133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven, en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij betreffen:
A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke moeten gescheiden blijven?
B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde woorden de deelen aaneenhechten.
134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt, dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht, en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat; vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken (hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout; het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later.
Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig, godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.—Of wel, een der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen) en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin.
135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen, de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd moeten worden; b.v. zonnelicht—licht der zon; geldbeurs—beurs voor geld; Godmensch—God en mensch, of goddelijk mensch; driehonderd—driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad—blad, waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden, omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef: De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd.
136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden; en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig, zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen:
137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen:
1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135).
2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen zou medebrengen.
Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle deugd met voeten treedt.
3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.
Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren, der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments, enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking, als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.
I.
138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden:
1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige, bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant, bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht, bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur, huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed, zeedijk, zijmuur,—allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken, nagelvast,—elkander,—buikspreken, knikkebollen, koorddansen, schaatsenrijden, watertanden, weggaan,—driehonderd, zestien enz.
Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd, vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden: twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal, honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen, zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen, indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.
139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los in de lucht zou hangen.
Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel, edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár, roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader, gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst, hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift, brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke samenstellingen gerekend worden.
Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven, samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,—indroog, ingierig, ingoed, ingoor, inlui,—overgroot, overklein, overoud, overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed, in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.
140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven, maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker, of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.
Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er, -ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker; achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping, landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het inachtnemen, het terechtbrengen enz.
Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch, vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch, nieuwmodisch, zoetemelksch.
Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks, nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans (te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs), vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks (van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds, loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te, van enz. overtollig zouden worden.
Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd; men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde (daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.
II.
141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de juiste opvatting noodzakelijk is.
Tot dergelijke vereenigingen behooren:
142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden, raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen, goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden, liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken; grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven, voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz.
Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en — slaan, staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt: acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken, hoogen prijs op iets stellen.
Daar de uitdrukkingen plaats nemen, — hebben, — vinden eene dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat, zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is, en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen.
Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten, zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen, als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking van hoog achten, niet van hoogachten.
143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan, bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen, overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen, doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd, maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd, òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden, als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen, misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen, voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz.
144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel, vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt, welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud, alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis staan.
Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren, Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard, Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139.
Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend, alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen, dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.—Almachtig is gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.)
145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande, hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel, lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont, een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip; donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de aanmerking in § 142.
146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen.
Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene; hetgeen of hetgene.—Diegene en datgene verschillen van degene en hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven.
In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren, daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden; thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en, gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk.
In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting (als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden, in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken.
Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve, hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden te schrijven: dezelve, hetzelve.
Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde.
Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden; daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel, en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve, slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere hoedanigheid, uitdrukt.
Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen, gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd; Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen” enz.
De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne verbuiging behoudt.
147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia, waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre, zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz., verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz.
Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom, middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan, achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit; onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks: achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz.
Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit.
148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier, daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit), daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz.
Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door, overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht; Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben.
149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een voorzetsel, gevolgd
a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg, overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz.
b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier, vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden).
c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen, uiteen.
Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water, ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet, ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel, te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht, ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz.
Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft, maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd, terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen op dezen regel.
In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan, -geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen.
De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor, maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141 behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen, teloorgaan.
Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als: bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van toeval voorkomt.
150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover, rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van, in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook: uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid, op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien, ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz.
Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding, in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip van een samengesteld voorzetsel geheel.
151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben, en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl, doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij, hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven, daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat.
Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate: Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate (of naar de mate) van zijne diensten beloond worden.
152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven wildet (hoe zou ik mij verheugen).
III.
153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken. Hiertoe behooren:
1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets, blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz.
2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis, buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands, binnenstijds, enz.
3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt, als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate.
4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate, destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als: desbevoegd, deskundige, weshalve.
5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg), gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze; hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat.
Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren, waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den eigenlijken zin wordt opgevat.
154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd.
155. Men bezigt uit dien hoofde het koppelteeken:
1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde adjectieven voorkomen, als:
a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie, Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz.
Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden, en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor Messina’s-appel, enz.
b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout, Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz.
c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch, Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch enz.
156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of militaire betrekkingen, bestaan
a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur, ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident, procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier, auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal, luitenant-kolonel, sergeant-majoor.
b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt: grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger, staten-generaal, raad-pensionaris enz.
157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië, Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte.
Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is; dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee, Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant, Hartsgebergte, Reuzengebergte.
158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting, platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, groot-zegelbewaarder, ’s-Heerenberg, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje, oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch, desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis, Lieve-Vrouwenkerk enz.
159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd); ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor, of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt, die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door komma’s zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd, die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien, vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz.
160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren, waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd, hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet, ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van § 140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz.