kijker had veel voor. Bij gelijkheid van doorsnede leveren zij aanzienlijker vergrootingen, daar de lichtstralen minder verliezen bij hun doorgang in de glaslens dan bij de opslorping door den spiegel. Maar de dikte eener glaslens heeft haar grenzen, zijn deze eenmaal overschreden, dan laat zij geen lichtstralen meer door. Bovendien duurt het soms jaren eer zulk een groote lens geheel geslepen is.
Hoewel dus een kijker de voorwerpen meer verlicht vertoont, en dit is voor maan-waarnemingen onwaardeerbaar, daar zij enkel een teruggekaatst licht bezit, ging men toch over tot den telescoop, die sterker vergrootingen toelaat. Doch daar vele lichtstralen worden opgeslorpt door den dampkring, besloot de Gun-club het instrument op een der hoogste bergen van de Unie op te stellen, ten einde zooveel te minder luchtlagen in het nadeel te hebben.
Daar nu voor een aanzienlijke vergrooting een groote spiegel vereischt wordt, moest men zelfs den telescoop van Lord Rosse ver overtreffen, en van zulke groote spiegels is het gieten uiterst bezwarend.
Gelukkig had eenige jaren vroeger de geleerde Leon Foucault uitgevonden, de metalen spiegels door glazen te vervangen, die met een zilveren plaatje als met een dunne huid bedekt worden. Men heeft dus slechts een glazen schijf van de verlangde grootte te gieten en die vervolgens met een laag zilver te bedekken.
Bovendien volgde men voor het waarnemen de handelwijze, door Herschel bij zijn 40-voetigen telescoop gevolgd en hierboven al vermeld. De waarnemer staat aan den mond van den telescoop en ziet van daar, gewapend met het vergrootende glas, het oculair, in de buis neder. De kleine spiegel is dus onnoodig: men heeft slechts één terugkaatsing in plaats van twee, en derhalve veel minder lichtverzwakking.
Nadat tot een en ander was besloten ving de arbeid aan. Volgens de berekeningen van de sterrenwacht te Cambridge moest de buis van den telescoop een lengte hebben van 280 voet, de spiegel een middellijn van 16 voet. Hoe reusachtig zulk een instrument ook zijn mocht, kon het toch niet halen bij dat, door den sterrenkundige Hook voor eenige jaren voorgesteld en dat 10,000 voet—3 kilometer—lang zou zijn geweest.
En waar nu den telescoop geplaatst?
Op een hoogen berg, maar die zijn er niet veel in de Vereenigde Staten. Men heeft er slechts twee bergketenen die den naam verdienen; een aan beide zijden van den Mississippi, dien de Amerikanen den koning der rivieren zouden noemen, zoo zij niet zulk een diepen afkeer hadden van het koningschap. Aan de oostzijde van dien reuzenstroom heeft men het Appalachische gebergte, westelijk het rotsgebergte, een keten van onmetelijke lengte, die bij de straat van Magelhaen aanvangt, zich door geheel Amerika slingert en eerst in de nabijheid der noordpool eindigt. Daar men den telescoop evenals de Columbiad binnen de grenzen der Vereenigde Staten wenschte te houden, moest men zich wel bij het Rotsgebergte bepalen en koos men de Long’s piek in den staat Missouri.
Geen pen is in staat de moeilijkheden te beschrijven, waarmede de Amerikaansche ingenieurs te worstelen hadden, maar geen ook om hun moed en schranderheid te roemen. Zij moesten geweldige steenen naar boven werken, en zware stukken smeedijzer vervoeren, de reusachtige buis stutten, en wat al meer! Dat alles—de spiegel alleen woog bijna 15,000 kilo—moest meer dan 10,000 voet hoog worden gebracht boven de grenzen van de eeuwige sneeuw, nadat men eerst lager dan het gebergte, ijzige vlakten en ondoordringbare bosschen had ontmoet, en dat in een woeste, onherbergzame streek, waar niets voorhanden was en elke voetstap op bezwaren stuitte.
Al deze moeilijkheden werden nochtans overwonnen en in de laatste dagen van September schitterden de hemellichamen in de buis van 280 voet lengte, die in weerwil van haar verbazingwekkende zwaarte met de grootste gemakkelijkheid werd heen en weer bewogen door een mechanisme, even schrander bedacht als juist vervaardigd.
