Te half drie uur in den morgen stond het projectiel boven 30° en op een afstand van 1000 kilometer van de Maan. Het bleef onmogelijk schijnen, dat de reizigers een of ander punt der maanoppervlakte zouden bereiken. De snelheid, betrekkelijk matig, was juist daardoor den voorzitter Barbicane onbegrijpelijk. Op dien kleinen afstand toch moest zij zeer groot zijn, om op te wegen tegen de aantrekkingskracht der maan. Doch zij konden zich daarmede niet ophouden; de Maan gaf hun genoeg te zien.
De geleerden zijn het niet eens over de oorzaak van het verschijnsel, dat de opgaven der kleuren van onderscheiden gedeelten der maanoppervlakte niet eenstemmig zijn. Schmidt, daarin gevolgd door Beer en Mädler, meende te mogen vaststellen, dat donkergrijs, hier en daar vermengd met groen en bruin, de voorname kleur is van die vlakten, aan welke men vroeger den naam van zeeën gaf. Barbicane vestigde ook op dit onderwerp zijn aandacht; het bleek hem, dat de genoemde sterrenkundigen gelijk hebben tegenover anderen, die alleen de grijze kleur op de Maan meenen gezien te hebben. Zelfs zag hij het groen als hoofdkleur in de Helderheids- en in de Vochtigheidszee. Ook vertoonde zich voor het oog van Barbicane de blauwe kleur aan kraters niet, die zooals vele andere ringbergen, nog een berg in den binnenkrater hebben. Hieruit bleek dus, dat deze blauwachtige staalkleur niet, zooals sommige sterrenkundigen beweren, voortkomt uit de glazen der verrekijkers of de gesteldheid van onzen dampkring. Barbicane toch zag de Maan door de ledige ruimte heen en met het bloote oog.
Of echter de onmiskenbaar bestaande kleurschakeeringen uit plantengroei ontstonden, daaromtrent durfde hij vooralsnog niets zekers zeggen. Even onzeker bleef hem het roodachtige, zeer duidelijk door hem gezien op een vlakte, naar Lichtenberg genoemd, nabij de Hercynische bergen, die zich aan den rand der Maan bevinden.
Niet gelukkiger was hij ten aanzien van een andere bijzonderheid. Michel Ardan zag lange witte strepen, helder verlicht door de zon. ’t Was een reeks voren, zeer verschillende van de stralen, die men vroeger van den Copernicus zag uitgaan. Zij liepen evenwijdig naast elkander.
Michel Ardan meende er met zijn gewone levendigheid terstond beploegde akkers in te herkennen; hij was van oordeel, dat de maanbewoners wel zeer reusachtige ossen moeten hebben om zulke voren te ploegen.
Barbicane onderrichtte hem nader aangaande deze raadselachtige voorwerpen op de Maan. Het zijn groeven—men telt er omtrent 100—maar de meesten kunnen slechts met zeer fijne werktuigen waargenomen worden. Het best laten zij zich vergelijken bij reusachtige rijtuigsporen, maar sporen van 1000 tot 1500 meter breedte. Zij zijn overal even breed en ofschoon enkelen een zeer zachte bocht maken, loopen zij nimmer in kronkelingen, maar meestal volkomen recht. Beddingen van uitgedroogde rivieren kunnen het niet zijn, want zij loopen niet zelden onveranderd over hooge gebergten heen. Sommige liggen naast elkander, anderen doorsnijden de een de ander overdwars. De lengte is zeer uiteenloopend; er zijn er van eenige kilometers, anderen ook van vele mijlen. Onderscheiden sterrenkundigen van den lateren tijd—aan de vroegere waarnemers, Hevelius, Cassini, Lahire, Herschel, schijnen zij onbekend te zijn gebleven—hebben er hunne aandacht aan gewijd, vooral Schröter, Pastorff, Gruithuizen, Beer en Mädler. Het is echter nog niet gelukt er een aannemelijke verklaring van te geven. Zelfs schijnt het nog niet volkomen uitgemaakt, dat het groeven zijn, daar sommige kenteekenen eer aan dijkvormige verhevenheden zouden doen denken.
Michel Ardan hield vol, dat het hoe dan ook, bewijzen van plantengroei zouden zijn, al waren het rijen boomen, die zichtbaar of onzichtbaar konden wezen, naargelang zij in verschillende jaargetijden al of niet bladerloos zijn.
»Dat kan niet,” antwoordde Barbicane, »want op de Maan zijn geen seizoenen.”
Zoo is het ook. De as der Maan heeft een zoo onbeduidende helling op het vlak harer loopbaan, dat op iedere breedte de zon er altijd even hoog staat. Boven de streken onder en nabij den evenaar staat de zon bijna onveranderlijk in het toppunt; zij staat daarentegen steeds aan den gezichteinder in de nabijheid der polen. Derhalve heeft elke maangordel onafgebroken, òf lente, òf zomer, òf herfst, òf winter.
Het projectiel stond nu boven de streek van 40° breedte, nauwelijks 800 kilometer van de Maan verwijderd. Onder hen verhief zich de berg Helicon, 505 meter hoog; links van hen stonden de lagere hoogten, die onder den naam van Iris-golf een gedeelte der Regenzee uitmaken.
De lange nacht dien zij waren ingetreden. Blz. 180.
Om de Maan met volkomen juistheid te kunnen waarnemen, zou de dampkring der Aarde 170 maal ijler moeten zijn dan nu. Maar in de ledige hemelruimte bevond zich geen middelstof hoegenaamd tusschen de Maan en onze reizigers. Bovendien bevonden zij zich op geringer afstand van haar oppervlakte, dan die, tot welken zij door de telescopen van Lord Rosse en het Rotsgebergte werd aangehaald. Zij waren dus beter dan iemand anders in de gelegenheid om te onderzoeken wat er ware van de bewoonbaarheid der Maan. Doch Barbicane kon het zoo ver niet brengen. Hij zag niets dan doodsche vlakten en kale gebergten; van werk van levende wezens geen spoor. Geen zweem ook van beweging, geen bewijs van plantengroei.
»Dus zouden er geen maanbewoners zijn?” vroeg Michel Ardan teleurgesteld.