Het gevaarte had meer dan 400,000 dollar gekost. De eerste maal dat het naar de maan werd gericht, waren de waarnemers onbegrijpelijk zonderling te moede. Wat zou men vinden in die wereld, die zich voor hun blikken ontsloot? Volken, maandieren, steden, meren en oceanen? Neen, niets dan wat de wetenschap reeds kende van de vulkanische woestijnen, die de naar ons toegekeerde maanschijf bevat.
Daar stond de vervaarlijke telescoop, maar hij stond er niet nutteloos, ook eer de Gun-club er zich van bediende. Groote diensten bewees het instrument aan de sterrenkunde. De diepten van den sterrenhemel werden er mede doorvorscht tot aan de uiterste grenzen, en de schijnbare middellijn van een groote menigte sterren kon nauwkeurig worden uitgemeten. Clarke ontbond het kreeftvormig nevelvlekje in den Stier, hetgeen met den telescoop van lord Rosse nimmer gelukt was.
Men schreef 22 November. Tien dagen later moest de Columbiad worden afgeschoten. Nog éen werk schoot er over, maar een moeilijk, gevaarlijk werk, dat ontelbare voorzorgen eischte en waarvan mislukking de derde weddenschap van kapitein Nicholl was. De Columbiad moest met 200,000 kilo schietkatoen geladen worden. Nicholl dacht, en misschien niet zonder grond, dat een zoo geweldige hoeveelheid van die licht ontvlambare stof niet kon worden verwerkt zonder ongelukken, en in ieder geval de drukking van het projectiel een ontploffing zou moeten veroorzaken.
Het gevaar werd nog vergroot door de zorgeloosheid der Amerikanen, die gedurende den oorlog hun bommen stonden te laden met een brandende sigaar in den mond. Maar de geestkracht van Barbicane voorkwam dergelijke roekeloosheden, waarmee anders Michel Ardan doodeenvoudig zou zijn voorgegaan.
Uit voorzichtigheid liet Barbicane de geheele lading niet in den omtrek van Stone’s Hill opslaan. Hij liet ze bij pakken komen in zorgvuldig gesloten kisten. Het schietkatoen was verdeeld in pakken van 250 kilo, zoodat er 800 groote kardoezen waren, door de bekwaamste vuurwerkmakers van Pensacola vervaardigd. Elke kist bevatte er 10; de eene kist werd na de andere over den Tampa-Town-spoorweg verzonden; door dezen maatregel waren nooit meer dan 2500 kilo schietkatoen tegelijk op het terrein. Elke kist werd terstond na aankomst gelost door werklieden met bloote voeten en elke kardoes voorzichtig naar den mond van de Columbiad vervoerd, waar men haar door middel van kranen, door menschenkracht bewogen, naar den bodem der buis afliet. Alle stoommachines waren verwijderd en een uur in den omtrek alle vuren uitgedoofd. Men had reeds moeite genoeg het schietkatoen te beveiligen tegen de zonnewarmte, zelfs in November. Ook arbeidde men bij voorkeur des nachts, bij een kunstlicht vervaardigd met de toestellen van Ruhmkorff. In de Columbiad werden de kardoezen zeer regelmatig gerangschikt, terwijl er een metaaldraad door liep, die de electrische vonk overal tegelijk moest verspreiden.
»Daar stond de vervaarlijke telescoop.” (Bladz. 95.)
Door middel eener electrische batterij moest de lading worden ontstoken. Al de draden, omwonden met een niet-geleidende zelfstandigheid, vereenigden zich op één punt en liepen voorts wel een uur ver naar een sterke batterij van Bunsen, bij welke men slechts met den duim op een knop had te drukken om den stroom onmiddellijk te herstellen en de 200.000 kilo schietkatoen te doen ontploffen, ’t Spreekt van zelf, dat de batterij eerst op het laatste oogenblik moest in werking komen.
Den 28sten November waren de 800 kardoezen op den bodem der Columbiad geplaatst, maar niet zonder duizend zorgen en kwellingen van Barbicane, die niet wist hoe hij de volksmenigte op een afstand zou houden, en dat terwijl men toch niet naliet met pijpen en sigaren te komen staan kijken naar het verwerken der kardoezen.
Eindelijk had het stuk zijn lading binnen. Er schoot niets meer over dan het projectiel in den reusachtigen koker te laten zakken en op de dikke laag schietkatoen te plaatsen.