»Dat is nog niet bewezen,” gaf Barbicane ten antwoord. »Een mensch is zelfs voor het scherpste gezicht niet verder zichtbaar dan op 7 kilometer. Er zouden derhalve maanbewoners kunnen zijn, die wel ons projectiel zien, maar zelven aan ons oog ontsnappen.”
Tegen 4 uur in den morgen, op de hoogte van 50° breedte, waren zij de Maan tot op 600 kilometer genaderd. Links zagen zij een reeks bergen, door het volle zonlicht beschenen. Rechts een donkere diepte, als een reusachtige uitholling van den grond. Het was de zoogenoemde Zwarte zee, de Plato, een diepte, die men van de Aarde het best kan waarnemen tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, als wanneer de schaduwen van west naar oost loopen.
Een dergelijke donkere kleur is zeldzaam op de maanoppervlakte. Men heeft haar nog alleen waargenomen in den krater van den ringberg Endymion, oostelijk van de Koude Zee, op het noordelijk halfrond, en op den bodem van den Grimaldi onder den evenaar nabij den oostelijken rand der Maan.
De Plato is een ringberg op 51° noorderbreedte en 4° O. L. der Maan. De krater—zoo noemt men doorgaans de ringvlakte binnen den ringberg—is 92 kilometer lang, 61 breed. Barbicane betreurde het dat hij er niet vlak boven kwam; hij zou dan in een geweldige, misschien geheimzinnige diepte hebben neergezien. Maar aan de richting van het projectiel was niets te doen.
Een uur later waren zij voorbij de noordelijke grens der Regenzee. Van de bergen La Condamine en Fontenelle hadden zij den eenen links, den anderen rechts. Die geheele streek was zeer bergachtig. Zij waren zoo nabij, dat de kijkers de Maan aanhaalden alsof zij niet verder van hen was dan de top van den Mont-Blanc van den waterspiegel der zee. Overal zagen zij bergtoppen en bergringen. Op 70° breedte vertoonde zich de Philolaüs, 3700 meter hoog, met een langwerpig ronden krater van omtrent 7000 meter lengte, nog geen 2000 breed.
De oppervlakte der Maan had, van dat punt gezien, een allergrilligst voorkomen. Alles even scherp, even hoekig, gelijk er ook, dewijl de Maan geen dampkring en dus ook geen schemering heeft, geen zachte overgang is van het licht naar het donker, maar een onmiddellijk afsnijdende lijn, zonder de minste schemering. Daaruit moet volgen, dat de maanbewoners, aangenomen dat zij bestaan, de schitterende zon en de fonkelende sterren zien staan aan een pikzwart uitspansel. Datzelfde zagen trouwens Barbicane en zijn tochtgenooten.
Te 5 uur waren zij de Maan zooveel genaderd dat zij er slechts 50 kilometer van verwijderd waren en het scheen alsof zij haar konden grijpen. Michel Ardan wilde in goeden ernst een hunner vensters openen en naar beneden springen. Een groote dwaasheid, want—gezwegen van de doodelijke hoogte van den sprong, indien het projectiel niet op de Maan nederkwam, zou hij er evenmin komen.
Een uur later zagen zij de pool. Toen vertoonde de maanschijf aan de blikken der reizigers niets dan éen sterk verlichte helft, terwijl de andere in de duisternis verdween. Zachtkens zweefde het projectiel boven de scheidingslijn tusschen het licht en het donker en werd het plotseling in een diepen nacht gedompeld.
De overgang was zoo plotseling geweest, als ware de Maan in éen punt des tijds vernietigd.
»De Maan is naar de Maan!” riep Michel Ardan uit.
’t Was ook zoo. En zij zelven zaten in het stikdonker. Hoe zuinig ook op het gas, toch moest Barbicane verzoeken licht aan te steken.
»Die satansche zon!” riep Michel Ardan uit. »Zij onttrekt ons haar licht, dat zij ons toch gemakkelijk gunnen kon.”
»’t Is de schuld niet van de zon, maar van de Maan, die ons eenvoudig het zonlicht onderschept,” sprak Nicholl.
Barbicane scheidde hen door aantemerken, dat noch de zon noch de Maan er schuld aan hadden, maar het projectiel, dat in plaats van behoorlijk in zijn baan te blijven, zuidwaarts was uitgeweken. »En om billijk te zijn,” voegde hij er bij, »moeten wij de schuld geven aan dien verwenschten vuurkogel, die ons van onzen weg heeft afgetrokken.”
»Goed en wel,” antwoordde Michel Ardan, »en daarom, wij hebben lang genoeg waargenomen, laat ons nu iets gebruiken.”
»Dat is iets anders,” zei Nicholl droogjes.
De anderen brachten er niets tegen in. De voorsteller had in een oogenblik den maaltijd gereed. Maar men at om te eten; er was geen animo, ’t Was zoo leegdonker; ’t was alsof zij alleen in het heelal waren!
De lange nacht dien zij waren ingetreden, maakte het onderwerp uit van hun gesprek. Barbicane legde hun uit, dat de nacht een paar weken zou duren.
»De van ons afgekeerde zijde der Maan,” zei hij, »ziet nimmer de Aarde; bijgevolg wordt ook op haar het aardlicht niet teruggekaatst, wanneer het voor de Aarde Nieuwe maan en derhalve voor de naar haar toegekeerde zijde der Maan Volle aarde is. De van de Aarde afgekeerde maanhelft heeft dus geen andere verlichting dan die de zon geeft. Dat licht wordt haar onttrokken zoolang de zon even zoo voor hen is ondergegaan als zij het ’s avonds voor ons doet. Maar de Aarde wentelt zich in 24 uren om haar as; derhalve is ieder punt van haar oppervlakte na eenige uren donkerheid opnieuw door de zon verlicht. De Maan echter wentelt zich om haar as in dienzelfden tijd als om de Aarde, namelijk in omtrent vier weken. Derhalve moet ieder punt der van de Aarde afgekeerde zijde van de Maan ook even zoo lang onafgebroken nacht hebben, zonder dat die nacht, gelijk voor de naar de Aarde gekeerde maanhelft, door het aardlicht wordt verhelderd.”
»Maar,” ging hij voort, »de naar de Aarde toegekeerde zijde der Maan heeft nog meer voorrechten. Wij noemen onder anderen het waarnemen der zon-eclipsen, welke alleen plaats hebben voor deze helft der maan, daar alsdan de Aarde tusschen de Maan, en de zon staat. Zij kunnen twee uren duren en zijn voor de Aarde maan-eclipsen, voor de Maan zon-eclipsen.”
»Ongelukkige andere maanhelft!” riep Nicholl uit.
»Ten deele,” zei Barbicane. »Door verschillende oorzaken, waarvan de voornaamste bestaat in de zoogenaamde liberatie der Maan, krijgt van tijd tot tijd nog ½ van die andere maanhelft nu en dan de Aarde te zien. Te weten: de Maan wentelt met eenparige snelheid om haar as, terwijl haar beweging om de Aarde, als niet in een cirkel, maar in een ellips plaats hebbende, nu sneller, dan langzamer is. Voorts ook als de Maan haar zuidelijksten stand heeft, kan men voorbij haar noordpool nog eenigszins de Aarde zien, en omgekeerd aan haar zuidpool bij haar noordelijksten stand.”
»Dat raakt niet,” vond Michel Ardan, »als wij maanbewoners worden, gaan wij op die helft wonen, welke naar de Aarde toegekeerd is.”
»Ten minste,” sprak Nicholl, »indien er niet enkel op de tegenovergestelde zijde lucht te vinden is, gelijk sommige sterrenkundigen meenen.”
Zie, onze adem bevriest tot sneeuw. Bladz. 182.
Barbicane vond het onverklaarbaar, dat het projectiel, slechts 50 kilometer van de Maan verwijderd, niet op haar oppervlakte gevallen was. Indien het een zeer groote snelheid had, liet zich dit verklaren. Maar bij een zoo matige snelheid was het onbegrijpelijk dat de aantrekking der Maan er niet meer op gewerkt had. Was het projectiel dan nog aan een andere werking onderworpen? Was er nog een ander hemellichaam dat het in de hemelruimte deed zweven? Dat het de Maan niet zou bereiken, was zonneklaar. Waarheen zou het zich dan begeven? Hoe zou men dat kunnen berekenen? Barbicane stond er voor stil.
Misschien was er een ander hemellichaam in de nabijheid, maar zij bemerkten er niets van. Niets werden zij ook gewaar van die helft der Maan welke de Aarde nimmer te zien krijgt. Men meent algemeen, dat de beide helften elkander gelijk moeten wezen. Het kleine gedeelte dat wij er van te zien kunnen krijgen, spreekt zulks niet tegen. Maar indien de lucht eens derwaarts ware geweken? En met de lucht ook water, plantengroei, dierenwereld? Zijn er dieren, menschen? Welk een wijd veld voor gissingen! Maar ook, welk een teleurstelling voor ons drietal, dat er zoo dicht bij was en er toch niets van zou te zien krijgen!
Tot vergoeding hadden zij het prachtig gezicht op den sterrenhemel, waar ontelbare sterren—niet fonkelden, want dat schitteren is een gevolg van de werking der lucht, wier lagen, ongelijk van dichtheid en verwarming, de sterren als in een trillende beweging doen schijnen. Zij verspreiden een stil licht, geheel in overeenstemming met de grafstilte rondom de reizigers.
Langen tijd staarden zij in stomme verbazing op dat indrukwekkend schouwspel. De Maan scheen een groote, stikdonkere opening in de oneindige ruimte. Maar zij werden uit hun bespiegelingen gewekt door een alleronaangenaamst gevoel, dat van een felle koude, die de lenzen hunner lichtraampjes aan de binnenzijde met een ijskorst overdekte. Zonnestralen verwarmden het projectiel niet meer en de uitstraling onttrok er aanhoudend warmte aan. De vochtdeelen zetten zich aan de glazen, en weldra werd alle waarneming onmogelijk.
Nicholl keek op den thermometer; deze teekende 17° C. onder O. En Barbicane, hoe zuinig anders op hun gas, moest het nu ook tot verwarming aanspreken. ’t Was in het projectiel niet langer uit te houden, ’t Scheen dat zij met hun drieën bij levenden lijve moesten bevriezen.
Michel Ardan vond, dat dit nog eenige verscheidenheid opleverde, maar moest toch bekennen: »’t Is onuitstaanbaar. Zie, onze adem bevriest tot sneeuw!”
Nicholl wilde weten hoe het met den graad van koude buiten het projectiel zou gesteld zijn. Barbicane zeide hem: »juist zooals in de geheele hemelruimte. Maar wij zullen het onderzoeken.”
Hoe?” vroeg Nicholl.
»Met een thermometer dien ik bij mij heb; hij heet een minimum-thermometer en is ingericht om zeer lage graden van temperatuur aan te wijzen.”
Michel Ardan wilde dien thermometer eenvoudig naar buiten werpen, meenende dat hij wel evenals de doode hond nabij het projectiel zou blijven zweven. Men kon dan den thermometer binnenhalen als men het verkoos.
»Met de hand?” vroeg Barbicane.
»Waarom niet?”
»Omdat uw hand in een oogenblik doodgevroren zou zijn. Ook kunnen wij op een los zwevenden thermometer niet zien. Wij zullen hem dus voorzichtig uitlaten en aan een koordje hangen.”
Maar in weerwil van dat voorzichtige liet zich, hoewel het glas slechts een seconde open was, een vreeselijke koude gevoelen, en nog eens, toen de thermometer haastig werd ingehaald.
Hij teekende 140° onder 0!
Misschien verbaast het den lezer, dat Barbicane en zijn reisgenooten zich zoo weinig bekommerden over ’t geen in dien aluminium-kerker van hen worden zou. In plaats van daarover te denken of te spreken, deden zij op hun gemak waarnemingen; zij deden—letterlijk—alsof zij thuis waren. Zegt men misschien: zij hadden wel wat meer te doen dan aan hun toekomst te denken,—de waarheid is, dat zij in een toestand verkeerden van volslagen afhankelijkheid. Aan de bewegingen van hun projectiel konden zij het allerminst iets doen. Een zeeman wendt den steven van zijn vaartuig waarheen hij wil; een luchtvaarder kan zijn ballon doen rijzen of dalen. En zij konden .... niets. Zij dreven op Gods genade.