Maar vooraf moest het noodige in het verblijf der reizigers worden geplaatst. Als Michel Ardan zijn zin had kunnen krijgen, zou hij er een onafzienbare menigte nuttelooze vodden in hebben geladen.
Maar Barbicane was wijzer en alleen wat noodig en nuttig was mocht worden meegenomen, ’t Is niet noodig alles optenoemen; barometers, thermometers, kijkers, maankaarten, zagen, houweelen en andere gereedschappen, 3 buksen en 3 karabijnen, kruit en lood in de ruimte; want Michel Ardan was van oordeel dat men niet weten kon met wie men in aanraking zou komen, ’t zij menschen of beesten!
Michel Ardan had een zeker aantal dieren willen medenemen, niet juist een paar van ieder, want hij vond niet noodig, tijgers, slangen, krokodillen en dergelijke monsters op de maan over te planten.
»Dat niet,” sprak hij tot Barbicane, »maar ’t zou toch wel goed zijn, eenige huisdieren, rundvee, ezels en paarden mede te nemen. Wie weet, hoeveel dienst wij er van hebben zouden?”
»Gij hebt gelijk, mijn waarde,” antwoordde de voorzitter der Gun-club, »maar ons projectiel is geen arke Noachs. Het is er niet groot genoeg voor en ook niet voor bestemd. Wij blijven dus binnen de grenzen van het mogelijke.”
Eindelijk werd besloten, dat men zich zou bepalen tot twee honden, een vervaarlijk grooten en sterken Newfoundlander, benevens een teef, als uitmuntende jachthonden. Voorts eenige doozen met de nuttigste zaden, bij welke Michel Ardan eenige zakken aarde had willen voegen, om er in te zaaien. Van het medenemen van een dozijn zorgvuldig ingepakte heesters was hij niet af te brengen geweest.
Wat de levensmiddelen aangaat, dat sprak van zelf! Men moest er op bedacht zijn, dat men een dor en onvruchtbaar gedeelte der maan kon aantreffen. Barbicane nam proviand mede voor een jaar. Doch vleesch en groenten waren door middel van sterke waterpersen tot den kleinstmogelijken omvang saamgeperst; er was niet veel verscheidenheid van gerechten, maar op zulk een tocht kwam ook geen kieskeurigheid te pas. Van brandewijn had men een paar honderd liter, water voor twee maanden, en dit was zeer ruim, want niemand twijfelde na de laatste ondernemingen der sterrenkundigen, of er is wel water op de maan. Zelfs ook levensmiddelen dacht men er te zullen aantreffen. Michel Ardan hield er zich van verzekerd. Had hij er aan getwijfeld, hij zou niet besloten hebben te vertrekken.
»Bovendien,” zei hij eens tot zijn reismakkers, »we zullen niet geheel van onze vrienden op de Aarde afgesloten zijn en zij zullen wel zorgen ons niet te vergeten.”
»Zeker niet,” verzekerde Maston.
»Hoe meent gij dat?” vroeg Nicholl.
»Doodeenvoudig,” antwoordde Ardan, »zal de Columbiad daar niet altijd blijven? Welnu, telkenmale als de maan er een gunstigen stand toe heeft, dat is te zeggen, ééns in het jaar, kan men ons immers bommen met levensmiddelen toezenden, die wij dus op een vasten dag kunnen afwachten.”
»Bravo!” juichte Maston.
»Daarentegen zullen wij ook wel een middel vinden om u van ons te doen hooren,” merkte Michel Ardan aan.
De laatste benoodigdheden werden ingeladen en Michel Ardan rangschikte alles met voorbeeldigen ijver. Het water werd in de holten geladen, het gas in den houder. De beide potasch-soorten in een hoeveelheid dat zij het twee maanden konden uithouden.
Het projectiel werd naar den top van Stone’s Hill gebracht. Sterke kranen hielden het hangende boven het stuk.
Een ontzettend oogenblik! Als éen ketting brak, stortte het gevaarte op het schietkatoen en een vreeslijke ontploffing zou volgen.
Dat gebeurde gelukkig niet. Eenige uren later was het projectiel onmerkbaar zacht op het katoenen kussen gezakt.
»Verloren!” zei kapitein Nicholl, terwijl hij den voorzitter Barbicane 3000 dollar overhandigde.
Barbicane wilde dat geld niet uit de handen van een reisgenoot ontvangen, maar Nicholl stond er op, aan al zijn verplichtingen te voldoen, alvorens hij de aarde verliet.