Waar waren zij op dien dag, een St. Nicolaasdag, ’s morgens te 8 uur. Zeer zeker nabij de Maan. Maar hoe ver er vandaan? Dat wisten zij niet. Was die afstand in die laatste twee uren vermeerderd of verminderd? Geen kenteeken zeide het hun.
Michel Ardan opperde de meening, dat het projectiel ten gevolge van de aantrekking der Maan zou eindigen met evenzoo op de Maan te vallen als nu en dan een luchtsteen op de Aarde.
»Dat gebeurt van de duizend luchtsteenen nog niet met één,” zei Barbicane. »Verweg de meeste snellen als vallende sterren door de hemelruimte, zonder in eenige aanraking met de Aarde te komen.”
»Maar wat zal dan van onzen aluminium-kerker worden?”
Barbicane dacht een oogenblik na en zei toen: »ik weet maar twee mogelijkheden.”
»En die zijn?”
»Het projectiel heeft keus tusschen twee wiskundige lijnen; welke van die twee het volgen zal, hangt af van de snelheid, en die kan ik op dit oogenblik niet bepalen.”
Nicholl vulde die woorden aan met te zeggen: »zeker een parabool of een hyperbool?”
»Dat zijn geleerde woorden, daar houd ik van,” zei Michel Ardan, »En wat voor een ding is dan een parabool?”
»Een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat indien men een rechten kegel doorsnijdt evenwijdig aan een der zijden.”
»Dus de kromme lijn, die een bom beschrijft als zij uit het mortier geschoten is,” merkte Nicholl aan.
»Precies!”
»En de hyperbool?” vroeg Michel Ardan.
»De hyperbool is ook een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat indien men zich twee kegels voorstelt, met de punten rechtstandig op elkander staande en de snede alsdan door de beide kegels gaat. Gelijk de parabool twee beenen heeft die zich in het oneindige van elkander verwijderen, zoo heeft de hyperbool er vier.”
»Wat je zegt!” zei Michel Ardan met de grootstmogelijke bedaardheid, alsof het iets zeer gewichtigs was. »Ik vind de hyperbool mooier want daar begrijp ik nog minder van dan van de parabool.”
Barbicane en Nicholl gaven weinig acht op deze stekelige aanmerkingen; zij verdiepten zich slechts in de vraag: in welke kromme lijn zal zich het projectiel bewegen? Parabool of hyperbool? Michel Ardan begreep niets van hun geleerdheid a + b = x.
»De vraag is alleen,” vond hij, »waarheen zal een van die heeren bolen ons brengen?”
»Dat is ’t hem juist,” antwoordde kapitein Nicholl.
»Beide kromme lijnen hebben, gelijk onze voorzitter reeds terecht heeft aangemerkt, beenen die in het oneindige uiteenloopen.”
»Dan is ’t met de lange beenen tot in het oneindige mij onverschillig,” liet Michel Ardan zich koeltjes ontvallen.
»Praten is niets,” voegde hij er bij. »Dit is echter zeker dat het openen van gemeenschap met de Maan voor onze Aarde nog zoo heel gemakkelijk niet is. Zouden de bewoners der andere planeten niet meer van hunne wachters weten dan wij aardbewoners van onze Maan?”
Zij achtten zich verloren. Blz. 187.
Wat Barbicane of Nicholl daarop hebben geantwoord, is ons niet bekend; maar men zou Michel Ardan het volgende hebben kunnen zeggen.
Het zou ten deele voor die planeetbewoners veel gemakkelijker zijn wegens de meerdere nabijheid dier wachters bij hun hoofdplaneet. Indien daarom Jupiter, Saturnus, Uranus door redelijke wezens bewoond worden, kunnen zij enkelen hunner wachters gemakkelijker waarnemen. De vier manen van Jupiter staan: de eerste 58,294, de tweede 92,827, de derde 148,078, de vierde 266,450 geographische mijlen van haar hoofdplaneet, namelijk van haar middelpunt af. Trekt men nu daarvan de halve middellijn dier planeet af, dan ziet men, dat de eerste wachter een weinig dichter bij Jupiter staat dan de Maan bij de Aarde. Van de acht wachters van Saturnus verkeeren niet minder dan drie in hetzelfde geval: Mimas 20,022, Enceladus 26,151, Thetis 43,077 geographische mijlen. Van de wachters van Uranus staat alleen de eerste, Ariël, 49,980 mijlen van de hoofdplaneet. Maar daar de wachters welke men heeft kunnen waarnemen, evenals onze Maan altijd dezelfde zijde naar hun hoofdplaneet schijnen te keeren, en dit dus een wet voor alle bijplaneten schijnt te wezen, zijn de sterrenkundigen op Jupiter, Saturnus en Uranus te dezen niet verder dan die op den Aardbol.
Wij keeren tot onze reizigers terug. Tegen 4 uur in den morgen ontdekte Barbicane, dat de richting van het projectiel veranderd was. Die verandering bestond hierin, dat de bodem van het projectiel zich naar de Maan had gewend ten gevolge van de aantrekking der Maan, die op het zwaarste gedeelte van het projectiel het sterkst werkte.
Zou het dan op de Maan vallen? Neen. En de waarneming van een overigens onverklaarbaar verkenningspunt toonde aan Barbicane dat zij de Maan niet naderden, maar dat zij een kromme lijn om haar bleven beschrijven.
Dit verkenningspunt was een licht, door Nicholl het eerst aan den gezichteinder gezien. Een ster kon het niet zijn. Het was roodachtig van kleur en werd hoe langer hoe grooter, zoodat het projectiel er zich heen moest bewegen.
»’t Is een vulkaan in werking!” riep Nicholl uit.
Barbicane legde zijn nachtkijker aan en bevestigde Nicholl’s vermoeden. »Inderdaad, het is een vulkaan-uitbarsting!” zei hij.
»Dan moet er ook lucht op de Maan zijn, want zonder lucht geen vuur,” oordeelde Michel Ardan.
»Dat is nog zoo zeker niet,” antwoordde Barbicane. »De vulkaan kan zijn vlammen wel uitwerpen ten gevolge eener ontbinding van zelfstandigheden die wij niet kennen. ’t Zou dus voorbarig zijn, uit het braken van een vulkaan te besluiten, dat de Maan een dampkring heeft.”
De vuurberg moest omstreeks 45° Z. breedte, op het voor de Aarde onzichtbaar gedeelte der Maan gelegen zijn. Maar het projectiel bewoog zich in een zoodanige richting, dat het na een half uur den vulkaan uit het gezicht verloor. In zeker opzicht was dit teleurstellend, maar in een ander ook geruststellend, want het geval zou de veiligheid onzer vrienden wel eens ernstig hebben kunnen bedreigen.
Een weinig later zagen zij weder een vuurbol. Voor de Aardbewoners hebben die luchtverschijnselen meest altijd een licht, veel geringer dan dat der Maan, maar in de ledige hemelruimte gaven zij een schitterend licht. Dit was ook ’t geval met den vuurkogel dien zij nu langzaam zagen naderen. Barbicane schatte zijn middellijn op 2000 meter. En dat voorwerp naderde hem met een snelheid van omtrent 2 kilometer in de seconde. Recht op hen afkomende, scheen hij het projectiel binnen weinige minuten te zullen bereiken. Schrikbarend snel nam de grootte ervan toe.
Men verbeelde zich zoo mogelijk de gewaarwordingen der reizigers. Hoe koelbloedig en onversaagd zij ook waren, toch stolde hun het bloed in de aderen. Kwam de bol op hen; of naderde zij hen? Om het even; zij schenen op het punt te zijn van in een gloeienden afgrond geworpen te worden.
Zij achtten zich verloren!
Twee minuten later zagen zij den vuurbol op de vreeselijkste wijze uiteenspatten. Maar zij hoorden niets, want in de ledige ruimte kon zich het geluid niet voortplanten, daar het geluid niets is dan een verplaatsing van luchtlagen.
Ontzettend, schouwspel! Het was als een geweldige uitbarsting van een vulkaan of een onmetelijke brand. Duizenden vonken en vuurbrokken van allerlei kleuren vlogen in het rond en van den reusachtigen vuurbol bleef niets over dan splinters, als sterretjes rondzwevende in de onmetelijke ruimte. Zij verspreidden zich ginds en herwaarts, en weldra was van het schrikwekkend vuurwerk niets meer te zien. De sterren blonken als gloeiende stipjes op den koolzwarten achtergrond van het uitspansel.
Het projectiel was ontsnapt aan een gevaar, even dreigend als onverwacht. Wie zou aan zulk een botsen tegen een vuurbol gedacht hebben? Deze rondzwervende voorwerpen konden voor onze vrienden allergevaarlijkst zijn. Het waren klippen in den oceaan der ruimte gezaaid, die zij niet konden ontzeilen. Maar beklagen deden zij zich over de uitgestane angsten niet, want het plotselinge licht had gedurende eenige seconden de anders onzichtbare maanschijf zichtbaar gemaakt. Met snellen blik hadden zij landen, zeeën en bosschen gezien. Was dan die Maanhelft bedekt door een levenswekkenden dampkring?
Het was half vier uur in den namiddag. Het projectiel beschreef nog altijd een kromme lijn om de Maan. Was die baan gewijzigd door den vaneengesprongen vuurkogel? Men kon het vreezen. In allen gevalle moest het projectiel een baan hebben volgens de wetten der werktuigkunde. Barbicane helde meer over om haar voor een parabool dan een hyperbool te houden. Maar in dat geval moest het projectiel zeer snel buiten de schaduwkegel der Maan geraakt zijn. Die schaduwkegel is zeer smal, daar de Maan zooveel kleiner is dan de zon. Toch zweefde het projectiel nog in die schaduw. Met welke snelheid—was niet bekend, maar gering kon die niet zijn, en toch nog altijd in die schaduw! Barbicane pijnigde zich vruchteloos om dat raadsel op te lossen.
Aan rust dachten geen van drieën. Aan eten evenmin, want hoewel Michel Ardan te vijf uur brood en vleesch voorzette, werd slechts vliegend een stukje genuttigd, want niemand wilde zijn raampje een oogenblik verlaten. Hun adem moest het glas ontdooid houden. Doch hun uitkijken was niet vruchteloos, want na een half uurtje zagen zij op de donkere maanschijf heldere lichtstippen die Barbicane aanstonds verklaarde als bergtoppen, reeds door de zon verlicht, terwijl de dalen nog in diepen nacht bedolven lagen.
De zon was dus voor dat gedeelte der Maan in aantocht. Zij verlichtte de bergtoppen aan den zuidelijken rand der Maan. Barbicane leidde er uit af, dat zij met snelheid de zuidpool naderden.
»En eerst de noordpool gehad,” merkte Michel Ardan op »dan hebben wij een toertje geheel rondom de Maan gedaan!”
niemand wilde zijn raampje een oogenblik verlaten. Bladz. 188.
»Daaruit volgt dan immers, dat wij voor geen parabolen of hyperbolen, voor geen kromme lijnen met lange beenen te vreezen hebben?”
»Daarvoor niet, maar onze baan is eene gesloten kromme lijn, een ellips. Waarschijnlijk zullen wij nu in een geregelde elliptische baan voor altijd om de Maan gaan loopen.”
»Dan zijn wij naar de Maan,” schertste de Franschman, »maar op een andere manier dan wij hadden gehoopt.”
Wat moest onder die omstandigheden van hen worden? Het projectiel mocht den rang van Maan der Maan krijgen, zij-zelven zouden al spoedig omkomen, en dan zou de bij-maan even onbewoond zijn als de Maan zelf scheen te wezen. Misschien zouden zij het lang genoeg houden om nog eens voor ’t laatst de Volle Aarde te zien, zich badende in de stralen der zon. Misschien nog een laatsten blik toezenden aan dien aardbol, welken zij niet meer zouden bereiken. De stralen der vriendelijke zon nog eens te genieten—dat zou het laatste zijn wat hun restte!
Van lieverlede begon Barbicane de halfverlichte bergen te herkennen. Het waren de Dörfel en de Leibnitz, die zich nabij de zuidpool der Maan verhieven. Het projectiel naderde die pool met eenparige snelheid.
Te 6 uur in den avond stond het projectiel boven de Maans-zuidpool ter hoogte van minstens 60 kilometer. Op gelijken afstand waren zij over de noordpool gegaan! Tegelijk kwamen zij in het zonlicht, dat met een levendig gejuich door hen werd begroet.
De Dörfel en de Leibnitz vertoonden die witte, blinkende vlakten, welke door den sterrenkundige Secchi worden vergeleken bij uitgespreide tafellakens. Nicholl verklaarde ze kort en goed voor sneeuwvelden en vond er een nieuw bewijs in voor zijn beweren, dat er lucht en water op de Maan aanwezig zijn. Doch overigens geen spoor van leven, alles even doodsch, eenzaam en dor.
Barbicane kwam door zijn herhaalde waarnemingen tot de zekerheid, dat aan de randen der maanschijf andere krachten moeten gewerkt hebben dan in haar midden. Het schijnt dat daar de korst toen zij nog niet tot vasten toestand was gekomen, ook onder den invloed van de aantrekking der aarde gestold is. Aan de zoomen daarentegen stond, om zoo te zeggen, de aantrekking der Aarde rechtstandig op die der Maan, zoodat althans dáar de bewering van Arago scheen te worden bewaarheid, »dat geen aantrekking van buiten gewerkt heeft op de vorming harer oppervlakte.”
Ofschoon dus alle spoor van tegenwoordig leven onbetwistbaar ontbrak, meende toch Michel Ardan een verwarden hoop klompen te hebben gezien, op welke hij de aandacht van Barbicane vestigde. Die stapels, als van steenen, hadden den vorm eener uitgestrekte vesting, die een der lange lichtstrepen bestreek, door sommigen vroeger voor de beddingen van uitgedroogde rivieren gehouden. Niet ver vandaar rees de ringberg Short, 5646 meter hoog. Michel Ardan verzekerde stoutweg, dat het een vesting was. Op kleinen afstand ontwaarde hij de ontmantelde wallen eener stad; hier, het nog ongeschonden gewelf eener poort; daar, twee of drie pilaren, liggende naast hun voetstukken; verder, een reeks bogen, die een waterleiding hadden moeten stutten; elders, de ingestorte pijlers eener reusachtige brug. Hij zag dat alles zeer duidelijk—maar met wat veel verbeelding in oog en kijker, zoodat op de nauwkeurigheid der waarnemingen nog al wat viel af te dingen.
Doch het duurde niet lang of al deze heerlijkheden waren weder verdwenen. Ook scheen de afstand tusschen de Maan en het projectiel toe te nemen, tengevolge waarvan de voorwerpen veel onduidelijker werden. Niettemin hadden zij toch het geluk den Clavius te zien.
Deze ringberg, een der merkwaardigste van de geheele maanschijf, wordt geschat op 7091 meter hoogte. Zij zagen hem op een afstand van 4000 kilometer.
»De vulkanen der Aarde,” zei Barbicane, »zijn slechts molshoopen in vergelijking met die der Maan.”
De oude kraters, door de oudste uitbarstingen van den Vesuvius en den Etna ontstaan, hebben nauwelijks eene doorsnede van 6000 meter. En wat is dit bij die van den Clavius, 227 kilometer? Die krater is wel de grootste dien wij op de Maan kennen, maar daar zijn er toch meer van 300, 150 en 100 kilometer.”
»Welk een prachtig gezicht moet het geweest zijn,” riep Michel Ardan uit, »toen die geweldige kraters, onder het ratelen van hevige donderslagen, rivieren van lava, hagelbuien van steenen en wolken van damp uitbraakten! En hoever is het nu van die grootsche tafereelen! Die Maan dáar is niets dan het mager geraamte van een schitterend vuurwerk, waarvan de papierproppen in het rond verstrooid liggen. Vanwaar toch die omkeering?”
Barbicane hoorde hem niet eens, zoo was hij verdiept in het begluren der wellen van den Clavius, wiens reusachtige krater door wel honderd kleinere omringd was—een onoverzienbaar groote schuimspaan, gelijk Michel Ardan het noemde. Doch alles dood en dor, geen teeken van leven.
Zoo snelden bergen en krater en bulten en holten onder hun oogen voorbij, totdat hun blikken eindelijk rustten op den Tycho, den prachtigsten van alle maanbergen.
Niemand, die ooit een kijker naar de Volle Maan gericht heeft, of hij heeft op haar zuiderhalfrond dat schitterend punt opgemerkt. Michel Ardan putte zijn geheelen voorraad van beelden en vergelijkingen uit om het te roemen. In zijn oog was de Tycho een gloeiend brandpunt van licht en gloed, een krater, niets dan vuurstralen brakende, de naaf van een schitterend rad, een onmetelijk oog dat vlammen schoot, een glorie om het hoofd van Pluto.
Men heeft geen kijker noodig om dat prachtig lichtpunt van de Aarde te zien, dat is: op een afstand van bijna 70,000 uren gaans. En wat moet het dan voor onze reizigers geweest zijn op een afstand van slechts 500 kilometer, en bovendien niet belemmerd door den dampkring! Hun oogen konden dan ook het gezicht van dien vuurgloed niet verdragen en Barbicane en zijn vrienden waren genoodzaakt hun kijkers te wapenen met de verdonkerende glazen, welke men gebruikt bij het waarnemen der zon. Stom van verbazing en geestdriftig staarden zij het prachtig schouwspel aan. Al hun gewaarwordingen vereenigden zich op dat éene punt, gelijk het leven in het hart.
De Tycho behoort tot die bergen, van welke lichtstrepen uitgaan, evenals de Aristarchus en de Copernicus. Maar hij is van alle de geregeldste en levert een krachtig bewijs, dat het tegenwoordig voorkomen der maanoppervlakte door vulkanische werkingen is ontstaan. De middellijn van zijn krater meet 87 kilometer. Die krater is niet volkomen rond, maar een weinig langwerpig en wordt omgeven door een menigte ringvormige wallen ter hoogte van 5000 meter. Het is als een kring Mont-blancs, van welke schitterend licht uitgaat.
Het opmerkelijke, alleen aan dezen berg eigen, is, dat zijn krater vol bulten is, die zelfs de photographie nog niet in staat was af te beelden. Bij Volle Maan vertoont zich de Tycho het prachtigst. Men ziet dan geen schaduw; het is éen aaneenschakeling van kraters, holten, heuvels, kammen, alsof alles in éen punt des tijds verstijfd is door natuurwerkingen, van welker kracht wij ons geen voorstelling kunnen maken.
Hun afstand van de Maan was op dat oogenblik niet zoo groot of zij konden den Tycho in de voornaamste bijzonderheden zien. Zelfs boven de vlakten in het rond staken een menigte afzonderlijke bergtoppen uit. Een stad, midden in dien krater gebouwd, zou onoverwinbaar sterk zijn geweest.
Hij zag dat alles zeer duidelijk. Bladz. 191.
Dit denkbeeld kwam ook op bij Michel Ardan, die zich niet kon weerhouden van uit te roepen: Wat een grootsche stad zou men binnen dezen ring van bergen kunnen stichten! Een stille, vreedzame wijkplaats, ver van al de ellenden van ons kortstondig bestaan! Hoe begeerlijk ware dat plekje voor menschenhaters, voor allen die een walg hebben van de samenleving!”
»En voor ons te klein!” was Barbicane’s opinie.
Intusschen was het projectiel voorbij den Tycho gedreven. Barbicane en zijn twee vrienden volgden met de grootstmogelijke nauwkeurigheid de schitterende lichtstrepen, die van den vermaarden berg naar alle zijden uitgaan.
»Wat waren ze? Welke werking had die strepen veroorzaakt?” Barbicane vroeg dit terecht.
Het schenen groeven te wezen, met opstaande randen; sommigen hadden een breedte van 20, anderen van 50 kilometer. Deze blinkende kanalen liepen hier en daar tot honderden mijlen ver; zoodat ze, vooral naar het oosten, noord-oosten en noorden, de helft van het zuiderhalfrond bedekten. Die voorwerpen zijn zeer raadselachtig. Herschel hield ze voor lava, door de kraters opgeworpen en door de koude verstijfd, maar deze meening heeft weinig bijval gevonden; andere sterrenkundigen voor reeksen van zwerfblokken, aldus gestrooid tijdens het ontstaan van den Tycho.
»En waarom zou dat niet zoo zijn?” vroeg Nicholl.
»Omdat het dan onverklaarbaar is, dat die lichtstrepen rechtlijnig zijn. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen, dat vulkanen daartoe kracht genoeg zouden hebben.”
»Ik vind zooveel moeielijkheid niet in de verklaring van het verschijnsel,” merkte Michel Ardan aan.
»Zoo?” vroeg Barbicane.
»’t Zijn niets dan scheuren,” meende de Franschman, »zooals in een glasruit ontstaan als men er met de hand een steentje door werpt.”
»En welke hand zou dat steentje geworpen hebben?” vroeg Barbicane.
»De hand laten wij daar, maar het steentje kan wel een komeet geweest zijn, of misschien ook een uitbarsting uit het inwendige der Maan.”
»Dus zooveel als een eruptie!”
Inmiddels was de invloed der zonnewarmte op het projectiel aanmerkelijk toegenomen. Kort geleden hadden de reizigers het fel koud, nu werden zij flauw van de hitte.
»Wij worden zoo zoetjes aan er op voorbereid om met die snelle afwisseling van hitte en koude maanbewoners te worden,” sprak Michel Ardan zich het gelaat afvegend.
»Daar hebben wij de maanbewoners weer!”
»Nu ja, maar ’t is toch wel de moeite waard daarover te spreken.”
»Dan doen zich,” antwoordde Barbicane, »twee vragen op: is de Maan bewoonbaar, en is zij bewoond geweest?”
»Dus eerst—is zij bewoonbaar?” zei Nicholl.
»Ik weet het niet,” verklaarde Michel Ardan.
»En ik zeg: neen!” sprak Barbicane met nadruk. »De Maan is meer dan waarschijnlijk niet bewoonbaar, ten minste in haar tegenwoordigen toestand, met geen of zoo weinig als geen lucht, met haar uitgedroogde zeeën, haar watergebrek, haar scherpe afwisseling van hitte en koude, haar nachten en dagen van 354 uren. Onder die omstandigheden kan er, dunkt me, geen dierlijk leven bestaan en geen behoefte van eenig levend wezen, zooals wij het begrijpen, vervuld worden.”
»Maar die wezens zouden anders gevormd kunnen zijn dan wij,” meende Nicholl.
»Dat is moeilijker te beslissen,” oordeelde Barbicane. »Toch zal ik het beproeven, maar moet beginnen met mijn vriend Nicholl te vragen, of hij niet gelooft, dat beweging een noodwendig uitvloeisel van leven is.”
»Zeker,” antwoordde Nicholl.
»Welnu. Wij hebben de oppervlakte der Maan waargenomen op een afstand van 500 kilometer en toch hebben wij op de geheele Maan het allergeringste spoor van eenige beweging niet gezien. Het bestaan van redelijke wezens zou toch wel door het een of ander gebleken zijn. Maar wat hebben wij gezien? Overal verschijnselen der doode stof, nergens een levende schepping. Indien er dus dierlijk leven is, moet het zich verscholen houden in afgronden en spelonken, onbereikbaar voor onzen blik. En dat kan ik niet denken, want men zou er dan toch wel ergens eenig spoor van bemerkt hebben. Maar—nergens! Er schiet dus niets over, dan aan te nemen dat er levende wezens zijn zonder eenige beweging.”
»Met andere woorden: levende wezens zonder leven,” zei Michel Ardan.
»Juist,” antwoordde Barbicane, »en dit is te dwaas om van te spreken.”
»Derhalve,” hernam Michel Ardan ernstig, »de commissie uit de Gun-club, gezien de jongste waarnemingen der Maan, besluit met eenparigheid van stemmen, dat deze tegenwoordig onbewoonbaar is.”
»En nu de tweede vraag,” sprak Nicholl. »Ik vraag aan de geachte commissie: indien de Maan tegenwoordig onbewoonbaar is, was zij dan vroeger bewoond?”
»Burger Barbicane heeft het woord,” zei Michel Ardan.
»Mijn vrienden,” begon deze, »ik heb deze onze reis niet afgewacht om een bepaalde meening te hebben over een vroegere bewoonbaarheid van een wachter onzer Aarde. Onze persoonlijke waarnemingen hebben mij in die meening versterkt. Ik ben volkomen overtuigd, dat de Maan eenmaal bewoond is geweest door menschen als wij zijn, dat zij een dierenwereld gehad heeft, gelijk aan de aardsche; maar tevens, dat dit alles voor altijd verdwenen is. Ik zeg daarmede niet, dat de Maan anders is dan de Aarde; wel echter, dat zij sneller verouderd is. De werkingen der stof zijn op en in haar heviger geweest dan met onze Aarde het geval is. Dit blijkt uit haren tegenwoordigen opgereten, verstijfden, doodschen toestand. Oorspronkelijk waren de Aarde en de Maan, beiden groote gaskogels, overgegaan, eerst in vloeistoffen, later in vaste zelfstandigheden. Onze Aarde bevond zich zeker nog in den gasvormigen of vloeibaren toestand, toen de Maan reeds in vaste stof was veranderd.”
»Dat laat zich wel hooren,” merkte Nicholl aan.
»Destijds,” ging Barbicane voort, »had de Maan een dampkring; haar wateren konden onder de drukking van dien dampkring niet in damp vervliegen. Onder den invloed van lucht, water, licht, zonnewarmte, was de grond bedekt met plantengroei, terwijl ook dierlijk leven zich openbaarde. Immers, de natuur doet niets nutteloos en een zoo uitnemend bewoonbare wereld moet noodzakelijk bewoond geweest zijn.”
»Er zijn toch omstandigheden, met het geheele wezen der Maan ten nauwste verbonden, die er naar mijn oordeel de ontwikkeling eener planten- en dierenwereld hebben moeten beletten, b. v. de dagen en nachten van 354 uren,” merkte Nicholl aan.
»En aan onze polen duren zij wel een half jaar,” viel Michel Ardan in.
»Dat bewijst weinig, want onze polen zijn niet bewoond.”
»Welk een prachtig gezicht moet het geweest zijn!” Bladz. 191.
Barbicane deed hen opmerken, dat, al maken die lange dagen en nachten in den tegenwoordigen toestand der Maan haar nu onbewoonbaar, dit vroeger toch het geval niet geweest is. De dampkring omsloot de Maan met een vochtigen mantel. De dampen stegen er in op in den vorm van nevels. Dit natuurlijk scherm temperde de gloeiende zonnehitte en belette ’s nachts de warmte-uitstraling. Licht en warmte konden zich in de lucht verspreiden. Aldus ontstond een evenwicht, dat thans niet meer bestaat, daar de maansdampkring zoo goed als geheel verdwenen is. Bovendien geloof ik niet, dat destijds die dagen en nachten zoo lang geduurd hebben, omdat waarschijnlijk alstoen de tijd van de aswenteling der Maan nog niet gelijk was aan die van haren omloop om de Aarde.”
»En waarom zijn zij dan nu gelijk?” vroeg Nicholl.
»Ten gevolge van de aantrekking der Aarde.”
»En wie zegt ons, dat die aantrekking krachtig genoeg was om de bewegingen der Maan te wijzigen toen de Aarde nog in vloeibaren toestand verkeerde?”
»Als gij aan de »wie zegt ons?” komt, dan vraag ik ook: wie zegt ons, dat de Maan altijd de wachter der Aarde is geweest?” zei Nicholl.
»En wie zegt ons, dat de Maan niet veel vroeger bestaan heeft dan de Aarde?” bracht Michel Ardan in het midden.
Zij staken met volle zeilen de zee van onderstellingen en mogelijkheden in. Maar Barbicane riep hen tot orde. Toch kon hij Michel Ardan niet beletten te vragen: »zou dan het menschdom van de Maan verdwenen zijn?”
»Zeker,” antwoordde Barbicane, »na ongetwijfeld millioenen eeuwen bestaan te hebben. Van lieverlede zal de lucht dunner zijn geworden en daarmede de Maan onbewoonbaarder, gelijk onze Aarde dat ook door het toenemen der koude zal worden.”
»Door het toenemen der koude?”
»Zonder twijfel. De maanoppervlakte is kouder geworden naarmate de inwendige vuren zijn uitgedoofd en de warmtestof zich heeft samengetrokken. Langzamerhand hebben de gevolgen daarvan zich vertoond: het verdwijnen van dierlijke wezens en van alle plantenleven. Door de aantrekking der Aarde werd de lucht al dunner en dunner; eindelijk verdween zij geheel. Toen werd de Maan onbewoonbaar en bijgevolg onbewoond, een doode wereld zooals wij haar nu zien.”
»En gij zegt, dat dit met de Aarde ook zal gebeuren?
»Waarschijnlijk.”
»Maar wanneer?”
»Wanneer de koude haar oppervlakte onbewoonbaar heeft gemaakt.”
»En heeft men daarvan den tijd berekend?”
»Zeker.”
»Laat hooren.”
»Volgens de waarschijnlijkste berekeningen zal de gemiddelde temperatuur der Aarde tot het vriespunt genaderd zijn na 400,000 jaren.”
»Dat is een molensteen van het hart!” riep Michel Ardan uit. »Zooals gij begont te dreigen, dacht ik, dat wij nauwelijks 50,000 jaar meer te leven hadden.”
De beide anderen lachten hartelijk om dezen uitval. Maar door de levendigheid van hun gesprek hadden zij niet bemerkt, dat het projectiel, na zijn gewone baan te hebben behouden tot boven den evenaar der Maan, zich opeens met snelle vaart van haar was gaan verwijderen.